Summary
# Luchtweginfecties veroorzaakt door bacteriën
Hier is een gedetailleerde studiehandleiding over luchtweginfecties veroorzaakt door bacteriën.
## 1. Inleiding tot bacteriële luchtweginfecties
Bacteriële luchtweginfecties worden veroorzaakt door een breed scala aan bacteriën die kunnen variëren van veelvoorkomende verwekkers die typische pneumonieën veroorzaken tot meer specifieke pathogenen die zeldzamere, maar ernstige ziekten kunnen veroorzaken.
### 1.1 'Typische' bacteriële verwekkers
Dit zijn de meest voorkomende bacteriën die pneumonie veroorzaken, vaak gekenmerkt door een lobaire consolidatie op röntgenfoto's.
#### 1.1.1 Streptococcus pneumoniae
* **Kenmerken:**
* Gram-positieve coccen, vaak voorkomend in paren (diplokokken).
* Facultatief anaëroob.
* Indeling is mogelijk op basis van hemolyse (alfa, bèta, gamma) en serologische indeling (Lancefield-groepen).
* Heeft een dikke celwand met een belangrijke peptidoglycaanlaag.
* **Kapsel (glycocalyx):** Een belangrijke virulentiefactor. Het is een scherp begrensde laag van polysachariden of eiwitten die de bacterie beschermt tegen fagocytose en opsonisatie door het complementsysteem. Er zijn ongeveer 90 verschillende serotypen van het kapsel, wat de basis vormt voor typering en vaccinontwikkeling.
* **Pneumolysine:** Een toxine dat ontsteking veroorzaakt.
* **Neuraminidase:** Een enzym dat verspreiding bevordert.
* **Pathogenese en Ziektebeelden:**
* Koloniseert de mucosa van de bovenste luchtwegen, wat de basis is voor transmissie en invasieve ziekte.
* Verspreiding kan leiden tot:
* **Pneumonie:** Infectie van de longen, vaak met lobaire consolidatie.
* **Bacteriëmie:** Verspreiding van bacteriën naar de bloedbaan.
* **Meningitis:** Infectie van de hersenvliezen.
* **Otitis media:** Middenoorontsteking.
* Factoren die verspreiding beïnvloeden zijn onder andere pneumolysine (bevordert inflammatie en slijmvliesloslating), kapseltype, virale co-infecties (verhogen verspreiding) en interactie met epitheelcellen.
* Vaccinatie (PCV-vaccins) is gericht tegen de kapselpolysachariden.
#### 1.1.2 Haemophilus influenzae
* Gram-negatieve staafjes, facultatief anaëroob.
* Vereist factor X (heïne) en factor V (NAD) voor groei.
* **Twee groepen:**
* **Typeerbare stammen:** Hebben een kapselpolysacharide, met 6 serotypen (a t/m f). Type b (Hib) is historisch de meest pathogene.
* **Niet-typeerbare stammen (NTHi):** Hebben geen kapsel en veroorzaken vaker infecties van de middenoor, sinussen en bronchiën.
* **Kapsel:** Cruciaal voor het vermogen om dieper in het lichaam door te dringen (bloedbaan, hersenen).
* **Omkapselde stammen (vooral type b):** Veroorzaakten ernstige invasieve ziekten zoals epiglottitis, meningitis en sepsis, vooral bij kinderen.
* **Niet-omkapselde stammen:** Verantwoordelijk voor minder ernstige infecties van de bovenste luchtwegen (middenoorontsteking, sinusitis, bronchitis).
* **Epidemiologie:** Commensalen van de tractus respiratorius; niet-omkapselde stammen komen veel vaker voor (>95%) dan omkapselde stammen (<5%).
* **Vaccinatie:** Vaccinatie tegen *Haemophilus influenzae* type b (Hib) heeft de incidentie van invasieve ziekten door deze bacterie drastisch verminderd.
### 1.2 'Atypische' bacteriële verwekkers van pneumonie
Deze pathogenen onderscheiden zich van de 'typische' verwekkers door hun unieke kenmerken en vaak langzamer ontwikkelende of minder duidelijke symptomen.
#### 1.2.1 Legionella spp.
* Gram-negatieve staafjes.
* Moeilijk te kleuren en te kweken; vereisen speciale voedingsbodems.
* Optimaal groei bij temperaturen van 45-50°C, en overleven bij 65°C.
* **Reservoir:** Zoetwateromgevingen, intracellulair levend in amoeben.
* *Legionella pneumophila* is de belangrijkste verwekker (>85% van de infecties), met meer dan 30 soorten en 6 serogroepen.
* **Pathogenese:** Remt de normale fagosoom-lysosoom fusie binnen macrofagen, waardoor de bacterie zich kan vermenigvuldigen. Produceert proteasen die cellen lyseren en inflammatie veroorzaken. De vorming van een replicatieve vacuole (LCV) die vesikels uit het endoplasmatisch reticulum en mitochondriën aantrekt, is kenmerkend.
* **Legionellaziekte (veteranenziekte):** Een ernstige pneumonie die ook andere orgaansystemen kan aantasten.
* **Besmetting:** Inhalatie van aerosolen (bijvoorbeeld uit airconditioningssystemen, douches, jacuzzi's). Geen overdracht van mens op mens.
* **Risicofactoren:** Leeftijd (ouderen), verminderde longafweer (roken, chronische bronchitis), verminderde immuniteit.
* **Kliniek:** Ernstige pneumonie, vaak met koorts, spierpijn, niet-productieve hoest, kortademigheid, misselijkheid en braken. Kan leiden tot multiorgaanfalen.
* **Preventie:** Controle van waterkwaliteit, thermische eliminatie van de bacterie in leidingen.
#### 1.2.2 Mycoplasma pneumoniae
* De kleinste bekende bacteriën (0,1–0,3 μm).
* Géén celwand, maar wel een stevige celmembraan.
* Wel kweekbaar, maar langzame groei en kleine kolonies.
* **Virulentiefactoren:** Adhesine P1-eiwit.
* **Dragerschap/kolonisatie:** Kan voorkomen.
* **Respiratoire infecties:**
* **Pneumonie:** Mild, maar kan langdurig zijn.
* **Keelontsteking:** Rode keel, wit beslag, gezwollen halsklieren.
* **Niet-respiratoire manifestaties:** Soms meningitis, conjunctivitis, erythema multiforme.
* **Epidemiologie:** Epidemieën komen ongeveer om de 4-8 jaar voor bij kinderen en jonge volwassenen.
#### 1.2.3 Chlamydia pneumoniae
* Vertegenwoordigt één serovar binnen het genus *Chlamydia*.
* Verwant aan *Chlamydia psittaci* (veroorzaakt psittacose) en *Chlamydia trachomatis* (veroorzaakt trachoom, LGV, SOA's).
* Heeft een complexe levenscyclus met elementaire en reticulaire lichamen.
* **Luchtweginfecties:**
* **Faryngitis:** Keelontsteking.
* **Pneumonie:** Veroorzaakt vaak een atypische, langdurige pneumonie.
* **Reservoir en gastheer:** Mens.
#### 1.2.4 Coxiella burnetii (Q-koorts)
* Een bacterie die obligaat intracellulair parasiteert.
* **Reservoir:** Dieren (vee).
* **Transmissie:** Via aerosolen (uit poep of melk van geïnfecteerde dieren), soms via melk.
* **Q-koorts:**
* **Kliniek:** Koorts, griepaal syndroom, pneumonie, hepatitis.
* **Complicaties:** Kan leiden tot chronische infecties zoals endocarditis, hepatitis, en botinfecties, vooral bij patiënten met onderliggende hartklepproblemen of een verminderde immuniteit.
* **Incubatietijd:** Ongeveer 3 weken.
* **Behandeling:** Atypische verwekkers worden doorgaans behandeld met macroliden of tetracyclines.
### 1.3 'Kinderziekten' en vaccin-preventieve luchtweginfecties
Deze bacteriën waren historisch gezien belangrijke oorzaken van ziekte en sterfte bij kinderen, maar zijn door vaccinatie veel beter onder controle.
#### 1.3.1 Bordetella pertussis (Kinkhoest)
* Gram-negatief staafje, strikt aeroob.
* Drie soorten: *B. pertussis* (kinkhoest), *B. parapertussis* en *B. bronchiseptica* (commensalen).
* **Virulentiefactoren:**
* **Fimbriae/filamentus hemagglutinine:** Voor adhesie aan epitheelcellen.
* **Tracheaal cytotoxine:** Vernietigt trilhaarepitheelcellen, wat leidt tot verlies van mucociliaire klaring.
* **Adenylcyclase toxine:** Interferentie met cAMP, beperkt activiteit van fagocyten en bevordert intracellulair overleven.
* **Pertussis toxine (PT):** Een AB5-toxine dat de G-proteïne signalering in gastheercellen verstoort, wat leidt tot onderdrukking van de immuunrespons.
* **Groeit langzaam:** Op speciale media (3-5 dagen).
* **Kinkhoest:** Gekenmerkt door een initieel verkoudheidsstadium gevolgd door karakteristieke hoestbuien (paroxysmen), vaak gevolgd door braken. Gierende ademhaling ('whoop') bij kinderen. Vooral 's nachts verergering.
* **Besmetting:** Via druppels (respiratoire route). Zeer besmettelijk.
* **Epidemiologie:** Ondanks vaccinatie nog steeds een wereldwijd gezondheidsprobleem, vooral bij ongevaccineerde zuigelingen en bij opflakkeringen door afnemende immuniteit.
* **Immuniteit:** Langdurig, vooral tegen pertussis toxine.
* **Vaccinatie:** DTP-vaccin (difterie, tetanus, pertussis).
#### 1.3.2 Corynebacterium diphtheriae (Difterie/Kroep)
* Gram-positieve, knotsvormige bacillen, liggen vaak in Chinese letter-formaties.
* Aeroob.
* Geen sporen, geen kapsel.
* **Exotoxine:** Geproduceerd door bacteriën geïnfecteerd met een lysogene faag. Dit toxine is de belangrijkste virulentiefactor.
* *C. ulcerans* kan een difterie-achtige ziekte veroorzaken.
* **Difterie:**
* **Lokale infectie:** Keelontsteking met vorming van een pseudomembraan (wit beslag) op de tonsillen en farynx, wat obstructie van de luchtwegen kan veroorzaken ('kroep').
* **Systemische effecten:** Het exotoxine kan leiden tot lokale necrose, oedeem, myocarditis (hartschade, ritmestoornissen) en neurotoxiciteit (verlammingen).
* **Besmetting:** Via druppels en direct contact met respiratoire secreties. Asymptomatische dragers kunnen de bacterie verspreiden.
* **Epidemiologie:** Vooral risicovol bij bevolkingsgroepen met lage vaccinatiegraad.
* **Behandeling:** Antitoxine (neutraliseert vrij toxine) en antibiotica (stoppen toxineproductie en verminderen verspreiding). Vroege toediening van antitoxine is cruciaal.
* **Vaccinatie:** Gemaakt met geïnactiveerd toxine (toxoïd). Immuniteit is niet levenslang beschermend, vaccinatie na genezing is aanbevolen.
#### 1.3.3 Mycobacterium tuberculosis (Tuberculose)
* Zuurvaste staven (door een waslaagje met mycolinezuur in de celwand).
* Niet ingedeeld in Gram-positief of -negatief; vereist specifieke Ziehl-Nielsen kleuring.
* **Zeer trage groei:** Delingstijd van 20-24 uur, kweek duurt 4-6 weken.
* **Reservoir:** Voornamelijk mens (*M. tuberculosis*). *M. bovis* komt bij runderen voor.
* **Mycobacteriën:** Er zijn veel soorten, waaronder niet-tuberculeuze mycobacteriën (NTM).
* **Primaire infectie:** Inhalatie van mycobacteriën, opname door alveolaire macrofagen. Kan leiden tot een initiële (vaak asymptomatische) infectie die wordt ingekapseld in granulomen (tuberkels).
* **Latente tuberculose:** De bacteriën kunnen jarenlang in een slapende toestand aanwezig zijn. Patiënten zijn niet ziek en niet besmettelijk. Diagnose kan via tuberculinetest (Mantoux) of bloedtesten (IGRA).
* **Actieve tuberculose:** Reactivatie treedt op wanneer het immuunsysteem verzwakt is (bv. bij HIV, ondervoeding, oudere leeftijd, immunosuppressieve therapie). De bacteriën vermenigvuldigen zich opnieuw, granulomen breken open, en de patiënt wordt besmettelijk.
* **Pulmonaire tuberculose:** Meest voorkomend, met symptomen als chronische hoest (soms bloederig sputum), koorts, gewichtsverlies, nachtzweten.
* **Extra-pulmonaire tuberculose:** Kan andere organen aantasten (lymfeklieren, hersenen, botten, urinewegen, etc.).
* **Miliaire tuberculose:** Gegeneraliseerde verspreiding via de bloedbaan.
* **Transmissie:** Via aerosolen bij hoesten.
* **Diagnostiek:** Sputumkleuring (zuurvaste staven), kweek, moleculaire tests.
* **Preventie/Behandeling:** BCG-vaccin (beschermt jonge kinderen tegen ernstige vormen), behandeling met een combinatie van antibiotica (doorgaans 6 maanden). Multiresistente tuberculose (MDR-TB) is een groeiend probleem.
### 1.4 Nosocomiale bacteriële luchtweginfecties
Dit zijn infecties die in de zorgomgeving worden opgelopen, vaak bij patiënten met een verminderde weerstand of door invasieve medische procedures.
#### 1.4.1 Pseudomonas aeruginosa
* Gram-negatieve staaf.
* Produceert een kenmerkende groenige, zoetgeurende kolonie op kweek.
* **Aanpassingsvermogen:** Kan goed overleven in diverse omgevingen, inclusief water en vochtige oppervlakken.
* **Resistentie:** Verwerft gemakkelijk antibioticumresistentie, vaak door de aanwezigheid van effluxpompen en bèta-lactamases.
* Vaak geassocieerd met **ventilator-geassocieerde pneumonie (VAP)** bij patiënten op intensieve zorg.
* Kan ook chronische infecties veroorzaken, met name bij patiënten met cystische fibrose (taaislijmziekte).
* Kan ook infecties veroorzaken in wonden, urinewegen en de bloedbaan.
* **Virulentiefactoren:** Produceert diverse toxines en enzymen die weefselschade en immuunonderdrukking veroorzaken.
#### 1.4.2 Acinetobacter baumanii
* Kan zeer goed overleven in de omgeving en op oppervlakken.
* **Resistentie:** Bekend om zijn hoge mate van antibioticumresistentie, waaronder resistentie tegen carbapenems.
* Een belangrijke oorzaak van nosocomiale infecties, waaronder VAP.
* Kan ook infecties van de huid, urinewegen en bloedbaan veroorzaken.
* Vaak geassocieerd met ernstig zieke patiënten in ziekenhuizen.
### 1.5 Bacteriële meningitis (als complicatie of primaire infectie)
Hoewel niet altijd primair een luchtweginfectie, is bacteriële meningitis vaak het gevolg van verspreiding vanuit de luchtwegen of nasofarynx.
#### 1.5.1 Neisseria meningitidis (Meningokok)
* Gram-negatieve diplokok, strikt aeroob.
* **Kapsel:** 12 serogroepen, met A, B, C, Y en W-135 als de belangrijkste pathogene groepen. Groep B en C zijn het meest voorkomend in Europa.
* Moeilijk kweekbaar.
* **Pathogeen vermogen:** Acute sepsis (meningococcensepsis) met of zonder meningitis, gekenmerkt door snelle progressie en een hoge mortaliteit.
* **Epidemiologie:** Natuurlijke 'habitat' is de nasofarynx van de mens. Kan epidemieën veroorzaken, met name in de 'meningitis belt' in Afrika.
* **Meningitis:** Ontsteking van de hersenvliezen, met symptomen als koorts, hoofdpijn, nekstijfheid, fotofobie en soms bewustzijnsverlies.
* **Meningococcensepsis:** Sepsis met purpura (niet-wegdrukbare huidbloedingen), wat duidt op ernstige bloedvatbeschadiging.
* **Behandeling:** Empirisch starten met breedspectrum antibiotica (bv. ceftriaxon).
* **Preventie:** Vaccinatie tegen specifieke serogroepen.
#### 1.5.2 Streptococcus pneumoniae (Pneumokok)
* Zie sectie 1.1.1. *S. pneumoniae* is ook een belangrijke verwekker van bacteriële meningitis, vooral bij ouderen.
#### 1.5.3 Haemophilus influenzae type b (Hib)
* Zie sectie 1.1.2. Hoewel vaccin-preventief, kan het nog steeds voorkomen bij ongevaccineerde populaties en is het een belangrijke oorzaak van meningitis bij kinderen.
### 1.6 Overige bacteriële verwekkers met luchtweginfecties
#### 1.6.1 Clostridium tetani (Tetanus)
* Gram-positieve staaf, anaëroob.
* Produceert een krachtig exotoxine (tetanospasmine).
* **Reservoir:** Darm van herbivoren, grond, stof.
* **Tetanus:** Veroorzaakt door het exotoxine dat de motorische zenuwfunctie verstoort, leidend tot spierstijfheid en krampen (trismus, opistotonus). Het toxin blokkeert inhibitore neurotransmitters.
* **Besmetting:** Via wonden die besmet zijn met sporen, met name diepe of vuile wonden.
* **Epidemiologie:** Zeldzaam in landen met goede vaccinatiegraad. Neonatale tetanus is een probleem bij onhygiënische bevallingsmethoden.
* **Behandeling:** Antitoxine (passieve immuniteit), antibiotica, spierverslappers.
* **Preventie:** Vaccinatie met tetanus-toxoïd.
#### 1.6.2 Clostridium botulinum (Botulisme)
* Produceert een potent neurotoxine.
* **Reservoir:** Darm van mens en dier, grond.
* **Botulisme:** Veroorzaakt door inname van het toxine (meestal via gecontamineerd voedsel, bv. ingemaakte producten) of door sporen die in de darm uitgroeien.
* Het toxine blokkeert de afgifte van acetylcholine in de neuromusculaire synaps, wat leidt tot een afdalende, slappe verlamming. Ademhalingsspieren kunnen worden aangetast, wat dodelijk is.
* **Preventie:** Goede voedselbereiding (verhitten), correct conserveren. Honing kan sporen bevatten en mag niet aan jonge kinderen worden gegeven.
* **Behandeling:** Botulinetoxine-antitoxine (moet vroegtijdig worden toegediend).
### 1.7 Afweermechanismen van de luchtwegen
De luchtwegen beschikken over verschillende afweermechanismen om pathogenen te bestrijden:
* **Slijmvlies:** Werkt als filter en vangt pathogenen op.
* **Trilhaartjes (brush border):** Helpen bij het verwijderen van ingeademde deeltjes en pathogenen via de mucociliaire klaring.
* **Slijm:** Bedekt de luchtwegmucosa en bevat antimicrobiële stoffen.
* **Cellulaire afweer:** Onder het slijmvlies bevinden zich lymfocyten, dendritische cellen en macrofagen die pathogenen kunnen detecteren en fagocyteren.
* **Neus:** Filtert al een groot deel van de ingeademde pathogenen.
> **Tip:** Een diepgaand begrip van de specifieke kenmerken van elke bacterie, hun virulentiefactoren en de interactie met het immuunsysteem is cruciaal voor het stellen van de juiste diagnose en het kiezen van de meest effectieve behandeling.
---
Dit document beschrijft verschillende bacteriële verwekkers van luchtweginfecties, hun kenmerken en de ziektebeelden die ze veroorzaken.
## 1. Bacteriële luchtweginfecties
Luchtweginfecties kunnen door diverse bacteriën worden veroorzaakt, variërend van veelvoorkomende verwekkers zoals *Streptococcus pneumoniae* en *Haemophilus influenzae* tot minder gangbare, maar potentieel ernstige pathogenen.
### 1.1 Streptococcus pneumoniae
*Streptococcus pneumoniae* (pneumokok) is een belangrijke verwekker van pneumonie, otitis media en meningitis.
#### 1.1.1 Kenmerken
* **Morfologie:** Gram-positieve diplokokken (liggen in paartjes).
* **Kapsel:** Bezit een polysaccharide kapsel (glycocalyx) dat fungeert als een belangrijke virulentiefactor. Dit kapsel remt opsonisatie door complement en voorkomt fagocytose. Er zijn ongeveer 90 verschillende serotypen bekend.
* **Kapsel:** Belangrijkste virulentiefactor voor antifagocytose en overleving in de gastheer.
* **Neuraminidase:** Een enzym dat bijdraagt aan de verspreiding van de bacterie.
#### 1.1.2 Ziektebeelden
* **Kolonisatie:** *S. pneumoniae* koloniseert de mucosa van de bovenste luchtwegen. Dit is een voorwaarde voor zowel transmissie als invasieve ziekte.
* **Transmissie:** Via neusgeuren en direct contact. Factoren zoals inflammatie (door pneumolysine of virale co-infecties) en het type kapsel kunnen de verspreiding (shedding) beïnvloeden.
* **Invasieve ziekte:** Disseminatie buiten de niche kan leiden tot pneumonie, meningitis en otitis media.
* **Resistentie:** Een toenemende trend in resistentie tegen antibiotica wordt waargenomen.
### 1.2 Haemophilus influenzae
*Haemophilus influenzae* is een Gram-negatieve staaf die diverse luchtweginfecties kan veroorzaken.
#### 1.2.1 Kenmerken
* **Morfologie:** Gram-negatieve staafjes.
* **Groei:** Vereist factor X en factor V voor groei.
* **Classificatie:**
* **Typeerbare stammen:** Hebben een kapselpolysaccharide (6 serotypen, a-f).
* **Niet-typeerbare stammen:** Hebben geen kapsel.
#### 1.2.2 Ziektebeelden
* **Niet-omkapselde stammen:** Veroorzaken infecties van het middenoor, sinussen en bronchiën.
* **Omkapselde stammen (met name type b - Hib):** Kunnen ernstigere infecties veroorzaken zoals epiglottitis en meningitis. Het kapsel is hierbij essentieel voor invasie in de bloedbaan en verdere verspreiding.
* **Epidemiologie:** Niet-omkapselde stammen zijn commensalen in de tractus respiratorius bij meer dan 95% van de bevolking, terwijl omkapselde stammen minder frequent voorkomen.
* **Preventie:** Vaccinatie tegen *Haemophilus influenzae* type b is zeer effectief.
### 1.3 Bordetella pertussis
*Bordetella pertussis* is de belangrijkste verwekker van kinkhoest.
#### 1.3.1 Kenmerken
* **Groei:** Aeroob, groeit langzaam op speciale voedingsbodems.
* **Species:** Naast *B. pertussis* bestaan ook *B. parapertussis* en *B. bronchiseptica*, die respectievelijk minder pathogeen zijn of voornamelijk dieren infecteren.
#### 1.3.2 Virulentiefactoren
* **Adherentie:** Fimbriae en filamentus hemagglutinine zorgen voor specificiteit in aanhechting aan epitheelcellen.
* **Toxines:**
* **Tracheaal cytotoxine:** Vernietigt epitheelcellen in de trachea, wat leidt tot IL-1 en een immuunrespons.
* **Adenylcyclase toxine:** Interfereren met cAMP-signalering, wat de activiteit van fagocyten beperkt.
* **Pertussis toxine (PT):** Een AB5-toxine dat de functie van G-proteïnen verstoort, leidend tot suppressie van inflammatoire cytokines en inhibitie van immuuncelrecrutering.
* **Labiel toxine (LT):** Vrijkomend bij lysis, veroorzaakt weefselschade.
#### 1.3.3 Ziektebeelden
* **Geschiedenis:** Kinkhoest was een belangrijke doodsoorzaak bij kinderen; vaccinatie heeft de incidentie drastisch verminderd.
* **Klinisch verloop:**
* **Incubatietijd:** 1-2 weken.
* **Status catarrhalis:** Symptomen van een bovenste luchtweginfectie (neusverkoudheid, tranende ogen).
* **Hoest paroxisme:** Kenmerkende hoestbuien, vaak gevolgd door braken.
* **Epidemiologie:** Obligate parasiet van de mens met hoge besmettelijkheid.
* **Preventie:** Vaccinatie (DTP-vaccin).
### 1.4 Corynebacterium diphtheriae
*Corynebacterium diphtheriae* is de verwekker van difterie (kroep).
#### 1.4.1 Kenmerken
* **Morfologie:** Gram-positieve, knotsvormige bacillen die in Chinese-letterformaties kunnen liggen. Anaeroob.
* **Structuren:** Geen sporen, geen kapsel.
* **Transmissie:** Via druppels (droplets) en direct contact met respiratoire secreties. Asymptomatische dragers zijn een belangrijke bron van besmetting.
#### 1.4.2 Virulentiefactor
* **Exotoxine:** Geproduceerd door gefageerde stammen. Dit toxine remt de eiwitsynthese in gastheercellen, wat leidt tot lokale necrose, oedeem, en mogelijk systemische toxiciteit (hart- en zenuwschade).
#### 1.4.3 Ziektebeelden
* **Lokale effecten:** Keelpijn, koorts, grote gevoelige halsklieren, wit beslag op de tonsillen (necrose).
* **Systemische effecten:** Myocarditis (hartontsteking) en neurotoxiciteit (verlammingen) kunnen optreden, meestal 1-2 weken na aanvang van de ziekte.
* **Mortaliteit:** Variërend van 3.5 tot 12%.
* **Diagnostiek en behandeling:** Klinische verdenking, Gram-kleuring en kweek, toxinedetectie. Behandeling met antitoxine (moet vroeg worden toegediend) en antibiotica (om toxineproductie te stoppen en transmissie te verminderen). Vaccinatie na herstel is noodzakelijk omdat immuniteit niet levenslang is.
### 1.5 Legionella pneumophila
*Legionella pneumophila* is de belangrijkste verwekker van de veteranenziekte (Legionella-pneumonie).
#### 1.5.1 Kenmerken
* **Morfologie:** Gram-negatieve staafjes, beweeglijk.
* **Kweek:** Moeilijk te kweken, vereist speciale voedingsbodems. Groeit optimaal bij hoge temperaturen (45-50°C), weerstaat 65°C.
* **Reservoir:** Zoet water; leeft intracellulair in amoeben.
* **Transmissie:** Inhalatie van geaërosoliseerde waterdruppels; géén mens-op-mens overdracht.
#### 1.5.2 Pathogenese
* *L. pneumophila* wordt opgenomen door alveolaire macrofagen.
* Het remt de fusie van het fagosoom met lysosomen, waardoor het intracellulair kan vermenigvuldigen.
* Het produceert proteasen die cellen lyseren en cytokines vrijgeven, wat inflammatie en rekrutering van monocyten en granulocyten veroorzaakt.
* De eliminatie berust voornamelijk op cellulaire immuniteit (geactiveerde macrofagen).
#### 1.5.3 Ziektebeelden
* **Legionnaire's ziekte:** Ernstige pneumonie, vaak met aantasting van meerdere orgaansystemen.
* **Risicofactoren:** Leeftijd, verminderde longafweer (roken, chronische bronchitis), verminderde immuniteit.
* **Preventie:** Eliminatie van de bacterie in waterinstallaties (bijvoorbeeld door verwarming van boilers tot 60°C).
### 1.6 Mycoplasma pneumoniae
*Mycoplasma pneumoniae* is een kleine bacterie die atypische pneumonie kan veroorzaken.
#### 1.6.1 Kenmerken
* **Morfologie:** Kleinste bacterie, 0.1-0.3 μm, géén celwand, wel een celmembraan.
* **Kweek:** Kweekbaar, maar met langzame groei en kleine kolonies.
#### 1.6.2 Ziektebeelden
* **Epidemiologie:** Komt voor in epidemieën om de 4-8 jaar bij kinderen en jonge volwassenen.
* **Infecties:**
* **Respiratoir:** Milde, maar langdurige pneumonie; keelontsteking met rode keel, wit beslag, gezwollen halsklieren.
* **Niet-respiratoir:** Meningitis, conjunctivitis, erythema multiforme.
### 1.7 Chlamydiae
Chlamydiae zijn intracellulaire bacteriën die diverse infecties kunnen veroorzaken.
#### 1.7.1 Soorten en Ziektebeelden
* ***C. psittaci:***
* **Reservoir:** Vogels.
* **Ziektebeeld:** Psittacose (papegaaienziekte), een pneumonie na inhalatie van aerosolen van vogeluitwerpselen.
* ***C. trachomatis:***
* **Ziektebeelden:** Trachoom (chronische folliculaire keratoconjunctivitis), lymfogranuloma venereum (genitaal ulcus, lymfadenitis), seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA's) zoals cervicitis, endometritis, PID, epididymitis, urethritis, inclusieconjunctivitis.
* ***C. pneumoniae:***
* **Ziektebeelden:** Faryngitis, pneumonie.
### 1.8 Coxiella burnetii
*Coxiella burnetii* is de verwekker van Q-koorts.
#### 1.8.1 Kenmerken
* **Transmissie:** Via aerosolen, soms via melk.
#### 1.8.2 Ziektebeelden
* **Inkubatietijd:** Ongeveer 3 weken.
* **Symptomen:** Griepaal syndroom, pneumonie, hepatitis, endocarditis.
#### 1.8.3 Preventie en Behandeling
* Behandeling met macroliden of tetracyclines.
### 1.9 Nosocomiale luchtweginfecties (bv. Pseudomonas, Acinetobacter)
Bacteriën zoals *Pseudomonas aeruginosa* en *Acinetobacter baumanii* zijn belangrijke verwekkers van nosocomiale (zorg-gerelateerde) infecties, met name ventilator-geassocieerde pneumonie (VAP).
#### 1.9.1 Kenmerken
* **Pseudomonas aeruginosa:** Gram-negatieve staaf, vaak geassocieerd met chronische patiënten, natte wonden en medische apparatuur. Produceert vaak een slijmerige, groenige afscheiding en heeft een zoete geur.
* **Acinetobacter baumanii:** Kan goed overleven in de omgeving en op oppervlakken, kan de tractus respiratorius koloniseren en infecteren.
#### 1.9.2 Antibioticaresistentie
Deze bacteriën vertonen vaak multiresistentie, wat de behandeling bemoeilijkt. Er is een voortdurende noodzaak voor de ontwikkeling van nieuwe antibiotica.
#### 1.9.3 Behandeling
Behandeling vereist vaak specifieke, breed-spectrum antibiotica, zoals ceftazidime, piperacillin-tazobactam, meropenem, al dan niet in combinatie met andere middelen zoals amikacine of avibactam.
### 1.10 Mycobacterium tuberculosis
*Mycobacterium tuberculosis* is de verwekker van tuberculose (TB).
#### 1.10.1 Kenmerken
* **Morfologie:** Gram-positieve bacillen met een buitenste waslaag van mycolinezuur. Vereist een specifieke zuurkleuring (Ziehl-Nielsen) voor detectie.
* **Groei:** Zeer langzame groei (delingstijd 20-24 uur); kweek duurt 4-6 weken.
* **Vindplaats:** Voornamelijk saprofieten in water, maar *M. tuberculosis* is gastheerafhankelijk en komt alleen bij mensen voor.
#### 1.10.2 Pathogenese
* **Transmissie:** Inhalatie van aerosolen door hoestende patiënten.
* **Primaire infectie:** De bacteriën worden opgenomen door alveolaire macrofagen. Na 2-8 weken ontwikkelt zich cellulaire immuniteit, waarbij macrofagen worden geactiveerd.
* **Granuloomvorming:** Een ingekapselde haard van infectie (tuberkel of granuloom) wordt gevormd, bestaande uit macrofagen en lymfocyten.
* **Latente TB:** Bij 95% van de infecties wordt de bacterie succesvol ingekapseld en blijft inactief. De persoon is niet ziek en niet besmettelijk, maar kan later reactiveren. Diagnose kan via een tuberculinetest (Mantoux) of bloedtest.
* **Actieve TB:** Bij 5% van de mensen (of bij reactivatie) kan de infectie actief worden. Dit kan leiden tot open longtuberculose, waarbij de patiënt besmettelijk is.
* **Extrapulmonale TB:** Tuberculose kan zich ook buiten de longen verspreiden (bv. lymfeklieren, hersenen, beenderen, urinewegen), met name bij immuungecompromitteerden.
#### 1.10.3 Ziektebeelden
* **Actieve TB (long):** Chronische koorts, gewichtsverlies, nachtzweten, productieve hoest, soms bloederig sputum.
* **Miliaire tuberculose:** Verspreiding via de bloedbaan naar meerdere organen.
#### 1.10.4 Preventie en Behandeling
* **Preventie:** BCG-vaccinatie (beschermt jonge kinderen), verbeterde leefomstandigheden, sanatoria.
* **Behandeling:** Langdurige therapie met combinaties van antibiotica (typisch 6 maanden, 4 verschillende medicijnen). Essentieel is therapietrouw om resistentieontwikkeling te voorkomen.
### 1.11 Neisseria meningitidis
*Neisseria meningitidis* is een Gram-negatieve kok die meningitis en meningokokkensepsis veroorzaakt.
#### 1.11.1 Kenmerken
* **Morfologie:** Gram-negatieve kokken, liggen in paren. Aeroob.
* **Kweek:** Moeilijk kweekbaar, vereist speciale media.
* **Kapsel:** 12 serogroepen, waarvan A, B, C, Y en W-135 de meest pathogene zijn.
* **Reservoir:** Nasopharynx van de mens.
#### 1.11.2 Virulentiefactoren
* Pili, kapsel, lipo-oligosachariden, IgA-proteasen.
#### 1.11.3 Ziektebeelden
* **Meningokokkensepsis:** Acute, levensbedreigende bloedbaaninfectie met of zonder meningitis. Vaak gekenmerkt door petechiën of purpura.
* **Meningitis:** Ontsteking van de hersenvliezen.
* **Epidemiologie:** Vooral groep B en C komen frequent voor. Vaccinatie (met name tegen groep C) heeft de incidentie van meningitis significant verlaagd.
#### 1.11.4 Behandeling en Preventie
* **Behandeling:** Empirische antibiotica (bv. ceftriaxone) zijn cruciaal vanwege de urgentie.
* **Profylaxe:** Antibiotica voor nauwe contacten.
* **Preventie:** Vaccinatie tegen de verschillende serogroepen.
### 1.12 Clostridium tetani
*Clostridium tetani* veroorzaakt tetanus.
#### 1.12.1 Kenmerken
* **Morfologie:** Gram-positieve staafjes, produceren sporen. Anaeroob.
* **Reservoir:** Darmkanaal van grazers en mensen, grond, stof.
#### 1.12.2 Virulentiefactor
* **Tetanospasmine:** Een krachtig exotoxine dat interferert met de remmende neurotransmissie in het centrale zenuwstelsel, leidend tot spierstijfheid en krampen.
#### 1.12.3 Ziektebeelden
* **Besmetting:** Via wonden (bv. na tuinieren) die besmet zijn met sporen.
* **Symptomen:** Na een incubatietijd van enkele dagen tot weken ontstaan spierstijfheid en krampen, met name trismus (kaakklem), opistotonus (volledige lichamelijke opspanning).
* **Mortaliteit:** Hoog (ongeveer 50%).
* **Preventie:** Vaccinatie is essentieel. Wondverzorging is belangrijk. Antitoxine (paard-afgeleid of humane immunoglobuline) kan tijdelijke passieve immuniteit bieden.
### 1.13 Clostridium botulinum
*Clostridium botulinum* veroorzaakt botulisme.
#### 1.13.1 Kenmerken
* **Morfologie:** Anaerobe staafjes die sporen produceren.
* **Reservoir:** Darmkanaal van mens en dier, grond.
#### 1.13.2 Virulentiefactor
* **Botulinetoxine:** Een krachtig neurotoxine dat verlamming veroorzaakt door de afgifte van acetylcholine te blokkeren.
#### 1.13.3 Ziektebeelden
* **Besmetting:** Inname van voedsel dat de toxine bevat (bv. geconserveerde voedingsmiddelen).
* **Symptomen:** Ontwikkelen zich 1-3 dagen na besmetting; een afdalende verlamming die begint met slikproblemen en kan leiden tot ademhalingsspierverlamming.
* **Preventie:** Correct verhitten van voedsel, met name ingemaakte producten. Geen honing geven aan jonge kinderen vanwege de aanwezigheid van sporen.
* **Behandeling:** Vroege toediening van botulinetoxineserum kan het circulerende toxine neutraliseren.
### 1.14 Overige bacteriële verwekkers
* ***Klebsiella pneumoniae:*** Een Gram-negatieve staaf die, net als *Streptococcus pneumoniae*, pneumonie kan veroorzaken.
* ***Mycoplasma pneumoniae:*** Kleine bacterie zonder celwand die atypische pneumonie veroorzaakt.
> **Tip:** Het onderscheid tussen 'typische' (bv. *S. pneumoniae*) en 'atypische' (bv. *Legionella*, *Mycoplasma*, *Chlamydia*) pneumonie is belangrijk voor diagnostiek en behandeling. Typische pneumonieën worden vaak veroorzaakt door bacteriën die zich extra-cellulair vermenigvuldigen en een ontstekingsreactie met neutrofielen opwekken, terwijl atypische verwekkers vaker intracellulair groeien en andere immuunresponsen uitlokken.
> **Voorbeeld:** *Streptococcus pneumoniae* veroorzaakt vaak lobaire pneumonie met duidelijke consolidaties op een röntgenfoto, terwijl *Legionella pneumophila* eerder atypische, niet-lobaire infiltraten geeft met een hogere mortaliteit.
---
# Specifieke bacteriële pathogenen en hun klinische manifestaties
Deze sectie van de studiehandleiding focust op specifieke bacteriële pathogenen, hun pathogenese en de klinische manifestaties die zij veroorzaken, met een nadruk op luchtweginfecties en andere ernstige infecties.
### 2.1 Streptococcus pneumoniae
* **Karakteristieken:** Gram-positieve diplokokken met een dik kapsel (glycocalyx) dat een belangrijke virulentiefactor is. Dit kapsel remt opsonisatie door complement en fagocytose.
* **Pathogenese:** Koloniseert de bovenste luchtwegen. Kan zich verspreiden naar de longen (pneumonie), bloedbaan (bacteriëmie) of hersenvliezen (meningitis). Virale co-infecties en ontstekingen die pneumolysine veroorzaken, bevorderen verspreiding. Enzymen zoals neuraminidase spelen een rol bij de verspreiding door slijmafbraak.
* **Klinische manifestaties:** Pneumonie, meningitis, otitis media, sinusitis.
* **Epidemiologie:** Wereldwijd significant pathogeen, met een toenemende trend in ernstige infecties en toenemende resistentie tegen antibiotica.
### 2.2 Haemophilus influenzae
* **Karakteristieken:** Gram-negatieve staafjes, facultatief anaëroob, afhankelijk van factor X en V voor groei. Wordt onderverdeeld in typeerbare (met kapsel, 6 serotypes) en niet-typeerbare (zonder kapsel) stammen.
* **Pathogenese:** Niet-omkapselde stammen veroorzaken infecties van middenoor, sinussen en bronchiën. Omkapselde stammen, met name type b (Hib), kunnen epiglottitis, meningitis en etterige ontstekingen veroorzaken. Het kapsel is cruciaal voor invasie in de bloedbaan en het centrale zenuwstelsel.
* **Klinische manifestaties:** Otitis media, sinusitis, bronchitis, epiglottitis, meningitis.
* **Preventie:** Vaccinatie (met name tegen Hib) is effectief.
### 2.3 Bordetella pertussis
* **Karakteristieken:** Gram-negatieve staafjes, aeroob. Veroorzaakt kinkhoest (pertussis).
* **Pathogenese:** Adhèreert aan epitheelcellen van de luchtwegen via fimbriae en filamenteus hemagglutinine. Produceert diverse toxines:
* **Tracheaal cytotoxine:** Vernietigt tracheale epitheelcellen en induceert IL-1, wat leidt tot immuunrespons.
* **Adenylcyclase toxine (ACT):** Interferereert met de intracellulaire cAMP-niveaus, beperkt de activiteit van fagocyten en induceert pro-inflammatoire en anti-inflammatoire cytokines.
* **Pertussis toxine (PT):** Een AB5-toxine dat de α-subunit van heterotrimere G-proteïnen ADP-ribosyleert, wat leidt tot suppressie van de immuunrespons.
* **Klinische manifestaties:** Kinkhoest, gekenmerkt door heftige hoestbuien, met name 's nachts, gevolgd door braken. Er is een initiële verkoudheidsfase (status catarrhalis).
* **Epidemiologie:** Zeer besmettelijk, belangrijke oorzaak van kindersterfte. Vaccinatie is cruciaal.
### 2.4 Corynebacterium diphtheriae
* **Karakteristieken:** Gram-positieve, knotsvormige staven, liggen in 'Chinese letters'. Aeroob, geen sporen of kapsel.
* **Pathogenese:** Produceert een exotoxine (alleen toxigene stammen) dat eiwitsynthese remt. Dit leidt tot lokale necrose, oedeem, en kan systemische effecten hebben op hart en zenuwen (myocarditis, neurotoxiciteit).
* **Klinische manifestaties:** Respiratoire difterie met witte beslag op tonsillen, keel en/of neus, wat kan leiden tot verstikking. Kan ook cutane infecties veroorzaken. Systemische complicaties: myocarditis, neurologische stoornissen (verlamming).
* **Behandeling:** Antitoxine is levensreddend, antibiotica stoppen de toxineproductie en verminderen transmissie. Vaccinatie met toxoïd is preventief.
### 2.5 Legionella pneumophila
* **Karakteristieken:** Gram-negatieve staafjes, beweeglijk, moeilijk te kleuren en te kweken (vereist speciale voedingsbodem). Groeit optimaal bij hogere temperaturen en kan intracellulair overleven in amoeben en macrofagen.
* **Pathogenese:** Veroorzaakt Legionellose (Veteranen Ziekte). De bacterie wordt geïnhaleerd via aerosolen uit besmette waterbronnen. Binnen macrofagen remt het de fagosoom-lysosoom fusie en vermenigvuldigt zich. Het produceert protease dat cellen lyseert, waardoor cytokines worden geproduceerd die meer ontstekingscellen aantrekken. De pathogenese omvat ontwijking van het lysosomale netwerk en interactie met endoplasmatisch reticulum (ER) en mitochondriën.
* **Klinische manifestaties:** Ernstige pneumonie (Legionair's ziekte) met multisystemische betrokkenheid. Risicofactoren zijn leeftijd en verminderde longweerstand of immuniteit.
* **Preventie:** Eliminatie van de bacterie uit waterbronnen.
### 2.6 Mycoplasma pneumoniae
* **Karakteristieken:** Kleinste bacterie, géén celwand, wel een stevige celmembraan. Langzame groei, kleine kolonies.
* **Pathogenese:** Koloniseert de luchtwegen. Virulentiefactor is het adhesine P1-eiwit.
* **Klinische manifestaties:** Respiratoire infecties zoals pneumonie (mild, maar langdurig) en faryngitis (rode keel, wit beslag, gezwollen klieren). Kan ook niet-respiratoire manifestaties geven zoals meningitis, conjunctivitis en erythema multiforme.
* **Epidemiologie:** Veroorzaakt epidemieën bij kinderen en jonge volwassenen om de 4-8 jaar.
### 2.7 Chlamydia pneumoniae
* **Karakteristieken:** Chlamydiae zijn obligate intracellulaire bacteriën met een complexe levenscyclus (elementair lichaampje en reticulair lichaampje). Er is één serovar van *C. pneumoniae*.
* **Pathogenese:** Veroorzaakt luchtweginfecties.
* **Klinische manifestaties:** Faryngitis en pneumonie.
### 2.8 Coxiella burnetii
* **Karakteristieken:** Gram-negatieve bacterie.
* **Pathogenese:** Reservoir zijn dieren (overgedragen door teken), transmissie naar mensen voornamelijk via aerosolen, soms via melk. Veroorzaakt Q-koorts.
* **Klinische manifestaties:** Griepaal syndroom, pneumonie, hepatitis, endocarditis.
* **Behandeling:** Macroliden of tetracycline.
### 2.9 Acinetobacter baumanii
* **Karakteristieken:** Gram-negatieve staafjes. Zeer resistent tegen antibiotica en kan goed overleven in de omgeving.
* **Pathogenese:** Vaak geassocieerd met zorggerelateerde infecties, zoals ventilator-geassocieerde pneumonie (VAP). Koloniseert de tracheale tractus en kan op diverse oppervlakken aanwezig zijn.
* **Klinische manifestaties:** Ventilator-geassocieerde pneumonie en andere nosocomiale infecties.
* **Behandeling:** Vereist specifieke, breedspectrum antibiotica vanwege hoge resistentie.
### 2.10 Pseudomonas aeruginosa
* **Karakteristieken:** Gram-negatieve staafjes, produceert kenmerkende groenige pigmentatie en een zoete geur. Koloniseert chronisch patiënten, natte wonden en medische hulpmiddelen. Vormt biofilms, wat bijdraagt aan resistentie.
* **Pathogenese:** Vaak geassocieerd met zorggerelateerde infecties, met name bij patiënten met mucoviscidose. Kan biofilms vormen op kunstmaterialen.
* **Klinische manifestaties:** Pneumonie (vooral VAP), chronische infecties bij patiënten met mucoviscidose, huid- en weke delen infecties.
* **Behandeling:** Vereist specifieke, breedspectrum antibiotica.
### 2.11 Mycobacterium tuberculosis
* **Karakteristieken:** Zuurvaste staven met een waslaagje (mycolinezuur), waardoor ze niet goed te kleuren zijn met Gram-kleuring en resistent zijn tegen veel antibiotica. Zeer langzame groei (delingstijd 20-24 uur).
* **Pathogenese:** Wordt geïnhaleerd en opgenomen door alveolaire macrofagen. De primaire infectie wordt meestal geklaard door de vorming van granulomen. Reactivatie kan optreden bij verzwakt immuunsysteem, leidend tot actieve tuberculose. De bacterie kan in latente toestand jarenlang aanwezig blijven. Actieve, open longtuberculose is besmettelijk via aerosolen.
* **Klinische manifestaties:**
* **Latente TB:** Niet ziek, niet besmettelijk. Kan gedetecteerd worden met tuberculinetest (Mantoux) of IGRA.
* **Actieve TB (pulmonair):** Chronische koorts, gewichtsverlies, nachtzweten, productieve hoest met bloederig sputum.
* **Actieve TB (extrapulmonair):** Verspreiding naar andere organen (hersenen, botten, urinewegen etc.). Milaire tuberculose is wijdverspreide hematogene verspreiding.
* **Behandeling:** Lange kuur met meerdere antibiotica (minimaal 4 soorten pillen gedurende 6 maanden). Risico op multiresistente tuberculose (MDR-TB).
* **Preventie:** BCG-vaccin beschermt jonge kinderen.
### 2.12 Neisseria meningitidis
* **Karakteristieken:** Gram-negatieve diplokokken, aeroob. Moeilijk kweekbaar. Heeft een kapsel dat wordt gebruikt voor serotypering (A, B, C, Y, W-135 zijn pathogeen).
* **Pathogenese:** Veroorzaakt meningitis en meningococcensepsis. Infectie van de nasofarynx is het 'natuurlijke habitat'. Overdracht via druppels. Sepsis kan snel optreden met purpura.
* **Klinische manifestaties:** Acute sepsis met of zonder meningitis, gekenmerkt door hoofdpijn, koorts, coma en purpura.
* **Epidemiologie:** Belangrijke verwekker van bacteriële meningitis, met name bij jonge kinderen. Vaccinatie heeft de incidentie van sommige serogroepen sterk verminderd.
### 2.13 Clostridium tetani
* **Karakteristieken:** Gram-positieve staafjes, produceert sporen.
* **Pathogenese:** Sporen komen via wonden (met name diepe, vuile wonden) in het lichaam. In anaërobe omstandigheden groeien de vegetatieve vormen en produceren tetanus exotoxine (tetanospasmine). Dit toxine interfereert met de functie van inhibitortransmitters in het centrale zenuwstelsel, waardoor spierkrampen en rigiditeit ontstaan (opistotonus).
* **Klinische manifestaties:** Spierstijfheid en krampen, trismus (kaakklem), risus sardonicus, opistotonus. Neonatale tetanus kan optreden bij onhygiënische navelafwikkeling.
* **Behandeling/Preventie:** Tetanus antitoxine voor passieve immuniteit en vaccinatie met tetanus toxoïd voor actieve immuniteit.
### 2.14 Clostridium botulinum
* **Pathogenese:** Wordt veroorzaakt door inname van voedsel dat besmet is met het botulinetoxine. De bacterie produceert het toxine in een anaërobe omgeving (bv. ingemaakt voedsel). Het toxine veroorzaakt een aflopende verlamming door interferentie met de neurotransmissie bij neuromusculaire juncties, wat leidt tot spierverslapping.
* **Klinische manifestaties:** Vroege neurologische verschijnselen zoals slikproblemen, gevolgd door een aflopende verlamming, met name van de ademhalingsspieren.
* **Preventie/Behandeling:** Verhitten van voedsel, veilige bereiding van ingemaakte producten. Behandeling met botuline antitoxine is cruciaal indien vroegtijdig toegediend. Botulinetoxine wordt ook therapeutisch gebruikt (Botox).
---
Dit hoofdstuk beschrijft specifieke bacteriële pathogenen, hun pathogenese en de daarmee samenhangende klinische manifestaties, met de nadruk op luchtweginfecties, meningitis en andere ernstige infecties.
* **Beschrijving:** Gram-positieve diplokokken die deel uitmaken van de normale flora van de bovenste luchtwegen. Ze zijn facultatief anaeroob.
* **Pathogenese en Virulentiefactoren:**
* **Kapsel (glycocalyx):** Een belangrijke virulentiefactor die antifagocytose bevordert en beschermt tegen toxische moleculen. Er zijn ongeveer 90 verschillende serotypen.
* **Pneumolysine:** Een toxine dat ontsteking veroorzaakt.
* **Neuraminidase:** Een enzym dat de verspreiding bevordert.
* **Mechanisme:** Kolonisatie van de mucosa van de bovenste luchtwegen, wat leidt tot transmissie. Verspreiding naar de longen veroorzaakt pneumonie, naar de bloedbaan bacteriemie, en naar de hersenvliezen meningitis.
* Sinusitis
* Pneumonie
* Bacteriemie
* Meningitis
* Otitis media
* **Epidemiologie en Trends:**
* Toenemende incidentie en resistentie, met een opvallende stijging na de COVID-19 pandemie, met name bij ouderen.
* **Preventie:** Vaccinatie is beschikbaar.
* **Beschrijving:** Gram-negatieve staafjes die facultatief anaeroob groeien en afhankelijk zijn van factor X en V voor groei.
* **Indeling:**
* **Typeerbare stammen:** Hebben een kapselpolysaccharide (6 serotypen a-f).
* **Niet-typeerbare stammen:** Hebben geen kapsel.
* **Pathogenese:**
* Niet-omkapselde stammen veroorzaken infecties van middenoor, sinussen en bronchiën.
* Omkapselde stammen, met name type b (Hib), kunnen epiglottitis en meningitis veroorzaken. Het kapsel is essentieel voor invasie.
* Middenoorontsteking
* Bronchitis
* Epiglottitis
* Meningitis (vooral door type b)
* **Preventie:** Vaccinatie tegen Haemophilus influenzae type b (Hib) is effectief.
* **Behandeling:** Amoxicilline, amoxicilline-clavulaanzuur.
* **Beschrijving:** Gram-negatieve staafjes die aeroob groeien en de veroorzaker zijn van kinkhoest.
* **Adhesie:** Fimbriae en filamenteus hemagglutinine zorgen voor aanhechting aan epitheelcellen van de luchtwegen.
* **Toxines:**
* **Tracheaal cytotoxine:** Vernietigt trilhaardragende epitheelcellen.
* **Adenylcyclase toxine:** Interferert met cAMP-huishouding en beperkt fagocytenactiviteit.
* **Pertussis toxine (PT):** Een AB5-toxine dat via ADP-ribosylatie de functie van G-proteïnen verstoort, wat leidt tot onderdrukking van inflammatoire cytokineregulatie en immuuncelrecrutering.
* **Labiel toxine (LT):** Veroorzaakt weefselschade.
* **Klinische Manifestaties (Kinkhoest):**
* **Status catarrhalis:** Initiële fase met symptomen van een bovenste luchtweginfectie (verkoudheid, tranende ogen).
* **Hoestparoxysmen:** Kenmerkend zijn heftige, aanhoudende hoestbuien, vaak met een gierende inademing (inspiratoire stridor) en braken na de hoest, vooral 's nachts.
* **Epidemiologie:** Hoge besmettelijkheid, belangrijke oorzaak van kindersterfte wereldwijd. Nog steeds een probleem, vooral bij ongevaccineerde of gedeeltelijk gevaccineerde kinderen.
* **Preventie:** Vaccinatie (DTP-vaccin) is cruciaal.
* **Beschrijving:** Gram-positieve, knotsvormige staafjes die aeroob groeien. Geen sporen of kapsel.
* **Transmission:** Druppelsinfectie en direct contact met respiratoire afscheidingen. Asymptomatische dragers zijn belangrijk voor transmissie.
* **Exotoxine:** Geproduceerd door toxigene stammen (geïnfecteerd door een lysogene faag). Dit toxine remt de eiwitsynthese in gastheercellen.
* **Lokale effecten:** Necrose, oedeem en pijn op de plaats van infectie (keel, tonsillen, farynx, neus). Kan leiden tot obstructie van de luchtwegen ("kroep").
* **Systemische effecten:** Myocarditis (hartspierontsteking) en neurotoxiciteit (aantasting van motorische en sensibele zenuwen).
* **Respiratoire difterie:** Keelpijn, koorts, grote, gevoelige halsklieren, wit beslag op de tonsillen (pseudomembraan), ademhalingsmoeilijkheden.
* **Cutane difterie:** Oppervlakkige huidletsels.
* **Behandeling:** Vroegtijdige toediening van antitoxine is levensreddend. Antibiotica (penicilline of erytromycine) worden gebruikt om toxinaproductie te stoppen en verspreiding te verminderen.
* **Preventie:** Vaccinatie met het toxoïd is zeer effectief. Immuniteit is niet levenslang beschermend, dus vaccinatie na herstel is aanbevolen.
* **Beschrijving:** Gram-negatieve staafjes, moeilijk te kleuren en te kweken, vereisen speciale voedingsbodems. Groeien optimaal bij hoge temperaturen.
* **Reservoir en Transmissie:** Zoet water, vaak intracellulair in amoeben. Mensen worden besmet door inhalatie van aërosolen (bv. uit koeltorens, douchekoppen). Geen overdracht van mens op mens.
* Bacterie wordt opgenomen door alveolaire macrofagen.
* Legionella remt de fusie van fagosoom en lysosoom en vermenigvuldigt zich intracellulair.
* Het ontwijkt het normale lysosomale traject en manipuleert het endoplasmatisch reticulum voor replicatie.
* Grote hoeveelheden protease leiden tot lysering van cellen en productie van cytokines, wat een ontstekingsreactie en aantrekking van monocyten en granulocyten veroorzaakt.
* Cellulaire immuniteit (geactiveerde macrofagen) is cruciaal voor het opruimen van de infectie.
* **Klinische Manifestaties (Legionellose / Veteranenziekte):**
* Ernstige pneumonie, vaak niet-productief (droge hoest).
* Extra-pulmonale manifestaties kunnen voorkomen, zoals hepatitis.
* Hoge mortaliteit, vooral bij risicogroepen (ouderen, rokers, immuungecompromitteerden).
* **Preventie:** Eliminatie van de bacterie uit waterbronnen, o.a. door verwarming van water.
* **Beschrijving:** Zeer kleine bacteriën met een diameter van 0,1-0,3 µm. Ze hebben geen celwand maar een stevige celmembraan. Langzame groei en kleine kolonies.
* **Respiratoire infecties:** Milde pneumonie (kan langdurig zijn), keelontsteking met rode keel, wit beslag en gezwollen halsklieren.
* **Niet-respiratoire manifestaties:** Meningitis, conjunctivitis, erythema multiforme.
* **Epidemiologie:** Epidemieën komen voor om de 4-8 jaar bij kinderen en jonge volwassenen.
### 2.7 Chlamydiae
* **Classificatie:** Diverse species, waaronder *C. psittaci* (vaak bij vogels, veroorzaakt psittacose), *C. trachomatis* (veroorzaakt o.a. trachoom, LGV, SOA's) en *C. pneumoniae* (veroorzaakt faryngitis en pneumonie).
* **Pathogenese:** Vereist een obligaat intracellulaire levenscyclus met twee vormen: het metabolisch inactieve elementaire lichaam (EB) dat de gastheercel binnendringt, en het metabolisch actieve reticulaire lichaam (RB) dat zich vermenigvuldigt binnen een fagosoom. De cel wordt uiteindelijk geruptureerd om nieuwe EB's vrij te geven.
* **Klinische Manifestaties (C. pneumoniae):**
* Faryngitis
* Pneumonie (vaak atypisch)
* **Reservoir en Transmissie:** Voornamelijk bij dieren (vee, schapen, geiten), overgedragen via teken. Mensen worden besmet door inhalatie van aerosolen, soms via melk.
* **Klinische Manifestaties (Q-koorts):**
* Griepaal syndroom
* Hepatitis (leverontsteking)
* Kan leiden tot chronische infecties zoals endocarditis.
* **Preventie:** Vaccinatie is beschikbaar, maar niet wijdverspreid.
### 2.9 Acinetobacter baumanii en Pseudomonas aeruginosa
* **Beschrijving:** Gram-negatieve staafjes, vaak geassocieerd met zorggerelateerde infecties. *Pseudomonas aeruginosa* produceert een slijmerige, groenige kolonie met een zoete geur.
* **Reservoir:** Omgeving, met name vochtige oppervlakken. Kan chronische kolonisatie veroorzaken.
* **Biofilmvorming:** Vormen biofilms op medische hulpmiddelen (bv. endotracheale tubes), wat bescherming biedt tegen antibiotica en het immuunsysteem.
* **Weerstand:** Hoge natuurlijke en verworven resistentie tegen veel antibiotica.
* Ventilator-geassocieerde pneumonie (VAP)
* Wondinfecties
* Sepsis
* **Behandeling:** Vereist breedspectrum antibiotica, vaak in combinatie. De keuze van antibioticum is cruciaal vanwege de hoge resistentie.
### 2.10 Mycobacterium tuberculosis
* **Beschrijving:** Zuurvaste staafjes met een unieke celwandstructuur (waslaag met mycolinezuur), waardoor ze niet goed reageren op gramkleuring. Zeer langzame groei (delingsduur 20-24 uur).
* **Reservoir:** Mens (M. tuberculosis, M. leprae). Andere mycobacteriën kunnen in de omgeving voorkomen (water).
* **Transmissie:** Inhalatie van aerosolen bij hoesten door een besmet persoon.
* Inademing in de alveoli, fagocytose door macrofagen.
* Vermenigvuldiging in macrofagen leidt tot vorming van een primaire haard.
* Celulaire immuniteit (T-lymfocyten) activeert macrofagen, wat leidt tot inkapseling van de infectie in granulomen (tuberkels).
* **Latente TB:** Bacteriën kunnen jarenlang inactief blijven in granulomen.
* **Actieve TB:** Reactivatie treedt op bij verzwakking van het immuunsysteem, leidend tot verkazende granulomen die openbreken en de patiënt besmettelijk maken.
* **Pulmonaire tuberculose:** Productieve hoest (soms bloederig), koorts, gewichtsverlies, nachtzweten.
* **Extra-pulmonaire tuberculose:** Kan zich verspreiden naar lymfeklieren, hersenen, beenderen, urinewegen, etc.
* **Miliaire tuberculose:** Verspreiding via de bloedbaan over het hele lichaam.
* **Diagnostiek:** Tuberculinetest (Mantoux test) voor latente infectie, Ziehl-Nielsen kleuring en kweek voor actieve infectie.
* **Behandeling:** Langdurige antibioticatherapie (vaak 6 maanden) met meerdere middelen om resistentie te voorkomen.
* **Preventie:** BCG-vaccinatie beschermt jonge kinderen tegen ernstige vormen.
### 2.11 Neisseria meningitidis
* **Beschrijving:** Gram-negatieve diplokokken, aeroob, moeilijk kweekbaar. Bekend om de vorming van purpura.
* **Reservoir:** Nasofarynx van de mens.
* **Transmissie:** Druppelsinfectie.
* Vorming van een kapsel (belangrijk voor serotypering en virulentie).
* Kan acute sepsis met of zonder meningitis veroorzaken. Pili en lipo-oligosacchariden spelen een rol.
* **Meningokokkenmeningitis:** Ernstige hoofdpijn, koorts, nekstijfheid, mentale veranderingen.
* **Meningokokkensepsis:** Purpura (niet-wegdrukbare vlekjes op de huid), snelle achteruitgang, coma, vaak fataal.
* **Epidemiologie:** Vooral groep B en C zijn significant in België. Er is een "meningitis belt" in Sub-Sahara Afrika met terugkerende epidemieën.
* **Preventie:** Vaccinatie is effectief en heeft de incidentie van bepaalde serogroepen sterk doen dalen.
* **Behandeling:** Empirische antibiotica (bv. ceftriaxone) zijn cruciaal.
### 2.12 Clostridium tetani
* **Beschrijving:** Gram-positieve staafjes, anaeroob, vormen sporen.
* **Reservoir:** Darm van graseters en mensen, grond, stof.
* **Transmissie:** Besmetting via sporen in wonden (soms ook via navelstomp of abortus).
* Productie van **tetanospasmine**, een exotoxine.
* Tetanospasmine interfereert met inhibitoire neurotransmitters in het centrale zenuwstelsel, wat leidt tot overmatige spiercontractie en krampen.
* **Klinische Manifestaties (Tetanus):**
* **Trismus (kaakklem):** Spierstijfheid van de kauwspieren.
* **Opistotonus:** Extreme rugspierspanning, waarbij het lichaam achterover kromt.
* Krampen, slikproblemen.
* Hoge mortaliteit, met name bij neonatale tetanus.
* **Behandeling:** Toediening van antitoxine (passieve immuniteit) om vrij circulerend toxine te neutraliseren. Antibiotica om de bacteriële groei te stoppen.
* **Preventie:** Vaccinatie met het toxoïd.
### 2.13 Clostridium botulinum
* **Reservoir:** Darm van mens en dier, grond.
* **Transmissie:** Inname van voedsel dat het botulinetoxine bevat (vaak geconserveerde voedingsmiddelen, vlees, vis). Sporen kunnen overleven in anaërobe omstandigheden en toxine produceren.
* Inname van voedsel met toxine.
* Het botulinetoxine wordt opgenomen in het bloed en veroorzaakt neurologische verschijnselen.
* Het toxine blokkeert de afgifte van acetylcholine bij neuromusculaire synapsen, wat leidt tot verlamming.
* **Klinische Manifestaties (Botulisme):**
* **Afdalende verlamming:** Begint typisch met slik- en oogspierproblemen en breidt zich uit naar de rest van het lichaam, inclusief de ademhalingsspieren.
* Hoge mortaliteit door ademhalingsinsufficiëntie.
* **Behandeling:** Vroegtijdige toediening van botulinetoxine-antitoxine (binnen 72 uur na symptoombegin). Preventie door adequate verhitting van voedsel.
* **Preventie:** Verbod op honing voor zuigelingen vanwege de aanwezigheid van sporen.
---
# Preventie, diagnose en behandeling van infectieziekten
Dit document bespreekt preventieve maatregelen, diagnostische methoden en therapeutische opties voor diverse bacteriële infecties, met een focus op luchtweginfecties en meningitis.
### 3.1 Preventie van bacteriële infecties
Preventie van bacteriële infecties omvat algemene maatregelen zoals hygiëne en specifieke maatregelen zoals vaccinatie.
#### 3.1.1 Vaccinatie
Vaccinatie is een cruciale preventieve strategie tegen diverse bacteriële ziekten. Het document noemt specifiek de volgende vaccin-preventieve ziekten:
* **Haemophilus influenzae type b (Hib):** Dit bacteriële type kan ernstige infecties zoals epiglottitis, meningitis en pneumonie veroorzaken, met name bij kinderen. Vaccinatie is zeer effectief.
* **Bordetella pertussis (kinkhoest):** Kinkhoest is een zeer besmettelijke luchtweginfectie die ernstige hoestbuien veroorzaakt, vooral bij jonge kinderen. Het DTP-vaccin (difterie, tetanus, kinkhoest) biedt bescherming.
* **Corynebacterium diphtheriae (difterie):** Difterie wordt veroorzaakt door een bacterie die een toxine produceert. Vaccinatie met het difterie-toxoïde in het DTP-vaccin is essentieel.
* **Mycobacterium tuberculosis (tuberculose):** Het BCG-vaccin (Bacillus Calmette-Guérin) biedt bescherming aan jonge kinderen tegen ernstige vormen van tuberculose.
* **Neisseria meningitidis (meningokokken):** Vaccinatie tegen meningokokken is belangrijk, met name voor serogroepen B en C, om meningitis en meningokokken-sepsis te voorkomen.
* **Clostridium tetani (tetanus):** Vaccinatie met het tetanus-toxoïde is zeer effectief in het voorkomen van de ernstige spierkrampen veroorzaakt door dit toxine.
#### 3.1.2 Hygiëne en Infectiecontrole
Goede hygiëne en strikte infectiecontroleprotocollen zijn fundamenteel in de preventie van verspreiding van bacteriële infecties, vooral in zorgomgevingen.
* **Algemene hygiëne:** Handen wassen en het vermijden van direct contact met besmettelijke lichaamsvloeistoffen zijn basale preventieve maatregelen.
* **Ademhalingshygiëne:** Voorkomen van druppelinfecties door het vermijden van nauw contact met hoestende of niesende personen.
* **Omgevingshygiëne:** Essentieel voor de preventie van infecties door opportunistische pathogenen die gedijen in bepaalde omgevingen. Voorbeelden zijn:
* **Legionella pneumophila:** Vereist eliminatie van de bacterie in waterbronnen, zoals koeltorens en leidingwater, door adequate temperatuurbeheer (boven 60°C) en onderhoud.
* **Acinetobacter baumanii en Pseudomonas aeruginosa:** Deze nosocomiale pathogenen gedijen op oppervlakken en medische apparatuur. Strikte desinfectie en reiniging zijn cruciaal in ziekenhuizen.
* **Isolatie:** Patiënten met besmettelijke ziekten, zoals difterie, worden in respiratoire isolatie geplaatst om verdere verspreiding te voorkomen.
### 3.2 Diagnose van bacteriële infecties
De diagnose van bacteriële infecties berust op een combinatie van klinische presentatie, laboratoriumonderzoek (zoals Gram-kleuring, kweek) en specifiekere tests.
#### 3.2.1 Klinische Presentatie
De symptomen variëren sterk afhankelijk van de veroorzakende bacterie en de aangedane locatie.
* **Luchtweginfecties:**
* **Streptococcus pneumoniae:** Veroorzaakt typische lobaire pneumonie met koorts, productieve hoest, en kortademigheid. Roken is een risicofactor.
* **Haemophilus influenzae:** Kan oorontstekingen, sinusitis en pneumonie veroorzaken. Type b stammen zijn met name pathogeen voor kinderen.
* **Bordetella pertussis:** Kenmerkend zijn langdurige, hevige hoestbuien met een gierende ademhaling, vaak gevolgd door braken.
* **Corynebacterium diphtheriae:** Klinisch beeld met koorts, keelpijn, gezwollen halsklieren en een wit beslag op de tonsillen (pseudomembraneuze faryngitis). Kan leiden tot hart- en neurologische schade.
* **Legionella pneumophila:** Veroorzaakt Legionnaire's ziekte, een ernstige pneumonie met systemische symptomen, na blootstelling aan besmette wateraerosolen.
* **Mycoplasma pneumoniae:** Veroorzaakt een mildere, langdurige pneumonie, keelontsteking en kan ook niet-respiratoire manifestaties hebben.
* **Chlamydia pneumoniae/psittaci:** Veroorzaken luchtweginfecties, waaronder faryngitis en pneumonie. Chlamydia psittaci kan psittacose veroorzaken na blootstelling aan vogels.
* **Coxiella burnetii (Q-koorts):** Presenteert zich vaak als een griepaal syndroom met koorts, pneumonie, en soms hepatitis. Overdracht via aerosolen of onverhitte melk.
* **Pseudomonas aeruginosa en Acinetobacter baumanii:** Vaak geassocieerd met nosocomiale infecties, met name bij geïntubeerde patiënten (ventilator-associated pneumonia - VAP).
* **Mycobacterium tuberculosis:** Klinisch beeld met productieve hoest, koorts, gewichtsverlies en nachtzweten. Kan zich ook buiten de longen manifesteren (extrapulmonaire tuberculose).
* **Meningitis en Sepsis:**
* **Streptococcus pneumoniae:** Een belangrijke veroorzaker van bacteriële meningitis, vooral bij ouderen.
* **Haemophilus influenzae:** Hib-stammen waren een belangrijke oorzaak van meningitis bij kinderen, nu grotendeels voorkomen door vaccinatie.
* **Neisseria meningitidis:** Veroorzaakt meningokokken-meningitis en -sepsis, gekenmerkt door hoofdpijn, stijve nek, koorts, en soms petechiën of purpura. Een medische urgentie.
#### 3.2.2 Laboratoriumdiagnostiek
* **Gram-kleuring:** Een snelle methode om bacteriën te identificeren op basis van hun celwandstructuur (gram-positief/negatief) en morfologie (kokken, staven).
* **Kweek en Identificatie:** Bacteriële isolatie op specifieke voedingsbodems voor identificatie (bijv. bloedagar, chocoladeagar) en bepaling van gevoeligheid voor antibiotica.
* **Specifieke media:** Bijvoorbeeld Lowenstein-Jensen voor mycobacteriën; speciale media voor Legionella en Neisseria.
* **Kweekduur:** Variërend van enkele dagen (bv. S. pneumoniae) tot weken (bv. M. tuberculosis).
* **Antigeendetectie:** Tests voor het aantonen van specifieke bacteriële antigenen.
* **Nucleïnezuur Amplificatie Tests (NAATs):** Detectie van bacteriële DNA of RNA, zeer gevoelig en specifiek.
* **Serologie:** Detectie van antilichamen in het serum van de patiënt tegen specifieke pathogenen, nuttig voor diagnoses van infecties met langere incubatieperioden of waar kweken moeilijk zijn (bv. Chlamydia, Coxiella burnetii).
* **Diagnostiek van meningitis:**
* **Lumbaalpunctie:** Analyse van hersenvocht (liquor) op celgetal (hoog bij bacteriële meningitis, met dominante neutrofielen), eiwitgehalte (verhoogd), en glucosegehalte (verlaagd door bacteriële consumptie). Gram-kleuring en kweek van liquor zijn essentieel.
#### 3.2.3 Specifieke Diagnostische Kenmerken
* **Mycobacterium tuberculosis:** Zuurvaste staven die specifieke kleuring (Ziehl-Nielsen) vereisen vanwege de wasachtige celwand. Groei is zeer traag. Diagnose van latente tuberculose kan via huidtesten (Mantoux) of bloedtesten (interferon-gamma release assays).
* **Mycoplasma pneumoniae:** Is een bacterie zonder celwand, wat resulteert in een variabele morfologie en resistentie tegen celwand-werkende antibiotica.
* **Chlamydiae:** Intracellulaire bacteriën met een complexe levenscyclus (elementair lichaam en reticulair lichaam). Diagnostiek berust vaak op NAATs of serologie.
* **Legionella pneumophila:** Kweek vereist specifieke media en optimale groeiomstandigheden. Antigeendetectie in urine is een snelle diagnostische optie.
* **Neisseria meningitidis:** Gram-negatieve diplokokken, moeilijk kweekbaar. Diagnostiek vaak gebaseerd op klinisch beeld en snelle microscopie/kweek van bloed of liquor.
### 3.3 Behandeling van bacteriële infecties
De behandeling van bacteriële infecties is afhankelijk van de veroorzaker, de ernst van de infectie, de locatie en de gevoeligheid van de bacterie voor antibiotica.
#### 3.3.1 Antibiotica
Antibiotica zijn de hoeksteen van de behandeling voor de meeste bacteriële infecties.
* **Indicaties en Keuze:**
* **Streptococcus pneumoniae:** Penicilline of amoxicilline zijn vaak effectief. Resistentie is echter een groeiend probleem.
* **Haemophilus influenzae:** Amoxicilline of amoxicilline-clavulaanzuur.
* **Legionella pneumophila:** Macroliden (bv. erytromycine, azitromycine) of tetracyclines.
* **Mycoplasma pneumoniae & Chlamydia:** Macroliden of tetracyclines.
* **Coxiella burnetii (Q-koorts):** Tetracyclines, vaak langdurig.
* **Pseudomonas aeruginosa & Acinetobacter baumanii:** Deze gram-negatieve staven zijn vaak multiresistent. Behandeling vereist breed-spectrum antibiotica zoals ceftazidime, cefepime, piperacilline-tazobactam, meropenem, vaak in combinatie met amikacine of colistine, en soms bètastam-remmers zoals avibactam.
* **Mycobacterium tuberculosis:** Vereist een combinatie van meerdere antibiotica (vaak vier) gedurende een lange periode (minimaal zes maanden) om resistentieontwikkeling te voorkomen en de infectie effectief te bestrijden. Bij multiresistente tuberculose (MDR-TB) zijn complexere en potentieel toxische regimes nodig.
* **Resistentie:** Toenemende antibioticaresistentie, met name bij nosocomiale pathogenen (ESBL-producerende bacteriën, CPE, VRE, MRSA, multiresistente Acinetobacter en Pseudomonas), is een significant probleem. Dit vereist een zorgvuldige keuze van antibiotica op basis van gevoeligheidstests en het volgen van richtlijnen.
* **Therapeutische Principes:**
* **Empirische behandeling:** Bij ernstige infecties zoals meningitis wordt vaak direct gestart met breed-spectrum antibiotica (bv. ceftriaxon en ampicilline) in afwachting van kweekresultaten en gevoeligheidstests.
* **Gevoeligheidstesten:** Cruciaal om de meest effectieve antibiotica te selecteren en de duur van de behandeling te optimaliseren.
#### 3.3.2 Niet-Antibiotische Behandelingen en Antidota
* **Antitoxines:** Essentieel bij toxine-gemedieerde ziekten, waarbij het toxine eerder dan de bacterie de belangrijkste pathogene factor is. Moeten **vroegtijdig** toegediend worden om effectief te zijn.
* **Corynebacterium diphtheriae (difterie):** Difterie antitoxine neutraliseert het toxine voordat het de cellen binnendringt.
* **Clostridium tetani (tetanus):** Tetanus antitoxine (nu vaker humane tetanus immunoglobuline - HTIG) neutraliseert circulerend toxine. Behandeling van klinische tetanus met HTIG.
* **Clostridium botulinum (botulisme):** Botulinum antitoxine is cruciaal en moet binnen 72 uur na symptoombegin toegediend worden om vrij circulerend toxine te neutraliseren.
* **Ondersteunende Zorg:** Cruciaal voor patiënten met ernstige infecties.
* **Ademhalingsondersteuning:** Mechanische ventilatie bij ernstige luchtweginfecties of ademhalingsspierverlamming (bv. botulisme, tetanus).
* **Vocht- en elektrolytenbalans:** Onderhoud van vocht- en elektrolytenhuishouding.
* **Intensieve zorg:** Nodig voor patiënten met levensbedreigende sepsis of meningitis.
* **Behandeling van Specifieke Ziekten:**
* **Tuberculose:** Combinatietherapie van antibiotica, met een duur van minimaal zes maanden. Behandeling van latente tuberculose is ook belangrijk om actieve ziekte te voorkomen.
* **Meningitis:** Empirische antibiotica, gevolgd door gerichte therapie. Dexamethason kan adjunctief worden gebruikt bij pneumokokken-meningitis om neurologische schade te verminderen.
* **Herpes simplex encephalitis:** Behandeling met aciclovir.
#### 3.3.3 Preventie van Reactivatie en Chronische Infecties
* **Tuberculose:** Behandeling van latente tuberculose bij risicogroepen kan reactivatie voorkomen. Factoren die reactivatie bevorderen (bv. HIV, immunosuppressie, ondervoeding) moeten gemodificeerd worden.
* **Hepatitis B / C:** Hoewel niet primair bacteriële infecties, is het belangrijk te beseffen dat sommige bacteriële infecties (zoals Legionella pneumophila) ook hepatitis kunnen veroorzaken.
### 3.4 Specifieke Bacteriën en Hun Eigenschappen
#### 3.4.1 Streptococcus pneumoniae
* **Morfologie:** Gram-positieve diplokokken, facultatief anaëroob.
* **Virulentiefactoren:** Kapsel (polysacchariden, ~90 serotypen), pneumolysine (cytotoxine dat ontsteking bevordert), neuraminidase (bevordert verspreiding).
* **Pathogenese:** Kolonisatie van de bovenste luchtwegen, verspreiding naar de longen (pneumonie), bloedbaan (bacteriëmie) of hersenvliezen (meningitis).
* **Epidemiologie:** Dragerschap is de basis voor transmissie en ziekte. Virale co-infecties kunnen shedding bevorderen. Resistentie neemt toe.
* **Preventie:** Vaccinatie (pneumokokkenconjugaatvaccin).
#### 3.4.2 Haemophilus influenzae
* **Morfologie:** Gram-negatieve staven, facultatief anaëroob, vereisen factor X en V voor groei.
* **Indeling:** Typeerbare (met kapsel, 6 serotypen a-f) en niet-typeerbare (zonder kapsel). Type b is het meest pathogeen.
* **Pathogenese:** Niet-omkapselde stammen veroorzaken middenoorontstekingen en sinusitis. Omkapselde stammen (vooral type b) kunnen invasieve ziekten zoals meningitis en epiglottitis veroorzaken.
* **Preventie:** Vaccinatie tegen Hib.
#### 3.4.3 Bordetella pertussis
* **Morfologie:** Gram-negatieve staven, aëroob.
* **Pathogenese:** Hecht aan epitheelcellen van de luchtwegen en produceert toxines die epitheelcellen vernietigen (tracheaal cytotoxine), de immuunrespons beïnvloeden (pertussis toxine) en fagocyten remmen (adenylcyclase toxine).
* **Kliniek:** Kenmerkende hoestbuien.
* **Preventie:** Vaccinatie (onderdeel van DTP).
#### 3.4.4 Corynebacterium diphtheriae
* **Morfologie:** Gram-positieve staven, vaak in Chinese-letter-formatie, aëroob. Geen sporen of kapsel.
* **Pathogenese:** Produceert een exotoxine dat eiwitsynthese remt, wat leidt tot lokale necrose, oedeem, en systemische toxiciteit (myocarditis, neurotoxiciteit).
* **Transmissie:** Druppelinfectie, direct contact. Asymptomatisch dragerschap is mogelijk.
* **Behandeling:** Antitoxine (vroegtijdig), antibiotica om toxineproductie te stoppen en transmissie te verminderen. Volledige vaccinatie na herstel.
#### 3.4.5 Legionella pneumophila
* **Morfologie:** Gram-negatieve staafjes, beweeglijk. Moeilijk te kweken, vereist speciale voedingsbodems. Groeit goed bij hogere temperaturen.
* **Reservoir:** Zoet water. Overleeft intracellulair in amoeben.
* **Transmissie:** Inhalatie van aërosolen uit besmette waterbronnen. Geen mens-op-mens overdracht.
* **Pathogenese:** Overleeft en vermenigvuldigt intracellulair in macrofagen door het fagosoom-lysosoom fusieproces te ontwijken. Veroorzaakt ernstige pneumonie (Legionnaire's ziekte) met systemische aantasting.
* **Preventie:** Eliminatie uit waterbronnen.
#### 3.4.6 Mycoplasma pneumoniae
* **Morfologie:** Kleinste bacterie, geen celwand.
* **Pathogenese:** Veroorzaakt atypische pneumonie, keelontsteking en kan niet-respiratoire manifestaties hebben.
* **Epidemiologie:** Epidemieën om de 4-8 jaar bij kinderen en jonge volwassenen.
#### 3.4.7 Chlamydiae
* **Morfologie:** Obligaat intracellulaire bacteriën met een dubbele levenscyclus (elementair lichaam en reticulair lichaam).
* **Soorten:** *C. trachomatis* (trachoom, LGV, SOA's, inclusieconjunctivitis, luchtweginfecties), *C. psittaci* (psittacose), *C. pneumoniae* (luchtweginfecties).
#### 3.4.8 Coxiella burnetii (Q-koorts)
* **Morfologie:** Gram-negatieve staafjes.
* **Reservoir:** Dieren (vee), transmissie via teken. Mensen besmetten zich via aerosolen of onverhitte melk.
* **Kliniek:** Griepaal syndroom, pneumonie, hepatitis, endocarditis.
#### 3.4.9 Pseudomonas aeruginosa en Acinetobacter baumanii
* **Morfologie:** Gram-negatieve staven, niet-fermentatief.
* **Relevantie:** Belangrijke nosocomiale pathogenen, met name bij verzwakte patiënten en in zorgomgevingen. Gedijen op natte oppervlakken en medische apparatuur.
* **Resistentie:** Hoge mate van intrinsieke en verworven antibioticaresistentie.
#### 3.4.10 Mycobacterium tuberculosis
* **Morfologie:** Zuurvaste staven met een dikke waslaag (mycolzuur). Zeer trage groei.
* **Pathogenese:** Veroorzaakt tuberculose na inhalatie. Overleeft intracellulair in macrofagen. Vorming van granulomen. Kan latent blijven en later reactiveren.
* **Epidemiologie:** Transmissie via aerosolen. Risicofactoren voor reactivatie omvatten immunosuppressie (bv. HIV).
* **Diagnostiek:** Zuur-fast kleuring, kweek (langdurig), Tuberculine huidtest, IGRA.
* **Behandeling:** Langdurige combinatietherapie.
#### 3.4.11 Neisseria meningitidis
* **Morfologie:** Gram-negatieve diplokokken, aëroob. Moeilijk kweekbaar.
* **Pathogenese:** Veroorzaakt acute sepsis en/of meningitis. Kapsel is een belangrijke virulentiefactor en wordt gebruikt voor serotypering (groepen A, B, C, Y, W-135 zijn pathogeen).
* **Epidemiologie:** Natuurlijk reservoir is de menselijke nasofarynx. Groep B is dominant in Europa. De 'meningitis belt' in Afrika is een gebied met hoge epidemische activiteit.
* **Preventie:** Vaccinatie, met name voor groep C en B.
#### 3.4.12 Clostridium tetani
* **Morfologie:** Gram-positieve staven, anaëroob. Produceert sporen.
* **Pathogenese:** Produceert het krachtige exotoxine tetanospasmine dat interfereren met neurotransmissie in het centrale zenuwstelsel, leidend tot spierkrampen en spasmen (opistotonus).
* **Reservoir:** Darm van dieren, grond, stof.
* **Behandeling:** Tetanus antitoxine, wondverzorging, ondersteunende zorg.
* **Preventie:** Vaccinatie met tetanus-toxoïde.
#### 3.4.13 Clostridium botulinum
* **Pathogenese:** Produceert het botulinumtoxine, een neurotoxine dat verlamming veroorzaakt door de afgifte van acetylcholine te blokkeren, leidend tot een afdalende verlamming.
* **Transmissie:** Inname van voedsel met toxine (bv. ingeblikte producten), of sporen in voeding (honing bij zuigelingen).
* **Behandeling:** Botulinum antitoxine (vroegtijdig), ondersteunende ademhalingszorg.
* **Preventie:** Adequate voedselbereiding (verhitten).
---
**Tip:** Maak tabellen van de belangrijkste bacteriën, hun kenmerken, de ziekten die ze veroorzaken, en de bijbehorende preventie- en behandelstrategieën voor een overzichtelijk studiemodel. Besteed extra aandacht aan de virulentiefactoren en de mechanismen van antibioticaresistentie.
---
Hier is een uitgebreide samenvatting voor het onderwerp "Preventie, diagnose en behandeling van infectieziekten", gebaseerd op de verstrekte documentinhoud.
## 3 Preventie, diagnose en behandeling van infectieziekten
Deze sectie behandelt preventieve maatregelen, diagnostische methoden en therapeutische opties voor diverse bacteriële infecties, met specifieke aandacht voor luchtweginfecties en meningitis.
Preventie is cruciaal en omvat diverse strategieën, waaronder vaccinatie, hygiëne en het beheersen van de verspreiding van pathogenen.
Vaccinatie is een hoeksteen van preventie tegen veel bacteriële ziekten.
* **Vaccin-preventabele ziekten:**
* *Streptococcus pneumoniae*: Gerelateerde pneumonie kan worden voorkomen met vaccins die gericht zijn tegen de verschillende serotypen van het kapselpolysaccharide.
* *Haemophilus influenzae*: Vooral *Haemophilus influenzae* type b (Hib) ziekte is vaccineerbaar.
* *Bordetella pertussis* (kinkhoest): Vaccinatie is essentieel, vaak als onderdeel van het DTP-vaccin.
* *Corynebacterium diphtheriae* (difterie): Preventie via vaccinatie met een toxoïde-vaccin.
* *Neisseria meningitidis* (meningokokken): Vaccins zijn beschikbaar tegen verschillende serogroepen (A, B, C, W-135, Y). Vaccinatie tegen meningokokken C heeft geleid tot een significante daling van het aantal gevallen.
* *Clostridium tetani* (tetanus): Tetanusvaccinatie, vaak met een toxoïde, is zeer effectief.
* *Mycobacterium tuberculosis* (tuberculose): Het BCG-vaccin (Bacillus Calmette-Guérin) biedt bescherming aan jonge kinderen tegen ernstige vormen van tuberculose.
#### 3.1.2 Hygiëne en infectiebeheersing
Hygiënische maatregelen spelen een vitale rol, vooral in de gezondheidszorg en bij de preventie van verspreiding.
* **Handhygiëne:** Essentieel om de overdracht van pathogenen te minimaliseren.
* **Ademhalingshygiëne:** Belangrijk voor ziekten die via druppels worden verspreid, zoals kinkhoest en tuberculose.
* **Zorggerelateerde infecties:** Bij patiënten die langdurig geïntubeerd en geventileerd zijn, zoals bij ventilator-associated pneumonia (VAP), is strikte infectiebeheersing cruciaal om nosocomiale infecties met resistente bacteriën zoals *Acinetobacter baumanii* en *Pseudomonas aeruginosa* te voorkomen.
* **Waterkwaliteit:** Preventie van *Legionella pneumophila* infecties vereist controle en eliminatie van de bacterie in waterbronnen, zoals koeltorens en boilers. Regelmatige verhitting van water boven 60°C kan de groei van *Legionella* remmen.
* **Voedselveiligheid:** Preventie van *Clostridium botulinum* infecties is gericht op het correct verhitten van voedsel, met name ingemaakte producten en conserven, en het vermijden van het geven van honing aan jonge kinderen vanwege de aanwezigheid van sporen.
#### 3.1.3 Controleren van verspreiding
* **Dragerschap:** Sommige bacteriën, zoals *Neisseria meningitidis*, zijn natuurlijke commensalen in de nasopharynx. Beheersen van dragerschap kan verspreiding beperken.
* **Isolatie:** Patiënten met zeer besmettelijke ziekten zoals difterie worden in respiratoire isolatie verzorgd.
### 3.2 Diagnostiek van bacteriële infecties
Diagnostiek is gericht op het identificeren van de verwekker om een gerichte behandeling te kunnen starten.
#### 3.2.1 Klinische presentatie en beeldvorming
* **Pneumonie:** Kan gelokaliseerd zijn (lobaire pneumonie) of diffuus ("atypische" pneumonie). Symptomen variëren van koorts en hoesten tot kortademigheid en pijn op de borst. Beeldvorming zoals röntgenfoto's van de thorax is belangrijk voor diagnose.
* **Meningitis:** Kenmerkende symptomen zijn hoofdpijn, koorts, nekstijfheid en soms bewustzijnsverandering of purpura (bij meningokokken sepsis).
* **Tuberculose:** Chronische hoest (soms met bloed), koorts, gewichtsverlies en nachtzweten zijn suggestief voor pulmonaire tuberculose. Beeldvorming van de longen kan afwijkingen tonen, zoals granulomen.
* **Difterie:** Wit beslag op de tonsillen, keelpijn en vergrote lymfeklieren in de hals zijn kenmerkend.
* **Botulisme:** Gekenmerkt door een afdalende verlamming, beginnend met slikproblemen.
* **Tetanus:** Spierstijfheid en krampen, met name kaakklem (trismus) en opistotonus, zijn typisch.
#### 3.2.2 Microbiologische diagnostiek
* **Gram-kleuring:** Een snelle methode om bacteriën te classificeren op basis van celwandstructuur (gram-positief/negatief) en morfologie (kokken/staven).
* *Streptococcus pneumoniae*: Gram-positieve diplokokken.
* *Haemophilus influenzae*: Gram-negatieve staven.
* *Bordetella pertussis*: Gram-negatieve staven.
* *Corynebacterium diphtheriae*: Gram-positieve staven, vaak in "Chinese letters" liggend.
* *Legionella pneumophila*: Gram-negatieve staven, moeilijk te kleuren.
* *Mycoplasma pneumoniae*: Geen celwand, dus niet zichtbaar met Gram-kleuring.
* *Acinetobacter baumanii* en *Pseudomonas aeruginosa*: Gram-negatieve staven.
* *Mycobacterium tuberculosis*: Zuurvaste staven, vereisen speciale kleuring (Ziehl-Nielsen) vanwege de hoge concentratie mycolinezuur in de celwand.
* *Neisseria meningitidis*: Gram-negatieve kokken, vaak in paren.
* *Clostridium tetani* en *Clostridium botulinum*: Gram-positieve staven, anaëroob.
* **Kweek:** Voor isolatie en identificatie van de bacterie. Sommige bacteriën vereisen specifieke of speciale voedingsbodems en langere incubatietijden.
* *Streptococcus pneumoniae*: Kweek op bloedagar.
* *Legionella pneumophila*: Vereist speciale voedingsbodem en kan langzaam groeien.
* *Mycobacterium tuberculosis*: Zeer langzame groei (4-6 weken) op media zoals Lowenstein-Jensen.
* *Neisseria meningitidis*: Moeilijk kweekbaar, vereist speciale bodems.
* **Serologische tests:** Gebruikt voor typering (bv. *Streptococcus pneumoniae*, *Neisseria meningitidis*) of om de immuunrespons tegen een infectie te meten.
* **Moleculaire methoden:** PCR kan worden gebruikt voor snelle detectie van bacteriële DNA.
* **Analyse van lichaamsvloeistoffen:**
* **Sputum:** Voor analyse van luchtwegpathogenen zoals *Streptococcus pneumoniae*. Bij tuberculose worden zuurvaste staven in sputum gezocht.
* **Liquor (hersenvocht):** Essentieel voor de diagnose van meningitis. Analyse omvat celgetal (verhoogd bij bacteriële infectie), differentiatie (neutrofielen bij bacteriële, lymfocyten bij virale meningitis), eiwitgehalte (verhoogd bij bacteriële) en glucosegehalte (verlaagd bij bacteriële).
* **Bronchiaal aspiratie:** Gebruikt voor het identificeren van pathogenen bij ventilator-geassocieerde pneumonie, zoals *Acinetobacter baumanii* en *Pseudomonas aeruginosa*.
#### 3.2.3 Specifieke diagnostische tests
* **Tuberculinetest (Mantoux test):** Een huidtest om latente tuberculose-infectie te diagnosticeren door de immuunrespons op blootstelling aan tuberculose-antigenen te meten.
* **Toxine detectie:** Cruciaal voor de diagnose van difterie en botulisme.
Behandeling omvat antimicrobiële therapie en, indien nodig, ondersteunende zorg.
* **Keuze van antibiotica:** Is gebaseerd op de vermoedelijke of bewezen verwekker, gevoeligheidsprofiel en locatie van de infectie.
* **Empirische therapie:** Bij ernstige infecties zoals meningitis of sepsis wordt vaak gestart met breed-spectrum antibiotica voordat de specifieke verwekker bekend is.
* Voor meningitis: vaak een combinatie van ceftriaxone (voor *S. pneumoniae*, *H. influenzae*, gram-negatieven) en ampicilline (voor *Listeria*).
* Voor niet-fermenterende staafjes (*Acinetobacter*, *Pseudomonas*): specifieke, breed-spectrum antibiotica zoals ceftazidime, cefepime, piperacilline-tazobactam, meropenem, eventueel gecombineerd met amikacine of avibactam.
* **Specifieke antibiotica:**
* *Streptococcus pneumoniae*: Penicilline, amoxicilline (hoge dosis).
* *Haemophilus influenzae*: Amoxicilline, amoxicilline-clavulaanzuur.
* *Corynebacterium diphtheriae*: Penicilline of erytromycine.
* *Legionella pneumophila*: Macroliden of tetracyclines.
* *Mycoplasma pneumoniae*: Macroliden of tetracyclines.
* *Clostridium tetani*: Antibiotica stoppen toxineproductie en verminderen dragerschap, maar antitoxine is cruciaal.
* *Clostridium botulinum*: Antitoxines zijn de primaire behandeling.
* *Mycobacterium tuberculosis*: Langdurige combinatiebehandeling (6 maanden) met meerdere medicijnen, waaronder isoniazide, rifampicine, ethambutol en pyrazinamide.
* **Resistentie:** Toenemende antibioticaresistentie is een significant probleem, met name bij *Pseudomonas* en *Acinetobacter* (ESBL, CPE, VRE, MRSA).
#### 3.3.2 Antitoxines en andere specifieke behandelingen
* **Antitoxines:** Cruciaal voor de behandeling van toxine-gemedieerde ziekten.
* *Corynebacterium diphtheriae*: Antitoxine moet vroeg in het ziekteverloop worden toegediend om het circulerende toxine te neutraliseren. De beschikbaarheid van antitoxine kan beperkt zijn.
* *Clostridium tetani*: Tetanus antitoxine (paarden) of humaan tetanus immunoglobuline (HTIG) voor passieve immunisatie.
* *Clostridium botulinum*: Botulinetoxine-antitoxine kan circulerend toxine neutraliseren indien vroeg toegediend (binnen 72 uur na symptomen).
* **Antivirale middelen:** Bij virale componenten of complicaties, zoals bij herpes simplex virus (HSV), is acyclovir de behandeling voor herpes-meningo-encefalitis.
#### 3.3.3 Ondersteunende zorg
* **Ademhalingsondersteuning:** Cruciaal bij ernstige pneumonie of verlamming van ademhalingsspieren (botulisme).
* **Intensieve zorg:** Nodig voor patiënten met sepsis, meningitis, of ernstige ademhalingsproblemen.
* **Isolatie:** Bescherming van zorgverleners en andere patiënten.
* **Revalidatie:** Sanatoria werden historisch gebruikt voor herstel van tuberculose.
#### 3.3.4 Behandeling van latente infecties en preventie van reactivatie
* **Latente tuberculose:** Kan behandeld worden met antibiotica om reactivatie te voorkomen, met name bij personen met risicofactoren zoals HIV, immunosuppressie, of oudere leeftijd.
### 3.4 Specifieke bacteriële verwekkers en ziektebeelden
#### 3.4.1 *Streptococcus pneumoniae* (Pneumokokken)
* **Kenmerken:** Gram-positieve diplokokken, facultatief anaëroob. Bekend om hun kapsel, dat essentieel is voor virulentie (antifagocytose). Ongeveer 90 verschillende serotypen.
* **Virulentiefactoren:** Kapsel (polysaccharide), pneumolysine (veroorzaakt ontsteking), neuraminidase (bevordert verspreiding).
* **Ziekten:** Kolonisatie van de bovenste luchtwegen, pneumonie, otitis media, sinusitis, bacteriëmie, meningitis.
* **Diagnostiek:** Gram-kleuring, kweek, antigeendetectie.
* **Behandeling:** Penicilline, amoxicilline (hoge doses). Toenemende resistentie.
* **Preventie:** Vaccinatie (polysacchariden-conjugaat vaccins).
#### 3.4.2 *Haemophilus influenzae*
* **Kenmerken:** Gram-negatieve staven, afhankelijk van factor X en V voor groei. Gekapselde (typeerbare) en niet-omkapselde (niet-typeerbare) stammen. *H. influenzae* type b (Hib) is de belangrijkste pathogene gekapselde stam.
* **Ziekten:** Middenoorontsteking, sinusitis, bronchitis (niet-omkapseld); epiglottitis, meningitis (omkapseld, met name type b).
* **Behandeling:** Amoxicilline, amoxicilline-clavulaanzuur.
#### 3.4.3 *Bordetella pertussis* (Kinkhoest)
* **Kenmerken:** Gram-negatieve staven, aëroob.
* **Virulentiefactoren:** Fimbriae (aanhechting), tracheaal cytotoxine (vernietigt trilhaarepitheelcellen), adenylaatcyclosetoxine (interfereert met fagocyten), pertussistoxine (remt chemotaxis).
* **Ziekten:** Kinkhoest, gekenmerkt door een langdurige, paroxismale hoest met een gierende ademhaling ("whooping").
* **Behandeling:** Macroliden (bv. erytromycine) kunnen de duur van de besmettelijkheid verkorten, maar de symptomen worden voornamelijk door de toxines veroorzaakt en zijn daardoor moeilijk te behandelen na het ontstaan ervan.
* **Preventie:** Vaccinatie (DTP).
#### 3.4.4 *Corynebacterium diphtheriae* (Difterie)
* **Kenmerken:** Gram-positieve staven, aëroob, clubvormig. Produceert een exotoxine (indien geïnfecteerd met een lysogene faag).
* **Virulentiefactor:** Difterietoxine (exotoxine) remt eiwitsynthese, wat leidt tot lokale necrose, oedeem en kan ook myocarditis en neurotoxiciteit veroorzaken.
* **Ziekten:** Difterie, met symptomen zoals keelpijn, koorts, wit beslag op de tonsillen, en systemische complicaties (hart- en zenuwschade). Cutane difterie is ook mogelijk.
* **Behandeling:** Antitoxine (vroeg toegediend), antibiotica (penicilline of erytromycine) om toxineproductie te stoppen en dragerschap te reduceren. Volledige vaccinatie na herstel.
* **Preventie:** Vaccinatie met difterietoxoïde.
#### 3.4.5 *Legionella pneumophila*
* **Kenmerken:** Gram-negatieve staafjes, groeit goed in water, ook bij hogere temperaturen. Is intracellulair in amoeben.
* **Reservoir:** Zoet water (koeltorens, boilers).
* **Besmetting:** Inhalatie van aërosolen die de bacterie bevatten. Geen overdracht van mens op mens.
* **Ziekten:** Legionellose (veteranenziekte), een ernstige pneumonie met mogelijke aantasting van meerdere orgaansystemen.
* **Pathogenese:** De bacterie overleeft intracellulair in macrofagen door de fusie van fagosoom en lysosoom te remmen en remultiplyceert daar.
* **Behandeling:** Macroliden of tetracyclines.
* **Preventie:** Beheersing van waterkwaliteit om de bacterie te elimineren.
#### 3.4.6 *Mycoplasma pneumoniae*
* **Kenmerken:** Kleinste bacterie, geen celwand, stevige celmembraan. Trage groei.
* **Ziekten:** Respiratoire infecties (milde pneumonie, keelontsteking). Kan ook niet-respiratoire manifestaties veroorzaken zoals meningitis, conjunctivitis, erythema multiforme.
* **Epidemiologie:** Epidemieën komen elke 4-8 jaar voor bij kinderen en jonge volwassenen.
#### 3.4.7 Chlamydiaceae (*Chlamydia psittaci*, *C. pneumoniae*, *C. trachomatis*)
* **Kenmerken:** Obligate intracellulaire bacteriën met een complexe levenscyclus (elementair lichaam en reticulair lichaam).
* **Ziekten:**
* *C. psittaci*: Psittacose (papegaaienziekte) na contact met besmette vogels (pneumonie).
* *C. pneumoniae*: Luchtweginfecties zoals faryngitis en pneumonie.
* *C. trachomatis*: Trachoom (ooginfectie), lymfogranuloma venerum (genitale ulcus en lymfadenitis), seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA's), inclusieconjunctivitis.
#### 3.4.8 *Coxiella burnetii* (Q-koorts)
* **Kenmerken:** Obligaat intracellulaire bacterie.
* **Reservoir:** Dieren (schapen, geiten, runderen). Transmissie via teken of aerosolen, soms via melk.
* **Ziekten:** Q-koorts, met symptomen zoals griepaal syndroom, pneumonie, hepatitis, en zeldzaam endocarditis.
#### 3.4.9 *Acinetobacter baumanii* en *Pseudomonas aeruginosa*
* **Kenmerken:** Gram-negatieve staven, bekend om hun resistentie tegen veel antibiotica. *P. aeruginosa* produceert een slijmerige, groenige kolonie met een zoete geur.
* **Reservoir en besmetting:** Kunnen goed overleven in de omgeving en zijn opportunistische pathogenen, vaak geassocieerd met zorginstellingen. *P. aeruginosa* gedijt in vochtige omgevingen. Kunnen tracheale tractus koloniseren.
* **Ziekten:** Vooral geassocieerd met zorggerelateerde infecties, zoals ventilator-geassocieerde pneumonie (VAP).
* **Behandeling:** Vereist specifieke, breed-spectrum antibiotica vanwege resistentie. Combinatietherapie kan nodig zijn.
* **Preventie:** Strikte infectiebeheersing, met name bij kwetsbare patiënten.
#### 3.4.10 *Mycobacterium tuberculosis* (Tuberculose)
* **Kenmerken:** Zuurvaste staven met een dikke, wasachtige celwand (mycolinezuur), waardoor ze resistent zijn tegen veel antibiotica. Zeer langzame groei (delingstijd 20-24 uur). Vereist speciale zuurkleuring (Ziehl-Nielsen) en kweek (4-6 weken).
* **Reservoir:** Mens (voornamelijk *M. tuberculosis*).
* **Transmissie:** Via aërosolen bij hoesten door een besmet persoon.
* **Pathogenese:** Inhalatie, opname door macrofagen, vermenigvuldiging en vorming van granulomen (tuberkels) door cellulaire immuniteit. Kan leiden tot latente infectie of actieve ziekte.
* **Ziekten:** Pulmonaire tuberculose (longtuberculose) is het meest voorkomend, maar ook extrapulmonaire tuberculose (bv. meningitis, bot- of gewrichtstuberculose, miliaire tuberculose) kan voorkomen, vooral bij immuungecompromitteerden.
* **Diagnostiek:** Zuurvaste staven in sputum, kweek, tuberculinetest (Mantoux), IGRA (interferon-gamma release assay).
* **Behandeling:** Langdurige combinatiechemotherapie (minimaal 6 maanden).
* **Preventie:** BCG-vaccinatie (beschermt jonge kinderen), isolatie van open tuberculosepatiënten, behandeling van latente infecties.
#### 3.4.11 *Neisseria meningitidis* (Meningokokken)
* **Kenmerken:** Gram-negatieve kokken, vaak in paren liggend, aëroob. Vormt een kapsel (12 serogroepen, pathogeen A, B, C, W-135, Y). Moeilijk kweekbaar.
* **Epidemiologie:** Natuurlijke habitat is de nasopharynx van de mens. Vooral groep B en C komen veel voor. De "meningitis belt" in Sub-Sahara Afrika kent endemische en epidemische vormen.
* **Ziekten:** Meningokokken-sepsis (met purpura) en/of meningitis.
* **Behandeling:** Antibiotica (ceftriaxone, penicilline). Profylaxe voor contacten is aanbevolen.
* **Preventie:** Vaccinatie (tegen serogroepen A, C, W-135, Y en B). Vaccinatie tegen meningokokken C heeft geleid tot een sterke daling van het aantal gevallen.
#### 3.4.12 Herpesvirussen (HSV - Herpes Simplex Virus)
* **Kenmerken:** Dubbelstrengs DNA-virus. Kan leiden tot acute en latente infecties.
* **Ziekten:** Acute infectie kan leiden tot orofaciale laesies. Latente infectie kan reactiveren. Herpes-meningo-encefalitis is een ernstige complicatie, vooral bij immuungecompromitteerden, en kan leiden tot langetermijnneurologische sequellen.
* **Behandeling:** Acyclovir.
#### 3.4.13 *Clostridium tetani* (Tetanus)
* **Kenmerken:** Gram-positieve staafjes, anaëroob. Produceert een sterk neurotoxine (tetanospasmine). Sporen kunnen lang overleven in de grond.
* **Besmetting:** Via wonden met sporen (bv. door vuile voorwerpen, zoals bij tuinwerk).
* **Pathogenese:** Tetanospasmine interfereert met inhibitoire neurotransmitters in het centrale zenuwstelsel, wat leidt tot overmatige spiercontracties.
* **Ziekten:** Tetanus, gekenmerkt door spierstijfheid en krampen, beginnend met kaakklem (trismus) en opistotonus. Hoge mortaliteit.
* **Behandeling:** Tetanus antitoxine of HTIG, ondersteunende zorg, antimicrobiële middelen om toxineproductie te beperken.
* **Preventie:** Vaccinatie met tetanustoxoïde. Actieve immunisatie met vaccin en passieve immunisatie met antitoxine/immunoglobuline bij onbekende vaccinatiestatus na een verwonding.
#### 3.4.14 *Clostridium botulinum* (Botulisme)
* **Kenmerken:** Gram-positieve staafjes, anaëroob. Produceert een potent neurotoxine (botulinumtoxine). Sporen zijn hittebestendig en komen voor in de grond.
* **Besmetting:** Meestal door inname van voedsel dat het toxine bevat (bv. gecontamineerde conserven), waarbij de sporen in de darm uitgroeien tot vegetatieve vormen die toxine produceren.
* **Pathogenese:** Botulinumtoxine blokkeert de afgifte van acetylcholine aan de neuromusculaire overgang, wat leidt tot verlamming.
* **Ziekten:** Botulisme, een vorm van verlamming die afdalend begint (vaak met slikproblemen) en kan leiden tot ademhalingsfalen.
* **Behandeling:** Botulisme-antitoxine (vroeg toegediend), ondersteunende zorg (ventilatie).
* **Preventie:** Correcte voedselbereiding, met name verhitting van ingemaakte producten. Vermijden van honing bij zuigelingen.
---
## Veelgemaakte fouten om te vermijden
- Bestudeer alle onderwerpen grondig voor examens
- Let op formules en belangrijke definities
- Oefen met de voorbeelden in elke sectie
- Memoriseer niet zonder de onderliggende concepten te begrijpen
Glossary
| Term | Definition |
|------|------------|
| Luchtweginfecties (LRTI) | Infecties van de lagere luchtwegen, zoals pneumonie en bronchitis. Dit omvat infecties van de bronchiën, bronchiolen en longblaasjes. |
| Streptococcus pneumoniae | Een gram-positieve diplokok die veelvoorkomende luchtweginfecties, zoals pneumonie en meningitis, kan veroorzaken. Het is een belangrijke verwekker van lobaire pneumonie en is vaccineerbaar. |
| Haemophilus influenzae | Een gram-negatieve staaf die luchtweginfecties kan veroorzaken, waaronder oorontstekingen, sinusitis en pneumonie. Type b (Hib) is vaccineerbaar en kan ernstige invasieve ziekten veroorzaken, zoals meningitis en epiglottitis. |
| Bordetella pertussis | Een gram-negatieve staaf die kinkhoest veroorzaakt, een zeer besmettelijke luchtweginfectie die gekenmerkt wordt door hevige hoestbuien. Het is een vaccineerbare ziekte. |
| Corynebacterium diphtheriae | Een gram-positieve staaf die difterie veroorzaakt, een ziekte die de luchtwegen aantast en gekenmerkt wordt door een pseudomembraneuze ontsteking in de keel. Het produceert een potentieel dodelijk exotoxine en is vaccineerbaar. |
| Legionella pneumophila | Een gram-negatieve staaf die verantwoordelijk is voor de veteranenziekte (Legionella-pneumonie), een ernstige vorm van pneumonie die wordt opgelopen door het inademen van besmette wateraerosolen, vaak afkomstig van koeltorens of waterleidingen. |
| Mycoplasma pneumoniae | Een kleine bacterie zonder celwand die atypische pneumonie kan veroorzaken, vaak met een mildere, langdurige presentatie. Het kan ook buiten de longen voorkomen, zoals bij meningitis en huiduitslag. |
| Chlamydia pneumoniae | Een gram-negatieve bacterie die luchtweginfecties kan veroorzaken, waaronder faryngitis en pneumonie. Het is ook geassocieerd met cardiovasculaire aandoeningen. |
| Coxiella burnetii | Een gram-negatieve bacterie die Q-koorts veroorzaakt, een zoönose die overgedragen wordt via aerosolen of besmet melk. Symptomen kunnen griepachtig zijn, maar ook pneumonie, hepatitis en endocarditis omvatten. |
| Acinetobacter baumanii | Een gram-negatieve staaf die een belangrijke oorzaak is van zorggerelateerde infecties, waaronder geventileerde-geassocieerde pneumonie (VAP). Deze bacterie is vaak multidrugresistent. |
| Pseudomonas aeruginosa | Een gram-negatieve staaf die frequent voorkomt in ziekenhuisomgevingen en ernstige infecties kan veroorzaken bij immuungecompromitteerde patiënten, zoals longontstekingen, huidinfecties en urineweginfecties. Het is vaak resistent tegen meerdere antibiotica. |
| Mycobacterium tuberculosis | Een zuurvaste staaf die tuberculose veroorzaakt, een chronische infectieziekte die voornamelijk de longen aantast, maar ook andere organen kan beïnvloeden. Het wordt gekenmerkt door langzame groei en latentie. |
| Neisseria meningitidis | Een gram-negatieve diplokok die meningitis en meningokokken-sepsis kan veroorzaken. Het is een belangrijke verwekker van bacteriële meningitis, vooral bij kinderen en jongvolwassenen, en is vaccineerbaar. |
| Clostridium tetani | Een gram-positieve staaf die tetanus veroorzaakt door het produceren van een neurotoxine (tetanospasmine) dat spierstijfheid en krampen veroorzaakt. Het is vaccineerbaar. |
| Clostridium botulinum | Een gram-positieve anaërobe staaf die botulisme veroorzaakt door het produceren van een neurotoxine dat spierverlamming veroorzaakt, met name een afdalende verlamming die levensbedreigend kan zijn door ademhalingsstilstand. |
| Glycocalyx | Een laag van polysacchariden of eiwitten die de buitenkant van een bacterie omhult. Het kan verschillende functies hebben, waaronder bescherming tegen fagocytose, adhesie aan oppervlakken en het vormen van biofilms. |
| Kapsel | Een specifieke, strak begrensde laag van polysacchariden of eiwitten, direct verbonden aan de celwand van een bacterie. Het speelt een belangrijke rol bij virulentie, antifagocytose en kan als antigeen dienen voor serotypering en vaccinontwikkeling. |
| Slijmlaag | Een minder uniforme en losser gebonden laag rondom een bacterie, die ook functies kan hebben bij adhesie en bescherming, maar minder specifiek is dan een kapsel. |
| Virulentiefactor | Een eigenschap of molecuul van een pathogeen dat bijdraagt aan het vermogen om een gastheer te infecteren, schade te veroorzaken en ziekte te veroorzaken. Voorbeelden zijn toxines, enzymen en structurele componenten die adhesie of invasie bevorderen. |
| Opsonisatie | Het proces waarbij pathogenen worden bedekt met opsonines (zoals antilichamen of complementcomponenten) die herkenning door fagocyten vergemakkelijken, waardoor fagocytose efficiënter verloopt. |
| Fagocytose | Het proces waarbij cellen, fagocyten genaamd, vreemde deeltjes, zoals bacteriën, omvatten en verteren. Het is een cruciaal onderdeel van het immuunsysteem. |
| Pneumolysine | Een cytotoxisch eiwit geproduceerd door Streptococcus pneumoniae dat celmembranen kan beschadigen, ontsteking kan veroorzaken en een rol speelt in de pathogenese van pneumokokken-infecties. |
| Neuraminidase | Een enzym dat polysacchariden met sialinezuur kan afbreken. Bij bacteriën zoals Streptococcus pneumoniae kan het helpen bij de verspreiding door de afbraak van mucine, het hoofdbestanddeel van slijm. |
| Dragerschap | De aanwezigheid van een pathogeen in een gastheer zonder dat er symptomen van ziekte optreden. Dragers kunnen het pathogeen echter wel verspreiden naar anderen. |
| Shedding | Het proces waarbij pathogenen, zoals bacteriën of virussen, door een besmette gastheer worden uitgescheiden, wat bijdraagt aan de transmissie. |
| Epitheliale cellen | Cellen die de buitenkant van het lichaam en de bekleding van inwendige organen vormen. Ze spelen een rol in barrièrefuncties en communicatie met de omgeving. |
| Cytokines | Kleine eiwitten die door immuuncellen en andere cellen worden geproduceerd en die communicatie tussen cellen reguleren, met name bij immuunreacties. Ze kunnen ontstekingsbevorderend of ontstekingsremmend zijn. |
| Granuloom | Een georganiseerde massa van immuuncellen, voornamelijk macrofagen en lymfocyten, die zich vormt rondom een infectie of vreemd lichaam om de verspreiding ervan te beperken. Tuberculose vormt typische granulomen. |
| Verkazing | Een proces waarbij centraal weefsel in een granuloom afsterft en een kaasachtige consistentie krijgt. Het is een kenmerk van tuberculose en andere chronische ontstekingen. |
| Latente tuberculose | Een toestand waarin een persoon besmet is met Mycobacterium tuberculosis, maar geen actieve ziekte vertoont en niet besmettelijk is. De bacteriën zijn aanwezig, maar inactief en ingekapseld. |
| Actieve tuberculose | Een toestand waarin een persoon met Mycobacterium tuberculosis ziekteverschijnselen vertoont en besmettelijk is, meestal door de vorming van verkazende granulomen die openbreken in de luchtwegen. |
| Tuberkel | Een klein, tuberkelachtig knobbeltje dat zich kan vormen in organen zoals de longen als reactie op infectie, met name door Mycobacterium tuberculosis. Het bevat vaak dode bacteriën en immuuncellen. |
| Mantoux test | Een huidtest die wordt gebruikt om blootstelling aan Mycobacterium tuberculosis te detecteren. Een kleine hoeveelheid tuberculine wordt geïnjecteerd en de reactie wordt na 48-72 uur beoordeeld. |
| Meningen | De hersenvliezen, een drielaags membraan dat de hersenen en het ruggenmerg beschermt. Ontsteking van de meningen wordt meningitis genoemd. |
| Lumbalepunctie | Een diagnostische procedure waarbij vocht uit het ruggenmerg wordt verkregen door een naald tussen de wervels te plaatsen. Het vocht wordt geanalyseerd om infecties of andere aandoeningen van het centrale zenuwstelsel te diagnosticeren. |
| Purpura | Kleine, paarsrode vlekjes op de huid die ontstaan door bloedingen vanuit de haarvaten. Het kan een teken zijn van ernstige infecties zoals meningokokken-sepsis. |
| Sepsis | Een levensbedreigende toestand die wordt veroorzaakt door een ontregelde immuunreactie op een infectie, wat leidt tot orgaanfalen en hypotensie. |
| Exotoxine | Een toxine dat door bacteriën wordt uitgescheiden in de omgeving. Het kan ernstige weefselschade en systemische ziekte veroorzaken. Voorbeelden zijn tetanus toxine en difterie toxine. |
| Tetanospasmine | Het exotoxine geproduceerd door Clostridium tetani dat verantwoordelijk is voor de symptomen van tetanus door de blokkering van remmende neurotransmitters in het centrale zenuwstelsel. |
| Tetanus antitoxine | Antilichamen die worden gebruikt om tetanus toxine te neutraliseren. Het biedt tijdelijke passieve immuniteit en kan worden gebruikt als behandeling bij tetanus. |
| Botulinetoxine | Het neurotoxine geproduceerd door Clostridium botulinum dat verantwoordelijk is voor de symptomen van botulisme door het blokkeren van de afgifte van acetylcholine bij neuromusculaire synapsen, wat leidt tot spierverlamming. |
| Antitoxine | Antilichamen die specifiek zijn tegen een bepaald toxine. Ze kunnen toxines neutraliseren en worden gebruikt als behandeling bij toxine-gemedieerde ziekten zoals tetanus en botulisme. |
| Gram-kleuring | Een microbiologische kleuringstechniek die bacteriën onderverdeelt in twee groepen: gram-positief (die de kleurstof vasthouden en blauw/paars kleuren) en gram-negatief (die de kleurstof niet vasthouden en rood kleuren). |
| Staafjes (bacillen) | Bacteriën met een staafvormige morfologie. |
| Kokken (coci) | Bacteriën met een ronde of ovale morfologie. |
| Diplokokken | Kokken die in paren voorkomen. |
| Anaërobe omstandigheden | Omstandigheden zonder zuurstof. Sommige bacteriën, anaëroben, gedijen in deze omgeving. |
| Aerosolen | Kleine vloeistof- of vaste deeltjes die in de lucht zweven. Inhalatie van besmette aerosolen kan leiden tot luchtweginfecties. |
| Biofilm | Een gemeenschap van micro-organismen die aan een oppervlak zijn gebonden en ingebed zijn in een zelfgeproduceerde extracellulaire matrix. Biofilms bieden bescherming tegen antibiotica en het immuunsysteem. |
| Antibioticaresistentie | Het vermogen van bacteriën om te overleven en te groeien ondanks de aanwezigheid van antibiotica. Dit is een groeiend wereldwijd gezondheidsprobleem. |
| Resistentiegenen | Genen die bacteriën resistentie verlenen tegen antibiotica. Deze genen kunnen worden overgedragen tussen bacteriën. |
| Breed spectrum antibiotica | Antibiotica die effectief zijn tegen een breed scala aan bacteriën, zowel gram-positief als gram-negatief. Ze worden vaak gebruikt bij ernstige infecties waar de specifieke verwekker nog onbekend is. |
| Nosocomiale infectie | Een infectie die wordt opgelopen in een zorginstelling, zoals een ziekenhuis. Vaak geassocieerd met medische procedures of apparatuur. |
| Ventilator-geassocieerde pneumonie (VAP) | Een longontsteking die zich ontwikkelt bij patiënten die mechanisch worden geventileerd, meestal via een endotracheale tube. |
| Commune flora | Micro-organismen die normaal gesproken aanwezig zijn op of in het lichaam zonder ziekte te veroorzaken. Ze kunnen een beschermende rol spelen. |
| Zuurvaste staven | Een type bacterie dat de Ziehl-Neelsen kleuring, die zuurvaste eigenschappen aantoont, positief kleurt. Mycobacterium tuberculosis is hier een voorbeeld van. |
| Epidemiologie | De studie van de distributie en determinanten van gezondheid-gerelateerde toestanden of gebeurtenissen in specifieke populaties, en de toepassing van deze studie op de controle van gezondheidsproblemen. |
| Vaccinatie | Het toedienen van een vaccin om immuniteit tegen een specifieke ziekte op te wekken. Het is een belangrijke preventieve maatregel tegen veel infectieziekten. |
| Immuungecompromitteerd | Een toestand waarin het immuunsysteem van een individu verzwakt is, waardoor het vatbaarder is voor infecties. Dit kan komen door ziekte, medicatie of genetische factoren. |
| Extrapulmonaire tuberculose | Tuberculose die zich buiten de longen manifesteert, bijvoorbeeld in de lymfeklieren, botten, hersenen of urinewegen. |
| Milaire tuberculose | Een ernstige, gedissemineerde vorm van tuberculose waarbij de bacteriën via de bloedbaan door het hele lichaam verspreiden, wat resulteert in kleine, zaadachtige letsels (tuberkels) in diverse organen. |
| Tuberculine test | Een huidtest die wordt gebruikt om blootstelling aan Mycobacterium tuberculosis te detecteren. Een positieve reactie duidt op eerdere blootstelling, mogelijk latente TB. |
| Reactivatie | Het opnieuw actief worden van een latente infectie. Bij tuberculose kan latente TB jaren na de primaire infectie opnieuw actief worden, vooral als het immuunsysteem verzwakt is. |
| Purpura fulminans | Een zeldzame, levensbedreigende complicatie van bacteriële infecties (vooral meningokokkensepsis) gekenmerkt door uitgebreide huidbloedingen en necrose, veroorzaakt door disseminatie van intravasculaire stolling (DIC). |
| Meningokokken-sepsis | Een ernstige, potentieel fatale infectie van de bloedbaan veroorzaakt door Neisseria meningitidis. Kenmerkt zich door snelle progressie, koorts, hypotensie en vaak de ontwikkeling van purpura. |
| Lipooligosacchariden (LOS) | Een bestanddeel van de buitenmembraan van gram-negatieve bacteriën, zoals Neisseria meningitidis. LOS speelt een rol in de interactie met het immuunsysteem en kan bijdragen aan ontsteking en ziekte. |
| Profylaxe | Maatregelen genomen om de ontwikkeling van een ziekte te voorkomen of te verminderen. Bij meningokokkenziekte omvat dit het toedienen van antibiotica aan contacten van een geïnfecteerd persoon. |
| Trismus | Spierkrampen van de kaakspieren, vaak een symptoom van tetanus, waardoor de mond moeilijk te openen is. |
| Opisthotonus | Een extreme spierspanning die leidt tot een abnormale, achterwaartse kromming van het lichaam, vaak gezien bij tetanus. |
| Neonatale tetanus | Tetanus die optreedt bij pasgeboren baby's, meestal veroorzaakt door besmetting van de navelstomp tijdens een onhygiënische bevalling. |
| Equine tetanus antitoxin | Antiserum tegen tetanus, geproduceerd in paarden. Biedt tijdelijke passieve immuniteit, maar kan allergische reacties veroorzaken. |
| Human tetanus immunoglobulin (HTIG) | Immuunglobulinen van menselijke oorsprong die passieve immuniteit tegen tetanus bieden. Gebruikt als behandeling en profylaxe bij patiënten met een onbekende of onvolledige vaccinatiestatus. |
| Anaërobe omstandigheden | Omstandigheden waarbij geen zuurstof aanwezig is. Clostridium botulinum gedijt in deze omgeving. |
| Conserven | Voedselproducten die worden bewaard in luchtdichte verpakkingen, vaak na verhitting om micro-organismen te doden. Onjuiste conservering kan leiden tot botulisme als Clostridium botulinum-sporen overleven en toxine produceren. |
| Botox | Een merknaam voor botulinetoxine, dat in zeer verdunde en gezuiverde vorm wordt gebruikt voor medische en cosmetische toepassingen, zoals het behandelen van spierspasmen en rimpels. |