Cover
Börja nu gratis Infectiepreventie.pdf
Summary
# Specifieke 'ziekenhuisbacteriën' en resistentieprofielen
Dit onderwerp behandelt de specifieke bacteriën die men veelal in ziekenhuizen oploopt, de redenen voor hun gevaarlijkheid, en de belangrijkste soorten met hun resistentieprofielen, te weten MRSA, VRE en MRGN.
### 1.1 Definitie en algemene principes van ‘ziekenhuisbacteriën’
* **Definitie:** De term ‘ziekenhuisbacteriën’ wordt in de volksmond gebruikt voor (meestal multiresistente) bacteriën die tijdens een ziekenhuisverblijf kunnen worden opgelopen. Wetenschappelijk spreekt men van Multidrugresistente Micro-organismen (MDRO) [50](#page=50).
* **Gevaren:** Het gevaar van deze bacteriën ligt doorgaans niet in een verhoogde virulentie, maar in een combinatie van factoren [50](#page=50):
* De verminderde weerstand van de patiënt [50](#page=50).
* Vertraagde documentatie van resistentie, waardoor infecties al met ineffectieve empirische antibiotica worden behandeld, wat leidt tot vergevorderde infecties met problemen zoals uitgebreide infecties, biofilmvorming en metastatische infecties (bv. bij MRSA, *Candida* spp.) [50](#page=50).
* De effectieve antibiotica zijn vaak duur, toxisch, moeilijker te doseren, en soms zijn er geen alternatieven [50](#page=50).
### 1.2 Screening en decontaminatie
* **Screening:**
* Screening is meestal gericht ('targeted') bij specifieke risicopatiënten en op specifieke lichaamsplaatsen, afhankelijk van de bacterie (bv. keel, neus, rectaal) [50](#page=50).
* In het laboratorium worden op screeningsstalen enkel multiresistente bacteriën opgespoord met behulp van selectieve kweekbodems die antibiotica bevatten [50](#page=50).
* Een alternatief is moleculaire detectie van resistentiegenen [50](#page=50).
* **Decontaminatie (dekolonisatie):**
* Decontaminatie is enkel mogelijk voor MRSA (een huidbacterie) onder bepaalde omstandigheden [50](#page=50).
* Dit omvat een combinatie van neuszalf met antibiotica (mupirocine), antiseptische keelspoeling (chloorhexidine) en huidenwassing met antiseptische zeep (chloorhexidine of povidonjood) [50](#page=50).
* Er is geen decontaminatie mogelijk van darmbacteriën zoals VRE en CPE [50](#page=50).
### 1.3 Ziekenhuisbacteriën in de community
* Door het uitgebreide gebruik van antibiotica, ook in de diergeneeskunde, verspreiden ziekenhuisbacteriën (zoals ESBL, MRSA) zich ook in de gemeenschap ('community'), wat de beheersing bemoeilijkt [50](#page=50).
### 1.4 Specifieke multidrugresistente micro-organismen (MDRO)
#### 1.4.1 Methicilline-resistente *Staphylococcus aureus* (MRSA)
* **Kenmerken:**
* Dragerschap: een huidbacterie met de neus als voorkeursplaats, maar ook variabel op andere lichaamssites [51](#page=51).
* Verwekker van zorginfecties zoals pneumonie, CLABSI (Catheter-Related Bloodstream Infection) en POWI (Prosthetic and Orthopedic Wound Infection) [51](#page=51).
* **Vormen:**
* **HA-MRSA** (Hospital-Acquired MRSA): opgelopen in een ziekenhuisomgeving [51](#page=51).
* **CA-MRSA** (Community-Acquired MRSA): veroorzaakt fulminante huidinfecties en pneumonie bij jonge, gezonde personen [51](#page=51).
* **LA-MRSA** (Livestock-Associated MRSA): bij veehouders (vooral van varkens) en hun familieleden [51](#page=51).
* **Incidentie:** Er is een (inter)nationale trend van dalende MRSA-incidentie, waarschijnlijk door multifactoriële oorzaken zoals een restrictief antibioticabeleid en aandacht voor handhygiëne, vooral in woon-zorgcentra (WZC) die een belangrijk reservoir vormden [51](#page=51).
#### 1.4.2 Vancomycine-resistente Enterokokken (VRE)
* **Kenmerken:**
* Enterokokken die resistent zijn aan glycopeptiden (vancomycine) en meestal ook aan penicillines [51](#page=51).
* Hierdoor zijn er zeer weinig antibiotica nog effectief [51](#page=51).
* Dragerschap is een darmbacterie (buiten eventuele infectiehaarden) [51](#page=51).
* **Voorkomen:** Gelokaliseerd in bepaalde ziekenhuizen, en een groter probleem in andere landen (bv. USA, Frankrijk) [51](#page=51).
#### 1.4.3 Multiresistente Gramnegatieve Staven (MRGN)
* **Kenmerken:**
* Betreft Enterobacterales (bv. *E. coli*, *Klebsiella pneumoniae*, *Klebsiella aerogenes*, *Enterobacter cloacae*) en non-fermenters (bv. *Pseudomonas aeruginosa*, *Acinetobacter baumannii*) [52](#page=52).
* Deze bacteriën zijn resistent aan vele antibioticaklassen (co-resistentie) door clustering van resistentiegenen, vaak op een plasmide [52](#page=52).
* Klassieke antibiotica zijn vaak niet meer actief, waardoor toevlucht moet worden genomen tot reserve- of suboptimale antibiotica [52](#page=52).
* **Locatie:** De normale plaats van voorkomen van Enterobacterales is de darm; screening gebeurt via een rectale wisser. Bij non-fermenters kan een bron in de omgeving (bv. water bij *P. aeruginosa*) worden overwogen [52](#page=52).
* **Screening:** Kan plaatsvinden voor respiratoire monsters, darm, wonden, etc. [52](#page=52).
* **Specifieke categorieën:**
* **Zeer multidrugresistente of pandrugresistente gramnegatieve staven:** Algemene benaming [52](#page=52).
* **Bacteriën die ESBL (Extended-Spectrum Beta-Lactamase) produceren:** Deze enzymen breken de meeste bèta-lactams (inclusief 3e generatie cefalosporines) af, maar niet carbapenems. ESBL's zijn al decennia aanwezig in ziekenhuizen en sterk verspreid in de gemeenschap, wat screening en isolatie controversieel maakt [52](#page=52).
* **CPE (Carbapenemase-producerende Enterobacterales):** Breken ook carbapenems af. Actieve surveillance, inclusief screening en isolatie, wordt aanbevolen om verdere uitbreiding in te dijken [52](#page=52).
> **Tip:** De website www.nsih.be (Sciensano) biedt nuttige informatie met Belgische richtlijnen en resultaten van de nationale surveillance van onder andere MRSA, VRE en MRGN (inclusief CPE) [52](#page=52).
---
# Zorginfecties en hun oorzaken
Zorginfecties, ook wel bekend als healthcare-associated infections (HAI), zijn infecties die patiënten oplopen tijdens de zorgverlening in ziekenhuizen of andere zorginstellingen [9](#page=9).
### 2.1 Definitie en operationele definitie
Een zorginfectie is per definitie een infectie die optreedt bij een gehospitaliseerde patiënt, minstens 48 uur na opname. Infecties die reeds in de incubatiefase waren vóór de opname en in het ziekenhuis tot uiting komen, worden niet als zorginfecties beschouwd. Belangrijk is dat een zorginfectie ook kan optreden nadat de patiënt het ziekenhuis heeft verlaten, met name bij lichaamsvreemd materiaal zoals protheses, en dit kan tot wel een jaar na de ingreep nog steeds als zorginfectie worden geclassificeerd [9](#page=9).
### 2.2 Vermijdbaarheid en bevorderende factoren
Naar schatting is ongeveer 30% van de zorginfecties vermijdbaar door het consequent toepassen van preventieve maatregelen, met handhygiëne als de allerbelangrijkste maatregel. Het is cruciaal te beseffen dat een zorginfectie niet automatisch een medische fout impliceert; veel infecties zijn inherent aan het ziekteproces van de patiënt en de onvermijdelijke aanwezigheid van micro-organismen op de huid [12](#page=12) [9](#page=9).
Verschillende factoren bevorderen de ontwikkeling van zorginfecties in ziekenhuizen:
* **Kwetsbare patiënten:** Patiënten met een verzwakt immuunsysteem door hun ziekteproces of medische ingrepen, zoals wonden of invasieve medische hulpmiddelen [9](#page=9).
* **Virulente micro-organismen:** De aanwezigheid van sterk ziekteverwekkende micro-organismen, waaronder toxineproducerende bacteriën zoals *Clostridioides difficile* [9](#page=9).
* **Resistente micro-organismen:** De toenemende prevalentie van resistente bacteriën, zoals MRSA (methicilline-resistente *Staphylococcus aureus*), VRE (vancomycine-resistente enterokokken) en multiresistente gramnegatieven (MRGN), wordt versterkt door de hoge antibioticadruk die de natuurlijke kolonisatieresistentie aantast [10](#page=10) [9](#page=9).
* **Zorgcontacten en -handelingen:** Direct contact met zorgverleners, zorgmaterialen en diverse zorgprocedures [11](#page=11) [9](#page=9).
* **Lichaamsvreemd materiaal:** Inbrengen van lichaamsvreemde materialen zoals stents of prothesen verhoogt het risico op infectie, mede door de vorming van biofilms. Antibiotica zijn ineffectief tegen micro-organismen in biofilms, en deze ontsnappen ook aan het immuunsysteem [9](#page=9).
> **Tip:** Het Swiss Cheese Model illustreert dat geen enkele preventieve maatregel 100% effectief is. Door meerdere maatregelen te combineren, worden de 'gaten' in de verdediging kleiner, wat de kans op een infectie verkleint [8](#page=8).
### 2.3 Verwekkers van zorginfecties
Het spectrum aan verwekkers van zorginfecties is zeer breed en omvat bacteriën, schimmels (fungi), virussen (zoals influenza, RSV, SARS-CoV-2, norovirus) en parasieten. De meest frequente bacteriële verwekkers zijn *Staphylococcus* en *E. coli*. Een aanzienlijk deel van deze bacteriën behoort tot de zogenaamde 'ziekenhuisbacteriën' die resistent zijn tegen meerdere antibiotica, zoals MRSA, VRE en diverse MRGN-soorten, waaronder ESBL-producerende en CPE-producerende Enterobacterales [10](#page=10).
### 2.4 Infectiebronnen van zorginfecties
Infectiebronnen kunnen exogeen of endogeen zijn:
* **Exogene bronnen** zijn afkomstig uit de ziekenhuis- of zorgomgeving. Dit kan variëren van de handen van zorgverleners, besmet zorgmateriaal (zoals stethoscopen, bedpannen, echoprobes), linnen, voeding en oppervlakken, tot gecontamineerde infuusvloeistoffen, lucht (bv. door patiënten met open tuberculose of schimmelsporen bij bouwwerken) en water (bv. *Legionella pneumophila*, *Pseudomonas aeruginosa*). Schimmels en gisten kunnen vrijkomen bij bouwwerken in ziekenhuizen [10](#page=10) [11](#page=11).
* **Endogene bronnen** zijn de eigen microflora van de patiënt, die pathogeen of commensaal kan zijn. Voorbeelden zijn postoperatieve wondinfecties veroorzaakt door *Staphylococcus aureus* die reeds op de huid van de patiënt aanwezig was [10](#page=10) [11](#page=11).
> **Tip:** Handen van zorgverleners zijn het meest gebruikte 'instrument' in de zorg en vormen daarom een cruciaal punt voor infectiepreventie [12](#page=12).
### 2.5 Impact van zorginfecties
Zorginfecties hebben een aanzienlijke impact op de gezondheidszorg:
* **Morbiditeit:** Naar schatting ontwikkelt 5 tot 10% van de gehospitaliseerde patiënten een zorginfectie, wat neerkomt op ongeveer 125.000 patiënten per jaar [10](#page=10).
* **Mortaliteit:** Hoewel er naar schatting 18.000 patiënten per jaar met een infectie overlijden ('crude mortality'), wordt de directe sterfte ten gevolge van de infectie ('attributable mortality') geschat op 2.600 per jaar [10](#page=10).
* **Extra hospitalisatiedagen en kosten:** Zorginfecties leiden tot een aanzienlijke verlenging van ziekenhuisverblijven, met naar schatting 835.000 extra dagen per jaar, wat resulteert in een extra kostprijs van 384 miljoen euro [10](#page=10).
### 2.6 Meest frequente types zorginfecties en risicofactoren
De vier meest voorkomende types zorginfecties, in afnemende frequentie, zijn:
1. Urineweginfecties (vaak geassocieerd met een verblijfskatheter). Risicofactoren omvatten een urinewegenkatheter, invasieve urologische procedures, hoge leeftijd, ernstige onderliggende ziekte, urolithiasis, zwangerschap en diabetes [12](#page=12).
2. Onderste luchtweginfecties (met name ventilator-geassocieerde pneumonie, VAP). Risicofactoren zijn mechanische ventilatie, aspiratie, nasogastrische sondes, onderdrukking van het centrale zenuwstelsel, antibioticagebruik, zuurremmers, langdurig verblijf, ondervoeding, hoge leeftijd en immuundeficiëntie. Micro-aspiratie kan bijdragen aan luchtweginfecties [12](#page=12).
3. Postoperatieve wondinfecties (SSI). Risicofactoren zijn inadequate antibiotica profylaxe, onjuiste huidvoorbereiding, duur van de chirurgische ingreep, type wond, diabetes, ondervoeding, immuundeficiëntie en gebrek aan training/supervisie. Correcte antibiotica profylaxe, toegediend binnen een uur voor de incisie, is essentieel om voldoende weefselconcentratie te bereiken [12](#page=12).
4. Bloedbaaninfecties (met name centraal-lijn geassocieerde bloedbaaninfectie, CLABSI). Risicofactoren zijn vasculaire katheters, kritische zorg, ernstige onderliggende ziekte, neutropenie, immuundeficiëntie, nieuwe invasieve technieken en gebrek aan training/supervisie [12](#page=12).
> **Tip:** De risicofactoren die vetgedrukt zijn in de literatuur zijn de factoren waar men preventief op kan ingrijpen als onderdeel van een infectiepreventiebeleid. Hoewel het risico op zorginfecties afneemt door verbeterde hygiëne en technieken, blijven ze een belangrijke uitdaging in de gezondheidszorg [11](#page=11) [12](#page=12).
---
# Reiniging, desinfectie en sterilisatie van medisch materiaal
Medisch materiaal kan een risico vormen voor de overdracht van micro-organismen (MO) en vereist daarom een zorgvuldig decontaminatieproces om infecties te voorkomen [14](#page=14).
### 4.1 Spaulding classificatie en risico-indeling
Alle medische instrumenten en materialen worden ingedeeld in drie risicocategorieën, wat de keuze van het decontaminatieproces bepaalt [14](#page=14).
#### 4.1.1 Kritische voorwerpen
* Deze voorwerpen komen in contact met bloed of steriele lichaamsholten [14](#page=14).
* Ze moeten volledig vrij zijn van elke contaminatie met MO, inclusief bacteriële sporen [14](#page=14).
* Voorbeelden zijn chirurgische instrumenten, implanteerbaar materiaal en invasieve devices zoals intravasculaire katheters [14](#page=14).
* Herbruikbaar kritisch materiaal ondergaat sterilisatie [14](#page=14) [20](#page=20).
#### 4.1.2 Semi-kritische voorwerpen
* Deze voorwerpen komen in contact met niet-intacte huid of mucosae [14](#page=14).
* Ze moeten vrij zijn van MO, hoewel kleine hoeveelheden sporen nog aanwezig mogen zijn [14](#page=14).
* Voorbeelden zijn endoscopen, laryngoscoopbladen en anesthesiemateriaal [14](#page=14).
* Dit materiaal ondergaat high-level desinfectie [14](#page=14) [20](#page=20).
#### 4.1.3 Niet-kritische voorwerpen
* Deze voorwerpen komen in contact met intacte huid [14](#page=14).
* Voorbeelden zijn bloeddrukmanchetten en axillaire thermometers [14](#page=14).
* Dit materiaal ondergaat reiniging of low-level desinfectie [14](#page=14) [20](#page=20).
### 4.2 Decontaminatiemethodes
#### 4.2.1 Reiniging
* Reiniging is het verwijderen van organische bevuiling zoals bloed en mucus [15](#page=15).
* Dit is een essentiële stap vóór desinfectie en/of sterilisatie, omdat organisch materiaal een barrière kan vormen en de werking van desinfectantia kan neutraliseren [15](#page=15).
* Niet schoongemaakt materiaal kan niet effectief gedesinfecteerd worden [19](#page=19).
* Reiniging zorgt voor een reductie van 1 tot 2 log van het kiemaantal [19](#page=19).
#### 4.2.2 Desinfectie
* Desinfectie is een proces dat een sterke, maar niet volledige eliminatie van micro-organismen nastreeft, inclusief sporen, sommige virussen en *Mycobacterium tuberculosis* [15](#page=15).
* Het resultaat van desinfectie wordt beïnvloed door factoren zoals de mate van organische bevuiling, het type en de graad van microbiële contaminatie, temperatuur, contacttijd, de eigenschappen van het desinfectans, en de structuur van het voorwerp [15](#page=15).
* Desinfectie streeft naar een reductie van 6 tot 7 log van het kiemaantal [19](#page=19).
* **Thermische desinfectie:** Maakt gebruik van hoge temperaturen (bv. 1 minuut op 90°C) en is de meest doeltreffende methode [15](#page=15).
* **Chemische desinfectie:** Maakt gebruik van een desinfectans, voornamelijk wanneer thermische desinfectie niet haalbaar of schadelijk is (bv. voor warmtegevoelig materiaal) [15](#page=15).
* Desinfectantia omvatten o.a. alcoholen, chloor- en joodderivaten, chloorhexidine, waterstofperoxide, perazijnzuur en glutaaraldehyde [15](#page=15).
> **Tip:** Het is cruciaal om onderscheid te maken tussen desinfectantia (voor inert materiaal en oppervlakken) en antiseptica (voor levende wezens). Antiseptica mogen niet toxisch zijn voor levende weefsels [15](#page=15).
##### 4.2.2.1 High-level desinfectie (HLD)
* Ver Niet-kritische voorwerpen (die enkel contact hebben met intacte huid) worden best zo goed mogelijk gereinigd of behandeld met low-level desinfectie [20](#page=20).
* Semi-kritische voorwerpen, zoals flexibele endoscopen, ondergaan high-level desinfectie [14](#page=14) [22](#page=22).
* Dit omvat het vernietigen van alle micro-organismen met uitzondering van een groot aantal bacteriële sporen [20](#page=20).
* Chemische desinfectie met glutaaraldehyde of perazijnzuur wordt gebruikt voor hittegevoelig materiaal zoals endoscopen [22](#page=22).
* High-level desinfectie streeft naar een reductie van 6 log van het kiemaantal [19](#page=19).
##### 4.2.2.2 Intermediate en Low-level desinfectie
* Intermediate level desinfectie inactiveert vegetatieve bacteriën, de meeste virussen en fungi, en *M. tuberculosis*, maar geen sporen [20](#page=20).
* Low-level desinfectie doodt de meeste bacteriën, sommige virussen en fungi, maar geen resistente MO zoals TB en sporen [20](#page=20).
* Voor niet-kritische voorwerpen, zoals echokoppen, stethoscopen, thermometers en bloeddrukmanchetten, wordt low-level desinfectie toegepast [22](#page=22).
* 70% alcohol en desinfecterende doekjes (wipes) zijn hiervoor geschikt [22](#page=22).
* Low-level desinfectie streeft naar een reductie van 3 log van het kiemaantal [19](#page=19).
#### 4.2.3 Sterilisatie
* Sterilisatie is het proces waarbij alle micro-organismen, inclusief bacteriële sporen, worden geëlimineerd [17](#page=17).
* Grondige reiniging vooraf is essentieel [17](#page=17).
* Sterilisatie streeft naar een reductie van 7 log van het kiemaantal [19](#page=19).
##### 4.2.3.1 Sterilisatiemethoden
* **Met stoom (vochtige warmte):**
* Stoom heeft een uitstekend penetratievermogen [17](#page=17).
* Wordt gegenereerd onder druk in een autoclaaf [17](#page=17).
* Vereist de juiste tijdsduur-temperatuurcombinatie (bv. 3 minuten op 134°C, of 15 minuten op 121°C) [17](#page=17).
* Meest gebruikte methode voor hittebestendig, kritisch instrumentarium [17](#page=17).
* **Met warme droge lucht:**
* Vereist hogere temperaturen en langere blootstellingstijd dan stoom (bv. 2 uur op 160-180°C) [17](#page=17).
* Soms gebruikt voor laboratoriummateriaal (bv. glazen kolven) [17](#page=17).
* **Met ethyleenoxide gas:**
* Doeltreffend, vereist geen hoge temperatuur en is geschikt voor warmtegevoelig materiaal [17](#page=17).
* Is een langdurig proces met een 'aeratietijd' van enkele weken vanwege toxiciteit en carcinogeniteit [17](#page=17).
* Wordt industrieel gebruikt voor disposable materiaal zoals spuiten, naalden en katheters [17](#page=17).
* **Met gammastraling:** [17](#page=17).
### 4.3 Gevoeligheid van micro-organismen voor desinfectie en sterilisatie
Er bestaat een hiërarchie in de gevoeligheid van micro-organismen voor desinfectie en sterilisatie [18](#page=18).
* **Van makkelijk naar moeilijk:**
1. Levende vegetatieve bacteriën [18](#page=18).
2. Virussen met lipide membraan (envelop) [18](#page=18).
3. Fungi [18](#page=18).
4. Naakte virussen (bv. Polio, Norovirus, Rotavirus) [18](#page=18).
5. Mycobacteriën [18](#page=18).
6. Bacteriële sporen [18](#page=18).
* Prionen zijn nog weerstandiger en extreem moeilijk te elimineren; in dergelijke gevallen wordt bij risicopatiënten liefst wegwerpmateriaal gebruikt of wordt het materiaal na gebruik vernietigd [18](#page=18).
> **Tip:** Alcohol werkt niet tegen sporen, zoals die van *Clostridium difficile*, die daardoor lang overleven [16](#page=16).
### 4.4 Principe van microbiële eliminatie
* De microbiële eliminatie verloopt logaritmisch (decimaal) [19](#page=19).
* Een logaritmische reductie van 1 betekent 90% reductie van het kiemaantal, 2 log betekent 99%, 3 log betekent 99,9%, enzovoort [19](#page=19).
* De reductie van micro-organismen is niet eindeloos; bij desinfectie is een reductie van 6 à 7 log het maximum [19](#page=19).
* De efficiëntie van de reductie neemt af bij mengsels van micro-organismen met een meer resistente deel (bv. sporen), bij uitputting van het proces (vooral bij chemische desinfectie), of wanneer micro-organismen afgeschermd zijn door bijvoorbeeld mucus of bloed [19](#page=19).
* Hoe groter het initiële inoculum, hoe kleiner de kans op een acceptabele reductie van de kiemen [19](#page=19).
### 4.5 Praktische toepassingen
#### 4.5.1 Antiseptica (voor gebruik bij levende wezens)
* **Doel:** Eliminatie van transiënte en residente microflora van de huid om kruisbesmettingen of wondinfecties te voorkomen [21](#page=21).
* **Hygiënische handontsmetting:** Met alcoholische (60-95%) oplossing of gel met emolientia [21](#page=21).
* **Chirurgische handontsmetting:** Met alcoholische (60-95%) oplossing of gel, of met ontsmettende zeep met chloorhexidine [21](#page=21).
* **Intacte huid:** Chloorhexidine (2%) in alcohol (kleurloos), povidonjood alcoholische oplossing (bruin), of chloorhexidine (4%) ontsmettende zeep [21](#page=21).
* **Niet-intacte huid (nooit alcoholische oplossingen!):** Eerst spoelen en reinigen (bv. met fysiologisch water of waterstofperoxide) alvorens te desinfecteren (bv. met NaCl 0.9% of zuurstofwater) [21](#page=21).
#### 4.5.2 Desinfectantia (voor gebruik in de omgeving, materialen, water)
* **Doel:** Eliminatie van microflora op herbruikbare zorgmaterialen, in de omgeving of in water om zorginfecties te voorkomen [22](#page=22).
* **Zorgmateriaal (niet-kritische voorwerpen):** Low-level desinfectie met 70% alcohol of desinfecterende doekjes [22](#page=22).
* **Flexibele endoscopen (semi-kritische voorwerpen):** High-level desinfectie met glutaaraldehyde of perazijnzuur [22](#page=22).
* **Omgeving ('high touch' oppervlakken):** 70% alcohol, hypochloriet (javel), of desinfecterende doekjes [22](#page=22).
* **Uitzondering bij *Clostridioides difficile* infectie:** Gebruik chloorverbindingen (javel, chloordioxide) of andere sporiciden, aangezien sporen resistent zijn aan alcohol [22](#page=22).
* **Preventie van veteranenziekte (Legionellose):** Thermische desinfectie ('heat flushes') of chemische desinfectie (bv. chloordioxide, koper-zilverionisatie) [22](#page=22).
> **Voorbeeld:** Desinfecterende doekjes worden gebruikt voor 'high touch' oppervlakken en zorgmateriaal [23](#page=23).
### 4.6 Standard voorzorgsmaatregelen
* Deze maatregelen worden te allen tijde bij alle patiënten toegepast, ongeacht hun microbiologische status, ter bescherming van zorgverlener en patiënt [24](#page=24).
* **Rationale:** Patiënten kunnen asymptomatisch geïnfecteerd zijn of gekoloniseerd met multiresistente micro-organismen [24](#page=24).
* **Onderdelen:** Handhygiëne, persoonlijke beschermingsmiddelen, hoesthygiëne, preventie van bloedoverdraagbare virussen en aandacht voor de omgeving [24](#page=24).
#### 4.6.1 Handhygiëne
* Een goede handhygiëne is cruciaal voor de overdracht van ziektekiemen [25](#page=25).
* **Residentie microflora ('bewoners'):** Voornamelijk grampositieve bacteriën; beschermend en blijvend karakter [26](#page=26).
* **Transiënte microflora ('bezoekers'):** Grampositieve en -negatieve bacteriën, virussen, gisten; tijdelijk karakter, verantwoordelijk voor kruisbesmettingen [26](#page=26).
* Handen wassen beïnvloedt enkel de transiënte flora; handen ontsmetten heeft ook impact op de residente flora, met een remmende werking en herkolonisatie vanuit diepere lagen [26](#page=26).
* De 5 momenten voor handhygiëne (WHO) zijn bedoeld voor zowel de bescherming van de zorgverlener als de patiënt [25](#page=25).
---
# Handhygiëne in de zorg
Handhygiëne is het belangrijkste middel om de overdracht van ziektekiemen in de zorg te voorkomen [25](#page=25).
### 4.1 De principes van handhygiëne
Handhygiëne omvat de volgende aspecten: wanneer het moet gebeuren (de 5 momenten), wat het inhoudt (handen wassen versus handen ontsmetten) en hoe het correct uitgevoerd moet worden (techniek, basisvereisten en gebruik van handschoenen). De WHO-campagne 'Clean care is safer care' en 'Clean hands save lives' benadrukt het belang van goede handhygiëne [25](#page=25).
#### 4.1.1 Samenstelling van de microflora van de handen
De microflora van de handen kan worden onderverdeeld in de residente en transiënte microflora [26](#page=26).
* **Residente microflora ('bewoners'):**
* Bestaat voornamelijk uit grampositieve bacteriën zoals stafylokokken en Corynebacteriën [26](#page=26).
* Dit is een beschermende microflora die overleeft en zich vermenigvuldigt op het huidoppervlak, in huidplooien, talgklieren en haarfollikels [26](#page=26).
* Deze flora heeft een blijvend karakter en is persoonsafhankelijk [26](#page=26).
* **Transiënte microflora ('bezoekers'):**
* Bestaat uit grampositieve en gramnegatieve bacteriën, virussen en gisten [26](#page=26).
* Deze flora komt voort uit de residente MO (van oppervlakkig afschilferend epitheel) en micro-organismen uit de omgeving [26](#page=26).
* Ze vermenigvuldigen zich nauwelijks en hebben een tijdelijk karakter, afhankelijk van het contact [26](#page=26).
* De transiënte microflora is vooral verantwoordelijk voor kruisbesmettingen [26](#page=26).
Het pathogene vermogen van micro-organismen is afhankelijk van hun soort, aantal, virulentie en de gastheer [26](#page=26).
> **Tip:** Handen wassen heeft enkel impact op de transiënte flora, terwijl handen ontsmetten ook een remmende werking heeft op de (rekoloniserende) residente flora [26](#page=26).
#### 4.1.2 De 5 momenten voor handhygiëne
Er zijn 5 momenten/indicaties voor handhygiëne, bedoeld om zowel de zorgverstrekker te beschermen tegen micro-organismen van de patiënt, als de patiënt te beschermen tegen micro-organismen van de zorgverstrekker. De naleving van momenten *na* contact (vooral 3 en 4) is instinctief hoger dan de momenten *voor* contact. Om de patiënt te beschermen, is de naleving van momenten 1 ('voor contact met de patiënt') en 2 ('voor een zuivere/aseptische handeling') cruciaal [25](#page=25) [26](#page=26) [27](#page=27).
* **Moment 1:** Voor contact met de patiënt [27](#page=27).
* **Moment 2:** Voor een zuivere/aseptische handeling [27](#page=27).
* Voorbeelden van zuivere/aseptische handelingen zijn: wondzorg, katheterzorg, luchtwegzorg, urinewegzorg en het voorbereiden van medicatie [27](#page=27).
* **Moment 3:** Na risicovol contact met lichaamsvloeistoffen [27](#page=27).
* **Moment 4:** Na contact met de directe omgeving van de patiënt [27](#page=27).
* **Moment 5:** Na contact met de patiënt [27](#page=27).
> **Tip:** Focus op momenten 1 en 2 voor optimale patiëntbescherming [27](#page=27).
#### 4.1.3 Handen wassen versus handen ontsmetten
Er zijn twee hoofdmethoden voor handhygiëne: handen wassen met water en zeep, en handen ontsmetten met een alcoholische oplossing [25](#page=25).
* **Handen wassen met water en zeep:**
* Heeft een mechanisch effect dat vuil en een groot deel van de transiënte huidflora verwijdert (1-2 log reductie) [28](#page=28).
* In de zorg is handenwassen primair bedoeld voor aanvang van het werk, voor pauzes, na toiletbezoek, en na hoesten of niezen (= na contact met lichaamsvochten) [28](#page=28).
* **Indicaties voor handenwassen tijdens de zorg:**
* Bij zorg aan patiënten met *C. difficile*, omdat sporen resistent zijn tegen alcohol [28](#page=28).
* Bij zichtbare bevuiling, omdat alcohol eiwitten denatureert en het vuil fixeert [28](#page=28).
* **Nadelen:** Tijdrovend (60 seconden inclusief drogen), uitdrogend effect, vereist een wastafel [28](#page=28).
* **Hygiënische handontsmetting:**
* Wordt beschouwd als de gouden standaard volgens de 5 momenten [28](#page=28).
* Gebruikt een alcoholische oplossing met een terugvoedende substantie (bv. glycerol) om huiduitdroging te voorkomen [28](#page=28).
* **Voordelen:** Snelwerkend, sterk kiemdodend effect (5-6 log reductie), droogt snel (20-30 seconden inwrijven), gemakkelijk toe te passen (geen wastafel nodig), goede tolerantie [28](#page=28).
* **Nadelen:** Alcohol is niet actief tegen sporen (handen wassen is dan nodig!), en bij zichtbare bevuiling moet eerst gewassen worden [28](#page=28).
* **Chirurgische handontsmetting:**
* Wordt toegepast vóór een invasieve manipulatie (bv. heelkunde, plaatsen van centrale katheter) [28](#page=28).
* Omvat een grondige en langdurige (2 x 45 seconden) applicatie van een alcoholisch antisepticum ('rubben') na een grondige wasbeurt of schrobben (3 minuten) met een ontsmettende zeep ('scrubben') [28](#page=28).
* Dit wordt gevolgd door het aantrekken van steriele handschoenen [28](#page=28).
* In de meeste ziekenhuizen is het scrubben vervangen door rubben, met één keer handen wassen bij aanvang van het operatieprogramma [28](#page=28).
#### 4.1.4 Techniek van handen ontsmetten (of wassen)
De exacte techniek voor handen ontsmetten of wassen wordt visueel weergegeven in een figuur op pagina 29 [29](#page=29).
#### 4.1.5 Basisvereisten voor handhygiëne
Om handhygiëne effectief toe te passen tijdens contact met de patiënt of diens omgeving, moeten de volgende randvoorwaarden nageleefd worden [30](#page=30):
* Geen horloges, armbanden of ringen [30](#page=30) [31](#page=31).
* Mouwen maximaal tot aan de ellebogen ('bare below the elbows' - BBE) [30](#page=30) [31](#page=31).
* Korte, propere nagels [30](#page=30) [31](#page=31).
* Geen gel- of kunstnagels [30](#page=30) [31](#page=31).
De 7 basisvereisten voor handhygiëne zijn:
1. Geen ringen [31](#page=31).
2. Geen horloge [31](#page=31).
3. Geen armbanden [31](#page=31).
4. Korte nagels [31](#page=31).
5. Propere nagels [31](#page=31).
6. Geen gel-/kunstnagels [31](#page=31).
7. Korte mouwen (BBE principe) [31](#page=31).
> **Tip:** De naleving van handhygiëne in UZG was 88-90% in 2012 en streefde naar 95%. Ziekenhuisbrede registraties vinden minimaal tweemaal per jaar plaats [31](#page=31).
#### 4.1.6 Het dragen van handschoenen
Handschoenen behoren tot de persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) en zijn een aanvulling op handhygiëne; ze vervangen de handontsmetting niet. Dit komt door mogelijke microperforaties en contaminatie bij het aan- en uittrekken van de handschoenen [30](#page=30).
* **Indicaties voor het dragen van handschoenen:**
* Kans op contact met bloed of lichaamsvochten [30](#page=30).
* Contact met niet-intacte huid en slijmvliezen [30](#page=30).
* **Geen indicaties voor handschoenen:**
* Het geven van injecties (IM/SC/ID) [30](#page=30).
* Contact met de intacte huid (bv. auscultatie, parameters nemen) [30](#page=30).
* Contact met de omgeving van de patiënt [30](#page=30).
**Correcte procedure:** Ontsmet de handen, trek de handschoenen aan, voer de handeling uit, trek de handschoenen direct daarna uit, en ontsmet opnieuw de handen. Handschoenen zijn 'single use' en worden niet ontsmet [30](#page=30).
---
# Overdrachtsgebonden voorzorgen: isolatiemaatregelen
Isolatiemaatregelen, ook wel overdrachtsgebonden voorzorgen genoemd, zijn essentieel om de verspreiding van infectieuze agentia te voorkomen en vormen een aanvulling op de standaard voorzorgen. Ze vallen onder de zogenaamde verticale benadering van infectiepreventie [41](#page=41).
### 5.1 Bronisolatie versus beschermende isolatie
#### 5.1.1 Bronisolatie
Bronisolatie richt zich op het isoleren van een patiënt die als bron van besmettelijke kiemen fungeert, om zo de omgeving (andere patiënten en zorgverleners) te beschermen. Dit is van toepassing op elke patiënt met een gekende infectie, een klinisch vermoeden daarvan, of kolonisatie met belangrijke micro-organismen. De vorm van isolatie wordt bepaald door de overdrachtswijze van het specifieke infectieuze agens [41](#page=41).
#### 5.1.2 Beschermende isolatie (omgekeerde isolatie)
Beschermende isolatie, ook wel omgekeerde isolatie genoemd, is bedoeld om patiënten met een sterk verminderde weerstand te beschermen tegen micro-organismen van buitenaf. Voorbeelden van patiënten die hiervoor in aanmerking komen zijn personen na stamceltransplantatie, hematologiepatiënten in diepe neutropenie, of patiënten met zeer grote huiddefecten. De kamer wordt hierbij afgesloten en staat onder overdruk met gefilterde (kiemvrije) lucht. Standaard voorzorgsmaatregelen worden hierbij stringenter toegepast, met aanvullende maatregelen voor reiniging, desinfectie en bezoekers [41](#page=41) [43](#page=43).
#### 5.1.3 Universele isolatie
De combinatie van bronisolatie en beschermende isolatie wordt universele isolatie genoemd [41](#page=41).
### 5.2 Vormen van bronisolatie
De verschillende vormen van bronisolatie worden onderscheiden op basis van de overdrachtswijze van het infectieus agens [41](#page=41).
#### 5.2.1 Contactisolatie
* **Overdracht:** Vindt plaats door direct of indirect contact met de patiënt en diens onmiddellijke omgeving [42](#page=42).
* **Voorbeelden:** Multiresistente gramnegatieven (MRGN), Methicilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA), Vancomycine-resistente enterokokken (VRE), *Clostridioides difficile* (#page=41, 42, 44) [41](#page=41) [42](#page=42) [44](#page=44).
* **Maatregelen:**
* Bij voorkeur een eenpersoonskamer; de deur mag open blijven [42](#page=42).
* Nadruk op handhygiëne en het dragen van handschoenen bij elk contact [42](#page=42).
* Draag een isolatieschort bij kans op contaminatie van de kledij [42](#page=42).
* Bij MRSA wordt het dragen van een masker aanbevolen ter preventie van zelfbesmetting door hand-neuscontact [42](#page=42).
* Bij *C. difficile* infectie is handenwassen vereist in plaats van ontsmetten, omdat sporen resistent zijn aan alcohol [42](#page=42).
* Het gebruik van producten voor hooggradige desinfectie is vereist [45](#page=45).
#### 5.2.2 Druppelisolatie
* **Overdracht:** Via druppeltjes die voornamelijk vrijkomen bij hoesten, niezen of praten [42](#page=42).
* **Voorbeelden:** Meningokokkenmeningitis, bof (#page=41, 42, 46) [41](#page=41) [42](#page=42) [46](#page=46).
* **Maatregelen:**
* Bij voorkeur een eenpersoonskamer; de deur mag open blijven [42](#page=42).
* Nadruk op het dragen van een mond-neusmasker (proceduremasker) bij contact met de patiënt [42](#page=42).
* Indien de patiënt de kamer verlaat, dient deze een masker te dragen [42](#page=42).
#### 5.2.3 Aerogene isolatie
* **Overdracht:** Via kleine aerosolen die langere tijd in de lucht kunnen blijven zweven en over grotere afstanden verspreid kunnen worden [43](#page=43).
* **Voorbeelden:** Open longtuberculose, mazelen, waterpokken (varicella) (#page=41, 43, 44, 47) [41](#page=41) [43](#page=43) [44](#page=44) [47](#page=47).
* **Maatregelen:**
* Een aparte kamer is verplicht, deze moet afgesloten zijn (deur dicht, bij voorkeur met een sas) en onder negatieve druk staan, of voorzien zijn van gefilterde lucht [43](#page=43).
* Nadruk ligt op het dragen van een hoogfiltratiemasker ('eendenbekmasker') dat moet worden aangetrokken vóór het betreden van de kamer [43](#page=43).
* Voor mazelen en waterpokken, die langer in de omgeving kunnen overleven, gelden specifieke maatregelen (#page=43, 47) [43](#page=43) [47](#page=47).
* Voor *Mycobacterium abscessus* worden specifieke maatregelen toegepast [47](#page=47).
#### 5.2.4 Combinaties van isolatievormen
* **Contact-druppelisolatie:** Is van toepassing op verwekkers die langer in de omgeving (op oppervlakken) kunnen overleven [42](#page=42).
* **Voorbeelden:** Influenza, Respiratoir syncytieel virus (RSV), SARS-CoV-2, pertussis (kinkhoest) (#page=42, 44, 46) [42](#page=42) [44](#page=44) [46](#page=46).
* Bij uitbraken van respiratoire pathogenen gelden specifieke richtlijnen [46](#page=46).
* **Contact-aerogene isolatie:** Voor verwekkers die zowel via contact als aerogeen verspreid kunnen worden [41](#page=41).
* **Voorbeelden:** Varicella (waterpokken), mazelen [41](#page=41).
#### 5.2.5 Strikte isolatie
Bij zeer ernstige infecties, zoals virale hemorragische koorts (bv. Ebola), worden de barrièremaatregelen maximaal toegepast. Dit omvat het bedekken van het volledige lichaam, dubbele handschoenen en dubbele barrières ter hoogte van de slijmvliezen van het aangezicht [41](#page=41).
### 5.3 Algemene overwegingen en beleid
Het beleid ten aanzien van isolatiemaatregelen kan per ziekenhuis verschillen en wordt beïnvloed door de lokale epidemiologie en de beschikbare infrastructuur, zoals het aantal eenpersoonskamers en de personeelsbezetting. In sommige contexten kan het legitiem zijn om patiënten met bijvoorbeeld MRSA niet te isoleren en in te zetten op een verbeterde naleving van handhygiëne en desinfectie van de omgeving en zorgmateriaal [42](#page=42).
De dichotomie tussen druppel- en aerogene isolatie is recent verlaten (post-COVID), hoewel internationale richtlijnen hierin nog niet volledig zijn aangepast. In het UZ Gent is dit beleid aangepast naar 'Isolatie LUCHT' en 'Isolatie LUCHT PLUS' om beter aan te sluiten bij de huidige wetenschappelijke inzichten [41](#page=41) [42](#page=42).
> **Tip:** De keuze voor isolatiemaatregelen moet altijd gebaseerd zijn op de specifieke overdrachtswijze van de pathogeen en rekening houden met de lokale context en expertise. Een strikte naleving van handhygiëne en omgevingshygiëne blijft cruciaal, ongeacht de specifieke isolatievorm.
#### 5.3.1 Isolatiekaarten
Om de toepassing van isolatiemaatregelen te verduidelijken, worden isolatiekaarten gebruikt. Deze kaarten geven een overzicht van de aanbevolen isolatiemaatregelen per specifieke pathogeen (#page=44, 45, 46, 47) [44](#page=44) [45](#page=45) [46](#page=46) [47](#page=47).
> **Voorbeeld:** Een isolatiekaart kan specificeren dat bij *Clostridioides difficile* infectie contactisolatie is vereist, met de nadruk op handenwassen en het dragen van handschoenen en een schort. Voor open longtuberculose zal een kaart de noodzaak van aerogene isolatie met een hoogfiltratiemasker en een afgesloten kamer met negatieve druk benadrukken.
---
# Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) in de zorg
Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) zijn essentieel in de zorg om zowel de zorgverstrekker als de patiënt te beschermen tegen blootstelling aan micro-organismen en lichaamsvochten [34](#page=34).
### 6.1 Algemene principes en handhygiëne
Voordat PBM correct gebruikt kunnen worden, zijn er basisvereisten voor handhygiëne die nageleefd moeten worden. Dit omvat het 'bare below the elbows' (BBE) principe, wat betekent dat mouwen maximaal tot aan de ellebogen komen. Daarnaast gelden de volgende regels [30](#page=30) [31](#page=31):
* Geen horloges, armbanden of ringen [30](#page=30) [31](#page=31).
* Korte, propere nagels, zonder gel- of kunstnagels [30](#page=30) [31](#page=31).
Handhygiëne compliance wordt gemeten, met een doelstelling van 95%. Patiënten worden ook betrokken bij het toezien op de handhygiëne van zorgverstrekkers, al is dit niet altijd succesvol [31](#page=31) [33](#page=33).
#### 6.1.1 Niet-steriele handschoenen
Niet-steriele handschoenen behoren tot de PBM en zijn een aanvulling op handhygiëne, ze vervangen de handontsmetting niet. Ze bieden bescherming bij kans op contact met bloed of lichaamsvochten en bij een niet-intacte huid en slijmvliezen [30](#page=30).
Indicaties voor het dragen van handschoenen zijn onder andere:
* Kans op contact met bloed of lichaamsvochten [30](#page=30).
* Contact met niet-intacte huid en slijmvliezen [30](#page=30).
Geen indicaties voor het dragen van handschoenen zijn:
* Geven van injecties (IM/SC/ID) [30](#page=30).
* Contact met de intacte huid (bv. auscultatie, parameters nemen) [30](#page=30).
* Contact met de omgeving van de patiënt [30](#page=30).
Het correcte protocol is: handontsmetting $\rightarrow$ handschoenen aantrekken $\rightarrow$ handeling uitvoeren $\rightarrow$ handschoenen onmiddellijk uittrekken $\rightarrow$ handontsmetting. Handschoenen zijn 'single use' en mogen niet ontsmet worden [30](#page=30).
### 6.2 Bescherming van de kledij
Verschillende soorten werkkledij bieden bescherming tegen bloed en lichaamsvochten [34](#page=34).
#### 6.2.1 Werkkledij (schort of broekpak)
* **Doel:** Bescherming van de zorgverstrekker tegen blootstelling aan bloed en lichaamsvochten [34](#page=34).
* **Vervanging:** Periodiek, bv. dagelijks bij broekpak ('scrubs') en wekelijks bij een schort, of eerder indien visueel bevuild [34](#page=34).
* **Wassen:** Alle werkkledij dient in een erkende wasserij gewassen te worden; niet mee naar huis nemen. Een uitzondering zijn stagiairs die hun eigen witte jas meebrengen en deze op 60 graden wassen [34](#page=34).
#### 6.2.2 Ondoorlaatbare plastic spatschort (‘apron’)
* **Doel:** Beschermen van burger- of werkkledij bij risico op contact met bloed of lichaamsvochten [34](#page=34).
* **Gebruik:** Gedragen bij risico op spatten of contact met lichaamsvochten, zoals bij aspiratie, endoscopie, of klinisch onderzoek van een hoestende of brakende patiënt [34](#page=34).
* **Type:** Single use [34](#page=34).
#### 6.2.3 Overschort met lange mouwen (‘gown’)
* **Doel:** Preventie van overdracht van micro-organismen via de kledij [34](#page=34).
* **Gebruik:** Als alternatief voor de plastic spatschort voor betere bescherming van de armen, of als onderdeel van isolatiemaatregelen (contactisolatie) [34](#page=34).
### 6.3 Bescherming van de slijmvliezen van het gelaat
#### 6.3.1 Spatbril en aangezichtsscherm
* **Spatbril:** Beschermt de ogen tegen druppels en spatten die micro-organismen kunnen bevatten. De afscherming door een eigen bril is vaak onvoldoende. Een specifieke bril met betere afscherming van de volledige oogstreek is noodzakelijk [34](#page=34).
* **Aangezichtsscherm (face shield):** Biedt nog meer veiligheid dan een spatbril [34](#page=34).
#### 6.3.2 Maskers
Maskers beschermen neus en mond tegen druppels (bij hoesten, aspireren, bronchoscopie) [34](#page=34).
* **Type:** Proceduremasker, chirurgisch masker [34](#page=34).
* **Filtratie-efficiëntie:**
* Chirurgisch masker: $\geq$ 98% voor deeltjes van 3 µm [36](#page=36).
* Hoogfiltratiemasker (bv. FFP2/FFP3): $\geq$ 94% voor deeltjes van 0.3 µm. Deze bieden betere afsluiting en hogere filtratie-efficiëntie [35](#page=35) [36](#page=36).
* **Gebruik:**
* **Standaard voorzorgen:** Bij patiëntencontact met risico op spatten, of indien de zorgverstrekker een koortsblaasje (herpes labialis) of luchtweginfectie heeft [35](#page=35).
* **Code Oranje (respiratoir seizoen):** Tijdens elk patiëntencontact [35](#page=35).
* **Specifieke isolatievormen:**
* **Druppelisolatie:** Voor patiënten met infecties die via druppels worden overgedragen (bv. bof, influenza, meningokokkenmeningitis) [35](#page=35).
* **Aerogene isolatie:** Voor via de lucht overgedragen infecties zoals open longtuberculose of mazelen. Hierbij worden hoogfiltratiemaskers (FFP2, FFP3) of 'eendebekmaskers' geadviseerd [35](#page=35) [36](#page=36).
* **Overige functies:** Maskers voorkomen ook het onbewust aanraken van de neus, wat de overdracht van micro-organismen zoals *S. aureus* (en MRSA) kan verminderen [35](#page=35).
* **Gebruiksduur:** Single use. Maximaal 8 uur dragen, vroeger vervangen indien vochtig [35](#page=35).
#### 6.3.3 Transmissieroutes en PBM
Micro-organismen kunnen worden overgedragen via verschillende routes: inhalatie, spray en contact [36](#page=36).
* **Spray (grote druppels, > 100 µm):** Veroorzaken contaminatie van de onmiddellijke omgeving. Preventie door procedure- of chirurgisch masker om direct contact met de slijmvliezen van neus en mond te vermijden [37](#page=37).
* **Inhalatie (kleinere partikels die zweven):** Veroorzaken contaminatie van de lucht met mogelijke inhalatie. Bij hoog risico op besmetting of hoogrisicopathogenen (bv. mazelen, tuberculose, tijdens aerosolgenererende procedures) is een hoogfiltratiemasker (FFP2/FFP3) te verkiezen [37](#page=37).
* **Contact (direct en indirect):** Vereist goede handhygiëne en eventueel masker/oogbescherming [36](#page=36).
Het dragen van een masker en oogbescherming is essentieel bij aerosolgenererende procedures [37](#page=37).
> **Tip:** Bij twijfel over de benodigde PBM, raadpleeg de geldende protocollen en richtlijnen binnen de instelling. Correct gebruik van PBM is cruciaal voor infectiepreventie.
---
# Infectiepreventie en -beheersing: doorbreken van de infectieketen
Infectiepreventie en -beheersing, ook wel bekend als 'infection prevention and control' (IPC), richt zich op het doorbreken van de infectiecyclus door de transmissiewegen van micro-organismen te begrijpen en te voorkomen dat deze leiden tot kolonisatie of zorginfecties [5](#page=5).
### 1.1 De dreiging van antimicrobiële resistentie (AMR)
Antimicrobiële resistentie (AMR) wordt beschouwd als een "stille pandemie". Er is een groter probleem met overlijdens als gevolg van AMR, en hoewel er behoefte is aan nieuwe antibiotica, is de interesse van bedrijven hierin beperkt. Daarom is de rol van preventie nog belangrijker geworden. De transmissiewegen van antimicrobieel resistente kiemen zijn complex en vinden plaats buiten ziekenhuizen, maar ziekenhuizen fungeren als amplificator van AMR door intensief antibioticagebruik, veel zorg, en invasieve therapieën. De voedselketen, mest van dieren die met antibiotica zijn behandeld, en toerisme spelen ook een rol in de verspreiding van resistente stammen [2](#page=2) [3](#page=3) [4](#page=4).
### 1.2 Transmissiewegen van micro-organismen
Micro-organismen kunnen op verschillende manieren worden overgedragen:
* **Via contact:** Direct (via handen) of indirect (via zorgmateriaal, speelgoed, oppervlakken in de omgeving) [5](#page=5).
* **Via druppels:** Geproduceerd tijdens hoesten, niezen of spreken. Deze druppels zijn doorgaans groter dan 5 µm en verspreiden zich maximaal 1,5 meter voordat ze neerslaan [5](#page=5).
* **Via de lucht (aerogeen):** Kleine deeltjes (< 5 µm) die zich over afstanden van meer dan 1 meter verspreiden [5](#page=5).
Het is belangrijk op te merken dat de scheiding tussen druppels en lucht is verlaten na COVID-19, en men spreekt nu over een continuüm van respiratoire partikels. Besmetting kan resulteren in besmetting (aanwezigheid zonder ziektetekenen), kolonisatie (vermenigvuldiging zonder ziektetekenen) of infectie (vermenigvuldiging met ziektetekenen). De kennis van de specifieke overdrachtswegen van een micro-organisme is essentieel voor het kiezen van de juiste preventieve maatregelen. Aerosolen kunnen slijmvliezen bereiken en worden geïnhaleerd. Besmettelijkheid wordt beïnvloed door factoren zoals afstand, ventilatie, duur van blootstelling, broncontrole (bv. maskers) en fysisch-chemische eigenschappen [5](#page=5) [6](#page=6).
### 1.3 Doorbreken van de infectieketen
Infectiepreventie beoogt het doorbreken van de infectieketen, die bestaat uit de volgende elementen:
1. **Reservoir:** De plaats waar micro-organismen verblijven (bv. mens, dier, water, oppervlakken) [7](#page=7).
2. **Uitgangspoort:** De manier waarop de kiem het reservoir verlaat (bv. excreties, secreties, druppels) [7](#page=7).
3. **Transmissie:** De overdracht van de kiem van het reservoir naar een potentiële gastheer [7](#page=7).
4. **Ingangspoort:** De poort waardoor de kiem de vatbare gastheer binnendringt [7](#page=7).
Maatregelen om de infectieketen te doorbreken omvatten reiniging, desinfectie en sterilisatie, handhygiëne, het beperken van secreties en excreties, het veilig afvoeren van afval, isolatiemaatregelen, aseptische techniek en wondzorg. Geen enkele maatregel is 100% effectief; het 'Swiss cheese model' illustreert dat hoe meer maatregelen er genomen worden, hoe kleiner de kans op transmissie [7](#page=7) [8](#page=8).
### 1.4 Zorginfecties
Een zorginfectie (healthcare-associated infection, HAI) is een infectie die wordt opgelopen tijdens de zorg in een ziekenhuis of andere zorginstelling. Infecties die al in de incubatiefase waren voor opname, of die optreden na ontslag (bv. door lichaamsvreemd materiaal tot een jaar na operatie), worden ook beschouwd als zorginfecties. Naar schatting is 30% van de zorginfecties vermijdbaar door preventieve maatregelen. Factoren die bijdragen aan zorginfecties in ziekenhuizen zijn de concentratie van kwetsbare patiënten, virulente en resistente micro-organismen, en de vele zorgcontacten en -handelingen [9](#page=9).
#### 1.4.1 Verwekkers en infectiebronnen van zorginfecties
De verwekkers van zorginfecties zijn zeer variabel en omvatten bacteriën, fungi, virussen (zoals influenza, SARS-CoV-2, norovirus) en parasieten. Veelvoorkomende bacteriële verwekkers zijn *Staphylococcus* en *E. coli*, waaronder ook resistente stammen zoals MRSA, VRE en MRGN. Infectiebronnen kunnen exogeen zijn (afkomstig uit de zorgomgeving, bv. handen van zorgverstrekkers, materiaal, oppervlakken, lucht, water) of endogeen (veroorzaakt door de eigen microflora van de patiënt, bv. postoperatieve wondinfectie) [10](#page=10) [11](#page=11).
#### 1.4.2 Impact van zorginfecties
Zorginfecties hebben een aanzienlijke impact op morbiditeit (5-10% van gehospitaliseerde patiënten), mortaliteit (geschat op 2600 per jaar als gevolg van de infectie) en veroorzaken extra hospitalisatiedagen met aanzienlijke kosten [10](#page=10).
#### 1.4.3 Meest frequente types zorginfecties en risicofactoren
De vier meest voorkomende zorginfecties zijn:
1. Urineweginfecties
2. Onderste luchtweginfecties
3. Postoperatieve wondinfecties
4. Bloedbaaninfecties [12](#page=12).
Risicofactoren waar preventief op ingegrepen kan worden, zijn onder andere mechanische ventilatie, aspiratie, gebruik van nasogastrische sondes, vasculaire en urinair katheters, inadequate antibiotica profylaxie, en slechte huidvoorbereiding [12](#page=12).
### 1.5 Pijlers van infectiepreventie en -beheersing
Infectiepreventie en -beheersing rust op verschillende pijlers:
1. **Algemene maatregelen:** Goede diagnostische en therapeutische praktijken, beperking van invasieve devices, aseptische techniek, vaccinaties en een degelijk antibioticumbeleid [13](#page=13).
2. **Specifieke maatregelen (horizontaal):**
* Eliminatie van reservoirs: Reiniging, desinfectie en sterilisatie [13](#page=13).
* Onderbreken van transmissie: Standaard voorzorgsmaatregelen, waaronder handhygiëne, gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, en preventie van prik- en spatongevallen [13](#page=13).
3. **Specifieke maatregelen (verticaal):** Gericht op epidemiologisch belangrijke micro-organismen via actieve detectie (screening) en isolatie, ook wel overdrachtsgebonden voorzorgsmaatregelen genoemd [13](#page=13).
De horizontale benadering streeft naar het vermijden van elke overdracht, onafhankelijk van het micro-organisme, terwijl de verticale benadering zich focust op specifieke ziekteverwekkers. Beide benaderingen zijn vaak noodzakelijk omdat de naleving van horizontale maatregelen in de praktijk suboptimaal kan zijn [13](#page=13).
### 1.6 Reiniging, desinfectie en sterilisatie
Deze processen zijn essentieel om micro-organismen van inerte oppervlakken en zorgmateriaal te verwijderen en zo overdracht te voorkomen. De Spaulding classificatie deelt medische instrumenten in 3 risicocategorieën in, die de keuze van het decontaminatieproces bepalen [14](#page=14):
* **Kritische voorwerpen:** Contact met bloed of steriele lichaamsholten; vereisen sterilisatie (bv. chirurgische instrumenten) [14](#page=14).
* **Semi-kritische voorwerpen:** Contact met niet-intacte huid of mucosae; vereisen high-level desinfectie (bv. endoscopen) [14](#page=14).
* **Niet-kritische voorwerpen:** Contact met intacte huid; vereisen reiniging of low-level desinfectie (bv. bloeddrukmanchet) [14](#page=14).
#### 1.6.1 Decontaminatiemethodes
* **Reiniging:** Verwijderen van organische bevuiling. Dit is een cruciale stap vóór desinfectie en sterilisatie, aangezien organisch materiaal de werking van desinfectantia kan belemmeren [15](#page=15).
* **Desinfectie:** Sterke, maar niet volledige eliminatie van micro-organismen. Kan thermisch (hoge temperatuur) of chemisch (met desinfectans) plaatsvinden. Het resultaat wordt beïnvloed door factoren zoals de bioburden, temperatuur, contacttijd en het gebruikte desinfectans [15](#page=15).
* **Desinfectantia** worden gebruikt op inert materiaal, terwijl **antiseptica** worden gebruikt voor levende wezens (bv. huid). Alcohol werkt niet tegen sporen van bv. *Clostridium difficile* [15](#page=15) [16](#page=16).
* **Sterilisatie:** Eliminatie van alle micro-organismen, inclusief bacteriële sporen. Methoden omvatten stoom (autoclaveren), hete droge lucht, ethyleenoxide gas, en gammastraling [17](#page=17).
#### 1.6.2 Gevoeligheid van micro-organismen
Er is een hiërarchie in de gevoeligheid van micro-organismen voor desinfectie en sterilisatie. Sporen en cysten zijn resistenter dan levende bacteriën en virussen. Prionen zijn extreem moeilijk te elimineren. De hiërarchie van resistentie aan biociden, van makkelijkst naar moeilijkst, is: levende vegetatieve bacteriën, virussen met lipide membraan, fungi, naakte virussen, mycobacteriën, en bacteriële sporen [18](#page=18).
#### 1.6.3 Principe van microbiële eliminatie
Microbiële eliminatie verloopt logaritmisch. Een 1 log reductie staat voor 90% reductie van het kiemaantal. Het proces is niet eindeloos; desinfectie bereikt doorgaans een reductie van 6-7 log. Reiniging draagt zelf bij aan een 1-2 log reductie. Het is cruciaal om te reinigen vóór desinfectie of sterilisatie, vooral bij vervuild materiaal [19](#page=19).
#### 1.6.4 Praktische toepassingen
* **Antiseptica:** Worden gebruikt voor het elimineren van microflora van de huid om kruisbesmettingen te voorkomen (bv. hygiënische handontsmetting met alcoholische oplossingen) of wondinfecties te vermijden (bv. pre-operatieve huidontsmetting met chloorhexidine of povidone jood). Bij niet-intacte huid worden nooit alcoholische oplossingen gebruikt [21](#page=21).
* **Desinfectantia:** Worden gebruikt in de omgeving en op zorgmaterialen.
* Niet-kritische voorwerpen (bv. thermometers) vereisen laaggradige desinfectie met bv. 70% alcohol [22](#page=22).
* Semi-kritische voorwerpen (bv. flexibele endoscopen) vereisen hooggradige desinfectie met bv. glutaaraldehyde [22](#page=22).
* Omgevingsoppervlakken met frequent handcontact (‘high touch surfaces’) kunnen worden gedesinfecteerd met bv. alcohol of hypochloriet [22](#page=22).
* Bij *Clostridioides difficile*-infecties is een chloorverbinding nodig vanwege de resistentie van de sporen tegen alcohol [22](#page=22).
### 1.7 Standaard voorzorgsmaatregelen
Standaard voorzorgsmaatregelen zijn een reeks maatregelen die altijd en bij alle patiënten moeten worden toegepast, ongeacht hun microbiologische status, ter bescherming van zowel de zorgverstrekker als de patiënt. Dit is omdat patiënten besmettelijk kunnen zijn in de asymptomatische fase of gekoloniseerd kunnen zijn met multiresistente micro-organismen. De standaard voorzorgen omvatten [24](#page=24):
1. Handhygiëne (wassen, ontsmetten, dragen van handschoenen) [24](#page=24).
2. Gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (schorten, beschermbril, gelaatsscherm, masker) [24](#page=24).
3. Hoesthygiëne en respiratoire etiquette (incl. griepvaccinatie) [24](#page=24).
4. Preventie van overdracht van bloedoverdraagbare virussen (bv. voorkomen van prikongevallen) [24](#page=24).
5. Aandacht voor de omgeving [24](#page=24).
#### 1.7.1 Handhygiëne
Goede handhygiëne is cruciaal voor de preventie van ziekteoverdracht. De handen van zorgverstrekkers komen constant in contact met de omgeving en patiënten, waardoor micro-organismen kunnen worden overgedragen. Handhygiëne omvat [25](#page=25):
* **Wanneer:** De 5 momenten voor handhygiëne (WHO) [25](#page=25) [27](#page=27).
* **Wat:** Handen wassen (water en zeep) versus handen ontsmetten (alcoholische oplossing) [25](#page=25).
* **Hoe:** Techniek van handhygiëne en basisvereisten [25](#page=25).
De 5 momenten voor handhygiëne zijn bedoeld om zowel de zorgverstrekker als de patiënt te beschermen. De momenten 'voor contact' (momenten 1 en 2) zijn essentieel voor patiëntbescherming [27](#page=27).
##### 1.7.1.1 Samenstelling van de microflora van de handen
De handen hebben een residente microflora (voornamelijk grampositieve bacteriën, beschermend) en een transiënte microflora (grampositieve en -negatieve bacteriën, virussen, gisten; voornamelijk verantwoordelijk voor kruisbesmettingen). Handen wassen beïnvloedt voornamelijk de transiënte flora, terwijl handen ontsmetten ook een impact heeft op de residente flora [26](#page=26).
##### 1.7.1.2 Handen wassen versus handontsmetting
* **Handen wassen (met water en zeep):** Verwijdert vuil en een groot deel van de transiënte flora (1-2 log reductie). Wordt voornamelijk gebruikt aan het begin/einde van de werkdag, na toiletbezoek, of bij zichtbare bevuiling. Het is minder efficiënt tegen sporen en kan tijdrovend en uitdrogend zijn [28](#page=28).
* **Hygiënische handontsmetting (met alcoholische oplossing):** Is de gouden standaard volgens de 5 momenten. Het is snelwerkend, sterk kiemdodend (5-6 log reductie), en beter verdragen dan herhaaldelijk wassen. Alcohol is echter niet effectief tegen sporen [28](#page=28).
* **Chirurgische handontsmetting:** Een grondige en langdurige applicatie van alcoholisch antisepticum na een grondige wasbeurt of schrobben, gevolgd door steriele handschoenen [28](#page=28).
### 1.8 Respiratoire etiquette
Hoewel niet expliciet uitgewerkt in de gepresenteerde pagina's, wordt hoesthygiëne en respiratoire etiquette wel genoemd als onderdeel van de standaard voorzorgsmaatregelen. Dit impliceert maatregelen om de verspreiding van respiratoire pathogenen te beperken, zoals het bedekken van de mond en neus bij hoesten of niezen en het dragen van een masker indien geïndiceerd [24](#page=24).
---
## 7. Infectiepreventie en -beheersing: doorbreken van de infectieketen
Dit deel van de studiehandleiding behandelt de cruciale aspecten van infectiepreventie en -beheersing, met specifieke focus op handhygiëne, persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM), respiratoire hygiëne, preventie van bloedoverdraagbare aandoeningen en isolatiemaatregelen.
### 7.1 Handhygiëne
Handhygiëne is een fundamentele pijler van infectiepreventie en omvat zowel handontsmetting als handwassen. Het correct toepassen van handhygiëne vereist naleving van specifieke randvoorwaarden tijdens contact met de patiënt of diens omgeving [29](#page=29) [30](#page=30).
#### 7.1.1 Basisvereisten voor handhygiëne
De 7 basisvereisten die nageleefd dienen te worden, zijn:
1. Geen ringen [31](#page=31).
2. Geen horloge [31](#page=31).
3. Geen armbanden [31](#page=31).
4. Korte nagels [31](#page=31).
5. Propere nagels [31](#page=31).
6. Geen gel- of kunstnagels [31](#page=31).
7. Korte mouwen (Bare Below the Elbows – BBE principe) [31](#page=31).
De naleving van deze vereisten wordt periodiek geregistreerd, met een doelstelling van 95% compliance in het UZG [31](#page=31).
#### 7.1.2 Niet-steriele handschoenen
Niet-steriele handschoenen behoren tot de persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) en zijn een aanvulling op handhygiëne; ze vervangen handontsmetting niet, gezien het risico op microperforaties en contaminatie bij het aan- en uittrekken [30](#page=30).
Indicaties voor het dragen van handschoenen zijn onder meer kans op contact met bloed of lichaamsvochten, en contact met niet-intacte huid en slijmvliezen. Er zijn echter ook geen indicaties voor het dragen van handschoenen, zoals bij het geven van injecties, contact met intacte huid (bv. auscultatie), of contact met de omgeving van de patiënt [30](#page=30).
Het correcte gebruik van handschoenen volgt de volgende procedure: handen ontsmetten, handschoenen aantrekken, handeling uitvoeren, handschoenen onmiddellijk uittrekken en vervolgens de handen ontsmetten. Handschoenen zijn single use en worden niet ontsmet [30](#page=30).
#### 7.1.3 Patiënt empowerment
Er wordt aan patiënten gevraagd om mee toe te zien op de correcte handhygiëne van zorgverstrekkers, hoewel dit niet altijd succesvol is doordat patiënten dit als ‘lastig’ kunnen ervaren [33](#page=33).
### 7.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)
PBM zijn essentieel voor het doorbreken van de infectieketen en omvatten bescherming van handen, kledij en slijmvliezen [34](#page=34).
#### 7.2.1 Bescherming van de kledij
* **Werkkledij:** Dit omvat witte schorten of witte/groene broekpakken ('scrubs') en heeft als doel de zorgverstrekker te beschermen tegen blootstelling aan bloed en lichaamsvochten. Werkkledij dient periodiek vervangen te worden (dagelijks voor broekpakken, wekelijks voor schorten, of eerder bij zichtbare bevuiling) en wordt in een erkende wasserij gewassen; meenemen naar huis om zelf te wassen is niet toegestaan. Stagiairs brengen hun eigen witte jas mee en wassen deze op 60 graden [34](#page=34).
* **Ondoorlaatbare plastic spatschort ('apron'):** Deze beschermt de burger- of werkkledij bij risico op contact met bloed of lichaamsvochten, zoals bij aspiratie, endoscopie, of klinisch onderzoek van patiënten met hoest- of braakklachten. Het zijn single use items [34](#page=34).
* **Overschort met lange mouwen ('gown'):** Dit kan als alternatief voor de plastic spatschort dienen of deel uitmaken van isolatiemaatregelen (contactisolatie). Het doel is de preventie van overdracht van micro-organismen via de kledij [34](#page=34).
#### 7.2.2 Bescherming van de slijmvliezen van het gelaat
* **Spatbril:** Beschermt de ogen tegen druppels en spatten die micro-organismen kunnen bevatten. De eigen bril is meestal onvoldoende; een specifieke bril met betere afscherming van de volledige oogstreek is noodzakelijk. Een aangezichtsscherm (face shield) biedt nog meer veiligheid [35](#page=35).
* **Maskers (proceduremasker, chirurgisch masker):** Beschermen neus en mond tegen druppels. Ze zijn single use en worden maximaal 8 uur gedragen, of eerder indien vochtig [35](#page=35).
* **Gebruik bij standaard voorzorgen:** Bij patiëntencontact met risico op spatten, of indien de zorgverstrekker een koortsblaasje (herpes labialis) of luchtweginfectie heeft. Tijdens een 'code oranje' tijdens het respiratoir seizoen, wordt een masker gedragen bij elk patiëntencontact [35](#page=35).
* **Extra indicaties bij specifieke isolatievormen:**
* **Druppelisolatie:** Voor patiënten met infecties die via druppels worden overgedragen (bv. bof, influenza, meningokokkenmeningitis) [35](#page=35).
* **Aerogene isolatie:** Voor via de lucht overgedragen infecties zoals open longtuberculose of mazelen. Hierbij worden best FFP2 of hoogfiltratiemaskers gebruikt vanwege betere afsluiting en hogere filtratie-efficiëntie. Maskers voorkomen ook onbewust aanraken van de neus, wat de overdracht van bijvoorbeeld *S. aureus* (vooral MRSA) kan tegengaan [35](#page=35).
De filtratie-efficiëntie van maskers varieert: chirurgisch masker (≥ 98% bij 3 µm) en hoogfiltratiemasker (≥ 94% bij 0,3 µm) [36](#page=36).
### 7.3 Respiratoire hygiëne en hoestetiquette
Dit principe werd toegevoegd aan de standaard voorzorgen na de SARS-CoV(-1) uitbraak [38](#page=38).
* **Aanbevelingen:** Zorgverstrekkers, patiënten en bezoekers worden aangeleerd om bij hoesten of niezen de mond en neus te bedekken met een papieren zakdoekje dat direct wordt weggegooid. Indien geen zakdoekjes beschikbaar zijn, dient men in de elleboog te hoesten/niezen. Handen worden ontsmet of gewassen [38](#page=38).
* **Voorzieningen:** Tissues, handalcohol, vuilbakjes en eventueel maskers dienen aanwezig te zijn in alle wachtzalen [38](#page=38).
* **Patiënten met respiratoire klachten:** Dienen indien mogelijk gescheiden te worden van andere patiënten, of een proceduremasker te dragen om broncontrole te bewerkstelligen [38](#page=38).
* **Zorgverstrekkers met respiratoire infectie:** Dragen een proceduremasker bij patiëntencontact, vooral bij kwetsbare patiënten en neonaten [38](#page=38).
* **Jaarlijkse griepvaccinatie:** Wordt aanbevolen voor zorgverstrekkers ter bescherming van zowel henzelf als patiënten [38](#page=38).
### 7.4 Preventie van overdracht van bloedoverdraagbare aandoeningen
De belangrijkste virussen zijn hepatitis B virus (HBV), hepatitis C virus (HCV) en humaan immunodeficiëntievirus (HIV). Vaccinatie is enkel mogelijk voor HBV en verplicht voor alle gezondheidswerkers [39](#page=39).
Overdracht in de medische praktijk kan plaatsvinden door contact met besmet bloed, mucosae, huidletsels en naaldenongevallen ('sharps') [39](#page=39).
#### 7.4.1 Preventieve maatregelen (toe te passen bij ALLE patiënten)
* **Algemeen:** Veiligheid van bloedproducten door screening van donoren [39](#page=39).
* **PBM:** Gebruik van bril, masker, aangezichtsscherm bij risico op (bloed)spatten. Handschoenen dragen bij (risico op) contact met bloed of lichaamsvochten [39](#page=39).
* **Naalden en spuiten:** Geen hergebruik van naalden en spuiten (single use). Naalden en scherpe voorwerpen onmiddellijk in een naaldcontainer werpen; deze mag niet overvuld zijn en nooit geopend worden. Gebruikte naalden nooit recappen [39](#page=39).
* **Vials:** Monodose vials gebruiken [39](#page=39).
#### 7.4.2 Prikongevallen
Bij een prikongeval dient het bloeden te worden toegelaten, waarna grondig gewassen en ontsmet wordt. Het ongeval moet worden aangegeven als arbeidsongeval. Serologie wordt bepaald van zowel de zorgverstrekker als de bronpatiënt (indien bekend). Een risico-analyse met evaluatie van de noodzaak van specifieke therapie wordt uitgevoerd [40](#page=40).
* **Hoogrisico blootstelling:**
* **HIV:** Occupational Post-Exposure Profylaxie (OPEP) is een cocktail van antivirale middelen die binnen 24 uur gestart moet worden [40](#page=40).
* **HBV:** Vaccinatie en toediening van anti-HBV immuunglobulines [40](#page=40).
### 7.5 Overdrachtsgebonden voorzorgen: isolatiemaatregelen
Isolatiemaatregelen (vertaling van 'Transmission based precautions') zijn steeds aanvullend op de standaard voorzorgen en vormen een onderdeel van de verticale benadering van infectiepreventie [41](#page=41).
#### 7.5.1 Bronisolatie versus beschermende isolatie
* **Bronisolatie:** De patiënt wordt geïsoleerd als bron van besmettelijke kiemen om de omgeving te beschermen [41](#page=41).
* **Beschermende isolatie ('omgekeerde' isolatie):** Patiënten met een sterk verminderde weerstand worden geïsoleerd om hen te beschermen tegen micro-organismen van buitenaf [41](#page=41).
* **Universele isolatie:** Een combinatie van bronisolatie en beschermende isolatie [41](#page=41).
#### 7.5.2 Isolatievormen
De isolatievormen zijn afhankelijk van de overdrachtswijze van het infectieus agens [41](#page=41).
* **Contactisolatie:**
* **Overdracht:** Door contact met de patiënt en diens onmiddellijke omgeving [42](#page=42).
* **Voorbeelden:** MRSA, VRE, MRGN, *C. difficile* [42](#page=42).
* **Maatregelen:** Bij voorkeur kamer alleen, deur mag open. Nadruk op handhygiëne en handschoenen dragen bij elk contact. Isolatieschort bij kans op contaminatie van de kledij. Bij MRSA wordt masker aanbevolen ter preventie van zelfbesmetting. Bij *C. difficile* handen wassen i.p.v. ontsmetten (sporen zijn resistent aan alcohol) [42](#page=42).
* **Druppelisolatie:**
* **Overdracht:** Via druppeltjes [42](#page=42).
* **Voorbeelden:** Meningokokkenmeningitis, bof [42](#page=42).
* **Maatregelen:** Bij voorkeur kamer alleen, deur mag open. Nadruk op mond-neusmasker (proceduremasker) bij contact. Patiënt draagt masker indien de kamer verlaat [42](#page=42).
* **Variant:** Contact-druppelisolatie (bv. influenza, pertussis, SARS-CoV-2) [42](#page=42).
* **Aerogene isolatie:**
* **Voorbeeld:** Open longtuberculose [43](#page=43).
* **Maatregelen:** Aparte kamer verplicht, afgesloten met negatieve druk of gefilterde lucht. Nadruk op hoogfiltratiemasker ('eendenbekmasker') vóór het betreden van de kamer [43](#page=43).
* **Variant:** Contact-aerogene isolatie (bv. mazelen, varicella) [43](#page=43).
* **Combinaties:** Contact-druppel (bv. influenza, RSV) en contact-aerogeen (bv. varicella, mazelen) [41](#page=41).
* **Strikte isolatie:** Bij zeer ernstige infecties zoals virale hemorragische koorts (o.a. Ebola), waarbij maximale barrièremaatregelen worden toegepast [41](#page=41).
* **Beschermende isolatie ('omgekeerde' isolatie):**
* **Toepassing:** Bij uiterst kwetsbare patiënten (bv. na stamceltransplantatie, patiënten in diepe neutropenie) [43](#page=43).
* **Maatregelen:** Kamer afgesloten, in overdruk, lucht wordt gefilterd (kiemvrij). Stringente toepassing van standaard voorzorgsmaatregelen, met extra maatregelen voor reiniging en desinfectie [43](#page=43).
#### 7.5.3 Isolatiebeleid in UZ Gent
Het isolatiebeleid in het UZ Gent is aangepast met nieuwe categorieën zoals Isolatie LUCHT en Isolatie LUCHT PLUS, wat beter aansluit bij huidige wetenschappelijke inzichten. Voorbeelden van isolatiekaarten tot 2023 en het nieuwe beleid vanaf 2024 worden getoond voor diverse pathogenen [page=45 [page=46 [page=47 [42](#page=42) [44](#page=44) [45](#page=45) [46](#page=46) [47](#page=47).
#### 7.5.4 Persoonlijke beschermingsmiddelen bij specifieke isolatiemaatregelen
* **Contactisolatie (MRSA, CPE, …):** Handhygiëne, handschoenen, schort bij kans op contaminatie [49](#page=49).
* **Druppelisolatie (bof – LUCHT @UZG):** Proceduremasker <1 meter afstand [49](#page=49).
* **Aerogene isolatie (long-TB – LUCHT PLUS @UZG):** Hoogfiltratiemasker [49](#page=49).
* **Virale hemorragische koorts (bv. Ebola):** Specifieke PBM [48](#page=48).
### 7.6 Specifieke ‘ziekenhuisbacteriën’
'Ziekenhuisbacteriën' zijn doorgaans multiresistente bacteriën die tijdens een ziekenhuisverblijf kunnen worden opgelopen; wetenschappelijk spreekt men over multidrugresistente microorganismen (MDRO) [50](#page=50).
#### 7.6.1 Oorzaken van problemen met MDRO
* Verminderde weerstand van de patiënt [50](#page=50).
* Late documentatie van resistentie, waardoor infecties al met onwerkzame empirische antibiotica zijn behandeld [50](#page=50).
* Duurdere, toxische en moeilijker te doseren antibiotica, met soms geen alternatieven [50](#page=50).
#### 7.6.2 Screening
Screening is meestal gericht bij specifieke risicopatiënten en locaties. Alternatieven zijn screening met moleculaire detectie van resistentiegenen [50](#page=50).
#### 7.6.3 Decontaminatie (dekolonisatie)
Dit is enkel mogelijk voor MRSA met een combinatie van neuszalf (mupirocine), keelspoeling (chloorhexidine) en antiseptische zeep. Voor darmbacteriën (bv. VRE, CPE) is decontaminatie niet mogelijk [50](#page=50).
#### 7.6.4 Ziekenhuisbacteriën en de community
Door het uitgebreid gebruik van antibiotica, ook in de diergeneeskunde, verspreiden ziekenhuisbacteriën zich ook in de community, wat de beheersing bemoeilijkt [50](#page=50).
---
## Veelgemaakte fouten om te vermijden
- Bestudeer alle onderwerpen grondig voor examens
- Let op formules en belangrijke definities
- Oefen met de voorbeelden in elke sectie
- Memoriseer niet zonder de onderliggende concepten te begrijpen
Glossary
| Term | Definition |
|------|------------|
| Ziekenhuisbacteriën | In de volksmond gebruikte term voor bacteriën, meestal multiresistent, die men kan oplopen tijdens een ziekenhuisverblijf. Wetenschappelijk spreekt men van multidrugresistente microorganismen (MDRO). |
| MDRO (Multidrugresistente microorganismen) | Micro-organismen die resistent zijn tegen meerdere klassen van antibiotica. Dit bemoeilijkt de behandeling van infecties aanzienlijk. |
| Resistentieprofielen | Het patroon van antibiotica waartegen een bacterie resistent is. Dit profiel is cruciaal voor het kiezen van de juiste behandeling. |
| MRSA (Methicilline-resistente *Staphylococcus aureus*) | Een variant van de bacterie *Staphylococcus aureus* die resistent is tegen methicilline en andere bèta-lactam antibiotica. Het kan voorkomen op de huid en in de neus, en infecties veroorzaken. |
| VRE (Vancomycine-resistente enterokokken) | Enterokokken die resistent zijn tegen glycopeptiden, waaronder vancomycine, en vaak ook tegen penicillines. Dit beperkt de behandelingsopties aanzienlijk. |
| MRGN (Multiresistente gramnegatieve staven) | Gramnegatieve bacteriën, zoals *E. coli* en *Klebsiella pneumoniae*, die resistent zijn tegen meerdere antibioticaklassen. Dit komt vaak door de aanwezigheid van gekoppelde resistentiegenen. |
| ESBL (Extended-spectrum bèta-lactamase) | Enzymen geproduceerd door bepaalde bacteriën die de meeste bèta-lactam antibiotica, inclusief cefalosporines van de derde generatie, kunnen afbreken. Carbapenems blijven hiertegen werkzaam. |
| CPE (Carbapenemase-producerende Enterobacterales) | Enterobacterales die enzymen produceren die ook carbapenems, een belangrijke klasse van antibiotica, kunnen afbreken. Dit vormt een ernstig behandelingsprobleem. |
| Decontaminatie (Dekolonisatie) | Het proces van het verwijderen van micro-organismen van een gastheer, vaak toegepast bij MRSA-dragerschap door middel van antibiotische zalf, antiseptische spoelingen en wassen met antiseptische zeep. |
| Dragerschap | De aanwezigheid van micro-organismen op of in het lichaam zonder dat er direct een infectie aanwezig is. Dit kan echter wel leiden tot verspreiding. |
| Empirische therapie | Antibiotische behandeling die wordt gestart op basis van de meest waarschijnlijke verwekker van een infectie, voordat de definitieve diagnose en gevoeligheidstestresultaten bekend zijn. |
| Selectieve kweekbodems | Kweekmedia die specifieke voedingsstoffen bevatten of remmende stoffen om de groei van bepaalde micro-organismen te bevorderen of te onderdrukken, waardoor specifieke bacteriën geïsoleerd kunnen worden. |
| Term | Definitie |
| Zorginfectie | Een infectie die wordt opgelopen tijdens de zorgverlening in een ziekenhuis of andere zorginstelling. Dit omvat infecties die zich manifesteren na ontslag uit het ziekenhuis, mits deze gerelateerd zijn aan lichaamsvreemd materiaal dat tijdens de opname is ingebracht en tot maximaal een jaar na de operatie optreden. |
| Nosocomiale infectie | Een verouderde term die steeds meer vervangen wordt door "zorginfectie" of "ziekenhuisinfectie", verwijzend naar infecties die in een zorginstelling worden opgelopen. |
| Vermijdbare proportie | Het geschatte percentage van zorginfecties dat voorkomen kan worden door het consequent toepassen van preventieve maatregelen, zoals handhygiëne. |
| Kwetsbare patiënten | Patiënten die door hun ziekteproces of medische ingrepen een verminderde algemene of lokale weerstand hebben, waardoor ze vatbaarder zijn voor infecties. |
| Virulente micro-organismen | Micro-organismen die in staat zijn om ziekte te veroorzaken, bijvoorbeeld door de productie van toxines zoals bij *Clostridioides difficile*. |
| Resistente micro-organismen | Micro-organismen die ongevoelig zijn geworden voor antibiotica, zoals MRSA (methicilline-resistente *Staphylococcus aureus*) en multiresistente gramnegatieven (MRGN), vaak als gevolg van hoge antibioticadruk. |
| Biofilm | Een laag van micro-organismen die zich hechten aan oppervlakken, met name op lichaamsvreemd materiaal. Antibiotica en het immuunsysteem hebben moeite om micro-organismen in een biofilm te bestrijden. |
| Exogene infectiebron | Een infectie die afkomstig is uit de zorgomgeving, zoals de handen van zorgverstrekkers, besmet zorgmateriaal, lucht, water of oppervlakken. |
| Endogene infectiebron | Een infectie die wordt veroorzaakt door de eigen microflora van de patiënt, die normaal gesproken onschadelijk is maar onder bepaalde omstandigheden pathogeen kan worden. |
| Attribueerbare mortaliteit | Het aantal sterfgevallen dat direct te wijten is aan een zorginfectie, in tegenstelling tot de "crude mortality" waarbij de infectie slechts een bijkomende factor kan zijn. |
| Ventilator-associated pneumonia (VAP) | Een longontsteking die ontstaat bij patiënten die mechanisch worden beademd. |
| Central line-associated bloodstream infection (CLABSI) | Een bloedbaaninfectie die gerelateerd is aan het gebruik van een centrale veneuze katheter. |
| Spaulding classificatie | Een classificatiesysteem dat medische instrumenten en zorgmaterialen onderverdeelt in drie risicocategorieën (kritisch, semi-kritisch, niet-kritisch) om het juiste decontaminatieproces te selecteren. |
| Kritische voorwerpen | Medische instrumenten die in contact komen met bloed of steriele lichaamsholten en daarom volledig vrij moeten zijn van micro-organismen, inclusief bacteriële sporen. Deze vereisen sterilisatie. |
| Semi-kritische voorwerpen | Medisch materiaal dat in contact komt met niet-intacte huid of slijmvliezen. Deze moeten vrij zijn van micro-organismen, hoewel kleine hoeveelheden sporen nog aanwezig mogen zijn. Ze ondergaan high-level desinfectie. |
| Niet-kritische voorwerpen | Voorwerpen die alleen in contact komen met de intacte huid, zoals een bloeddrukmanchet of thermometer. Deze vereisen reiniging of low-level desinfectie. |
| Reiniging | Het proces van het verwijderen van organische bevuiling, zoals bloed en slijm, van medisch materiaal. Dit is een essentiële voorbereidende stap voor desinfectie en sterilisatie. |
| Desinfectie | Een proces dat gericht is op het sterk reduceren, maar niet volledig elimineren, van micro-organismen, inclusief sporen en sommige virussen. Dit kan thermisch of chemisch gebeuren. |
| Thermische desinfectie | Desinfectie die wordt uitgevoerd met behulp van hoge temperaturen, wat als de meest effectieve methode wordt beschouwd. |
| Chemische desinfectie | Desinfectie die wordt uitgevoerd met behulp van een desinfectans, voornamelijk toegepast wanneer thermische desinfectie niet haalbaar of schadelijk is voor het materiaal. |
| Desinfectans | Een antimicrobiële stof die wordt gebruikt om inerte materialen en oppervlakken te behandelen met als doel micro-organismen te doden of te inactiveren. |
| Antisepticum | Een antimicrobiële stof die wordt gebruikt voor het ontsmetten van levende weefsels, zoals de huid, om micro-organismen te elimineren zonder toxisch te zijn voor de weefsels. |
| Sterilisatie | Het proces waarbij alle micro-organismen, inclusief bacteriële sporen, volledig worden geëlimineerd van medisch materiaal. |
| Autoclaaf | Een apparaat dat stoom onder druk gebruikt om sterilisatie te bewerkstelligen, voornamelijk voor hittebestendig, kritisch instrumentarium. |
| Residente microflora | Dit zijn de "bewoners" van de huid, voornamelijk grampositieve bacteriën zoals stafylokokken en Corynebacteriën. Ze vormen een beschermende laag, overleven en vermenigvuldigen zich in de huidplooien en haarfollikels, en hebben een blijvend, persoonsgebonden karakter. |
| Transiënte microflora | Deze "bezoekers" van de huid bestaan uit grampositieve en gramnegatieve bacteriën, virussen en gisten. Ze zijn afkomstig van de residente flora of de omgeving, vermenigvuldigen zich nauwelijks en hebben een tijdelijk karakter. Deze flora is voornamelijk verantwoordelijk voor kruisbesmettingen tussen patiënten. |
| Hygiënische handontsmetting | Dit is de gouden standaard voor handhygiëne in de zorg, uitgevoerd met een alcoholische oplossing. Het product bevat een terugvoedende substantie om huiduitdroging te voorkomen. Het is snelwerkend, heeft een sterk kiemdodend effect (5-6 log reductie) en wordt goed verdragen. |
| Chirurgische handontsmetting | Een grondige en langdurige applicatie van een alcoholisch antisepticum, gevolgd door het aantrekken van steriele handschoenen. Dit wordt toegepast vóór invasieve ingrepen zoals chirurgie of het plaatsen van een centrale katheter, en vereist een grondige wasbeurt of schrobben met een ontsmettende zeep vooraf. |
| Bare Below the Elbows (BBE) principe | Dit principe stelt dat tijdens contact met de patiënt of diens omgeving, mouwen maximaal tot aan de ellebogen moeten komen. Dit omvat ook het verwijderen van horloges, armbanden en ringen om een effectieve handhygiëne te garanderen. |
| Kruisbesmetting | De overdracht van micro-organismen van de ene persoon of plaats naar de andere, vaak via de handen van zorgverleners. De transiënte microflora speelt hierbij een belangrijke rol. |
| Aseptische handeling | Een handeling die wordt uitgevoerd met als doel het voorkomen van infectie. Voorbeelden hiervan zijn wondzorg, katheterzorg, luchtwegzorg en het voorbereiden van medicatie, waarbij strikte handhygiëne essentieel is. |
| Log reductie | Een maat voor de effectiviteit van een desinfectiemiddel, die aangeeft hoeveel logaritmes van micro-organismen er worden gedood. Een reductie van 1 log betekent een vermindering met een factor 10, terwijl een reductie van 6 log een vermindering met een factor 1.000.000 betekent. |
| Standaard voorzorgen | Een set van basismaatregelen die worden toegepast bij alle patiënten, ongeacht hun diagnose of vermoedelijke infectiestatus, om de overdracht van micro-organismen te voorkomen. |
| Verticale benadering van infectiepreventie | Een strategie voor infectiepreventie die gericht is op specifieke patiëntengroepen of specifieke infectieuze agentia, in tegenstelling tot een horizontale benadering die algemene maatregelen voor alle patiënten omvat. |
| Bronisolatie | Een isolatiemaatregel waarbij een patiënt die de bron is van besmettelijke kiemen wordt geïsoleerd om de omgeving, inclusief andere patiënten en zorgverstrekkers, te beschermen tegen besmetting. |
| Beschermende isolatie (omgekeerde isolatie) | Een isolatiemaatregel waarbij patiënten met een sterk verminderde weerstand worden geïsoleerd om hen te beschermen tegen micro-organismen uit de omgeving. |
| Universele isolatie | De combinatie van bronisolatie en beschermende isolatie, waarbij zowel de omgeving wordt beschermd tegen de patiënt als de patiënt tegen de omgeving. |
| Kolonisatie | De aanwezigheid van micro-organismen op of in het lichaam van een persoon zonder dat dit leidt tot een infectie of ziekteverschijnselen. |
| Contactisolatie | Isolatiemaatregelen die worden toegepast wanneer overdracht van een infectieus agens plaatsvindt door direct of indirect contact met de patiënt of diens directe omgeving. |
| Druppelisolatie | Isolatiemaatregelen die worden toegepast wanneer overdracht van een infectieus agens plaatsvindt via druppeltjes die worden geproduceerd bij hoesten, niezen of praten. |
| Aerogene isolatie | Isolatiemaatregelen die worden toegepast wanneer overdracht van een infectieus agens plaatsvindt via kleine deeltjes (aerosolen) die langdurig in de lucht kunnen blijven zweven. |
| Combinatie-isolatie | Een vorm van isolatie die de maatregelen van twee of meer basistypen (contact, druppel, aerogeen) combineert, afhankelijk van de overdrachtswijze van het specifieke agens. |
| Strikte isolatie | Een maximale toepassing van barrièremaatregelen bij zeer ernstige infecties, waarbij het volledige lichaam wordt bedekt en dubbele bescherming wordt geboden aan de slijmvliezen. |
| Handhygiëne | Het reinigen van de handen met water en zeep of met een alcoholisch handdesinfectiemiddel om micro-organismen te verwijderen of te doden. |
| Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) | Hulpmiddelen die door zorgverstrekkers worden gedragen om zichzelf te beschermen tegen blootstelling aan biologische agentia, lichaamsvochten of andere potentieel schadelijke stoffen tijdens de uitoefening van hun beroep. |
| Niet steriele handschoenen | Beschermende handschoenen die worden gebruikt als aanvulling op handhygiëne bij risico op contact met bloed of lichaamsvochten, maar die de handontsmetting niet vervangen. |
| Werkkledij | Specifieke kleding, zoals witte schorten of broekpakken ('scrubs'), die zorgverstrekkers dragen om hun eigen kleding te beschermen tegen blootstelling aan bloed en lichaamsvochten. |
| Ondoorlaatbare plastic spatschort (‘apron’) | Een wegwerp schort die de burger- of werkkledij beschermt tegen spatten of contact met lichaamsvochten tijdens procedures met een verhoogd risico. |
| Overschort met lange mouwen (‘gown’) | Een schort met lange mouwen die dient als alternatief voor een spatschort of als onderdeel van isolatiemaatregelen om de overdracht van micro-organismen via kledij te voorkomen. |
| Spatbril | Een beschermende bril die de ogen beschermt tegen druppels en spatten die micro-organismen kunnen bevatten, en die een betere afscherming biedt dan een eigen bril. |
| Aangezichtsscherm (face shield) | Een transparant schild dat het gehele gezicht bedekt en extra veiligheid biedt tegen spatten en druppels, met name bij risicovolle procedures. |
| Proceduremasker / Chirurgisch masker | Een masker dat de neus en mond beschermt tegen druppels en spatten, en gebruikt wordt bij patiëntencontact met risico op spatten of bij luchtweginfecties bij de zorgverstrekker. |
| Hoogfiltratiemasker (FFP2, FFP3) | Een masker met een hogere filtratie-efficiëntie dat bescherming biedt tegen via de lucht overgedragen infecties, zoals tuberculose of mazelen, en ook wel eendebekmasker wordt genoemd. |
| Infectieketen | Een reeks opeenvolgende stappen die nodig zijn voor de overdracht van micro-organismen van een reservoir naar een vatbare gastheer, bestaande uit het micro-organisme, een reservoir, een uitgangspoort, transmissie, een ingangspoort en een vatbare gastheer. |
| Standaard voorzorgsmaatregelen | Een reeks maatregelen die te allen tijde bij alle patiënten worden toegepast, ongeacht hun microbiologische status, om de zorgverstrekker en de patiënt te beschermen tegen potentiële overdracht van micro-organismen. |
| Overdrachtsgebonden voorzorgen | Specifieke isolatiemaatregelen die worden genomen voor patiënten die geïnfecteerd of gekoloniseerd zijn met epidemiologisch belangrijke micro-organismen, om verdere verspreiding te voorkomen. |
| Reservoir | De plaats waar micro-organismen kunnen overleven en zich vermenigvuldigen, zoals mensen, dieren, water of oppervlakken in de omgeving. |
| Uitgangspoort | De weg waarlangs een micro-organisme het reservoir verlaat, zoals via secreties, excreties of druppels. |
| Ingangspoort | De weg waarlangs een micro-organisme een vatbare gastheer binnendringt, zoals via slijmvliezen, wonden of invasieve devices. |
| Vatbare gastheer | Een persoon of dier dat gevoelig is voor infectie door een specifiek micro-organisme, vaak door een verzwakt immuunsysteem of het ontbreken van eerdere blootstelling. |
| Transmissie | Het proces van overdracht van micro-organismen van het reservoir naar de ingangspoort van de vatbare gastheer, wat kan gebeuren via contact, druppels of de lucht (aërogeen). |