Cover
Zacznij teraz za darmo Theorie reanimatievaardigheden PBLS en NLS (1).pdf
Summary
# Theoretische onderbouwing en initiële handelingen bij de opvang van de neonaat
Dit onderwerp behandelt de theoretische grondslagen en de eerste stappen bij de opvang van een pasgeboren kind, inclusief voorbereiding, temperatuurmanagement en initiële beoordeling van de pasgeborene.
### 1.1 Voorbereiding op de opvang
Een adequate voorbereiding is essentieel voor een goede transitie van de neonaat van het intra-uteriene naar het extra-uteriene leven. Een kleine groep pasgeborenen, ongeveer 5% van de à terme pasgeborenen, behoeft ondersteuning bij de ademhaling. Een nog kleinere minderheid vereist aanvullende thoraxcompressies (<0,3%) of medicamenteuze ondersteuning (<0,05%) [2](#page=2).
#### 1.1.1 Omgevingsfactoren en apparatuur
* **Temperatuur:** Zorg voor een tochtvrije en warme opvangkamer met een streeftemperatuur van 23 °C tot 25 °C. Bij premature pasgeborenen < 28 weken dient de temperatuur hoger te zijn dan 25 °C [2](#page=2).
* **Apparatuur en materialen:** Controleer de benodigde apparatuur en leg alle materialen klaar. Een checklist kan hierbij een nuttig hulpmiddel zijn [2](#page=2).
* **Teamcommunicatie:** Brief het team over de te verwachten situatie en spreek de rolverdeling van tevoren af [2](#page=2).
#### 1.1.2 Navelstrengmanagement
* **Verlaat afnavelen:** Bij onbedreigde pasgeborenen wordt gewacht met het afklemmen van de navelstreng tot minimaal 60 seconden na de geboorte, idealiter tot na de eerste ademhalingen. Een langere periode van verlaat afnavelen kan voordelig zijn en initiële reanimatie kan veilig met een intacte navelstreng worden gestart [2](#page=2).
* **Melken van de navelstreng:** In situaties waar verlaat afnavelen niet mogelijk is, kan bij pasgeborenen >28 weken overwogen worden om de navelstreng te melken. Verlaat afnavelen dient altijd gepaard te gaan met adequaat temperatuurmanagement [2](#page=2).
### 1.2 Initiële handelingen na de geboorte
De initiële handelingen omvatten het starten van de klok, maatregelen ter voorkoming van afkoeling, de eerste evaluatie en, indien nodig, het oproepen van hulp. Pasgeborenen verliezen snel warmte doordat ze klein, nat en de longen vocht bevatten. Afkoeling kan leiden tot verhoogde morbiditeit en mortaliteit [2](#page=2).
#### 1.2.1 Voorkomen van afkoeling en stimulatie
* **Afdrogen:** Verwijder natte doeken onmiddellijk en droog de pasgeborene tactiel volledig af. Het hoofd dient bedekt te worden met een muts. Afdrogen stimuleert meestal voldoende om de ademhaling op gang te brengen [2](#page=2).
* **Warmtebehoud:** Wikkel het kind in warme doeken of leg het huid-op-huid op de borst of buik van de moeder, en bedek de rug en het hoofd met warme doeken [2](#page=2).
#### 1.2.2 Speciale maatregelen bij premature geboorte
Bij premature geboorte met een zwangerschapsduur van minder dan 32 weken worden specifieke maatregelen genomen om warmteverlies te minimaliseren:
* Plaats de pasgeborene, met uitzondering van het hoofd, in een plastic zak zonder het kind vooraf af te drogen [2](#page=2).
* Leg de pasgeborene onder een stralingswarmtebron [2](#page=2).
* Droog het hoofd af en bedek het met een muts [2](#page=2).
Deze procedure kan gecombineerd worden met verlaat afnavelen (minimaal 60 seconden) op zowel de operatiekamer als de verloskamer [2](#page=2).
#### 1.2.3 Temperatuurmanagement bij preterme pasgeborenen
Bij preterme pasgeborenen met een zwangerschapsduur van minder dan 32 weken kan een combinatie van interventies nodig zijn om een temperatuur tussen 36,5 °C en 37,5 °C te handhaven. Deze interventies omvatten onder andere [2](#page=2):
* Verwarmen en bevochtigen van beademingsgassen [2](#page=2).
* Verhogen van de kamertemperatuur [2](#page=2).
* Gebruik van een plastic zak [2](#page=2).
* Gebruik van een warmtematras en/of warmtelamp [2](#page=2).
> **Tip:** Deze maatregelen zijn effectief in het voorkomen van hypothermie. Het is echter ook belangrijk om hyperthermie te monitoren, omdat dit eveneens geassocieerd is met verhoogde morbiditeit en mortaliteit [3](#page=3).
#### 1.2.4 Temperatuurregistratie
Zowel de ERC als andere internationale organisaties adviseren regelmatige temperatuurcontrole na de geboorte. Tevens wordt geadviseerd de opnametemperatuur vast te leggen als prognostische en kwaliteitsindicator. Het wordt aanbevolen de temperatuur binnen 10 minuten na opname op de afdeling in het patiëntendossier te registreren [3](#page=3).
### 1.3 Initiële beoordeling van de neonaat
Tijdens het afdrogen dient een beoordeling plaats te vinden van de hartfrequentie, ademhaling, kleur en tonus van de pasgeborene [3](#page=3).
#### 1.3.1 Hartfrequentie
* **Meetmethoden:** De hartfrequentie kan worden bepaald met een stethoscoop, saturatiemeter (geplaatst aan het rechterhandje) of een ECG voor continue beoordeling. Palpatie van de navelstreng is alleen betrouwbaar bij pulsaties boven de 100/min. Bij pasgeborenen die reanimatie of transitieondersteuning nodig hebben, is ECG-monitoring sneller en betrouwbaarder dan een saturatiemeter [3](#page=3).
* **Onderverdeling transitie op basis van hartritme:**
* Snel: $\geq$ 100 slagen per minuut - voldoende [3](#page=3).
* Traag: 60-100 slagen per minuut - intermediair, mogelijke hypoxie [3](#page=3).
* Zeer traag/afwezig: < 60 slagen per minuut - kritisch, hypoxie zeer waarschijnlijk [3](#page=3).
Als de baby na beoordeling en stimulatie geen spontane en efficiënte ademhaling opbouwt, en/of de hartfrequentie niet stijgt (of daalt na initieel snel te zijn geweest), dient ademhalingsondersteuning te worden gestart [3](#page=3).
#### 1.3.2 Tonus en kleur
Een zeer slappe baby zal waarschijnlijk ademhalingsondersteuning nodig hebben. Kleur is een minder betrouwbare indicator voor oxygenatie; cyanose kan moeilijk te herkennen zijn. Bleekheid kan wijzen op shock of zelden op hypovolemie, waarbij bloedverlies een aandachtspunt is [3](#page=3).
#### 1.3.3 Ademhaling
De ademhaling dient beoordeeld te worden op frequentie, diepte en symmetrie, evenals op ademhalingsarbeid. De beoordeling kan als volgt zijn [3](#page=3):
* Adequaat [3](#page=3).
* Inadequaat/abnormaal patroon, zoals gaspen of kreunen [3](#page=3).
* Afwezig [3](#page=3).
### 1.4 Classificatie na initiële beoordeling
Op basis van de initiële beoordeling kunnen pasgeborenen doorgaans in drie groepen worden ingedeeld [4](#page=4).
#### 1.4.1 Groep A: Adequate transitie
* **Kenmerken:**
* Goede tonus [4](#page=4).
* Hartfrequentie: snel ($\geq$ 100 slagen/min) [4](#page=4).
* Krachtig ademend of huilend [4](#page=4).
* **Acties:**
* Wacht met afklemmen van de navelstreng [4](#page=4).
* Droog af en wikkel in een warme doek [4](#page=4).
* Houd bij de moeder of verzorger om warmtebehoud te verzekeren [4](#page=4).
* Overweeg vroeg huid-op-huid contact indien stabiel [4](#page=4).
#### 1.4.2 Groep B: Onvolledige transitie
* **Kenmerken:**
* Verminderde tonus [4](#page=4).
* Hartfrequentie: traag (< 100 slagen/min), kan wijzen op hypoxie [4](#page=4).
* Inadequate ademhaling of apneu, ondersteuning nodig [4](#page=4).
* **Acties:**
* Stel het afklemmen van de navelstreng alleen uit indien correcte ondersteuning kan worden geboden [4](#page=4).
* Droog af, stimuleer en wikkel in een warme doek [4](#page=4).
* Open de luchtweg, start longinflatie en ventilatie [4](#page=4).
* Evalueer continu veranderingen in hartfrequentie en ademhaling [4](#page=4).
* Ga door met ventileren indien er geen verbetering optreedt in de hartfrequentie [4](#page=4).
* Hulp kan nodig zijn [4](#page=4).
#### 1.4.3 Groep C: Slechte/gefaalde transitie
* **Kenmerken:**
* Slap en bleek [4](#page=4).
* Inadequate ademhaling of apneu, ondersteuning nodig [4](#page=4).
* Hartfrequentie zeer traag (< 60 slagen/min) of onmeetbaar, duidt op hypoxie [4](#page=4).
* **Acties:**
* Klem de navelstreng onmiddellijk af en transfereer naar de reanimatie ruimte. Stel het afklemmen alleen uit indien de baby correct ondersteund/gereanimeerd kan worden [4](#page=4).
* Droog af en wikkel in een warme doek [4](#page=4).
* Open de luchtweg, start longinflatie en ventilatie [4](#page=4).
* Beoordeel continu de hartfrequentie, ademhaling en het effect van de ventilatie [4](#page=4).
* Ga verder met ‘newborn life support’ afhankelijk van de reactie [4](#page=4).
* Hulp is zeer waarschijnlijk vereist [4](#page=4).
> **Tip:** Evalueer de hartfrequentie, ademhaling, kleur en tonus gedurende ondersteuning of reanimatie elke 30 seconden totdat de pasgeborene gestabiliseerd is. Bij een lage hartfrequentie aan het begin is het stijgen hiervan het eerste teken van verbetering [4](#page=4).
---
# Nieuwe Levensondersteuning (NLS) voor pasgeborenen: acties en technieken
Dit onderwerp behandelt de essentiële interventies en technieken die nodig zijn voor neonatale levensondersteuning (NLS), gericht op luchtwegmanagement, beademing, borstcompressies en medicatietoediening [10](#page=10) [11](#page=11) [12](#page=12) [13](#page=13) [5](#page=5) [6](#page=6) [7](#page=7) [8](#page=8) [9](#page=9).
### 2.1 Starten van NLS
Na initiële beoordeling en interventie, dient verdere ademhalingsondersteuning te worden gegeven als de pasgeborene nog geen adequate, reguliere ademhaling heeft opgebouwd, of als de hartfrequentie lager is dan 100 slagen per minuut. Het verzekeren van een open luchtweg en adequate aëratie en ventilatie van de longen is de meest cruciale eerste stap, aangezien alle andere interventies zonder deze falen [5](#page=5).
### 2.2 Luchtweg vrijmaken
Het openen van de luchtweg en het adequaat ventileren van de longen zijn vaak voldoende voor herstel bij pasgeborenen die ondersteuning nodig hebben tijdens de transitie [5](#page=5).
#### 2.2.1 Basisprocedures
1. **Positie:** Leg de pasgeborene op de rug met het hoofd in een neutrale positie, eventueel met een doek onder de schouders. Overweeg een *jaw thrust* bij een slappe pasgeborene [5](#page=5).
2. **Initiële beademing:** Indien geen eigen ademhaling, houd het hoofd neutraal en geef 5 inflatiebeademingen met een passend beademingsmasker over mond en neus [5](#page=5).
#### 2.2.2 Alternatieve luchtwegopening manoeuvres (indien initiële beademing niet effectief is)
* **Herpositionering en maskercontrole:** Controleer of het masker goed aansluit op het gezicht [5](#page=5).
* **Basale luchtwegopening manoeuvres:**
* Pas de 2-persoonstechniek toe met adequate *jaw thrust* [5](#page=5).
* Breng een orofaryngeale airway in (Mayo of Guedel). Let op: een niet passende airway kan obstructie veroorzaken, met name bij prematuren (<34 weken) [5](#page=5).
* Inspecteer de orofarynx en zuig uit onder direct zicht. Uitzuigen kan echter vertraging van spontane ademhaling, laryngospasme en vagale bradycardie veroorzaken [5](#page=5).
* **Larynxmasker:** Kan overwogen worden bij kinderen > 1500 gram of > 34 weken, indien bovenstaande methoden niet effectief zijn [5](#page=5).
* **Intubatie:** Overweeg intubatie bij noodzaak tot thoraxcompressies en/of langdurige reanimatie [5](#page=5).
> **Tip:** De volgorde van deze stappen is een leidraad; de conditie van de pasgeborene en de bekwaamheid van de hulpverlener kunnen leiden tot een aangepaste volgorde. Herhaal na elke nieuwe luchtwegopening manoeuvre de 5 inflatiebeademingen. Bij meconiumhoudend vruchtwater en een slappe, niet-ademende pasgeborene, kan inspectie van de orofarynx en verwijdering van meconium overwogen worden als positioneren niet leidt tot adequate reactie [6](#page=6).
### 2.3 Ademhaling (Beademing)
Wanneer de pasgeborene na het openen van de luchtweg niet spontaan ademt, moet gestart worden met beademing [6](#page=6).
#### 2.3.1 Techniek en parameters
* **Masker:** Gebruik een goed passend masker en correcte plaatsingstechniek [6](#page=6).
* **Initiële inflatiebeademingen:** Geef 5 beademingen met een duur van 2-3 seconden (21, 22, 23 los) [6](#page=6).
* **PEEP:** 5-6 cm water [6](#page=6).
* **Inspiratoire druk en zuurstofpercentages (O2):**
* $\geq 32$ weken: 30 cm water; 21% O2 [6](#page=6).
* 28-32 weken: 25 cm water; 21-30% O2 [6](#page=6).
* $< 28$ weken: 25 cm water; 30% O2 [6](#page=6).
#### 2.3.2 Evaluatie van effectiviteit
* **Thoraxbewegingen:** Zichtbare beweging van de thorax tijdens inflaties duidt op een open luchtweg en adequaat teugvolume. Falen kan wijzen op obstructie of onvoldoende inflatiedruk/teugvolume [6](#page=6).
* **Hartfrequentie:** Een stijging (binnen 30 seconden) of behoud van een hoge hartfrequentie bevestigt adequate ventilatie/oxygenatie. Een trage hartfrequentie suggereert aanhoudende hypoxie en inadequate ventilatie [6](#page=6).
#### 2.3.3 Voortzetting van de beademing
* **Bij duidelijke hartfrequentie:** Ga door met ononderbroken ventilatie tot de baby adequaat ademt en de hartfrequentie > 100/min is [6](#page=6).
* Streef naar ca. 30 beademingen/min met een inspiratietijd < 1 seconde [7](#page=7).
* Verminder inflatiedrukken als de thorax goed opgaat [7](#page=7).
* Herbeoordeel hartfrequentie en ademhaling elke 30 seconden [7](#page=7).
* Overweeg een veiligere luchtweg (larynxmasker/endotracheale tube) als apneu aanhoudt of maskerventilatie niet efficiënt is [7](#page=7).
* **Bij geen reactie van hartfrequentie en geen thoraxbeweging:**
* Verifieer materiaal, hoofdpositie (kinlift/kaaklift), en maskermaat/positie/aansluiting [7](#page=7).
* Overweeg andere luchtweg manoeuvres [7](#page=7).
* Herhaal inflaties en evalueer continu hartfrequentie en thoraxbeweging [7](#page=7).
> **Belangrijk:** Zonder adequate aëratie van de longen zullen borstcompressies niet effectief zijn. Bevestig efficiënte ventilatie (thoraxbewegingen of andere monitoring) voordat met borstcompressies wordt begonnen [7](#page=7).
### 2.4 Thoraxcompressies
Borstcompressies zijn noodzakelijk wanneer de hartslag zeer laag blijft (< 60/min) of afwezig is na 30 seconden correct ventileren [8](#page=8).
#### 2.4.1 Procedure
* **Zuurstof:** Verhoog de toegediende zuurstof naar 100% bij start van borstcompressies [8](#page=8).
* **Indicatie:** Start compressies alleen na zekere ontplooiing van de longen [8](#page=8).
* **Techniek (Twee-duimen-omcirkel-techniek - TDOT):**
* Plaats een duim op het onderste deel van het sternum, met de andere duim erbovenop [8](#page=8).
* Duimen wijzen naar boven, vingers gesloten om de thorax, vingertoppen ondersteunen de rug [8](#page=8).
* Druk de thorax minstens een derde van de diepte in [8](#page=8).
* Zorg voor volledige ontspanning na elke compressie, zonder de duimen van het sternum te halen [8](#page=8).
* Vermijd directe druk op ribben, xiphoid of bovenbuik [8](#page=8).
* **Frequentie:** 100-120 compressies/min [8](#page=8).
* **Verhouding compressies:beademingen:** 3:1, ook bij geïntubeerde patiënten. Dit resulteert in 90 compressies en 30 beademingen (120 handelingen/min). De kwaliteit is belangrijker dan de exacte frequentie [8](#page=8).
* **Controle:** Controleer hartfrequentie en ademhaling elke 30 seconden [8](#page=8).
* **Stoppen compressies:** Indien de hartfrequentie > 60/min stijgt [8](#page=8).
> **Overweging:** Overweeg een intraveneuze of intraossale toegang en medicatie. Bij indicatie voor thoraxcompressies heeft zekering van de luchtweg met een endotracheale tube de voorkeur, mits dit de start van compressies niet vertraagt [8](#page=8).
### 2.5 Medicatie
Medicatie is zelden nodig bij neonatale reanimatie. Het wordt overwogen als (inflatie)beademingen en thoraxcompressies onvoldoende zijn om de circulatie op gang te krijgen, bij voorkeur via een navelvenekatheter [9](#page=9).
#### 2.5.1 Adrenaline
* **Dosis:** 10 tot 30 microgram/kg intraveneus, indien de hartfrequentie niet boven de 60 slagen/min komt [9](#page=9).
* **Flush:** Flush de navelvenelijn na medicatietoediening met een vochtbolus (bv. 5 ml NaCl 0.9%) [9](#page=9).
* **Herhaling:** Zo nodig elke 4 minuten intraveneus/intra-ossaal/endotracheaal [9](#page=9).
* **Endotracheale toediening (indien geen IV/IO toegang):** 50-100 microgram/kg [9](#page=9).
#### 2.5.2 Vochtbolus
* **Indicatie:** Bij verdenking op hypovolemische shock en onvoldoende verbetering ondanks adequate reanimatie [9](#page=9).
* **Middel:** O-negatief bloed of fysiologisch zout [9](#page=9).
* **Dosis:** 10 ml/kg intraveneus of intra-ossaal, toegediend in 1-5 minuten [9](#page=9).
* **Caveat:** Bij zeer premature pasgeborenen is dit zelden noodzakelijk en geassocieerd met intraventriculaire en longbloedingen [9](#page=9).
#### 2.5.3 Glucose
* **Indicatie:** Bij langdurige reanimatie om hypoglycemie te voorkomen [9](#page=9).
* **Middel:** Glucose 10% [9](#page=9).
* **Dosis:** 2.5 ml/kg intraveneus of intra-ossaal [9](#page=9).
* **Monitoring:** Controleer bloedglucose zo spoedig mogelijk en overweeg continu glucose-infuus (4-6 mg/kg/min) [9](#page=9).
> **Route:** De navelvenelijn is de voorkeursroute voor medicatie en vocht. Intraossale toediening is een alternatieve route [9](#page=9).
### 2.6 Sidenotes: Beademinghulpmiddelen
#### 2.6.1 Masker
Zorg voor een goed passend masker voor een optimale afsluiting tussen gezicht en masker [10](#page=10).
#### 2.6.2 Neopuff / T-stuk
Gebruik indien mogelijk een T-stuk om CPAP of PPV met PEEP te geven, met name bij prematuren. Nasale prongs van de juiste maat kunnen een alternatief zijn voor aangezichtsmaskers [10](#page=10).
#### 2.6.3 Ambu (zelfopblazende ballon)
Moet voldoende volume hebben voor adequate inflatie, zonder overmatig volume toe te dienen. Een Ambu kan geen efficiënte CPAP geven [10](#page=10).
#### 2.6.4 Larynxmasker
Overweeg een larynxmasker bij:
* Kinderen $\geq 34$ weken zwangerschap (ongeveer 2000 gram), hoewel sommige types vanaf 1500 gram gebruikt kunnen worden [10](#page=10).
* Moeilijk te bereiken efficiënte ventilatie met masker [10](#page=10).
* Niet-mogelijke of onveilige intubatie door congenitale afwijkingen, materiaalgebrek of gebrek aan ervaring [10](#page=10).
* Als alternatief voor endotracheale intubatie [10](#page=10).
#### 2.6.5 Endotracheale tube (ETT)
Intubatie kan overwogen worden wanneer:
* Ventilatie inefficiënt is na optimalisatie van maskertechniek, hoofdpositie, of verhoging van inspiratoire druk [10](#page=10).
* Langdurige ventilatie nodig is voor een veilige luchtweg [10](#page=10).
* Onderste luchtwegen geaspireerd moeten worden om een vermoedde tracheale obstructie te verwijderen [10](#page=10).
* Borstcompressies uitgevoerd moeten worden [10](#page=10).
* In bijzondere omstandigheden (bv. hernia diafragmatica, surfactanttoediening) [10](#page=10).
> **Bevestiging:** Detectie van uitgeademde lucht met een CO2-detector bevestigt endotracheale plaatsing. De positie moet steeds radiografisch bevestigd worden [10](#page=10) [11](#page=11).
>
> **Teugvolume:** Streef naar een teugvolume van 5 tot 8 ml/kg met een minimaal lek [10](#page=10).
### 2.7 Kamerlucht/zuurstof en monitoring
#### 2.7.1 Zuurstofconcentratie en saturatie
* **Monitoring:** Pulsoximetrie en zuurstofblenders (mixers) moeten gebruikt worden in de verloskamer [11](#page=11).
* **Streefwaarde:** Probeer de saturatie > p25 voor gezonde mature pasgeborenen te houden binnen de eerste vijf minuten [11](#page=11).
* **Aanpassing:** Indien er geen stijging in hartfrequentie optreedt ondanks effectieve ventilaties, of de saturatie laag blijft, verhoog de zuurstofconcentratie [11](#page=11).
* **Regelmatige controle:** Controleer toegediende inspiratoire zuurstofconcentratie en saturaties elke 30 seconden en pas aan om hypoxie en hyperoxie te vermijden. Verlaag zuurstof bij saturatie > 95% [11](#page=11).
#### 2.7.2 Startconcentraties op basis van zwangerschapsleeftijd
* **Mature en late premature baby's $\geq 35$ weken:** Start met kamerlucht (21%) indien respiratoire ondersteuning nodig is [11](#page=11).
* **Premature baby's $< 35$ weken:** Start met kamerlucht of lage zuurstofconcentratie:
* $\geq 32$ weken: 21% [11](#page=11).
* 28 - 31 weken: 21-30% [11](#page=11).
* $< 28$ weken: 30% [11](#page=11).
> **Prognose:** Bij baby's < 32 weken zwangerschapsleeftijd dienen saturaties onder 80% en/of bradycardie op 5 minuten vermeden te worden, daar deze geassocieerd zijn met een slechte prognose [11](#page=11) [12](#page=12).
#### 2.7.3 Continuous Positive Airway Pressure (CPAP) en Positieve Eindexpiratoire Druk (PEEP)
Overweeg CPAP als initiële ademhalingsondersteuning bij spontaan ademende premature baby's, gebruikmakend van masker of prongs. Geef minimaal 5-6 cm H2O PEEP bij positieve druk ventilatie (PPV) voor deze baby's, indien het materiaal dit toelaat [11](#page=11).
### 2.8 Meconium
* **Intrapartum uitzuigen:** Niet aanbevolen bij meconiumhoudend vruchtwater [12](#page=12).
* **Endotracheaal uitzuigen:** Afgeraden bij een slappe, niet-ademende pasgeborene met meconiumhoudend vruchtwater [12](#page=12).
* **Procedure:** Indien positioneren/repositioneren en inflatiebeademingen niet leiden tot adequate reactie, en er verdenking op tracheale obstructie is, kan inspectie van de orofarynx helpen om meconium als obstructie te identificeren. De nadruk ligt op het starten met beademen binnen de eerste minuut na geboorte [12](#page=12).
### 2.9 Vasculaire toegang
Een perifere veneuze toegang is moeilijk en niet optimaal voor vasopressoren bij een gecompromitteerde baby bij de geboorte [13](#page=13).
#### 2.9.1 Toegang via de navelvene (Umblical Vein)
* **Voordeel:** Biedt snelle vasculaire toegang bij pasgeborenen en is de belangrijkste methode tijdens reanimatie [13](#page=13).
* **Aandachtspunten:**
* Gebruik een gesloten systeem om luchtembolie te voorkomen bij gaspen [13](#page=13).
* Bevestig positie door aspiratie vóór medicatie/vochttoediening [13](#page=13).
* Een nette techniek is voldoende in urgente setting [13](#page=13).
* De navelvene kan nog dagen na geboorte toegankelijk zijn en moet overwogen worden bij postnatale collaps [13](#page=13).
#### 2.9.2 Intraossale (IO) toegang
IO toegang is een alternatieve urgente route voor vocht/medicatie [13](#page=13).
#### 2.9.3 Postreanimatie zorg
Indien veneuze toegang nodig is na reanimatie, kan een perifere toegang volstaan, tenzij meerdere infusen nodig zijn, waarbij centrale toegang de voorkeur heeft. IO toegang kan kortstondig volstaan als er geen andere optie beschikbaar is [13](#page=13).
---
# Basis levensondersteuning (BLS) bij kinderen
Dit onderwerp beschrijft de richtlijnen en procedures voor basis levensondersteuning bij kinderen van alle leeftijden (met uitzondering van pasgeborenen), inclusief het herkennen van ademhalingsproblemen en het uitvoeren van reanimatie.
### 3.1 Theoretische onderbouwing en algemene principes
Kinderreanimatie is een relatief zeldzame, maar cruciale vaardigheid voor zorgprofessionals. Vroegtijdige herkenning en adequate behandeling van een ernstig bedreigd kind kunnen een circulatiestilstand voorkomen en zijn levensreddend. In Nederland vinden jaarlijks ongeveer 100 kinderreanimaties buiten het ziekenhuis plaats met een overlevingskans van ongeveer 12%; in het ziekenhuis ligt deze incidentie en overlevingskans hoger [16](#page=16).
De richtlijnen voor pediatrische basis levensondersteuning (PBLS) door zorgprofessionals zijn opgesteld door de European Resuscitation Council (ERC) 2021. Deze richtlijnen zijn van toepassing op kinderen van 0 tot 18 jaar, met uitzondering van pasgeborenen. Kinderen die qua lichaamsgrootte een volwassene benaderen, kunnen volgens de volwassen richtlijnen worden behandeld. Een teamgerichte benadering, goede communicatie en samenwerking zijn essentieel bij kinderreanimaties. De richtlijnen zijn gebaseerd op de internationale consensus van 2020 over cardiopulmonale reanimatiewetenschap [16](#page=16).
Belangrijke aandachtspunten uit de huidige richtlijnen zijn:
* Zuurstoftherapie moet getitreerd worden tot een SpO2 van 94-98% [16](#page=16).
* Bij kinderen met tekenen van circulatoir en/of respiratoir falen, waarbij SpO2 of paO2 niet gemeten kan worden, start men met een hoge zuurstofflow [16](#page=16).
* Geef 1 of meerdere vochtbolussen van 10 ml/kg bij kinderen met circulatoir falen en herevalueer na elke bolus om overvulling te voorkomen [16](#page=16).
* Start vroegtijdig met vasoactieve medicatie [16](#page=16).
* Bij hemorragische shock beperk vochtbolussen met kristalloïden en start met bloedproducten zodra beschikbaar [16](#page=16).
#### 3.1.1 PBLS-algoritme door hulpverleners
Iedereen die geoefend is in pediatrische BLS moet het specifieke PBLS-algoritme aanhouden. Hulpverleners starten onmiddellijk met borstcompressies na de 5 initiële beademingen, tenzij er duidelijke tekenen van circulatie zijn. Als de hulpverlener alleen is, waarschuwt deze eerst de hulpdiensten (telefoon op luidspreker) alvorens de reanimatie te starten. Bij een plotse collaps in het bijzijn van een getuige moet indien snel beschikbaar een AED gebruikt worden. Indien de hulpverlener geen telefoon bij de hand heeft, reanimeert deze 1 minuut alvorens de reanimatie te onderbreken [16](#page=16).
Voor borstcompressies bij zuigelingen kan een solitaire hulpverlener de duim-omcirkelmethode of de twee-vingermethode gebruiken. De techniek met twee personen voor ballon-maskerventilatie (BMV) is voor alle competente hulpverleners de eerste keuze. Asynchrone ventilatie wordt alleen aanbevolen wanneer de patiënt geïntubeerd is, aan een frequentie van 10-25/minuut. Bij twijfel beschouwen EPALS-providers het ritme als schokbaar [17](#page=17).
### 3.2 Stappenplan Pediatrische Basis Levensondersteuning (PBLS)
De sequentie van handelingen in PBLS hangt af van het opleidingsniveau van de hulpverlener [18](#page=18).
#### 3.2.1 Veiligheid en controle bewustzijn
1. **Veiligheid:** Verzeker de veiligheid van de hulpverlener en het kind [18](#page=18).
2. **Controle bewustzijn en vraag om hulp:**
* Controleer de reactie op verbale en tactiele stimulatie [18](#page=18).
* Vraag omstanders om hulp [18](#page=18).
* Als er meer dan één hulpverlener is, waarschuwt de tweede hulpverlener direct de dringende medische hulpdiensten (voorkeur met mobiele telefoon in luidsprekerfunctie) zodra het bewustzijnsverlies is vastgesteld. Een andere hulpverlener kan een AED halen. Laat het kind niet alleen [18](#page=18).
* Indien u alleen bent: geef eerst vijf beademingen voordat u zelf alarmeert [18](#page=18).
#### 3.2.2 Luchtweg vrijmaken
* **Head-tilt/chin-lift manoeuvre:** Plaats één hand op het voorhoofd en kantel het hoofd zachtjes naar achteren. Zorg voor een neutrale positie bij zuigelingen en enige extensie van de nek bij oudere kinderen. Plaats tegelijkertijd twee vingers onder het benige gedeelte van de mandibula en til deze op. Duw niet op weke delen onder de kin, omdat dit de luchtweg kan blokkeren [18](#page=18).
* **Jaw-thrust manoeuvre:** Gebruik deze manoeuvre in geval van trauma of als de head-tilt/chin-lift manoeuvre niet effectief is. Plaats de eerste twee vingers van iedere hand aan weerszijden op de ramus van de mandibula en duw deze naar voren. Indien nodig kantel het hoofd geleidelijk naar achteren totdat de bovenste luchtweg vrij is [18](#page=18) [19](#page=19).
#### 3.2.3 Controle ademhaling
* Houd het hoofd in de juiste positie zodat de luchtweg vrij blijft [19](#page=19).
* Kijk, luister en voel gedurende maximaal 10 seconden [19](#page=19):
1. Kijk of de thorax omhoogkomt.
2. Luister boven de mond en neus van het kind of u een ademhaling hoort.
3. Voel met uw wang of er luchtstroom is.
* Gedurende enkele minuten na een circulatiestilstand kan het kind nog trage, irreguliere ademteugen nemen; dit is geen normale ademhaling [19](#page=19).
* Handel bij twijfel alsof het kind niet normaal ademt [19](#page=19).
* Thoraxbewegingen alleen (zonder voelen of horen van ademhaling) betekenen dat de bovenste luchtweg niet vrij is; pas dan de luchtwegopeningmanoeuvres aan [19](#page=19).
#### 3.2.4 Handelen bij normale of abnormale ademhaling
* **Als het kind wel normaal ademt:**
* Leg het kind in stabiele zijligging [19](#page=19).
* Bij trauma: overweeg immobilisatie van hoofd en cervicale wervelkolom in neutrale positie met vrije bovenste luchtweg [19](#page=19).
* Bel om professionele hulp indien dat nog niet gebeurd is [19](#page=19).
* Herbeoordeel elke minuut de ademhaling [19](#page=19).
* **Als het kind niet of niet normaal ademt:** Start met 5 initiële beademingen [19](#page=19).
#### 3.2.5 Vijf initiële (start)beademingen
* **Bij zuigelingen (<1 jaar):** Zorg voor een neutrale positie van het hoofd en blaas gedurende 1 seconde lucht in via neus en mond, zodanig dat de thorax duidelijk opkomt [19](#page=19).
* **Bij oudere kinderen (>1 jaar - 18 jaar):** Zorg voor hyperstrekking van het hoofd. Blaas lucht in de mond en knijp de neus toe tijdens het blazen. Zorg dat de borstkas voldoende opkomt [20](#page=20).
* **Moeilijkheden bij effectieve beademing:**
1. Verwijder zichtbare obstructies; veeg niet blindelings in de mond [20](#page=20).
2. Herpositioneer het hoofd of verbeter de luchtwegopeningmethode als de luchtweg belemmerd wordt door de tong of foute positionering [20](#page=20).
3. Zorg voor een goede omsluiting met de mond om luchtlekken te voorkomen [20](#page=20).
* **Ballon-maskerventilatie (BMV):** Getrainde hulpverleners passen bij voorkeur BMV met 100% zuurstof toe in plaats van mond-op-mondbeademing. Een zakmasker kan ook gebruikt worden bij grotere kinderen indien BMV niet voorhanden is [20](#page=20).
* **Techniek BMV:** Zorg voor een goede afsluiting van het masker, de juiste frequentie en inspiratietijd (ca. 1 seconde), en een adequaat teugvolume (thorax zichtbaar omhoog). Pas de jaw-thrust manoeuvre aan en controleer op lekken indien nodig. De optimale hoofdpositie bij oudere kinderen vereist meer extensie dan bij zuigelingen (neutrale positie). Gebruik laagdrempelig de tweepersoonstechniek voor optimale beademing [20](#page=20).
#### 3.2.6 Alarmsignalen en tijdsduur
* **Alleen & mét mobiele telefoon:** Bel na de eerste vijf beademingen de hulpdiensten (luidsprekerfunctie) en ga verder met de volgende stap [21](#page=21).
* **Alleen & zonder mobiele telefoon:** Reanimeer 1 minuut (5 initiële beademingen + 4 cycli van 15 compressies + 2 beademingen) voordat u het kind verlaat om hulp te halen [21](#page=21).
#### 3.2.7 Thoraxcompressies
* **Teken van leven aanwezig?**
* Ga door met beademen totdat het kind zelf effectief begint te ademen. Leg het kind in stabiele zijligging als het bewusteloos blijft maar wel adequaat ademhaalt. Herbeoordeel elke minuut [22](#page=22).
* **Geen tekenen van leven of twijfel:** Start met 15 thoraxcompressies op de onderste helft van het sternum, afgewisseld met 2 beademingen. Minimaliseer de tijd tussen de handelingen [22](#page=22).
* **Thoraxcompressies bij zuigelingen (<1 jaar, excl. neonaten):**
* Professionele hulpverleners gebruiken bij voorkeur de twee-duimen-omcirkeltechniek (TDOT). Plaats één duim op het sternum en de andere erbovenop; de duimtoppen wijzen naar boven. Omcirkel met gesloten vingers het onderste deel van de thorax, met de vingertoppen tegen de rug. Zorg dat het sternum na elke compressie volledig omhoogkomt [22](#page=22).
* Als alternatief kunnen hulpverleners die alleen zijn of de TDOT niet beheersen de twee-vingertechniek gebruiken [22](#page=22).
* **Thoraxcompressies bij kinderen (>1 jaar - 18 jaar):**
* Plaats de hiel van één hand op de onderste helft van de borstkas, niet direct op de ribben, het borstbeen of de bovenbuik [23](#page=23).
* Positioneer uzelf met gestrekte armen loodrecht op de borstkas [23](#page=23).
* Duw de borstkas minstens een derde van de diameter in met een frequentie van 100 tot 120 keer per minuut [23](#page=23).
* Als de juiste diepte moeilijk te bereiken is, plaats de hiel van de andere hand bovenop de eerste en haak de vingers in elkaar [23](#page=23).
* Laat na elke compressie de borstkas geheel omhoogkomen zonder contact te verliezen en leun niet op de borstkas [23](#page=23).
* Het indrukken en omhoog laten komen van de borstkas moet even lang duren [23](#page=23).
#### 3.2.8 Afwisseling compressies en beademingen
* Wissel 15 thoraxcompressies steeds af met 2 beademingen (15:2 cyclus) [23](#page=23).
* Onderbreek de reanimatie niet, tenzij er duidelijke tekenen van leven zijn of bij uitputting [23](#page=23).
* Als er een tweede hulpverlener is, wissel elkaar dan elke 2 minuten af om vermoeidheid te voorkomen; onderbreek bij het aflossen de borstcompressies zo kort mogelijk [23](#page=23).
* Als er tekenen van leven zijn, maar het kind blijft bewusteloos en ademt niet normaal, ondersteun dan de ademhaling aan een voor de leeftijd aangepaste frequentie [23](#page=23).
### 3.3 Gebruik van een AED bij kinderen
Bij een kind met een hartstilstand start een alleenstaande hulpverlener onmiddellijk met reanimatie. Bij gevallen met een waarschijnlijk schokbaar ritme (bv. plotse collaps met getuige), haal indien gemakkelijk bereikbaar snel een AED en gebruik deze (tijdens het bellen naar hulpdiensten) [24](#page=24).
Bij meer dan één hulpverlener belt de tweede hulpverlener direct naar de hulpdiensten, haalt een AED en legt deze aan indien mogelijk. Getrainde hulpverleners beperken de 'no-flow' tijd door reanimatie onmiddellijk te hervatten na toedienen van een schok of wanneer geen schok wordt aanbevolen. De elektroden moeten met minimale of geen onderbreking van de reanimatie worden aangebracht [24](#page=24).
#### 3.3.1 Gebruik van AED-apparatuur
* Gebruik indien mogelijk een AED met een pediatrische stroomverzwakker bij zuigelingen en kinderen onder de 8 jaar. Indien niet beschikbaar, gebruik een standaard-AED voor alle leeftijden [24](#page=24).
* Zodra de AED aanwezig is: geef eerst 5 beademingen indien nog niet gedaan, voordat de AED wordt aangesloten [24](#page=24).
* Zet de AED aan en volg direct de gesproken/visuele opdrachten [24](#page=24).
* Ontbloot de borstkas en bevestig de elektroden volgens de afbeeldingen op de elektroden. De elektroden mogen elkaar niet raken [24](#page=24).
* Als AED-elektroden te groot zijn voor het kind, plaats dan één elektrode midden op de voorkant van de borstkas en de andere op de rug tussen de schouderbladen [24](#page=24).
* Gebruik bij kinderen jonger dan 8 jaar bij voorkeur een aangepaste AED (pads, kinderknop of kindersleutel) [24](#page=24).
* Als de AED aangeeft het kind niet aan te raken, raak dan ook de draden van de elektroden niet aan [24](#page=24).
#### 3.3.2 AED geeft schokopdracht
* Zorg dat niemand het kind aanraakt [24](#page=24).
* Druk op de schokknop zodra de AED dit aangeeft; een volautomatische AED geeft de schok zelf [24](#page=24).
* Start direct met 15 borstcompressies gevolgd door 2 beademingen en blijf dit afwisselen [24](#page=24).
#### 3.3.3 AED geeft geen schokopdracht
* Volg de gesproken/visuele opdrachten van de AED direct op [24](#page=24).
* Start direct met 15 borstcompressies gevolgd door 2 beademingen en blijf dit afwisselen [24](#page=24).
### 3.4 Wanneer stoppen met reanimeren?
Ga door met basale reanimatie totdat:
* Professionele zorgverleners zeggen dat u mag stoppen [26](#page=26).
* Het kind bij bewustzijn komt, zich beweegt, zijn ogen opent en normaal begint te ademen [26](#page=26).
* U uitgeput bent [26](#page=26).
Het terugkeren van de circulatie door alleen borstcompressies en beademen is zeldzaam. Ga ervan uit dat de circulatie hersteld is als het kind [26](#page=26):
* Bij bewustzijn komt [26](#page=26).
* Beweegt [26](#page=26).
* Zijn ogen opent [26](#page=26).
* Normaal ademt of huilt [26](#page=26).
In dat geval legt u het slachtoffer op zijn zij (stabiele zijligging), maar blijft u paraat om de reanimatie direct te hervatten. Laat de AED-elektroden zitten [26](#page=26).
### 3.5 Reanimeren van het kind na trauma
Pas reanimatie toe bij een kind in hartstilstand na trauma, indien het veilig is. Probeer de wervelzuil zo min mogelijk te bewegen zonder het reanimatieproces te hinderen [26](#page=26).
Pas niet routinematig een AED toe bij een pediatrische circulatorische arrestatie (TCA), tenzij er een grote waarschijnlijkheid van een onderliggend schokbaar ritme bestaat, zoals na elektrocutie [26](#page=26).
Pas rechtstreekse druk toe om massieve uitwendige bloedingen te stelpen, met gebruik van hemostatische verbanden indien mogelijk. Gebruik een knelband of tourniquet bij oncontroleerbare, levensbedreigende uitwendige bloedingen [26](#page=26).
---
# Specifieke zorg en vaardigheden voor neonaten
Dit deel behandelt diverse zorgaspecten en vaardigheden die nodig zijn voor pasgeborenen, waaronder couveusezorg, positionering, plaatsing van voedingssondes, bereiden van sondevoeding, inbakeren en badjes [30](#page=30).
### 4.1 Couveusezorg en positionering van een stabiele neonaat
De zorg voor een stabiele neonaat in de couveuse omvat specifieke technieken en procedures, waarvoor een stappenplan beschikbaar is in DigitAP. Er is tevens een instructiefilmpje over deze techniek te vinden op DigitAP [31](#page=31).
### 4.2 Plaatsen van een voedingssonde bij een prematuur of neonaat
Het correct plaatsen van een voedingssonde bij een premature baby of neonaat is een belangrijke vaardigheid. Een gedetailleerd stappenplan hiervoor is te vinden in DigitAP. Daarnaast is er een instructiefilmpje beschikbaar op DigitAP dat de procedure toont [32](#page=32).
### 4.3 Bereiden en toedienen van sondevoeding aan een neonaat of prematuur
De bereiding en toediening van sondevoeding aan een neonaat of premature baby vereist nauwkeurigheid. Er is een specifiek stappenplan beschikbaar in DigitAP voor deze handeling. Een instructiefilmpje over het bereiden en toedienen van sondevoeding is eveneens te raadplegen via DigitAP [33](#page=33).
### 4.4 Inbakeren van het kind en het geven van een ingebakerd badje
Inbakeren is een techniek die bij pasgeborenen wordt toegepast, evenals het geven van een ingebakerd badje. Voor beide procedures zijn stappenplannen beschikbaar in DigitAP. Tevens is er een instructiefilmpje over inbakeren en het ingebakerde badje te vinden op DigitAP [34](#page=34).
---
## Veelgemaakte fouten om te vermijden
- Bestudeer alle onderwerpen grondig voor examens
- Let op formules en belangrijke definities
- Oefen met de voorbeelden in elke sectie
- Memoriseer niet zonder de onderliggende concepten te begrijpen
Glossary
| Term | Definition |
|------|------------|
| Intra-uterien | De periode waarin een foetus zich in de baarmoeder bevindt, vóór de geboorte. |
| Extra-uterien | De periode na de geboorte, buiten de baarmoeder, waarin de pasgeborene zich aanpast aan het leven buiten de baarmoeder. |
| À terme | Verwijst naar een zwangerschap die minimaal 37 weken heeft geduurd, wat als voldragen wordt beschouwd. |
| Preterme pasgeborenen | Baby's die voor de 37e zwangerschapsweek geboren worden. |
| Melken van de navelstreng | Een techniek waarbij bloed uit de navelstreng richting de baby wordt gemasseerd, wat soms wordt overwogen bij >28 weken zwangerschap om bloedverlies te compenseren. |
| Temperatuurmanagement | Het actief controleren en reguleren van de lichaamstemperatuur van de patiënt om normale waarden te handhaven en complicaties door onder- of oververhitting te voorkomen. |
| Morbiditeit | De mate van ziekte of gezondheidsproblemen binnen een populatie of groep. |
| Mortaliteit | Het aantal sterfgevallen binnen een populatie of groep, vaak uitgedrukt als een percentage of per 1000 inwoners. |
| Hyperthermie | Een gevaarlijke verhoging van de lichaamstemperatuur die het normale warmteverlies van het lichaam overschrijdt. |
| Hypothermie | Een gevaarlijke daling van de lichaamstemperatuur onder het normale bereik, wat kan leiden tot ernstige gezondheidsproblemen. |
| Hartfrequentie | Het aantal hartslagen per minuut, een belangrijke indicator van de cardiovasculaire status. |
| Saturatiemeter | Een medisch apparaat dat de zuurstofsaturatie (de hoeveelheid zuurstof gebonden aan hemoglobine in het bloed) meet. |
| ECG (elektrocardiogram) | Een grafische weergave van de elektrische activiteit van het hart, gebruikt om hartritmestoornissen en andere hartproblemen te diagnosticeren. |
| Hypoxie | Een toestand waarin het lichaam of een deel ervan niet voldoende zuurstof krijgt. |
| Tonus | De normale spanning in de spieren, die bij een pasgeborene een indicator kan zijn van de neurologische status en alertheid. |
| Cyanose | Een blauwachtige verkleuring van de huid en slijmvliezen die veroorzaakt wordt door een tekort aan zuurstof in het bloed. |
| Shock | Een levensbedreigende aandoening waarbij organen onvoldoende bloed en zuurstof krijgen door een drastische daling van de bloeddruk. |
| Hypovolemische shock | Shock veroorzaakt door een significant verlies van bloed of lichaamsvocht. |
| Bleekheid | Een onnatuurlijk bleke huidskleur die kan duiden op verminderde bloedtoevoer of shock. |
| Ademarbeid | De inspanning die een persoon levert om te ademen, inclusief de gebruik van hulpademhalingsspieren. |
| Adequaat | Voldoende of gepast voor de specifieke situatie of behoefte. |
| Gaspen | Zware, onregelmatige en ineffectieve ademhalingspogingen, vaak een teken van ernstige ademnood. |
| Kreunen | Een geluid dat wordt gemaakt tijdens het uitademen, wat kan duiden op luchtwegobstructie of andere ademhalingsproblemen. |
| Apnee | Het tijdelijk stoppen van de ademhaling. |
| Transformatie (transitie) | Het proces waarbij een pasgeborene zich aanpast van de omgeving in de baarmoeder naar de buitenwereld, met veranderingen in ademhaling, circulatie en temperatuurregulatie. |
| Longinflatie | Het proces van het opblazen van de longen, essentieel om de gasuitwisseling te starten na de geboorte. |
| Beademing | Het kunstmatig toedienen van lucht aan de longen om ademhaling te ondersteunen of te vervangen. |
| Thoraxcompressies | Het ritmisch indrukken van de borstkas om de bloedsomloop te stimuleren tijdens reanimatie. |
| Peep (positive end-expiratory pressure) | De druk die aan het einde van de uitademing in de longen wordt gehandhaafd om te voorkomen dat de alveoli volledig inklappen. |
| Inspiratoire druk | De druk die wordt uitgeoefend tijdens het inademen, bijvoorbeeld bij mechanische beademing. |
| Orofaryngeale airway | Een hulpmiddel dat in de mondholte wordt geplaatst om de tong weg te houden van de achterkant van de keel en zo de luchtweg open te houden. |
| Larynxmasker | Een ademhalingshulpmiddel dat in de keelholte wordt geplaatst om de luchtweg te openen en ventilatie mogelijk te maken. |
| Endotracheale intubatie | Het inbrengen van een buis in de luchtpijp om een directe luchtweg te creëren voor beademing en ventilatie. |
| Meconium | De eerste ontlasting van een baby, een dikke, kleverige substantie die donkergroen tot zwart van kleur is. |
| Vruchtwater | Het vocht dat de foetus omringt in de baarmoeder, dat meconium kan bevatten. |
| Colloquiale | Informele taal, in dit geval de standaard Nederlandse vertaling van "cool-down" en "self-coaching". |
| Navelvene | De ader die de placenta verbindt met de lever van de foetus, gebruikt voor toegang tot de bloedsomloop van de neonaat. |
| Vasopressoren | Medicijnen die de bloedvaten vernauwen en de bloeddruk verhogen. |
| Luchtembolie | De aanwezigheid van luchtbellen in de bloedbaan, wat ernstige gevolgen kan hebben. |
| Intraossale toegang | Een methode om medicijnen of vocht toe te dienen door in het beenmerg van een bot te injecteren, vaak gebruikt als alternatief voor intraveneuze toegang in spoedsituaties. |
| Postnatale collaps | Een plotselinge daling van de bloedsomloop of ademhaling na de geboorte. |
| Vochtbolus | Een snelle intraveneuze toediening van een grote hoeveelheid vloeistof om de bloeddruk te verhogen of uitdroging te behandelen. |
| Fysiologisch zout | Een steriele zoutoplossing met een concentratie van 0,9% natriumchloride, die isotoon is met lichaamsvloeistoffen. |
| Kristalloïden | Vloeistoffen die kleine opgeloste moleculen bevatten, zoals zoutoplossingen, die gemakkelijk door celmembranen kunnen passeren. |
| Bloedproducten | Componenten van bloed, zoals rode bloedcellen, plasma en bloedplaatjes, die worden toegediend om bloedverlies te compenseren of stollingsstoornissen te behandelen. |
| Cardiopulmonale reanimatiewetenschap | Het wetenschappelijke onderzoeksveld dat zich richt op de studie en verbetering van reanimatietechnieken. |
| Internationale consensus | Een overeenkomst of gedeelde visie tussen experts uit verschillende landen over een bepaald onderwerp. |
| Cardiovasculair falen | Het falen van het hart en de bloedvaten om voldoende bloed en zuurstof naar de organen te transporteren. |
| Respiratoir falen | Het falen van de longen om voldoende zuurstof op te nemen en kooldioxide uit te scheiden. |
| Vasoactieve medicatie | Medicijnen die de bloedvaten beïnvloeden, zoals vaatverwijders (vasodilatoren) of vaatvernauwers (vasoconstrictoren). |
| Hemorragische shock | Shock veroorzaakt door acuut bloedverlies. |
| Neonaat | Een pasgeboren kind, meestal gedefinieerd als de eerste 28 dagen van het leven. |
| Zuigeling | Een kind jonger dan één jaar, exclusief pasgeborenen. |
| Adolescent | Een jongere die de puberteit doormaakt en zich tussen kindertijd en volwassenheid bevindt. |
| PBLS (Paediatric Basic Life Support) | Basis levensondersteuning speciaal ontworpen voor kinderen. |
| NRR (Nederlandse Reanimatie Raad) | De organisatie die verantwoordelijk is voor het opstellen en verspreiden van reanimatierichtlijnen in Nederland. |
| AED (Automatische Externe Defibrillator) | Een draagbaar apparaat dat automatisch een hartritmeanalyse uitvoert en, indien nodig, een elektrische schok toedient om een abnormaal hartritme te corrigeren. |
| No-flow time | De periode tijdens reanimatie waarin borstcompressies worden onderbroken, bijvoorbeeld voor het analyseren van het ritme door de AED of het toedienen van een schok. |
| Sedatie | Het toedienen van kalmerende medicijnen om een patiënt te ontspannen of angstig te verminderen. |
| Analgesie | Pijnbestrijding. |
| Sedatie en analgesie | De gecombineerde toediening van kalmerende en pijnstillende medicijnen. |
| Tachycardie | Een hartslag die sneller is dan normaal (boven de 100 slagen per minuut bij volwassenen). |
| Bradycardie | Een hartslag die langzamer is dan normaal (onder de 60 slagen per minuut bij volwassenen). |
| Schokbaar ritme | Een abnormaal hartritme (zoals ventriculaire fibrillatie of snelle ventriculaire tachycardie) dat met succes kan worden behandeld met een elektrische schok. |
| Ventriculaire fibrillatie (VF) | Een gevaarlijke hartritmestoornis waarbij de kamers van het hart chaotisch en ineffectief samentrekken, wat leidt tot hartstilstand. |
| Ventriculaire tachycardie (VT) | Een snelle hartslag die ontstaat in de kamers van het hart. |
| Reanimatiealgoritme | Een stapsgewijze handleiding die aangeeft welke acties moeten worden ondernomen tijdens een reanimatie. |
| Geïntubeerd | Een patiënt waarbij een endotracheale tube is ingebracht om de luchtweg te openen. |
| Asynchrone ventilatie | Beademing die niet synchroon loopt met de natuurlijke ademhalingscyclus van de patiënt, vaak gebruikt bij geïntubeerde patiënten. |
| EPALS (European Paediatric Advanced Life Support) | Geavanceerde levensondersteuning specifiek voor kinderen, zoals aangeboden door de European Resuscitation Council. |
| Reversibele oorzaken | Oorzaken van een hartstilstand die kunnen worden behandeld, waardoor de kans op succesvolle reanimatie toeneemt. |
| Jaw thrust manoeuvre | Een techniek om de luchtweg te openen door de kaak naar voren te duwen, vaak gebruikt bij patiënten met vermoeden van nekletsel. |
| Head-tilt/chin-lift manoeuvre | Een basistechniek om de luchtweg te openen door het hoofd naar achteren te kantelen en de kin op te tillen. |
| Ramus van de mandibula | De opgaande tak van de onderkaak. |
| Stabiele zijligging | Een positie waarin een persoon op zijn zij ligt met de bovenste knie gebogen, om te voorkomen dat de tong de luchtweg blokkeert en om te zorgen voor een vrije ademhaling. |
| Immobilisatie | Het beperken van de beweging van een lichaamsdeel, bijvoorbeeld om verder letsel te voorkomen. |
| Cervicale wervelkolom | De nekwervels. |
| Pediatrische TCA (Traumatische Cardiale Arrest) | Een hartstilstand veroorzaakt door trauma bij een kind. |
| Hemostatische verbanden | Speciale verbanden die worden gebruikt om ernstige bloedingen te stelpen door het bevorderen van bloedstolling. |
| Knelband (tourniquet) | Een medisch hulpmiddel dat strak om een ledemaat wordt gewikkeld om de bloedtoevoer te stoppen, gebruikt bij ernstige bloedingen. |
| Medicatie | Geneesmiddelen of stoffen die worden gebruikt voor de behandeling van ziekten of aandoeningen. |
| Navelvenekatheter | Een dun slangetje dat in de navelvene wordt ingebracht om medicijnen of vocht toe te dienen. |
| Adrenaline | Een hormoon en medicijn dat de bloeddruk verhoogt, de hartslag versnelt en de luchtwegen verwijdt; gebruikt bij reanimatie. |
| NaCl 0.9% | Natriumchloride oplossing met een concentratie van 0,9%, ook bekend als fysiologisch zout. |
| Intraossale toegang | De procedure waarbij toegang tot de bloedbaan wordt verkregen door in het beenmerg van een bot te injecteren. |
| Endotracheaal | Via de luchtpijp. |
| Glucose 10% | Een oplossing van 10% glucose (suiker) in water, gebruikt om hypoglykemie te behandelen. |
| Continue glucose-infuus | Een langzame, continue toediening van glucose via een infuus om het bloedsuikergehalte stabiel te houden. |
| T-stuk | Een stukje apparatuur dat wordt gebruikt om beademingsslangen of -apparaten aan te sluiten. |
| CPAP (Continuous Positive Airway Pressure) | Een therapie die continue positieve luchtwegdruk levert, gebruikt om de luchtwegen open te houden en de ademhaling te ondersteunen. |
| Nasale prongs | Kleine neusdopjes die zuurstof of lucht toedienen. |
| Ambu | Een merknaam voor een zelfopblazende ballon (bag-valve-masker) die wordt gebruikt voor handmatige beademing. |
| Congenitale afwijkingen | Aandoeningen of misvormingen die aanwezig zijn bij de geboorte. |
| CO2 detector | Een apparaat dat de aanwezigheid van kooldioxide in uitgeademde lucht detecteert, gebruikt om de correcte plaatsing van een endotracheale tube te bevestigen. |
| Teugvolume | De hoeveelheid lucht die bij elke ademhaling wordt ingeademd. |
| Video laryngoscoop | Een laryngoscoop die is uitgerust met een camera, wat helpt bij het visualiseren van de stembanden tijdens intubatie. |
| Pulsoximetrie | Een niet-invasieve methode om de zuurstofsaturatie in het bloed te meten. |
| Zuurstof blenders (mixers) | Apparaten die kamerlucht en zuivere zuurstof mengen om een specifieke concentratie zuurstof te leveren. |
| Zuurstofconcentratie | De hoeveelheid zuurstof in een gasmengsel, uitgedrukt als percentage. |
| Hypoxie | Een toestand van onvoldoende zuurstof in het lichaam of weefsel. |
| Hyperoxie | Een toestand van een te hoge zuurstofconcentratie in het bloed, wat schadelijk kan zijn. |
| Kamerlucht | De normale lucht die we inademen, die ongeveer 21% zuurstof bevat. |
| Zuurstoftherapie | Het toedienen van extra zuurstof aan een patiënt om de zuurstofgehaltes in het bloed te verhogen. |
| SpO2 | Saturatie van zuurstof in het bloed gemeten met een pulsoximeter. |
| PaO2 | Partiële druk van zuurstof in het arteriële bloed. |
| Hoge zuurstofflow | Het toedienen van zuurstof met een hoge snelheid. |
| Vochtbolus | Een snelle intraveneuze toediening van een aanzienlijke hoeveelheid vloeistof. |
| Kristalloïden | Vloeistoffen met kleine moleculen die gemakkelijk door celmembranen passeren. |
| Bloedproducten | Componenten van bloed zoals rode bloedcellen, plasma en bloedplaatjes. |
| Volbloed | Bloed zoals het uit het lichaam wordt afgenomen, met alle celcomponenten en plasma. |
| Rode bloedcellen | Cellen in het bloed die zuurstof transporteren. |
| Bloedplaatjes | Kleine bloedcellen die een rol spelen bij de bloedstolling. |
| Plasma | Het vloeibare deel van het bloed dat cellen bevat. |
| PBLS-algoritme | Het specifieke algoritme voor pediatrische basis levensondersteuning. |
| AED | Automatische Externe Defibrillator. |
| Lekenhulpverleners | Personen zonder formele medische opleiding die eerste hulp verlenen. |
| Meldkamer geassisteerde lekenhulpverleners | Leken die instructies ontvangen van een meldkamercentralist via de telefoon. |
| Ventrale zijligging | Een stabiele positie op de zij. |
| Intubatie | Het inbrengen van een buis, meestal in de luchtpijp, om een open luchtweg te verzekeren. |
| Orofarynx | Het achterste deel van de mondholte. |
| Vaginaal toucher | Een medisch onderzoek waarbij de vinger in de vagina wordt ingebracht. |
| Cervicale wervelkolom | De zeven nekwervels. |
| Handmatig | Met de hand uitgevoerd. |
| Lichaamsgrootte | De fysieke omvang van het lichaam. |
| Medicamenteuze ondersteuning | Ondersteuning die wordt geboden door het toedienen van medicijnen. |
| Initiële beademingen | De eerste ademhalingen die worden gegeven bij het starten van reanimatie. |
| Mond-op-mondbeademing | Een techniek waarbij een hulpverlener lucht uitblaast in de mond van een slachtoffer. |
| Zakmasker | Een masker dat aan een ballon wordt bevestigd, gebruikt voor beademing. |
| Tweepersoonstechniek | Een reanimatietechniek waarbij twee hulpverleners samenwerken. |
| Extensie | Het strekken of verlengen van een lichaamsdeel. |
| Gebogen positie | Een positie waarin een lichaamsdeel is gebogen. |
| Luchtlek | Een onbedoelde opening waardoor lucht kan ontsnappen tijdens beademing. |
| Standaard-AED | Een AED die niet is uitgerust met speciale pediatrische functies. |
| Pediatrische stroomverzwakker | Een apparaat dat de elektrische energie van een AED vermindert, zodat het geschikt is voor kinderen. |
| Kinderknop of kindersleutel | Functies op een AED die de energie-output aanpassen voor gebruik bij kinderen. |
| Elektrodeplaatsing | De manier waarop de kleefelektroden van de AED op de borstkas worden aangebracht. |
| Zelfopblazende ballon | Een beademingsapparaat dat zichzelf vult met lucht en gebruikt kan worden voor handmatige beademing. |
| Geïndiceerde ritmes | Hartritmes die reageren op behandeling met een elektrische schok. |
| Niet-geïndiceerde ritmes | Hartritmes die niet reageren op behandeling met een elektrische schok. |
| Hypotensie | Lage bloeddruk. |
| Arrithmie | Onregelmatige hartslag. |
| Reanimatie | De handeling om een persoon met een hartstilstand te reanimeren. |
| Borstkas | De anatomische structuur bestaande uit ribben, borstbeen en wervelkolom die de vitale organen van de borstkas beschermt. |
| Cardiale arrest | Het plotselinge stoppen van de pompfunctie van het hart. |
| Uitputting | Toestand van extreme vermoeidheid die het onmogelijk maakt om door te gaan met een activiteit. |
| Circulatiestilstand | Een toestand waarin de bloedsomloop is gestopt. |
| Stabiele zijligging | Een veilige houding voor een bewusteloos persoon die ademt, om te voorkomen dat de tong de luchtweg blokkeert. |
| Hemostatisch | Gerelateerd aan het stoppen van bloedingen. |
| Verband | Een materiaal dat wordt gebruikt om een wond te bedekken of te verbinden. |
| Improviseren | Het maken of vinden van een alternatieve oplossing met beschikbare middelen. |
| Sondenvoeding | Voeding die via een sonde wordt toegediend. |
| Inbakeren | Het stevig inwikkelen van een baby in een deken of doek. |
| Bakerbadje | Een badje waarbij de baby ingebakerd is. |
| DigitAP | Een waarschijnlijk een online leerplatform of database waarnaar wordt verwezen voor stappenplannen en instructievideo's. |
| Positionering | De manier waarop een patiënt in bed of op een oppervlak ligt. |
| Prematuur | Te vroeg geboren. |