Cover
Start nu gratis S2 Syndromale lessen 2 (1).pdf
Summary
# clostridium spp. infecties en hun ontdekking
Dit onderwerp behandelt infecties veroorzaakt door bacteriën van het geslacht Clostridium, met specifieke aandacht voor gasgangreen, hun eigenschappen, en de historische ontdekking van *Clostridium botulinum*.
### 1.1 Necrotiserende infecties
Necrotiserende infecties worden gekenmerkt door het afsterven van weefsel door ischemie, wat leidt tot snelle uitbreiding, sepsis en orgaanfalen [9](#page=9).
#### 1.1.1 Verwekkers van necrotiserende infecties
De belangrijkste verwekkers zijn Groep A streptokokken, *Staphylococcus aureus*, menginfecties met grampositieve en gramnegatieve anaëroben, en specifiek *Clostridium perfringens* dat gasgangreen veroorzaakt [9](#page=9).
#### 1.1.2 Voorkomen en verloop van necrotiserende infecties
Deze infecties presenteren zich met hevige pijn en koorts, en kunnen zich ontwikkelen tot sepsis. Ze treden vaak op na trauma of chirurgie [9](#page=9).
#### 1.1.3 Diagnostiek en preventie van necrotiserende infecties
Diagnostiek berust op klinische verschijnselen en eventueel naaldaspiratie. Preventie is cruciaal en omvat het grondig reinigen van vuile wonden, met aandacht voor zuurstofwater en eventueel profylactische antibiotica [9](#page=9).
#### 1.1.4 Behandeling van necrotiserende infecties
De behandeling vereist chirurgie, intraveneuze antibiotica en intensieve ondersteuning van vitale functies [9](#page=9).
### 1.2 Bijtwonden
Bijtwonden kunnen geïnfecteerd raken door diverse bacteriën, voornamelijk *Staphylococcus aureus* en de gemengde orale flora van de bijter [10](#page=10).
#### 1.2.1 Symptomen en diagnostiek van bijtwonden
Symptomen omvatten roodheid, en mogelijk etter. Diagnostiek is gebaseerd op klinische verschijnselen en anamnese [10](#page=10).
#### 1.2.2 Preventie en behandeling van bijtwonden
Preventie richt zich op het vermijden van beten, het reinigen van wonden, en het overwegen van preventieve antibiotica bij katte- of mensenbeten en postexpositieprofylaxe tegen tetanus. De behandeling bestaat uit breedspectrum antibiotica, zoals amoxicilline met clavulaanzuur [10](#page=10).
### 1.3 Gemengde bacteriële wondkolonisatie en -infectie
Veel chronische wonden, zelfs indien niet primair geïnfecteerd, raken gekoloniseerd door diverse bacteriën uit de huid en omgeving. Dit is niet per definitie een infectie en leidt ten onrechte vaak tot antibioticagebruik, wat resistentie bevordert. Een voorbeeld hiervan is progressieve cellulitis bij een diabetesvoet, waarbij antibiotica wel noodzakelijk zijn [11](#page=11).
### 1.4 Gasgangreen veroorzaakt door *Clostridium perfringens*
Gasgangreen wordt specifiek veroorzaakt door *Clostridium perfringens* [12](#page=12).
#### 1.4.1 Epidemiologie en pathogeniciteit van *Clostridium perfringens*
Deze bacteriën komen voor in fecale flora en als sporen in aarde en vuil. Contaminatie van wonden kan optreden tijdens chirurgie of ongevallen. De sporen groeien uit tot metabool actieve bacteriën in anaërobe omstandigheden, zoals in dood weefsel met weinig zuurstof. Tijdens actieve groei produceren ze weefseldestructieve enzymen, wat leidt tot snelle weefselvernietiging en verdere bacteriële groei. Gasvorming, voelbaar of zichtbaar op radiografie, is typisch voor gasgangreen, dat frequent voorkomt in oorlogswonden [12](#page=12).
#### 1.4.2 Behandeling en preventie van gasgangreen
De behandeling omvat antibiotica, chirurgie en symptomatische ondersteuning. Preventie vereist goede heelkunde, wondzorg en eventueel chemoprofylaxie [12](#page=12).
### 1.5 Kenmerken van *Clostridium* spp.
*Clostridium* soorten zijn anaërobe grampositieve, sporevormende staven [13](#page=13).
#### 1.5.1 Enzyminproductie en neurotoxines
Soorten als *C. perfringens* produceren weefselvernietigende enzymen met een lokaal effect. Andere soorten, zoals *C. botulinum* en *C. tetani*, produceren krachtige neurotoxines met effecten op afstand [13](#page=13).
#### 1.5.2 Groeiomstandigheden en sporenvorming
*Clostridium* spp. zijn strikt anaëroob en groeien alleen in anaërobe omstandigheden, zoals het darmlumen of dood weefsel. Ze veroorzaken geen ziekte in gezond weefsel. Hun sporen zijn zeer lang overlevend in de omgeving, wat bijdraagt aan hun besmettelijkheid [13](#page=13).
### 1.6 Ontdekking van *Clostridium botulinum*
#### 1.6.1 Vroege observaties van botulisme
De Duitse dichter en arts Justinus Kerner publiceerde tussen 1817 en 1822 nauwkeurige beschrijvingen van de symptomen van voedselvergiftiging door botulisme, die hij "worstengif" of "vetten gif" noemde. Hij opperde reeds het idee van een mogelijk therapeutisch gebruik van het toxine [14](#page=14).
#### 1.6.2 Ontdekking door Emile van Ermengem
Ongeveer tachtig jaar na Kerner's werk, in 1895, leidde een botulisme-uitbraak na een begrafenismaaltijd met gerookte ham in het Belgische dorp Ellezelles tot de ontdekking van de pathogeen *Clostridium botulinum* door Emile Pierre van Ermengem, professor in de bacteriologie aan de Universiteit van Gent [14](#page=14).
#### 1.6.3 De uitbraak in Ellezelles en het onderzoek van Van Ermengem
Op 14 december 1895 werden tien van de vierendertig muzikanten van de fanfare van Ellezelles ernstig ziek na het nuttigen van een maaltijd met rauwe ham; drie overleden. De muzikanten die geen ham hadden gegeten, bleven gespaard. De lokale artsen vermoedden de ham als oorzaak en schakelden professor Van Ermengem in. Zijn onderzoek, inclusief analyse van resterende ham, autopsie van slachtoffers en klinisch, toxicologisch en bacteriologisch onderzoek, resulteerde in de isolatie van de bacterie en het geproduceerde gif. De bacterie verschilde van bekende ziekteverwekkers, vereiste anaërobe kweekomstandigheden en vormde hittebestendige sporen. Experimenten met proefdieren die besmette ham aten, reproduceerden de symptomen van de slachtoffers. Van Ermengem kon de bacterie en sporen terugvinden in weefselpreparaten van de overledenen en ontrafelde de werking van het gif [14](#page=14).
---
# Syfilis: stadia, overdracht en diagnostiek
Syfilis is een infectieziekte veroorzaakt door de bacterie *Treponema pallidum*, die zich systemisch kan verspreiden en levenslang aanwezig kan blijven in het lichaam. Deze ziekte kent verschillende stadia, kent specifieke overdrachtsroutes en vereist specifieke diagnostische methoden [36](#page=36).
### 2.1 Stadia van syfilis
Syfilis ontwikkelt zich in verschillende stadia, elk met eigen kenmerken en mogelijke complicaties.
#### 2.1.1 Primaire syfilis
* **Kenmerken:** Dit is de initiële fase van de infectie, gekenmerkt door een lokale infectie op de plaats van het contact [36](#page=36).
* Het primaire letsel wordt ook wel een "ulcus durum" of sjanker genoemd [36](#page=36).
* Dit letsel presenteert zich als een harde, pijnloze papel [36](#page=36).
* Hoewel het spontaan kan genezen na enkele weken, is de bacterie dan al systemisch verspreid. In de praktijk kan het primaire letsel afwezig zijn of niet worden opgemerkt [36](#page=36) [37](#page=37).
#### 2.1.2 Secundaire syfilis
* **Kenmerken:** Dit stadium treedt enkele maanden na de initiële infectie op [36](#page=36).
* *Treponema pallidum* verspreidt zich nu in grote aantallen door het lichaam en kan in andere organen worden aangetroffen [36](#page=36).
* Kenmerkend zijn huid- en mucosa letsels [36](#page=36).
* Ook dit stadium kan spontaan genezen [36](#page=36).
#### 2.1.3 Tertiaire syfilis
* **Kenmerken:** Na vele asymptomatische jaren kan syfilis evolueren naar het tertiaire stadium [36](#page=36).
* De *Treponema* bevindt zich in beperkte hoeveelheden in organen, maar veroorzaakt chronische inflammatie [36](#page=36).
* Dit stadium leidt tot onomkeerbare orgaanschade, waaronder neurologische, psychiatrische en cardiale complicaties [36](#page=36).
* Gummata (specifieke ontstekingsnodules) kunnen zich vormen in organen zoals botten, huid en hersenen [39](#page=39).
> **Tip:** Syfilis wordt ook wel "the great imitator" genoemd vanwege de breedte aan symptomen die het kan nabootsen [39](#page=39).
### 2.2 Overdracht
De overdracht van syfilis vindt voornamelijk plaats via direct contact met de infectieuze letsels, met name tijdens seksueel contact [36](#page=36).
* Er is een recente toename van syfilisgevallen in het Westen, met name geconstateerd bij homoseksuele mannen [36](#page=36).
* Congenitale overdracht van moeder op kind is ook mogelijk [36](#page=36).
**Incubatietijd:** De incubatietijd voor syfilis is minimaal een week [36](#page=36).
### 2.3 Diagnostiek
De diagnose van syfilis berust voornamelijk op serologische tests, aangezien microscopisch onderzoek in de praktijk weinig wordt gebruikt [36](#page=36).
* **Serologie:**
* Sommige serologische tests, zoals de TPPA (Treponema pallidum particle agglutination) test, blijven levenslang positief en worden gebruikt voor screening op contact [36](#page=36).
* Andere tests, zoals de VDRL (Venereal Disease Research Laboratory) test, kunnen negatief worden na succesvolle behandeling en worden gebruikt als screening op de actieve ziekte [36](#page=36).
### 2.4 Behandeling en preventie
* **Behandeling:** *Treponema pallidum* is nog steeds gevoelig voor penicilline. Eén toediening is doorgaans voldoende, behalve in sommige gevallen van tertiaire syfilis [36](#page=36).
* **Preventie:** Preventie omvat veilige seksuele praktijken en het behandelen van geïnfecteerde partners [36](#page=36).
---
# Specifieke bacteriële huidinfecties
Dit hoofdstuk bespreekt specifieke bacteriële huidinfecties, de bijbehorende verwekkers, voorkomen, verloop, diagnostiek, preventie en behandeling [10](#page=10) [6](#page=6) [7](#page=7) [8](#page=8) [9](#page=9).
### 3.1 Impetigo
Impetigo is een infectie van de epidermis die leidt tot de vorming van vesikels of pustels die indrogen en korstjes vormen binnen enkele dagen [6](#page=6).
#### 3.1.1 Verwekker
De belangrijkste verwekkers zijn *Staphylococcus aureus*, groep A streptokokken (*Streptococcus pyogenes*), of een combinatie van beide. *S. aureus* kan exfoliative toxines produceren, wat kan leiden tot blaarvorming en het Staphylococcal Scalded Skin Syndrome bij jonge kinderen en neonaten [6](#page=6).
#### 3.1.2 Voorkomen
Deze infectie komt vaker voor bij kinderen vanwege hun verminderde immuniteit tegen stafylokokken en bij personen met een beschadigde huid [6](#page=6).
#### 3.1.3 Verloop
Impetigo geneest doorgaans spontaan binnen enkele weken [6](#page=6).
#### 3.1.4 Diagnostiek
De diagnose wordt gesteld op basis van de klinische verschijnselen [6](#page=6).
#### 3.1.5 Preventie
Goede hygiëne en het ontsmetten van wondjes zijn essentieel voor preventie [6](#page=6).
#### 3.1.6 Behandeling
In milde gevallen kan een fusidinezuur zalf worden voorgeschreven. Bij uitgebreide infecties is orale antibiotica zoals flucloxacilline geïndiceerd [6](#page=6).
### 3.2 Folliculitis, furunkel en karbonkel
Dit zijn infecties van de haarzakjes, vaak veroorzaakt door *Staphylococcus aureus* [7](#page=7).
#### 3.2.1 Verwekker
De primaire verwekker is *Staphylococcus aureus* [7](#page=7).
#### 3.2.2 Voorkomen
Deze infecties worden bevorderd door talg en kunnen optreden als:
* **Folliculitis:** Een oppervlakkige ontsteking met een klein puistje met een geel puntje, vaak bevorderd door oliën of het gebruik van corticosteroïden [7](#page=7).
* **Furunkel:** Een lokaal abces, ook wel steenpuist genoemd [7](#page=7).
* **Karbunkel:** Een diepere infectie die zich subcutaan uitbreidt met fistelvorming, waarbij oppervlakkig individuele etterkopjes zichtbaar zijn (negenoog) [7](#page=7).
#### 3.2.3 Verloop
Deze infecties kunnen spontaan genezen [7](#page=7).
#### 3.2.4 Diagnostiek
De diagnose wordt gesteld op basis van de klinische verschijnselen [7](#page=7).
#### 3.2.5 Behandeling
Bij folliculitis is goede hygiëne en het vermijden van vette crèmes voldoende. Voor furunkels en karbonkels, vooral bij koorts of op gevaarlijke locaties zoals rond de neus (vanwege mogelijke doorbraak naar de sinus cavernosus), is behandeling met antibiotica zoals flucloxacilline noodzakelijk [7](#page=7).
### 3.3 Erysipelas en cellulitis
Dit zijn infecties van de dermis en subcutis [8](#page=8).
#### 3.3.1 Verwekker
Groep A streptokokken zijn de meest voorkomende verwekkers van erysipelas. Cellulitis kan ook worden veroorzaakt door *Staphylococcus aureus* [8](#page=8).
#### 3.3.2 Voorkomen
Deze infecties gaan gepaard met koorts en malaise. Cellulitis kenmerkt zich door een minder scherp begrensde en diepere infectie dan erysipelas [8](#page=8).
#### 3.3.3 Verloop
Spontane genezing is zeldzaam. Ernstige gevallen vereisen mogelijk hospitalisatie [8](#page=8).
#### 3.3.4 Diagnostiek
De diagnose wordt gesteld op basis van de klinische verschijnselen [8](#page=8).
#### 3.3.5 Behandeling
Behandeling bestaat uit antibiotica, zoals flucloxacilline, en het aanbrengen van zwachtels om oedeem te verminderen [8](#page=8).
### 3.4 Necrotiserende infectie
Necrotiserende infecties zijn ernstige infecties die leiden tot weefselnecrose [9](#page=9).
#### 3.4.1 Verwekker
De verwekkers kunnen groep A streptokokken, *Staphylococcus aureus*, of menginfecties zijn met grampositieve en gramnegatieve anaëroben, waaronder *Clostridium perfringens* (gasgangreen) [9](#page=9).
#### 3.4.2 Voorkomen
Deze infecties worden gekenmerkt door hevige pijn en koorts, met een risico op evolutie naar sepsis. Ze kunnen optreden na trauma of chirurgie [9](#page=9).
#### 3.4.3 Verloop
De infectie leidt tot weefselafsterving door ischemie, snelle uitbreiding, sepsis en orgaanfalen [9](#page=9).
#### 3.4.4 Diagnostiek
De diagnose wordt gesteld op basis van klinische verschijnselen en eventueel naaldaspiratie [9](#page=9).
#### 3.4.5 Preventie
Preventie is cruciaal en omvat het meedogenloos reinigen van vuile wonden door schrobben, het gebruik van zuurstofwater en eventueel profylactische antibiotica [9](#page=9).
#### 3.4.6 Behandeling
De behandeling is multidisciplinair en omvat chirurgie, intraveneuze antibiotica en intensieve opvolging en ondersteuning van vitale functies [9](#page=9).
### 3.5 Bijtwonden
Bijtwonden kunnen bacteriële infecties veroorzaken [10](#page=10).
#### 3.5.1 Verwekker
De meest voorkomende verwekkers zijn *Staphylococcus aureus* en de gemengde orale flora van het bijtende dier of mens [10](#page=10).
#### 3.5.2 Symptomen
Symptomen kunnen roodheid en eventueel ettervorming omvatten [10](#page=10).
#### 3.5.3 Diagnostiek
De diagnose wordt gesteld op basis van klinische verschijnselen en de anamnese [10](#page=10).
#### 3.5.4 Preventie
Het vermijden van beten is de primaire preventie. Essentieel is het reinigen van de wond en het overwegen van preventieve antibiotica bij katte- of mensenbeten. Postexpositieprofylaxe tegen tetanus is ook geïndiceerd [10](#page=10).
#### 3.5.5 Behandeling
De behandeling omvat breedspectrum antibiotica, zoals amoxicilline in combinatie met clavulaanzuur (Augmentin) [10](#page=10).
---
# Infecties van het centraal zenuwstelsel
Infecties van het centraal zenuwstelsel (CZS) presenteren zich met neurologische symptomen en vereisen snelle herkenning en behandeling vanwege potentieel catastrofale gevolgen [54](#page=54) [56](#page=56).
### 7.1 Klinisch beeld en deelsyndromen
Het hoofdsymptoom van infecties van de hersenen en het ruggenmerg, inclusief de hersenvliezen, is neurologische symptomen. De specifieke symptomen variëren met de leeftijd; zo ontbreekt typische nekstijfheid bij meningeale prikkeling bij zuigelingen en peuters. Complicaties kunnen bestaan uit neurologische of psychiatrische restletsels. Afhankelijk van de verwekker en de gastheer kan de infectie snel evolueren naar een systemische infectie, wat een snelle diagnose cruciaal maakt [54](#page=54).
#### 7.1.1 Spectrum van symptomen en verwekkers
De symptomen omvatten neurologische klachten zoals hoofdpijn, foto- en fonofobie, sensoriële defecten en bewustzijnsdaling. Soms treden psychiatrische symptomen op, of symptomen van intracraniële overdruk, waaronder braken, nekstijfheid, hypertensie en bradycardie. Koorts is vaak aanwezig, maar niet altijd. De klassieke trias van koorts, nekstijfheid en veranderde geestestoestand wordt slechts bij ongeveer 50% van de patiënten gezien, voornamelijk bij pneumokokkenmeningitis [55](#page=55).
De verwekkers kunnen virussen zijn, met name herpes- en enterovirussen, of bacteriën zoals *Neisseria meningitidis* (meningokok), *Streptococcus pneumoniae* (pneumokok), en *Haemophilus influenzae* (laatstgenoemde is zeldzaam geworden door vaccinatie). Opportunistische pathogenen kunnen binnendringen wanneer natuurlijke barrières doorbroken zijn, bijvoorbeeld door direct trauma of uitbreiding vanuit de sinussen. Parasieten en schimmels zijn zeldzamere verwekkers [55](#page=55).
> **Tip:** Andere oorzaken van meningeale prikkeling (zoals ontsteking) en cerebrovasculaire accidenten (CVA) kunnen initieel lijken op een CZS-infectie, maar missen aanvankelijk koorts [54](#page=54).
#### 7.1.2 Overdracht en incubatietijd
De overdracht is afhankelijk van de verwekker. Bij typische pathogenen kan dit via direct contact of druppelinfecties verlopen na voorafgaande kolonisatie. Bijvoorbeeld, een virulente meningokok kan de keel koloniseren om vervolgens hematogeen de bloedbaan en de hersenbarrière te passeren. Herpesvirussen kunnen vanuit een mucosale replicatieplaats via zenuwbanen het CZS binnendringen. Bij gezonden kan dit binnendringen plaatsvinden na kolonisatie of een infectie buiten het CZS. Bij zieken of verzwakten kan dit opportunistisch gebeuren, bijvoorbeeld bij sepsis. Barrièredoorbraken zoals trauma, lokale uitbreiding vanuit schedel of rug, of iatrogene oorzaken (drains, implanten, puncties) kunnen eveneens tot infectie leiden. De incubatietijd varieert van dagen tot weken. Uitbraken zijn mogelijk, zoals bij meningokokken [55](#page=55) [56](#page=56).
#### 7.1.3 Diagnose
De diagnose wordt gesteld door het detecteren van het pathogeen in het lumbaal vocht, aangevuld met biochemische analyses en celtelling. Soms is serologie op lumbaal vocht ook nuttig [55](#page=55).
#### 7.1.4 Behandeling en preventie
Vaccins zijn beschikbaar voor *Haemophilus influenzae* type b, *Neisseria meningitidis* type C, *Streptococcus pneumoniae* en poliovirus. Voor herpesvirussen zijn antivirale middelen beschikbaar. Bacteriële infecties vereisen antibiotica, wat restletsels kan verminderen en levensreddend kan zijn [55](#page=55).
### 7.2 Verloop van CZS-infecties
Het CZS is een immuungeprivilegieerde zone, omgeven door een rigide omhulsel. Inflammatie moet beperkt worden om oedeem en overdruk te voorkomen. Er zijn geen lokale lymfefollikels aanwezig [56](#page=56).
* **Virale infecties:** Deze zijn vaak zelflimiterend met een goede prognose voor herstel (bij enterovirus) tot ernstige cognitieve en motorische restletsels (bij herpes simplex virus, met 70% mortaliteit zonder behandeling) [56](#page=56).
* **Bacteriële infecties:** Zonder behandeling leiden deze tot zware restletsels of zijn ze letaal [56](#page=56).
* **Schimmelinfecties:** Deze zijn opportunistisch bij verminderde weerstand en kennen geen spontaan herstel [56](#page=56).
Gezien de snel optredende catastrofale gevolgen van CZS-infecties en de beschikbare medicatie voor sommige verwekkers, is snelle diagnose essentieel. Vaak wordt klinisch gehandeld en zo snel mogelijk blind begonnen met behandeling, bij voorkeur na afname van lumbaal vocht. Meestal wordt na staalafname gestart met intraveneuze acyclovir samen met antibiotica, waarna de behandeling wordt bijgestuurd op basis van de diagnostiek [56](#page=56).
### 7.3 Pathogenese
Inflammatie en directe schade aan het weefsel verstoren de neurale functie en kunnen zelfs vitale functies onderdrukken. Bij bacteriële infecties kan er uitbreiding zijn naar sepsis, infectie van andere organen, orgaanfalen, diffuse intravasculaire stolling, septische embolen en bloedingen [57](#page=57).
#### 7.3.1 Petechiën/purpura
Petechiën en purpura zijn niet-wegdrukbare rode vlekken die duiden op lokale bloedingen, typisch op drukplaatsen zoals kousband of huidplooien. Bij een ernstig zieke, koortserige patiënt zijn deze een alarmsignaal dat onmiddellijke actie en hospitalisatie vereist. Meningokokkenmeningitis kan binnen enkele uren evolueren naar levensbedreigende sepsis. Tijdige behandeling kan soms necrose voorkomen die amputaties noodzakelijk maken [57](#page=57).
> **Example:** Een kind dat hangerig en prikkelbaar is in bed, kan de volgende ochtend overleden zijn aan meningokokkenmeningitis als er niet onmiddellijk wordt ingegrepen [57](#page=57).
### 7.4 Diagnose: lumbaal vocht analyse
Analyse van lumbaal vocht is cruciaal voor de diagnose [58](#page=58).
#### 7.4.1 Celtelling
* **Viraal:** Typisch een beperkte stijging van het aantal cellen, voornamelijk lymfocyten [58](#page=58).
* **Bacterieel:** Typisch een sterk verhoogd aantal cellen, voornamelijk neutrofielen [58](#page=58).
#### 7.4.2 Biochemie
* **Viraal:** Typisch normale of licht gestoorde eiwit- en glucosewaarden [58](#page=58).
* **Bacterieel:** Typisch verhoogd eiwit, verlaagde glucose en verhoogd lactaat [58](#page=58).
Alle genoemde parameters zijn indicatief, maar nooit voldoende om een virale of bacteriële oorzaak definitief uit te sluiten, aangezien er overlap kan zijn in kliniek en biochemie [58](#page=58).
#### 7.4.3 Aantonen verwekker
Daarom is het aantonen van de verwekker in het lumbaal vocht essentieel. Dit kan door microscopie (bv. gramkleuring), antigendetectie, PCR of kweek [58](#page=58).
Gezien de ernst van de infectie en het feit dat soms geen punctie mag gebeuren, is het ook belangrijk om hemoculturen af te nemen [58](#page=58).
---
# Intravasale en endovasculaire infecties
Intravasale en endovasculaire infecties betreffen de aanwezigheid en vermenigvuldiging van micro-organismen in de bloedbaan, waarbij primaire infecties het endotheel van hart en bloedvaten of geïmplanteerde biomaterialen aantasten [75](#page=75).
### 5.1 Algemene principes van intravasale en endovasculaire infecties
#### 5.1.1 Definitie en spectrum
* **Primaire endovasculaire infecties:** Infectie van de binnenkant van de bloedvaten (endotheel), inclusief het endotheel van het hart (endocarditis) en bloedvaten. Ook infecties van geïmplanteerde biomaterialen zoals kunsthartkleppen en katheters vallen hieronder, wat kan leiden tot primaire bacteriëmie [75](#page=75).
* **Secundaire bacteriëmie:** Micro-organismen komen vanuit een infectiehaard buiten de bloedbaan in grote aantallen of herhaaldelijk in de bloedbaan terecht [75](#page=75).
* **Transiënte bacteriëmie:** Micro-organismen komen tijdelijk in de bloedbaan terecht, bijvoorbeeld tijdens tandenpoetsen, en worden doorgaans snel geklaard door het mononucleaire-fagocytensysteem in de capillairen. Dit stadium kan ook fungeren als een route voor micro-organismen om via de bloedbaan naar andere organen te migreren [75](#page=75).
#### 5.1.2 Gevolgen van intravasale infecties
Naast de directe gevolgen van de infectie in het getroffen orgaan (bijv. hartinsufficiëntie bij endocarditis), kunnen intravasale infecties leiden tot:
* **Systemisch Inflammatoir Response Syndroom (SIRS):** Een gegeneraliseerde inflammatie die niet uitsluitend door infecties wordt veroorzaakt, gekenmerkt door symptomen als koude rillingen, koorts, hypothermie, tachypneu en tachycardie [76](#page=76).
* **Sepsis:** SIRS veroorzaakt door een infectie. Sepsis kan overgaan in septische shock, met een verminderde bloeddruk en perfusie van vitale organen, wat leidt tot functionele uitval [76](#page=76).
* **Multiorgaanfalen (MOF):** Secundaire schade aan vitale organen door inflammatie of infectie, die steeds moeilijker spontaan te herstellen is. Voorbeelden van orgaanschade zijn acute nierinsufficiëntie, acuut respiratoir dystress syndroom (ARDS) en leverinsufficiëntie met stollingsstoornissen [76](#page=76).
* **Verspreiding van micro-organismen:** Strooiing van micro-organismen naar andere locaties in het lichaam, wat kan leiden tot 'metastatische' infecties [76](#page=76).
#### 5.1.3 Klinische verschijnselen
Klinische verschijnselen zijn afhankelijk van het type infectie en de betrokken micro-organismen.
#### 5.1.4 Aanpak (diagnose en behandeling)
* **Microbiële diagnose:** Opsporen van de verwekker middels microbiële kweken van het getroffen orgaan en meervoudige bloedkweken (hemokulturen) [77](#page=77).
* **Monitoring:** Monitoren van parameters zoals partiële zuurstofspanning ($pO_2$), lactaat en andere vitale functies, eventueel op de intensive care [77](#page=77).
* **Antimicrobiële therapie:** Intraveneuze breed spectrum antibiotica en specifieke antibiotica zodra de verwekker bekend is [77](#page=77).
* **Supportieve therapie:** Ter ondersteuning van de patiënt bij sepsis en om orgaanschade te herstellen. Behandelingen gericht op het afremmen van lymfokines zoals TNF zijn niet bewezen effectief [77](#page=77).
* **Specifieke interventies:** Bij primaire bacteriëmie, zoals infectie van een katheter, is vervanging van de katheter noodzakelijk. Bij hartklepinfecties wordt getracht te behandelen met antibiotica, zo nodig met vervanging van de klep [77](#page=77).
### 5.2 Endocarditis
Endocarditis is een infectie van het endotheel van het hart, met name ter hoogte van de hartkleppen, maar ook op de chordae tendineae en het endocard van de atria en ventrikels [78](#page=78).
#### 5.2.1 Gevolgen van endocarditis
* **Aantasting van hartkleppen:** Leidt tot hartgeruis en een verminderde pompfunctie, wat kan resulteren in hartinsufficiëntie [78](#page=78).
* **Verspreiding van bacteriën:** Bacteriën worden via de bloedbaan verstrooid, wat leidt tot 'strooi-infecties' [78](#page=78).
* **Gevolgen van chronische inflammatie:** Langdurige ontstekingsreacties kunnen leiden tot verdere orgaanschade [78](#page=78).
#### 5.2.2 Mechanismen en klinische beelden
Er worden twee hoofdvormen onderscheiden:
1. **Subacute endocarditis:**
* **Verwekkers:** Meestal niet zeer virulente bacteriën zoals Viridans-streptokokken, bacteriën uit de HACEK groep (Haemophilus, Actinobacillus, Cardiobacterium, Eikenlla, Kingella) afkomstig uit de mondholte, of enterokokken uit de darm [78](#page=78).
* **Pathogenese:** Bij een bacteriëmie hechten deze micro-organismen zich aan endotheelbeschadigingen (veroorzaakt door turbulentie) op een misvormde of kunstmatige hartklep. Er vormt zich een besmette trombus, een 'vegetatie', waarin de bacteriën zich inkapselen [78](#page=78).
* **Risicofactoren:** Congenitale of verworven afwijkingen van de hartkleppen [78](#page=78).
* **Symptomen:** Vaak weinig algemene ontstekingssymptomen, soms symptomen door metastatische infecties [78](#page=78).
2. **Acute endocarditis:**
* **Verwekkers:** Virulente bacteriën zoals *Staphylococcus aureus*, die snel destructie van de klep veroorzaken [78](#page=78).
* **Pathogenese:** Kan optreden zonder voorafgaande afwijkingen van de hartklep [78](#page=78).
* **Symptomen:** Ernstig ziektebeeld, met ook ernstige infecties op afstand [78](#page=78).
3. **Specifieke situaties:** Endocarditis kan worden veroorzaakt door gramnegatieve staven bij ziekenhuisopname, of door gisten bij intraveneus druggebruik [78](#page=78).
#### 5.2.3 Bron van bacteriëmie bij endocarditis
* **Secundaire bacteriëmie:** Bij infecties elders in het lichaam [79](#page=79).
* **Manipulaties:** Bij medische procedures zoals endoscopie of (bloederige) tandheelkundige ingrepen [79](#page=79).
* **Dagelijkse activiteiten:** Tijdens eten, kauwen en defecatie kan bacteriëmie optreden, wat frequenter is bij gebitsproblemen [79](#page=79).
#### 5.2.4 Diagnose van endocarditis
* **Klinisch onderzoek:** Aanwezigheid van (nieuw) hartgeruis bij auscultatie, bevestigd met echografie [79](#page=79).
* **Metastatische infecties:** Tekenen van infecties op afstand, zoals splinterhemorragieën [79](#page=79).
* **Bloedkweken:** Nemen van minstens drie afzonderlijke bloedkweken voorafgaand aan antibiotische behandeling [79](#page=79).
#### 5.2.5 Behandeling van endocarditis
* **Antibiotica:** Gerichte antibiotische therapie tegen de geïdentificeerde verwekker, vaak in hoge doses en soms in combinatie, omdat volledige eradicatie essentieel is [79](#page=79).
* **Chirurgie:** Indicatie voor heelkundige interventie (bijv. vervanging van de klep) bij falen van de antibiotische behandeling of snelle klinische achteruitgang [79](#page=79).
#### 5.2.6 Preventie van endocarditis
* **Voorkomen van bacteriëmie:**
* In het ziekenhuis: Preventieve antibiotica bij chirurgie, goed kathetermanagement, effectieve behandeling van infecties [79](#page=79).
* Bij patiënten met hartklepafwijkingen: Goede mond- en tandhygiëne en een gezond gebit. Preventieve antibiotica bij risicovolle ingrepen [79](#page=79).
### 5.3 Hemokweken: techniek en aandachtspunten
#### 5.3.1 Indicatie en frequentie
Bij een indicatie voor hemokulturen worden 2 tot 3 hemokulturen afgenomen. Meerdere positieve kweken bieden meer zekerheid dan één, vooral bij verdenking op huidbacteriën als verwekker, transiënte bacteriëmie, of om contaminatie bij één afname te ondervangen [80](#page=80).
#### 5.3.2 Huidontsmetting
* Gebruik een antisepticum op basis van alcohol; waterige antiseptica zijn minder effectief [80](#page=80).
* Raak de prikplaats na desinfectie niet meer aan [80](#page=80).
* Draag handschoenen ter bescherming [80](#page=80).
#### 5.3.3 Afname met naald en spuit
* Neem 20 mL bloed af in één keer [81](#page=81).
* Volg de volgorde: eerst anaerobe, dan aerobe fles. De reden hiervoor is dat er zuurstof in de spuit kan zitten [81](#page=81).
#### 5.3.4 Afname met adaptor (vlindernaald)
* Gebruik een vlindernaald (optioneel met spuit) [81](#page=81).
* Volg de volgorde: eerst aerobe, dan anaerobe fles. De reden hiervoor is dat er zuurstof in de leiding kan zitten [81](#page=81).
* Let op: de flessen zuigen vacuüm [81](#page=81).
#### 5.3.5 Verdere instructies voor afname
* Verwijder de dop van de fles [82](#page=82).
* Ontsmet het rubber van de fles en de punctieplaats bij de patiënt met een 70% alcoholische oplossing. Respecteer de contacttijd en laat drogen [82](#page=82).
* Gebruik een vlindernaald of een spuit van 10 of 20 mL [82](#page=82).
* Optimale hoeveelheid is 10 mL voor standaard flessen voor volwassenen [82](#page=82).
* Gebruik geen bloed uit tubes [82](#page=82).
### 5.4 Profylaxe van bacteriële endocarditis
#### 5.4.1 Indicaties voor profylaxe
* **Risicopatiënten:** Patiënten met hartaandoeningen, specifiek met hoog-risico hartklepafwijkingen [83](#page=83).
* **Wanneer:** Voornamelijk bij tandheelkundige ingrepen met bloeding. Minder frequent bij ingrepen aan het gastro-intestinale en urogenitale stelsel [83](#page=83).
#### 5.4.2 Richtlijnen voor profylaxe
* **Antibiotica:** Amoxicilline [83](#page=83).
* **Dosering:** Een hoge dosis van 3 gram (dit is hoger dan de standaard dagdosis) in één keer, vlak voor de ingreep. Het doel is een hoge spiegel te bereiken op het moment dat bacteriën vrijkomen in het weefsel. Dit principe geldt voor elke chirurgische profylaxe [83](#page=83).
#### 5.4.3 Commentaar op preventie
Minstens even belangrijk als medicamenteuze profylaxe, is het adviseren van patiënten met hartafwijkingen over het belang van een goede mond- en tandhygiëne en een gezond gebit. Dit kan een aanzienlijk deel van de klepinfecties voorkomen [83](#page=83).
---
# Genitale infecties en seksueel overdraagbare aandoeningen
Genitale infecties, vaak seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA), omvatten een reeks aandoeningen die de geslachtsorganen infecteren en kunnen leiden tot diverse klinische syndromen, complicaties en systemische effecten [20](#page=20).
### 6.1 Klinisch beeld en deelsyndromen
Genitale infecties kunnen zich manifesteren als verschillende syndromen, waaronder vaginitis, urethritis, cervicitis (en opstijgende infecties zoals Pelvic Inflammatory Disease - PID), ulcera/vesikels, tumoren of wratten. Veel infecties verlopen ook asymptomatisch [20](#page=20).
#### 6.1.1 Complicaties
De complicaties van genitale infecties zijn divers en afhankelijk van het specifieke type infectie. Mogelijke complicaties omvatten [20](#page=20):
* Opstijgende infecties met inflammatie, leidend tot PID, wat kan resulteren in infertiliteit en een verhoogd risico op buitenbaarmoederlijke zwangerschap [20](#page=20).
* Systemische of metastatische infecties [20](#page=20).
* De ontwikkeling van kanker, met name geassocieerd met HPV [20](#page=20).
#### 6.1.2 SOA versus niet-SOA
Een belangrijk onderscheid wordt gemaakt tussen Seksueel Overdraagbare Aandoeningen (SOA) en niet-SOA's. SOA's worden seksueel overgedragen en vereisen partnerbehandeling, terwijl niet-SOA's geen seksuele overdracht kennen en minder complicaties geven [20](#page=20).
### 6.2 Vaginitis
Vaginitis is een ontsteking van de vagina die kan ontstaan door een verstoring van het normale vaginale microbioom, dat door lactobacillen gedomineerd wordt en een zure pH handhaaft. Factoren zoals vaginale spoelingen of sperma kunnen dit evenwicht verstoren, wat leidt tot dysbacteriose en symptomen [21](#page=21).
#### 6.2.1 Oorzaken van vaginitis
Vaginitis kan door drie hoofdoorzaken worden veroorzaakt [21](#page=21):
* **Bacteriële vaginose (BV):** Dit is de meest frequente oorzaak van vaginitis en wordt gekenmerkt door een overgroei van bacteriën die normaal tot de flora behoren, zoals *Prevotella* spp. en *Gardnerella vaginalis*. Symptomen omvatten vooral storend vaginaal verlies met een kwalijke geur. BV verhoogt het risico op de transmissie van SOA's en vroeggeboorte [21](#page=21).
* **Candida vaginitis:** Een overgroei van *C. albicans* veroorzaakt typisch witverlies en een branderig gevoel. Dit komt vaker voor na antibioticagebruik en bij diabetes [21](#page=21).
* **Trichomonas vaginalis vaginitis:** Dit is een echte SOA veroorzaakt door een protozoön [21](#page=21).
> **Tip:** Hoewel de focus vaak ligt op de symptomen van de vrouw, is er recent inzicht dat de flora van de penis gelinkt kan zijn aan bacteriële vaginose bij partners, wat suggereert dat de rol van transmissie onderschat wordt [22](#page=22).
#### 6.2.2 Kenmerken van bacteriële vaginose (BV)
Bacteriële vaginose wordt gekenmerkt door:
* **Vervanging van lactobacillen:** Door grote aantallen *Gardnerella vaginalis*, anaeroben, streptokokken en mycoplasmata [23](#page=23).
* **Symptomen:** Vaak asymptomatisch, maar kan leiden tot lokale hinder met stinkende fluor en soms jeuk [24](#page=24).
* **Objectieve tekenen (Amsel criteria):** Minimaal drie van de vier tekenen zijn aanwezig [24](#page=24):
* Stinkend, grijs, homogeen beslag/fluor [24](#page=24).
* Verhoogde pH van de vaginale mucus (> 5) [24](#page=24).
* Hoge concentratie van amines, detecteerbaar door de 'sniff test' (toevoegen van KOH aan vaginaal mucus leidt tot vrijkomen van amines met een duidelijke geur) [24](#page=24).
* Clue cellen in microscopie [24](#page=24).
* **Microscopie:** Lactobacillen zijn vervangen door grote aantallen 'coccobacillen'. Er is weinig inflammatie en dus weinig neutrofielen, maar wel clue cells [24](#page=24).
* **Complicaties:** Hoewel klassiek beschouwd als zonder complicaties, is er nu bekend dat BV geassocieerd is met een grotere kans op HIV-overdracht, andere SOA's, en laag geboortegewicht/prematuriteit (hoewel behandeling met antibiotica hier niet helpt) [24](#page=24).
* **Behandeling:** Meestal met metronidazol of clindamycine, oraal of lokaal. Recidieven zijn zeer frequent, wat duidt op de afwezigheid van een voorlopig efficiënte behandeling [24](#page=24).
> **Example:** De diagnose van bacteriële vaginose kan worden ondersteund door een KOH-test voor geur (sniff test), een pH-strip die een minder zure pH aangeeft, en microscopie die clue cellen toont [25](#page=25).
### 6.3 Seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA) strictu sensu
SOA's zijn infecties die primair via seksueel contact worden overgedragen [26](#page=26).
#### 6.3.1 Symptomen van SOA's
De symptomen van SOA's variëren afhankelijk van het type infectie en de verwekker. Ze kunnen omvatten [26](#page=26):
* Lokale symptomen zoals ulcera, pijn of branderig gevoel, afscheiding van secreten, en tekenen van inflammatie [26](#page=26).
* Systemische symptomen zoals koorts en eventueel huiduitslag [26](#page=26).
* Op termijn kunnen complicaties optreden zoals lokale tumoren, infertiliteit, en infecties op afstand (bv. neurosyfilis) [26](#page=26).
#### 6.3.2 Verwekkers en overdracht
De verwekkers van SOA's zijn divers en omvatten virussen, bacteriën, protozoa en insecten (zoals schaamluizen). Overdracht vindt plaats door direct contact met de geslachtsorganen, soms via de handen. SOA-pathogenen kunnen ook slijmvliezen en lichaamsopeningen infecteren die in contact komen met de geslachtsorganen [26](#page=26).
#### 6.3.3 Risicogroepen en incubatietijd
Hoewel risicogroepen zoals promiscuïteit bestaan, is occasionele onveilige seks breed verspreid in de bevolking. De incubatietijd varieert sterk per type verwekker, van kort na contact tot pas jaren later met complicaties [26](#page=26).
#### 6.3.4 Diagnose en behandeling
De diagnose van SOA's wordt bij voorkeur gesteld met directe methoden, aangevuld met serologie. Bepaalde infecties, zoals PID en urethritis, worden syndromaal behandeld door te behandelen voor de klassieke verwekkers zonder deze noodzakelijk aan te tonen [26](#page=26).
#### 6.3.5 Behandeling en preventie
Behandeling van SOA's omvat antibiotica en soms antivirale therapie. In principe worden partners ook mee behandeld. Preventie door veilig vrijen is essentieel, en er zijn enkele vaccins beschikbaar. Sommige SOA-diagnoses zijn aangifteplichtig [26](#page=26).
---
# Virale infecties en hun behandeling
Virale infecties kunnen diverse manifestaties hebben, variërend van asymptomatische infecties tot ernstige ziektebeelden, en vereisen specifieke behandelingsstrategieën en preventieve maatregelen [68](#page=68).
### 7.1 Behandeling en preventie van specifieke virale infecties
#### 7.1.1 Hepatitis A Virus (HAV)
* **Behandeling:** Geen specifieke behandeling, enkel ondersteunende zorg [68](#page=68).
* **Preventie:** Vaccinatie. Passieve immunisatie is mogelijk ter bescherming van ongevaccineerde contacten [68](#page=68).
#### 7.1.2 Hepatitis B Virus (HBV)
* **Behandeling:** Geen specifieke behandeling, enkel ondersteunende zorg. Bij chronische infectie kunnen antivirale middelen, met name reverse transcriptase inhibitoren, worden ingezet [68](#page=68).
* **Preventie:** Vaccinatie. Passieve immunisatie is mogelijk ter bescherming van ongevaccineerde contacten en kan gelijktijdig met het vaccin worden toegediend, zij het in een andere injectieplaats. Het vaccin bevat enkel HBsAg; anti-HB-core-antistoffen ontstaan enkel na een natuurlijke infectie. Ongeveer 5% van de gevaccineerden (na drie injecties) is een non-responder met een te lage anti-HBs-titer; extra boosters kunnen soms helpen [68](#page=68).
#### 7.1.3 Hepatitis C Virus (HCV)
* **Behandeling:** Antivirale middelen, zoals polymerase inhibitoren, worden gebruikt. Bij een prikongeval dient onmiddellijk antivirale therapie te worden gestart, vergelijkbaar met de behandeling van HIV [68](#page=68).
* **Preventie:** Er is geen vaccin beschikbaar [68](#page=68).
#### 7.1.4 Hepatitis E Virus (HEV)
* **Behandeling:** Geen specifieke behandeling, enkel ondersteunende zorg [68](#page=68).
### 7.2 Lymfadenopathieën van infectieuze oorsprong
#### 7.2.1 Algemene principes
Lymfadenopathieën van infectieuze oorsprong zijn gerelateerd aan infecties van lymfeklieren, lymfocyten of andere immuuncellen, verspreid over het lichaam. Het hoofdsymptoom is niet-pijnlijke, opgezette lymfeklieren verspreid over het lichaam. Deze lymfadenopathieën zijn een uiting van een veralgemeende lymfoproliferatie, meestal als reactie op een virale infectie waarbij lymfocyten zelf en/of andere doelwitcellen worden aangetast. Zelden treden lokale complicaties op, zoals druk of ulceratie [69](#page=69).
#### 7.2.2 Aanverwante ziekten en syndromen
Andere oorzaken van veralgemeende lymfadenopathieën zijn neoplastische groei (bv. lymfomen) en auto-immune of allergische responsen van lymfocyten. Gelokaliseerde lymfadenopathieën zijn vaak ook infectieus van oorsprong en vertegenwoordigen de normale afweerreactie op een infectie in het gebied dat door de betreffende lymfeklieren wordt gedraineerd. Bacteriën kunnen via lymfevaten in de klier terechtkomen, wat leidt tot pijnlijke, geïnflammeerde klieren (lymfadenitis) door een lokale reactie (bv. Staphylococcus aureus infectie). Minder acuut verlopende lymfeklieropzettingen kunnen voorkomen bij andere infecties, zowel gelokaliseerd (Chlamydia trachomatis, primaire syfilis) als meer verspreid (Mycobacterium tuberculosis, secundaire syfilis) [69](#page=69).
#### 7.2.3 Spectrum van symptomen en verwekkers
* **Symptomen:** Pijnloze, opgezette klieren in verschillende anatomische regio's (voelbaar, met beeldvorming dieper aantoonbaar). Koorts is matig tot afwezig bij gegeneraliseerde lymfadenopathieën van virale origine [70](#page=70).
* **Verwekkers:** Virussen, met name herpesvirussen zoals Cytomegalovirus (CMV) en Epstein-Barrvirus (EBV). Gegeneraliseerde lymfadenopathieën worden ook gezien bij HIV-infectie en mazelen [70](#page=70).
* **Overdracht:** Afhankelijk van de verwekker [70](#page=70).
* **Incubatietijd:** Variërend van weken tot maanden of jaren, afhankelijk van de verwekker [70](#page=70).
* **Diagnose:** Klinische vaststelling, gevolgd door serologische uitwerking [70](#page=70).
* **Behandeling en preventie:** Voor mazelen bestaat een effectief vaccin, waardoor de ziekte vrijwel niet voorkomt in gevaccineerde populaties. Voor andere virussen zijn er geen vaccins, maar wel virusremmers. Deze worden niet standaard gegeven bij goedaardig verlopende infecties, maar kunnen nodig zijn bij immuundepressie (bv. bij CMV) en zijn zeker nodig bij HIV [70](#page=70).
### 7.3 Overdracht en verloop van EBV, CMV en HIV
#### 7.3.1 Bij gezonden
Bij gezonde personen zijn EBV en CMV zeer infectieus en wijdverspreid. Op jonge leeftijd geeft een infectie meestal geen symptomen. Vanaf de adolescentie kunnen symptomen optreden. Een HIV-infectie geeft op lange termijn nagenoeg steeds symptomen door de immuunverzwakking [71](#page=71).
#### 7.3.2 Bij zieken/verzwakten
Bij zieke of verzwakte personen kunnen een primo-infectie of heropflakkering van EBV en CMV agressief verlopen, vooral bij cellulaire immuundeficiëntie. Bij hen leidt een HIV-infectie ook veel sneller tot aids [71](#page=71).
#### 7.3.3 Verloop
* **EBV/CMV:** Na een infectie wordt het virus nooit volledig geklaard en blijft levenslang aanwezig in B-cellen (EBV) of monocyten en hematopoëtische stamcellen (CMV). Na de primo-infectie kunnen de virussen vanuit deze reservoirs heropflakkeren [71](#page=71).
* **HIV:** Na een infectie wordt het virus nooit volledig geklaard en blijft levenslang aanwezig in macrofagen en T-cellen. Na de primo-infectie kan het immuunsysteem het virus tijdelijk onder controle houden, maar dit systeem brokkelt geleidelijk af, leidend tot aids over een periode van ongeveer 8 jaar [71](#page=71).
### 7.4 Pathogenese van EBV, CMV en HIV
* **EBV:** Infecteert epitheelcellen van de farynx en B-cellen. De viraal geïnduceerde groei van B-cellen wordt onder controle gehouden door een massale respons van T-cellen (die zelf niet geïnfecteerd zijn). Deze T-cellen zijn in de acute fase zichtbaar als mononucleaire cellen in het perifeer bloed, die soms ten onrechte als leukemische blasten worden aangezien. Ze dragen bij aan symptomen zoals hepatitis en faryngitis [72](#page=72).
* **CMV:** Infecteert monocyten/macrofagen en epitheelcellen, wat kan leiden tot orgaanfalen. De infectie wordt onder controle gehouden door T-cellen. CMV kan transplacentair de foetus infecteren, wat kan resulteren in ernstige malformaties [72](#page=72).
* **HIV:** Infecteert macrofagen en CD4+ T-cellen, evenals enkele andere CD4+ cellen. Het virus verstoort de immuunfunctie en veroorzaakt chronische immuunactivatie die uiteindelijk leidt tot uitputting, verlies van CD4+ T-cellen en het instorten van de verworven immuniteit. In dit stadium kunnen kankers en opportunistische infecties fataal aflopen (aids-stadium) [72](#page=72).
> **Voorbeeld:** Afbeeldingen van CMV-infectie bij immuundepressie tonen diffuse infiltraties in de longen (A en B) en inclusies in besmette cellen (C en D) [72](#page=72).
### 7.5 Diagnostiek van virale infecties
De diagnose van virale infecties wordt gesteld door serologisch onderzoek naar de verwekker en het doseren van de virale load middels PCR voor therapiemonitoring. Dit laatste is met name van belang bij CMV-infecties bij immuungedeprimeerde patiënten (bv. transplantpatiënten) en bij HIV-infecties [73](#page=73).
* **EBV:** De Paul-Bunnell-test detecteert heterofiele antistoffen (geproduceerd door de massale polyklonale B-celactivatie). Daarnaast wordt specifieke EBV-serodiagnostiek toegepast [73](#page=73).
* **CMV:** Detectie van IgG en IgM-antilichamen [73](#page=73).
* **HIV:** Detectie van IgG-antilichamen [73](#page=73).
### 7.6 Mononucleosis infectiosa (klierkoorts)
Mononucleosis infectiosa, ook bekend als klierkoorts, de ziekte van Pfeiffer of 'kissing disease', wordt voornamelijk veroorzaakt door EBV (Humaan Herpesvirus 4), hoewel in ongeveer 10% van de gevallen een vergelijkbaar beeld wordt veroorzaakt door CMV (Humaan Herpesvirus 5) [74](#page=74).
#### 7.6.1 Voorkomen
EBV infecteert vrijwel iedereen tegen volwassen leeftijd. Op jonge leeftijd zijn er meestal geen symptomen. Personen die nog niet geïnfecteerd zijn op latere leeftijd, hebben een grotere kans op symptomen. De overdracht vindt voornamelijk plaats via speeksel, met een incubatietijd van ongeveer een maand. CMV is eveneens frequent en wordt overgedragen via speeksel en urine. De overdracht via urine is vooral relevant voor de transmissie van zuigeling/kind naar moeder bij het verschonen van luiers, met name als de moeder zwanger is van een volgend kind en zelf nog seronegatief is [74](#page=74).
#### 7.6.2 Verloop
* **EBV:** Geneest spontaan. Faryngitis en koorts verdwijnen het snelst (binnen enkele weken), terwijl opgezette klieren en vermoeidheid langer, soms tot maanden, kunnen aanhouden. Vaak is er sprake van geassocieerde hepatitis; neurologische complicaties zijn zeldzaam [74](#page=74).
* **CMV:** Het verloop is analoog aan EBV, met koorts als voornaamste symptoom. Bij immuunsuppressie kan de ziekte ernstig verlopen, met hematologische en gastro-intestinale complicaties [74](#page=74).
#### 7.6.3 Diagnostiek
De diagnostiek berust op klinische verschijnselen en serologie [74](#page=74).
#### 7.6.4 Preventie
Er is geen vaccin beschikbaar [74](#page=74).
#### 7.6.5 Behandeling
Medicatie, zoals ganciclovir, wordt enkel ingezet voor CMV in de context van immuunsuppressie [74](#page=74).
---
# Diagnostiek van infecties van de geslachtsorganen
Dit onderdeel behandelt de diagnostiek, kenmerken, overdracht, incubatietijd, behandeling en preventie van diverse infecties van de geslachtsorganen.
### 8.1 Algemene principes bij de diagnostiek van SOA's
Sexueel Overdraagbare Aandoeningen (SOA's) stricto sensu worden veroorzaakt door diverse pathogenen, waaronder virussen, bacteriën, protozoa en insecten. Symptomen kunnen lokaal zijn (ulcera, pijn, afscheiding, inflammatie) of systemisch (koorts, huiduitslag). Op de lange termijn kunnen complicaties optreden zoals lokale tumoren, infertiliteit en infecties op afstand (bijvoorbeeld neurosyfilis). Overdracht vindt plaats via direct contact met besmette geslachtsorganen, soms via de handen, en pathogenen kunnen ook slijmvliezen en lichaamsopeningen infecteren. Diagnostiek richt zich bij voorkeur op directe methodes, aangevuld met serologie waar nodig. Bepaalde infecties, zoals Pelvic Inflammatory Disease (PID) en urethritis, worden syndromaal behandeld, waarbij behandeld wordt voor de meest waarschijnlijke verwekkers zonder deze noodzakelijk aan te tonen. Sommige SOA's zijn aangifteplichtig. Behandeling gebeurt met antibiotica of antivirale therapie, waarbij partners meebehandeld worden. Preventie door veilige seks is cruciaal, en enkele vaccins zijn beschikbaar [26](#page=26).
> **Tip:** Hoewel risicogroepen bestaan (bv. bij promiscuïteit), is occasioneel onveilig vrijen breed verspreid in de bevolking, wat het belang van preventie onderstreept [26](#page=26).
### 8.2 Gonorroe door *Neisseria gonorrhoeae*
*Neisseria gonorrhoeae* is een bacterie die zich efficiënt aanhecht aan epitheliale cellen en intracellulaire replicatie mogelijk maakt. Bij mannen veroorzaakt het urethritis, gekenmerkt door een branderig gevoel bij het plassen en typisch wit-geel-groen secreet (druiper). Vrouwen hebben vaak milde of geen symptomen, of symptomen die lijken op een urineweginfectie, zoals verhoogde vaginale secretie of tussentijdse vaginale bloedingen. De infectie kan ook het rectum (zonder symptomen, soms secreties, jeuk, bloedverlies of pijn) en de farynx aantasten. Systemische symptomen zoals artritis, tenosynovitis en dermatitis zijn mogelijk. Complicaties omvatten opstijgende infecties, bij vrouwen Pelvic Inflammatory Disease (PID) met mogelijke infertiliteit of ectopische zwangerschappen, en bij mannen epididymitis met zelden infertiliteit. Overdracht vindt plaats via contact met besmette geslachtsorganen, anus of mond. Overdracht bij bevalling kan leiden tot artritis, keratitis of sepsis bij het kind. De incubatietijd varieert van enkele dagen tot een week [27](#page=27).
Diagnostiek gebeurde traditioneel via directe methoden zoals gramkleuring (gram-negatieve diplokokken, zie afbeelding ) en kweek, maar wordt steeds vaker vervangen door PCR. Behandeling met antibiotica, vaak in single shot, houdt rekening met hoge resistentie en het risico op verdere resistentievorming, evenals co-infectie met Chlamydia. Preventie omvat veilige seks en partnerbehandeling [27](#page=27) [28](#page=28).
### 8.3 Chlamydia door *C. trachomatis*
*Chlamydia trachomatis* is een obligaat intracellulaire bacterie die epitheelcellen infecteert en verschillende organen kan aantasten, waaronder de geslachtsorganen. Verschillende serotypes zijn beschreven met associatie tot klinische manifestaties, zoals SOA's, trachoma (chronische conjunctivitis met blindheid in Afrika en Azië) en lymphogranuloma venerum (pijnlijke ulcera in tropische gebieden en bij MSM). Systemische symptomen zijn zeldzaam, maar PID is mogelijk. Lokale symptomen zijn frequent afwezig; bij mannen kan mucopurulente urethritis optreden, en bij vrouwen cervicitis. Langetermijncomplicaties omvatten infertiliteit, waarvoor *C. trachomatis* in België een belangrijke oorzaak is [29](#page=29).
Overdracht vindt plaats via contact met besmette geslachtsorganen, anus of mond. De infectie komt relatief frequent voor bij jongeren (tot 10%). Cervicale epitheliale ectopie, frequent bij jongeren, verhoogt de vatbaarheid voor infectie. Overdracht bij bevalling kan leiden tot conjunctivitis of pneumonie bij het kind. De incubatietijd is minstens enkele weken [29](#page=29).
De diagnose is uitdagend omdat *C. trachomatis* niet zichtbaar is op gramkleuring en niet kweekbaar is in routineomstandigheden. PCR is de enige betrouwbare diagnostische test. Behandeling met antibiotica (doxycycline of azithromycine, eventueel gecombineerd met IM ceftriaxone om gonorrhoeae te elimineren) is effectief. Preventie omvat veilige seks en partnerbehandeling [29](#page=29).
> **Tip:** Cervicale epitheliale ectopie bij jongeren vergroot niet alleen de vatbaarheid voor chlamydia, maar hun vaker voorkomende risicogedrag draagt ook bij aan de prevalentie [29](#page=29).
### 8.4 Genitale Mycoplasmata
Mycoplasmata zijn eenvoudige bacteriën zonder celwand, waardoor ze resistent zijn tegen β-lactam antibiotica. In de luchtwegen veroorzaakt *M. pneumoniae* atypische pneumonie. In de tractus genitalis komen drie soorten voor: *Mycoplasma hominis*, *Ureaplasma urealyticum*, en *Mycoplasma genitalium*. *M. hominis* en *U. urealyticum* zijn commensalen van de genitale tractus en komen vaak in grote aantallen voor bij bacteriële vaginose, waarbij ze soms ten onrechte worden opgezocht en behandeld. *Mycoplasma genitalium* is recent ontdekt en wordt vermoedelijk even pathogeen te zijn als *C. trachomatis*, met een vergelijkbaar klinisch spectrum en frequentie [31](#page=31).
Diagnostiek van mycoplasmata is moeilijk vanwege de trage kweek, en PCR is de aangewezen methode. Vanwege syndromale behandeling en vergelijkbare gevoeligheid met Chlamydia, was specifieke diagnostiek minder belangrijk. Recent is er echter een tendens om diagnostiek meer gedreven te behandelen [31](#page=31).
### 8.5 Trichomonas vaginalis
*Trichomonas vaginalis* is een parasitair protozoön. Bij mannen kan het urethritis veroorzaken met branderigheid en jeuk. Bij vrouwen presenteert het zich als vulvitis en vaginitis met fluor (afscheiding), branderigheid en jeuk. Complicaties kunnen PID en premature bevalling omvatten [32](#page=32).
Overdracht vindt plaats via seksueel contact. De frequentie in België is mogelijk onderschat. Diagnostiek kan via microscopie (wet mount) op een vers staal, maar het is niet zichtbaar op gramkleuring. De behandeling bestaat uit een eenmalige orale toediening van metronidazole. Preventie omvat veilige seks en partnerbehandeling [32](#page=32).
### 8.6 Genitale herpes door HSV
Genitale herpes wordt veroorzaakt door een DNA-virus met envelop, voornamelijk type 2 (*HSV-2*) is geassocieerd met genitale infecties. De infectie is definitief omdat het virus latent kan verblijven in sensoriële neuronen en van daaruit kan recidiveren. Lokale symptomen zijn typische polycyclische blaasjes of ulcera. Complicaties op lange termijn omvatten pijnlijke recidieven en overdracht bij bevalling, wat kan leiden tot levensbedreigende herpes neonatorum bij pasgeborenen [33](#page=33).
Overdracht gebeurt via direct huid-op-huid contact van de geslachtsorganen, maar ook indirect via handen of speeltjes. De incubatietijd tot het ontstaan van vesikels is enkele dagen. De diagnose is voornamelijk klinisch, eventueel aangevuld met PCR. Behandeling tijdens opstoten gebeurt met acyclovir. Condoomgebruik kan preventief werken, maar dekt niet alle mogelijke besmettingsgebieden [33](#page=33).
### 8.7 Genitale wratten (en carcinoom) door HPV
Genitale wratten worden veroorzaakt door het humaan papillomavirus (HPV), een naakt DNA-virus met meer dan 100 typen. De typen worden geassocieerd met de locatie van de infectie (cervix, genitale wratten, huidwratten) en het risico op carcinogeniciteit (bv. HPV16 en 18 zijn hoog-risico types voor cervixkanker). De infectie is niet altijd definitief; het virus kan worden geklaard voordat er metaplasie en progressie naar kanker optreedt. Lokale en systemische symptomen zijn er niet. Langetermijncomplicaties kunnen lokale tumoren omvatten [34](#page=34).
Overdracht vindt plaats via contact met de geslachtsorganen, ook indirect via handen of speeltjes. Er is een typische piek bij jonge volwassenen en een tweede piek op middelbare leeftijd. Mannen zijn meestal asymptomatisch (uitzonderlijk mond-/keelkanker, peniskanker, anale kanker) en fungeren als vector. De infectie is wijdverspreid en frequent; de overgrote meerderheid van de bevolking maakt een infectie door. Momenteel is er ook meer aandacht voor nasofaryngeale infecties. De incubatietijd tot het ontstaan van cervixkanker bedraagt meerdere jaren (>5 jaar) [34](#page=34).
Diagnostiek kan direct via PCR, of indirect door te screenen op metaplasie/kanker. Er is geen specifieke behandeling voor de infectie zelf, maar preventie door vaccinatie is mogelijk. Het vaccin dekt echter slechts een beperkte reeks hoog-risico types, en intermediair risico types blijven circuleren, waardoor screening ook in het post-vaccinatietijdperk noodzakelijk blijft. Condoomgebruik ter preventie is nuttig, maar dekt niet alle mogelijke besmettingsgebieden [34](#page=34).
> **Example:** HPV-typen 16 en 18 zijn hoog-risico types die geassocieerd worden met een verhoogd risico op cervixkanker [34](#page=34).
### 8.8 Diagnose van bacteriële vaginose
De diagnose van bacteriële vaginose (BV) kan worden ondersteund door verschillende methoden. Een "sniff test" met KOH kan een kenmerkende visgeur detecteren. Een pH-strip kan een minder zure vaginale pH aantonen. Microscopisch onderzoek kan de aanwezigheid van "clue cells" (epitheelcellen bedekt met bacteriën) onthullen [25](#page=25).
> **Tip:** De diagnose van bacteriële vaginose is vaak een combinatie van klinische symptomen, laboratoriumonderzoek en de afwezigheid van andere infecties [25](#page=25).
---
# Infecties van de lever
Infecties van de lever zijn doorgaans viraal, maar kunnen ook parasitair zijn en manifesteren zich met leverfunctiestoornissen zoals geelzucht, lokale pijn en malaise [60](#page=60).
### 9.1 Spectrum van symptomen en verwekkers
De symptomen van leverinfecties variëren en kunnen koorts, malaise (vermoeidheid, misselijkheid, verlies van eetlust, soms braken), donkere urine, ontkleurde ontlasting, geelzucht en jeuk omvatten. Ook huiduitslag en artritis kunnen voorkomen [61](#page=61).
De belangrijkste verwekkers zijn hepatitis A, B en C virussen. Minder vaak voorkomend zijn HDV (altijd in combinatie met HBV, typisch bij IV-druggebruikers) en HEV (via besmet voedsel, met name varkens). Zeer zelden kunnen opportunistische infecties door andere micro-organismen optreden [61](#page=61).
#### 9.1.1 Incubatietijden en overdracht
De incubatietijd en overdrachtswijze verschillen per virus [61](#page=61).
* **Hepatitis A virus (HAV):** Incubatietijd is ongeveer 4 ± 2 weken. Overdracht vindt fecaal-oraal plaats (geen virale enveloppe) via inname van besmet voedsel of water, typisch in gebieden met lage hygiëne [61](#page=61) [62](#page=62).
* **Hepatitis B virus (HBV):** Incubatietijd is ongeveer 3 ± 2 maanden. Overdracht geschiedt voornamelijk via bloed-bloed contact (iatrogeen, IV-druggebruik) en seksueel contact (virale enveloppe). Transmissie kan ook plaatsvinden via intiem niet-seksueel contact (speeksel, bijten, gedeelde tandenborstels) en perinatale overdracht van moeder op kind is efficiënt. HBV is tot een week buiten het lichaam infectieus. Ongeveer twee miljard mensen zijn besmet [61](#page=61) [62](#page=62).
* **Hepatitis C virus (HCV):** Incubatietijd is ongeveer 6 weken (variërend van 2 weken tot 6 maanden). Overdracht vindt voornamelijk plaats via bloed-bloed contact, zoals bij IV-druggebruik en iatrogene overdracht [61](#page=61) [62](#page=62).
* **Hepatitis D virus (HDV):** De incubatietijd is vergelijkbaar met HBV, en co-infectie leidt tot een ernstiger verloop [61](#page=61).
* **Hepatitis E virus (HEV):** Incubatietijd is ongeveer 6 ± 3 weken. Overdracht gebeurt door het drinken van besmet water en is een zoönose [61](#page=61) [64](#page=64).
#### 9.1.2 Reservoirs en verloop
* **HAV:** Reservoirs zijn mensen (beperkte periode) en fecaal besmet water of voedsel [62](#page=62).
* **HBV, HCV, HDV:** Reservoirs zijn mensen met chronische infecties [62](#page=62).
* **HEV:** Reservoirs zijn mensen en varkens [62](#page=62).
Het verloop van de infecties varieert aanzienlijk:
* **HAV:** Bij kinderen vaak asymptomatisch, bij volwassenen enkele weken symptomen. De infectie verloopt nooit chronisch [62](#page=62).
* **HBV:** Meestal asymptomatisch of enkele weken symptomen. Ongeveer 10% wordt chronisch (langer dan een jaar virus in het lichaam aanwezig), waarvan 10% een symptomatische leverziekte ontwikkelt (cirrose, kanker) [62](#page=62).
* **HCV:** Meestal asymptomatisch of enkele weken symptomen. Ongeveer 80% wordt chronisch, waarvan 20% een symptomatische leverziekte ontwikkelt (cirrose, kanker) [62](#page=62).
* **HEV:** Meestal asymptomatisch of enkele weken symptomen. Chronische infectie treedt uitzonderlijk op, voornamelijk bij immuungedeprimeerde personen [62](#page=62).
### 9.2 Pathogenese
De pathogenese verschilt per virusfamilie:
* **HAV en HEV:** Dit zijn naakte virussen die cytotoxisch zijn, wat leidt tot tijdelijke leverschade die doorgaans herstelt. Een fulminant verloop is uitzonderlijk [65](#page=65).
* **HBV en HCV:** Leverschade en complicaties bij een chronisch beloop zijn grotendeels het gevolg van de immuunrespons. Bij immuundepressie treden er minder of geen symptomen op [65](#page=65).
### 9.3 Diagnose
De diagnose van leverinfecties wordt gesteld via serologie en detectie van antigenen en genomen [66](#page=66).
#### 9.3.1 Serologie
* **HAV:** Detectie van IgM (recent infectie) en IgG (recente of vroegere infectie) [66](#page=66).
* **HBV:**
* Anti-HBs: indication for cure or vaccination [66](#page=66).
* Anti-HBc: indication of past or present infection [66](#page=66).
* Anti-HBe: in conjunction with antigen detection to determine the stage of infection [66](#page=66).
* **HCV:** IgG-antilichamen, die soms pas zes maanden na infectie detecteerbaar zijn, indiceren een recente of vroegere infectie [66](#page=66).
* **HEV:** Detectie van IgG en IgM [66](#page=66).
#### 9.3.2 Antigen en genoomdetectie
* **HBV:** HBsAg, HBeAg, en PCR voor HBV [66](#page=66).
* **HCV:** RT-PCR en genotypering van het virusgenoom [66](#page=66).
### 9.4 Behandeling en preventie
De behandeling en preventie van leverinfecties zijn afhankelijk van het specifieke virus [68](#page=68).
* **HAV:** Geen specifieke behandeling, enkel supportieve zorg. Preventie door vaccinatie. Passieve immunisatie is mogelijk ter bescherming van ongevaccineerde contacten [68](#page=68).
* **HBV:** Geen specifieke behandeling, enkel supportieve zorg. Bij chronische infectie kunnen antivirale middelen (reverse transcriptase inhibitoren) worden ingezet. Preventie door vaccinatie is effectief. Passieve immunisatie kan worden toegepast ter bescherming van ongevaccineerde contacten, gelijktijdig met het vaccin maar in een andere arm. Het vaccin bevat enkel HBsAg, wat niet leidt tot anti-HB-core antistoffen, enkel na infectie. Ongeveer 5% van de gevaccineerden (na 3 injecties) is een non-responder met een te lage anti-HBs titer; extra boosters kunnen soms helpen [68](#page=68).
* **HCV:** Behandeling met antivirale middelen (polymerase inhibitoren). Er is geen vaccin beschikbaar. Bij een prikongeval dient onmiddellijk antivirale therapie te worden gestart, vergelijkbaar met de aanpak bij HIV [68](#page=68).
* **HEV:** Geen specifieke behandeling, enkel supportieve zorg [68](#page=68).
> **Tip:** Het is cruciaal om de overdrachtsroutes en de kans op chroniciteit te kennen voor elke hepatitisvorm, daar dit de prognose en behandelingsstrategie sterk beïnvloedt.
> **Tip:** Serologische tests voor HBV en HCV kunnen soms vertraagd positief worden, met name bij HCV waar dit tot 6 maanden kan duren. Dit is belangrijk bij de interpretatie van testresultaten, vooral na een risico-expositie.
---
# Microbiologische screening tijdens de zwangerschap
Microbiologische screening tijdens de zwangerschap omvat een reeks onderzoeken die gericht zijn op het identificeren van infecties bij de zwangere vrouw, om zo de gezondheid van zowel moeder als kind te waarborgen en potentiële complicaties te voorkomen of te behandelen. Idealiter vinden deze screenings plaats vóór de conceptie (preconceptie) maar ook tijdens de zwangerschap vinden specifieke screenings plaats [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
### 10.1 Preconceptieve en vroege zwangerschaps-screening
Bij de aanmelding van een zwangere vrouw of bij preconceptie wordt een breed scala aan serologische tests aanbevolen om de immuunstatus voor diverse infectieuze agentia te bepalen [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
#### 10.1.1 Vaccinaties en serostatusbepalingen
* **Influenza vaccinatie:** Wordt sterk aanbevolen, met name bij aanwezigheid van extra risicofactoren. Influenza kan ernstige complicaties veroorzaken bij zwangeren, zoals virale pneumonie, bacteriële surinfecties en systemische complicaties [42](#page=42) [43](#page=43) [44](#page=44) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Cytomegalovirus (CMV) serostatus:** Bepaling van IgG en IgM antistoffen. Een primo-infectie met CMV tijdens de zwangerschap is de belangrijkste oorzaak van congenitale afwijkingen. Het onderscheid tussen een recente en oude infectie is cruciaal, hoewel CMV IgM antistoffen langdurig aanwezig kunnen blijven [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [46](#page=46) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Tip:** De aviditeit van CMV IgG antistoffen kan helpen bij het differentiëren van recente (lage aviditeit) en oude (hoge aviditeit) infecties. Aanwezigheid van IgM en lage aviditeit wijst op een potentieel recente infectie tijdens de zwangerschap [46](#page=46).
* **Rubella (rode hond) serostatus:** Belangrijk vanwege het teratogene potentieel en de kans op malformaties [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Syfilis serostatus:** Screening is essentieel vanwege de ernstige gevolgen voor de foetus [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **HIV serostatus:** Screenen is van belang om transmissie naar het kind te voorkomen en zwangerschap de behandeling van de moeder te optimaliseren. Preventie van transmissie door ART (antiretrovirale therapie) is mogelijk [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Hepatitis B Virus (HBV) serostatus:** Bepaling van antilichamen (HBs Ab, HBc Ab) en antigenen (HBs Ag, HBe Ag) [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Varicella Zoster Virus (VZV) serostatus:** Screening op VZV-antilichamen [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Toxoplasmose serostatus:** Bepaling van IgG en IgM antistoffen. Er is een probleem dat IgM toxoplasmose maanden positief kan blijven, wat interpretatie bemoeilijkt [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Zikavirus:** Wordt genoemd als bekend voor malformaties [41](#page=41).
### 10.2 Perinatale screening en preventie
Naast de preconceptieve screenings zijn er specifieke microbiologische onderzoeken en preventieve maatregelen die rond de geboorte (perinataal) van belang zijn [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Bacteriurie:** Screening is belangrijk ter preventie van vroeggeboorte [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Kolonisatie door Groep B Streptokokken (GBS):** Screening is cruciaal vanwege het risico op neonatale sepsis. Preventie kan plaatsvinden middels antibiotica, zoals penicilline [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Genitale Herpes (HSV):** Controle op genitale herpes wordt uitgevoerd om neonatale herpes te voorkomen. Bij expositie kan immunoglobuline (Ig) overwogen worden [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
### 10.3 Te vermijden infecties
Gedurende de zwangerschap is het van belang om infecties met specifieke pathogenen te vermijden vanwege hun risico op congenitale afwijkingen of neonatale complicaties.
* **Listeria monocytogenes:** Infectie dient vermeden te worden [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Primo HSV, VZV:** Primaire infecties met Herpes Simplex Virus (HSV) en Varicella Zoster Virus (VZV) dienen eveneens vermeden te worden. Preventie door vaccinatie, en eventueel postnatale toediening van Ig en vaccin, kan overwogen worden [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
### 10.4 Overige screenings en overwegingen
* **Rhesusfactor:** Bij een Rh-negatieve moeder en een Rh-positieve baby, wordt bij de partus Rhogam toegediend om maternale allo-immunisatie te voorkomen [41](#page=41).
* **Diagnostiek bij influenza:** Snelle diagnostiek middels antigeendetectie op nasofaryngeale monsters is nuttig bij hoge virusuitscheiding, terwijl RT-PCR gevoeliger is. Klinische diagnose, ondersteund door epidemiologie, is vaak doorslaggevend [44](#page=44).
* **HGR (Hoge Graviditeitsreactie?):** Na de derde maand van de zwangerschap wordt dit in de wintermaanden (oktober-maart) gevolgd. Dit punt is minder duidelijk gedefinieerd binnen de context van microbiologische screening [44](#page=44).
> **Tip:** Hoewel veel screenings ideaal preconceptie plaatsvinden, is het vroegtijdig opsporen van infecties tijdens de zwangerschap essentieel voor het welzijn van zowel moeder als kind. Een actieve en proactieve aanpak van microbiologische screening kan veel complicaties voorkomen.
---
# Huid- en wondinfecties: klinisch beeld, verwekkers en behandeling
Dit onderwerp behandelt de klinische manifestaties, veroorzakende agentia en therapeutische benaderingen van infecties van de huid en de bijbehorende structuren, zowel op een intacte huid als in de context van wonden.
### 11.1 Algemene principes van huid- en wondinfecties
Huid- en wondinfecties kenmerken zich primair door lokale ontstekingssymptomen, zoals roodheid (rubor), warmte (calor), pijn (dolor) en zwelling (tumor). Bij uitgebreidere letsels kan ook koorts optreden. Complicaties kunnen leiden tot lokale of systemische uitbreiding van de ontsteking [1](#page=1) [2](#page=2).
#### 11.1.1 Spectrum van symptomen en verwekkers
* **Symptomen:** Naast de klassieke tekenen van inflammatie kan koorts optreden bij uitgebreidere laesies [2](#page=2).
* **Verwekkers:** Huid- en wondinfecties kunnen worden veroorzaakt door bacteriën, virussen en schimmels [2](#page=2).
* **Overdracht:** Meestal vindt overdracht plaats via direct contact, maar infecties kunnen ook ontstaan vanuit de eigen flora bij lokale verzwakking van de barrièrefunctie van de huid [2](#page=2).
* **Incubatietijd:** Deze varieert afhankelijk van de specifieke verwekker [2](#page=2).
* **Diagnose:** De diagnose wordt primair klinisch gesteld; afname van kweekmateriaal is soms relevant [2](#page=2).
* **Behandeling en preventie:** Deze zijn afhankelijk van de verwekker, waarbij antibiotica of antimycotica soms noodzakelijk zijn [2](#page=2).
#### 11.1.2 Overdracht en verloop
Bij gezonde individuen zijn huid- en wondinfecties vaak zelflimiterend, hoewel antibiotica of antimycotica soms nodig zijn naast het oplossen van lokale barrièreproblemen zoals huiddefecten of vreemde lichamen. Bij zieke of verzwakte patiënten, zoals bij uitgebreide brandwonden, vormen grote barrièredfecten in combinatie met verminderde algemene immuniteit een significant risico [3](#page=3).
Tijdens het herstel worden kiemen doorgaans geklaard, hoewel sommige virussen chronisch aanwezig kunnen blijven [3](#page=3).
* **Staphylococcus aureus (S. aureus):** Dit is een veelvoorkomende verwekker. Ongeveer 30% van de bevolking is drager, met name in de neusgang, van waaruit contaminatie van de rest van het lichaam kan plaatsvinden. Dragerschap kan persisterend, intermitterend of permanent afwezig zijn. S. aureus beschikt over talrijke virulentiefactoren. Overdracht geschiedt via droplets, direct en indirect contact, waarbij de bacterie langdurig levensvatbaar blijft in de omgeving. Bij schade aan huid of slijmvliezen kan S. aureus de lymfe- en bloedbaan bereiken. Het ontstaan van een infectie is afhankelijk van het aantal bacteriën, hun virulentie, de toestand van het weefsel, de snelheid van de ontstekingsreactie en de persoonlijke afweer. Abcesvorming (pus, dode en levende S. aureus, necrotisch weefsel, leukocyten) kan bescherming bieden [3](#page=3).
* **Coagulase-negatieve stafylokokken (CNS):** Deze zijn minder virulent dan S. aureus en koloniseren de huid van iedereen in grote aantallen. Ze kunnen infecties veroorzaken wanneer ze de bloedbaan bereiken, bijvoorbeeld via katheters. CNS worden vaak als contaminanten in kweekjes aangetroffen, zoals Staphylococcus epidermidis in hemoculturen [3](#page=3).
#### 11.1.3 Pathogenese
Lokale proliferatie van kiemen kan weefselschade veroorzaken en de afweer bemoeilijken. Virussen infecteren de intacte opperhuid zelden en hebben een breuk in de huidbarrière nodig, soms via discrete defecten. Vreemde lichamen in wonden, zoals straatvuil, kunnen de genezing belemmeren, wat benadrukt waarom reiniging van wonden en incisie van abcessen belangrijk zijn [4](#page=4).
**Antibiotica en resistentie:**
* Vroeger waren alle S. aureus-stammen gevoelig voor penicilline [4](#page=4).
* Tegenwoordig is 90-95% resistent door de productie van penicillinase, een smal-spectrum bèta-lactamase typisch voor stafylokokken. Huidinfecties worden daarom behandeld met een penicillinase-resistent penicilline zoals oxacilline, flucloxacilline of methicilline [4](#page=4).
* **MRSA (Methicilline-resistente S. aureus):** MRSA is resistent tegen methicilline en alle bèta-lactam antibiotica, en vaak ook tegen andere antibiotica. Ernstige MRSA-infecties worden behandeld met vancomycine intraveneus [4](#page=4).
Andere verwekkers hebben hun eigen epidemiologie, overdrachtspatronen, pathogenese en behandelingsstrategieën [4](#page=4).
#### 11.1.4 Diagnose
De diagnose van huid- en wondinfecties is voornamelijk klinisch. Gramkleuring en kweken zijn nuttig tot noodzakelijk om de verwekker te identificeren [5](#page=5).
> **Tip:** Een uitstrijkje van etter met gramkleuring kan direct aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van neutrofielen en stafylokokken [5](#page=5).
### 11.2 Specifieke huidinfecties
#### 11.2.1 Impetigo
* **Verwekker:** Staphylococcus aureus, of een menginfectie met groep A streptokokken, of enkel groep A streptokokken (S. pyogenes). S. aureus kan exfoliërende toxines produceren die blaarvorming veroorzaken, wat kan leiden tot het Staphylococcal scalded skin syndrome bij jonge kinderen en neonaten [6](#page=6).
* **Voorkomen:** Oppervlakkige infectie van de epidermis met vorming van vesikels of pustels die korstjes vormen. Komt vaker voor bij kinderen en bij beschadigde huid [6](#page=6).
* **Verloop:** Geneest spontaan binnen enkele weken. Beperking door ontsmetting en het vermijden van direct contact [6](#page=6).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen [6](#page=6).
* **Preventie:** Hygiëne en het ontsmetten van wondjes [6](#page=6).
* **Behandeling:** Vaak is geen specifieke behandeling nodig, eventueel fusidinezuur zalf. Bij uitgebreide infecties worden antibiotica (flucloxacilline) voorgeschreven [6](#page=6).
#### 11.2.2 Folliculitis, furunkel en karbunkel
* **Verwekker:** Voornamelijk Staphylococcus aureus [7](#page=7).
* **Voorkomen:** Infecties van de haarzakjes, bevorderd door talg [7](#page=7).
* **Folliculitis:** Een puistje met een geel puntje, bevorderd door oliën en corticosteroïden [7](#page=7).
* **Furunkel (steenpuist):** Een lokaal abces [7](#page=7).
* **Karbunkel (dubbele steenpuist):** Vorming van fistels die dieper gelegen weefsel bereiken wanneer etter subcutaan doorbreekt, met oppervlakkige individuele etterkopjes [7](#page=7).
* **Verloop:** Kan spontaan genezen [7](#page=7).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen [7](#page=7).
* **Behandeling:**
* Folliculitis: Hygiëne, wassen, vermijden van vette crèmes [7](#page=7).
* Furunkel/karbunkel: Antibiotica (flucloxacilline) bij koorts of op gevaarlijke locaties zoals rond de neus vanwege het risico op doorbraak naar de sinus cavernosus [7](#page=7).
#### 11.2.3 Erysipelas en cellulitis
* **Verwekker:** Groep A streptokokken; bij cellulitis ook Staphylococcus aureus [8](#page=8).
* **Voorkomen:** Infectie van de dermis en subcutis, gepaard gaand met (hoge) koorts en malaise. Cellulitis is minder scherp begrensd en dieper dan erysipelas [8](#page=8).
* **Verloop:** Zelden spontane genezing; ernstige gevallen vereisen hospitalisatie [8](#page=8).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen [8](#page=8).
* **Behandeling:** Antibiotica (flucloxacilline) en zwachtelen om oedeem te bestrijden [8](#page=8).
#### 11.2.4 Necrotiserende infectie
* **Verwekker:** Groep A streptokokken, Staphylococcus aureus, menginfecties met grampositieve en gramnegatieve anaëroben, en Clostridium perfringens (gasgangreen) [9](#page=9).
* **Voorkomen:** Gekenmerkt door hevige pijn en koorts, met mogelijke evolutie naar sepsis. Kan optreden na trauma of chirurgie [9](#page=9).
* **Verloop:** Snelle uitbreiding met necrose van weefsels door ischemie, leidend tot sepsis en orgaanfalen [9](#page=9).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen, eventueel naaldaspiratie [9](#page=9).
* **Preventie:** Cruciaal is het meedogenloos reinigen van vuile wonden door schrobben en het gebruik van zuurstofwater. Eventueel profylactische antibiotica [9](#page=9).
* **Behandeling:** Chirurgie gecombineerd met intraveneuze antibiotica en intensieve ondersteuning van vitale functies [9](#page=9).
#### 11.2.5 Bijtwonden
* **Verwekker:** Voornamelijk Staphylococcus aureus en de gemengde orale flora van het bijtende dier of mens [10](#page=10).
* **Symptomen:** Roodheid, eventueel etter [10](#page=10).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen en anamnese [10](#page=10).
* **Preventie:** Beten vermijden, reinigen van wonden en preventieve antibiotica bij katten- of mensenbeten, post-expositie profylaxe tegen tetanus [10](#page=10).
* **Behandeling:** Breed-spectrum antibiotica, bijvoorbeeld amoxicilline met clavulaanzuur (Augmentin) [10](#page=10).
> **Example:** Een progressieve cellulitis bij een diabetesvoet kan ontstaan door kolonisatie met bacteriën, waarbij antibiotica nodig zijn zodra er tekenen van infectie zijn [11](#page=11).
#### 11.2.6 Gemengde bacteriële wondkolonisatie en -infectie
De meeste chronische wonden, zelfs als ze niet primair door een infectie zijn ontstaan, worden snel gekoloniseerd door diverse bacteriën, variërend van weinig tot zeer virulent. Dit is op zich geen infectie en leidt vaak ten onrechte tot antibioticagebruik, wat juist kolonisatie met meer resistente bacteriën kan bevorderen [11](#page=11).
#### 11.2.7 Gasgangreen
* **Verwekker:** Clostridium perfringens [12](#page=12).
* **Voorkomen:** Clostridium perfringens en aanverwante soorten komen voor in fecale flora, aarde en vuil als sporen. Besmetting kan plaatsvinden tijdens chirurgie of door 'straat'ongevallen. De sporen groeien uit tot metabool actieve bacteriën in anaërobe omstandigheden, zoals in dood weefsel zonder zuurstoftoevoer. Actieve groei produceert weefseldestructieve enzymen, wat leidt tot snelle weefselvernietiging en verdere bacteriegroei. Gasvorming, voelbaar bij palpatie of zichtbaar op radiografie, is typisch voor gasgangreen [12](#page=12).
* **Behandeling:** Antibiotica, chirurgie en symptomatische ondersteuning [12](#page=12).
* **Preventie:** Goede chirurgie en wondzorg, en eventueel chemoprofylaxie [12](#page=12).
> **Tip:** Clostridium-soorten zijn strikt anaëroob en veroorzaken geen ziekte in gezond weefsel. Hun sporen kunnen zeer lang overleven in de omgeving [13](#page=13).
#### 11.2.8 Herpes labialis (koortslip)
* **Verwekker:** HSV type 1 (typisch bovenste lichaamshelft, virus in ggl. trigeminale) en HSV type 2 (typisch onderste lichaamshelft, virus in sacrale ggl.) [15](#page=15).
* **Voorkomen:** Primaire infectie is vaak asymptomatisch. Reactivatie presenteert zich als vesikels met helder vocht (koortblaasjes) die later korstjes vormen. Milde koorts en gezwollen submandibulaire klieren kunnen optreden. Reactivatie wordt uitgelokt door stress, menstruatie, koorts en zonlicht. Transmissie geschiedt via direct contact, zolang de blaasjes nog niet verkorst zijn. De prevalentie van seropositiviteit voor HSV-1 is 40-95% [15](#page=15).
* **Verloop:** Het virus blijft definitief aanwezig in neuronen [15](#page=15).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen [15](#page=15).
* **Preventie:** Direct contact vermijden voor zover mogelijk [15](#page=15).
* **Behandeling:** Afwachten. Bij complicaties kan zinkoxide/zinksulfaat of aciclovir worden gebruikt. Bij systemische infecties of immuundeficiëntie kan orale antivirale therapie nodig zijn [15](#page=15).
#### 11.2.9 Varicella en zona (gordelroos)
* **Verwekker:** Varicellazostervirus (VZV), een herpesvirus [16](#page=16).
* **Voorkomen:** Primaire infectie (waterpokken) kenmerkt zich door jeukende blaasjes die verkorsten. Deze kunnen secundair geïnfecteerd raken met S. aureus of S. pyogenes, wat littekens kan veroorzaken. Reactivatie leidt tot gordelroos (herpes zoster) die zich uit over een specifiek dermatoom en doorgaans eenmalig optreedt. Zeldzame complicaties omvatten pneumonie, meningitis en encefalitis [16](#page=16).
* **Verloop:** 90% van de infecties vindt plaats na contact met een zieke persoon, zolang de blaasjes nog niet verkorst zijn. De incubatietijd is ongeveer 14 dagen [16](#page=16).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen, met name bij kinderen [16](#page=16).
* **Preventie:** Direct contact vermijden indien mogelijk [16](#page=16).
* **Behandeling:** Kinderen behoeven doorgaans geen behandeling. Acyclovir kan worden overwogen bij kinderen met een verzwakt immuunsysteem of om de koortsduur te verkorten. Bij personen ouder dan 12 jaar kan antivirale therapie worden ingezet. Bij immuungecompromitteerde personen kan vaccinatie met het VZV-vaccin tot 72 uur na blootstelling nuttig zijn [16](#page=16).
#### 11.2.10 Verrucae vulgares (wratjes)
* **Verwekker:** HPV (ongeveer 70 genotypen) [17](#page=17).
* **Verloop:** Transmissie geschiedt via direct contact; het virus is stabiel buiten het lichaam. Het virus dringt de huid binnen via minimale beschadigingen en vermenigvuldigt zich in de differentiërende basale cellen van de epidermis [17](#page=17).
#### 11.2.11 Mollusca Contagiosa (waterwratjes)
* **Verwekker:** Molluscum contagiosum virus (molluscipoxvirus) [17](#page=17).
* **Verloop:** Transmissie vindt plaats via direct contact, met een incubatietijd van enkele maanden [17](#page=17).
#### 11.2.12 Tinea pedis (atleetvoet)
* **Verwekker:** Dermatofyten (keratinofiele schimmels), met name Trichophyton rubrum [18](#page=18).
* **Voorkomen:** Erythemateuze huid met schilfering en jeuk, voornamelijk aan de voeten, maar ook op andere plaatsen. Factoren die bijdragen zijn gemeenschappelijke douches, slecht ventilerende schoenen en maceratie of zweetvoeten [18](#page=18).
* **Verloop:** Geneest moeilijk [18](#page=18).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen, eventueel schimmelkweek [18](#page=18).
* **Preventie:** Goede ventilatie van de voeten [18](#page=18).
* **Behandeling:** Antischimmelmiddel in zalfvorm [18](#page=18).
Dermatofytosen en candidiasis kunnen diverse huidinfecties veroorzaken op verschillende locaties [19](#page=19).
### 11.3 Genitale infecties (SOA/SOI)
Genitale infecties omvatten aandoeningen van de geslachtsorganen, meestal seksueel overdraagbaar (SOA/SOI). Sommige SOA's infecteren echter andere organen (bv. HBV) of veroorzaken symptomen buiten de geslachtsorganen (bv. HIV) [20](#page=20).
#### 11.3.1 Klinisch beeld en deelsyndromen
* **Hoofdsymptomen:** Vaginitis, urethritis, cervicitis (met risico op Pelvic Inflammatory Disease - PID), ulcera/vesikels, tumoren, wratten. Vaak zijn infecties asymptomatisch [20](#page=20).
* **Complicaties:** Opstijgende infecties met ontsteking (PID) wat kan leiden tot infertiliteit en verhoogd risico op extra-uteriene zwangerschap. Ook systemische/metastatische infecties en de ontwikkeling van kanker (door HPV) zijn mogelijke complicaties [20](#page=20).
* **SOA versus niet-SOA:** SOA's worden seksueel overgedragen en vereisen behandeling van de partner(s). Niet-SOA's hebben geen seksuele overdracht en weinig complicaties [20](#page=20).
#### 11.3.2 Vaginitis
De normale vaginale flora, rijk aan lactobacillen, handhaaft een zure pH die het lokale microbioom stabiliseert. Dit evenwicht kan verstoord worden, wat leidt tot vaginitis [21](#page=21).
* **Veelvoorkomende oorzaken:**
* **Bacteriële vaginose (BV):** Overgroei van bacteriën die tot de normale flora behoren, zoals Prevotella spp. en Gardnerella vaginalis. Dit is de meest frequente oorzaak van vaginitis met storend vaginaal verlies en vaak een kwalijke geur. BV kan het risico op HIV-overdracht, andere SOA's en vroeggeboorte verhogen [21](#page=21) [24](#page=24).
* **Candida vaginitis:** Overgroei van C. albicans, wat leidt tot witte afscheiding en een branderig gevoel. Komt vaker voor na antibioticagebruik en bij diabetes [21](#page=21).
* **Minder frequente oorzaak:**
* **Trichomonas vaginalis vaginitis:** Een SOA veroorzaakt door een protozoön [21](#page=21).
Recente inzichten suggereren een mogelijke rol voor de vaginale flora in relatie tot bacteriële vaginose bij partners, waarbij transmissie mogelijk wordt onderschat [22](#page=22).
**Diagnose van bacteriële vaginose (bv.):** [24](#page=24).
* **Subjectieve symptomen:** Vaak asymptomatisch, soms stinkende fluor en jeuk.
* **Objectieve tekenen (Amsel-criteria - minimaal 3 van de 4):**
1. Stinkend, grijs, homogeen beslag/fluor.
2. Verhoogde pH van vaginale mucus (> 5).
3. Hoge concentratie amines (karakteristieke "visgeur") aantoonbaar met de 'sniff test' (KOH-toevoeging aan vaginaal mucus).
4. Clue cells (epitheelcellen bedekt met bacteriën) zichtbaar op microscopie.
* **Microscopie:** Lactobacillen zijn vervangen door grote aantallen coccobacillen. Er is geen inflammatoire reactie, dus weinig neutrofielen, wel clue cells [24](#page=24).
* **Behandeling:** Metronidazol of clindamycine (oraal of lokaal). Zeer frequente recidieven maken de behandeling momenteel niet volledig efficiënt [24](#page=24).
> **Tip:** De vagina heeft normaal gesproken een microflora gedomineerd door lactobacillen. Bij bacteriële vaginose wordt deze vervangen door grote aantallen Gardnerella vaginalis, anaëroben, streptokokken en mycoplasmata [23](#page=23).
#### 11.3.3 SOA (strictu sensu)
* **Symptomen:** Variëren afhankelijk van verwekker en syndroom, met lokale symptomen zoals ulcera, pijn, branderig gevoel, afscheiding van secreten en ontstekingsreacties. Soms ook systemische symptomen zoals koorts of huiduitslag. Lange-termijn complicaties omvatten lokale tumoren, infertiliteit en infecties op afstand (bv. neurosyfilis) [26](#page=26).
* **Verwekkers:** Virussen, bacteriën, protozoa en insecten (schaamluizen) [26](#page=26).
* **Overdracht:** Direct contact met genitale organen, soms via handen. SOA-pathogenen kunnen ook slijmvliezen en lichaamsopeningen infecteren [26](#page=26).
* **Incubatietijd:** Varieert van kort na contact tot jaren later bij complicaties [26](#page=26).
* **Diagnose:** Liefst directe methoden, aangevuld met serologie. Sommige infecties worden syndromaal behandeld zonder de verwekker direct aan te tonen. Bepaalde SOA's zijn aangifteplichtig [26](#page=26).
* **Behandeling en preventie:** Behandeling met antibiotica of antivirale therapie. Partners worden in principe meegedeeld. Preventie door veilige seks is essentieel, en er zijn vaccins beschikbaar [26](#page=26).
##### 11.3.3.1 Gonorroe (Neisseria gonorrhoeae)
* **Kenmerken:** Bacterie met efficiënte adhesie aan epithelia, met mogelijke intracellulaire replicatie. Veroorzaakt urethritis bij mannen (branderig gevoel bij plassen, wit-geel-groen secreet) en vaak milde of asymptomatische infecties bij vrouwen. Kan ook andere locaties infecteren zoals rectum en farynx. Systemische symptomen zoals artritis zijn mogelijk. Complicaties omvatten PID bij vrouwen met risico op infertiliteit en ectopische zwangerschappen [27](#page=27).
* **Overdracht:** Contact met besmette geslachtsorganen, anus, mond; ook overdracht bij bevalling [27](#page=27).
* **Incubatietijd:** Enkele dagen tot een week [27](#page=27).
* **Diagnose:** Gramkleuring en kweek, steeds vaker vervangen door PCR. Gramkleuring toont gram-negatieve diplokokken [27](#page=27) [28](#page=28).
* **Behandeling en preventie:** Antibiotica, rekening houdend met hoge resistentie en kans op verdere resistentieontwikkeling, en de mogelijke co-infectie met Chlamydia. Preventie door veilige seks en partnerbehandeling [27](#page=27).
##### 11.3.3.2 Chlamydia (Chlamydia trachomatis)
* **Kenmerken:** Obligaat intracellulaire bacterie die epitheelcellen prefereert. Kan verschillende organen infecteren, waaronder de geslachtsorganen. Veroorzaakt vaak geen symptomen, of milde mucopurulente urethritis bij mannen en cervicitis bij vrouwen. Complicaties op termijn omvatten infertiliteit. Serotypen zijn geassocieerd met diverse ziektebeelden zoals trachoma en lymphogranuloma venerum [29](#page=29).
* **Overdracht:** Contact met besmette geslachtsorganen, anus, mond; relatief frequent bij jongeren. Overdracht bij bevalling is mogelijk (conjunctivitis, pneumonie) [29](#page=29).
* **Incubatietijd:** Minimaal weken [29](#page=29).
* **Diagnose:** Niet zichtbaar op gramkleuring of kweekbaar in routine; PCR is de meest betrouwbare test [29](#page=29).
* **Behandeling en preventie:** Antibiotica (doxycycline of azithromycine, eventueel met ceftriaxone om gonorroe te elimineren). Preventie door veilige seks en partnerbehandeling [29](#page=29).
##### 11.3.3.3 Genitale Mycoplasmata
* **Kenmerken:** Eenvoudige bacteriën zonder celwand, waardoor ze resistent zijn tegen bèta-lactams. In de tractus genitalis komen drie species voor: Mycoplasma hominis, Ureaplasma urealyticum (commensalen, vaak bij bacteriële vaginose) en Mycoplasma genitalium (recent ontdekt, potentieel pathogeen vergelijkbaar met C. trachomatis) [31](#page=31).
* **Diagnose:** Moeilijke kweek, diagnose via PCR [31](#page=31).
* **Behandeling:** GBT-gedreven behandeling wordt overwogen, aangezien de gevoeligheid van Mycoplasma en Chlamydia vergelijkbaar is [31](#page=31).
##### 11.3.3.4 Trichomonas vaginalis
* **Kenmerken:** Parasitair protozoön. Veroorzaakt urethritis bij mannen en vulvitis/vaginitis bij vrouwen (fluor, branderigheid, jeuk). Complicaties omvatten PID en premature bevalling [32](#page=32).
* **Overdracht:** Seksueel contact. De frequentie in België is laag, maar mogelijk onderschat [32](#page=32).
* **Diagnose:** Microscopie op vers staal (wet mount) [32](#page=32).
* **Behandeling en preventie:** Eenmalige behandeling met metronidazol per os. Preventie door veilige seks en partnerbehandeling [32](#page=32).
##### 11.3.3.5 Genitale herpes door HSV
* **Kenmerken:** DNA-virus, vnl. type 2 geassocieerd met genitale infectie. De infectie is definitief; het virus kan niet worden geklaard en kan latent in sensoriële neuronen verblijven, waarna reactivatie kan optreden. Lokale symptomen zijn typische polycyclische blaasjes/ulcera. Complicaties omvatten pijnlijke recidieven en transmissie bij bevalling (herpes neonatorum) [33](#page=33).
* **Overdracht:** Contact met genitale organen (huid op huid), ook indirect (handen, speeltjes) [33](#page=33).
* **Incubatietijd:** Enkele dagen tot ontstaan vesikels [33](#page=33).
* **Diagnose:** Klinisch, eventueel PCR [33](#page=33).
* **Behandeling en preventie:** Aciclovir bij opstoten. Condoomgebruik ter preventie (dekt niet alle oppervlakken) [33](#page=33).
##### 11.3.3.6 Genitale wratten (en carcinoom) door HPV
* **Kenmerken:** Naakt DNA-virus met veel typen; type bepaalt locatie en risico op carcinogeniteit (bv. HPV16 en 18 hoog-risico types voor cervixkanker). Infectie is niet altijd definitief en kan na verloop van tijd leiden tot metaplasie en kanker. Lokale en systemische symptomen zijn afwezig. Complicaties op termijn zijn lokale tumoren [34](#page=34).
* **Overdracht:** Contact met genitale organen, ook indirect (handen, speeltjes). Frequent bij jonge volwassenen, met een piek op middelbare leeftijd. Mannen zijn meestal vectoren en hebben minder complicaties (uitzonderlijk mond/keel kanker). Wijdverspreid en frequent, met de overgrote meerderheid van de bevolking die een infectie doormaakt [34](#page=34).
* **Incubatietijd:** Tot ontstaan cervixkanker meerdere jaren (> 5 jaar) [34](#page=34).
* **Diagnose:** Direct via PCR, indirect door screening op metaplasie/kanker [34](#page=34).
* **Behandeling en preventie:** Geen specifieke behandeling; preventie door vaccinatie (dekt echter niet alle types). Screening blijft noodzakelijk. Condoomgebruik ter preventie [34](#page=34).
##### 11.3.3.7 Syfilis (Treponema pallidum)
* **Kenmerken:** Bacterie die zich systemisch kan verspreiden en levenslang aanwezig kan blijven [36](#page=36).
* **Primaire syfilis:** Lokale infectie met een "ulcus durum" of sjanker (harden, pijnloze papel) die spontaan geneest, maar de bacterie verspreidt zich vaak systemisch [36](#page=36).
* **Secundaire syfilis:** Treponema is systemisch aanwezig, met huid- en mucosa-letsels. Kan spontaan genezen, maar evolueert vaak na jaren naar tertiaire syfilis [36](#page=36) [38](#page=38).
* **Tertiaire syfilis:** Treponema in organen met chronische inflammatie, leidend tot onomkeerbare orgaanschade, neurologische, psychiatrische en cardiale complicaties (gummata). Syfilis wordt wel "the great imitator" genoemd [39](#page=39).
* **Overdracht:** Contact met genitale organen; recente toename, onder meer bij homoseksuele mannen. Congenitale overdracht is mogelijk [36](#page=36).
* **Incubatietijd:** Minimaal een week [36](#page=36).
* **Diagnose:** Microscopie (nauwelijks gebruikt), serologie. Sommige testen (bv. TPPA) blijven levenslang positief, andere (bv. VDRL) worden negatief na behandeling [36](#page=36).
* **Behandeling en preventie:** Treponema pallidum is gevoelig voor penicilline. Preventie door veilige seks en partnerbehandeling [36](#page=36).
#### 11.3.4 Microbiologie en (prille) zwangerschap
Diverse microbiologische aspecten zijn van belang tijdens de zwangerschap en preconceptie, waaronder serostatus voor CMV, herpes, toxoplasmose, HIV, rubella, HBV, VZV en syfilis. Vaccinatie tegen influenza wordt aanbevolen. Perinataal zijn bacteriurie, kolonisatie door groep B streptokokken (risico op neonatale sepsis) en genitale herpes van belang. Vermijden van Listeria monocytogenes infectie, primo HSV en VZV is ook cruciaal. Een primo-infectie met CMV tijdens de zwangerschap kan leiden tot foetale infectie en congenitale afwijkingen, momenteel de belangrijkste oorzaak hiervan. De interpretatie van IgM-antistoffen bij CMV kan complex zijn, aangezien deze langdurig aanwezig kunnen blijven; aviditeitsbepaling van IgG-antistoffen kan hierbij helpen [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [46](#page=46) [47](#page=47) [48](#page=48).
#### 11.3.5 Influenza en zwangerschap
Influenza kan ernstige complicaties veroorzaken bij bepaalde risicogroepen, waaronder zwangeren. Snelle diagnostiek via antigen detectie of RT-PCR is nuttig. Vaccinatie wordt sterk aanbevolen voor risicogroepen en gezondheidswerkers. De HGR (vermoedelijk Hoge Gezondheidsraad) adviseert vaccinatie na de derde maand in de wintermaanden [44](#page=44).
---
Huid- en wondinfecties omvatten een breed scala aan infecties die het integumentaire systeem aantasten, variërend in ernst van oppervlakkige irritaties tot levensbedreigende systemische aandoeningen.
### 11.1 Infecties van het centraal zenuwstelsel
Infecties van het centraal zenuwstelsel (CZS) betreffen de hersenen en het ruggenmerg, inclusief de omringende vliezen. Hoofdsymptomen zijn neurologische stoornissen, die per leeftijd variëren; jonge kinderen missen bijvoorbeeld vaak de klassieke nekstijfheid bij meningeale prikkeling. Complicaties kunnen leiden tot blijvende neurologische of psychiatrische restletsels, en in ernstige gevallen kan een snel evoluerende systemische infectie levensbedreigend zijn. Andere oorzaken van meningeale prikkeling, zoals inflammatie of cerebrovasculaire accidenten, kunnen initieel lijken op CZS-infecties [54](#page=54).
Symptomen omvatten hoofdpijn, licht- en geluidsgevoeligheid, sensorische defecten en bewustzijnsverlies. Psychiatrische symptomen en tekenen van intracraniële overdruk (braken, nekstijfheid, hypertensie, bradycardie) kunnen ook voorkomen. Koorts is frequent, maar de klassieke triade van koorts, nekstijfheid en veranderde geestestoestand wordt slechts bij ongeveer 50% van de patiënten, vooral bij pneumokokkenmeningitis, gezien [55](#page=55).
De verwekkers zijn divers:
* **Virussen:** Voornamelijk herpes- en enterovirussen [55](#page=55).
* **Bacteriën:** *Neisseria meningitidis* (meningokok), *Streptococcus pneumoniae* (pneumokok), en *Haemophilus influenzae* (minder frequent door vaccinatie) [55](#page=55).
* **Opportunistische pathogenen:** Kunnen binnendringen na doorbraak van barrières, bijvoorbeeld door direct trauma [55](#page=55).
* **Parasieten en schimmels:** Zeldzaam [55](#page=55).
Overdracht geschiedt afhankelijk van de verwekker, vaak via direct contact of druppelinfecties na kolonisatie. Incubatietijden variëren van dagen tot weken [55](#page=55).
Diagnostiek omvat het aantonen van pathogenen in lumbaal vocht, aangevuld met biochemie en celtellingen, en eventueel serologie. Behandeling en preventie bestaan uit vaccinatie (voor *H. influenzae*, *N. meningitidis*, *S. pneumoniae*, poliovirus) en antivirale middelen voor virussen. Bij bacteriële infecties zijn antibiotica cruciaal voor het reduceren van restletsels en levensreddend [55](#page=55).
Bij gezonde individuen treden infecties op na voorafgaande kolonisatie of infectie buiten het CZS. Bij zieken of verzwakten kan sprake zijn van opportunistisch binnendringen, bijvoorbeeld bij sepsis of parasitaire infecties zoals toxoplasmose. Doorbraak van natuurlijke barrières, zoals na trauma, lokale uitbreiding vanuit schedel of rug, of iatrogeen (drains, implantaten, puncties), is een andere route. Het CZS is een immuungeprivilegieerde zone met een rigide omhulsel om inflammatie te beperken [56](#page=56).
Het verloop verschilt per type verwekker:
* **Virale infecties:** Kunnen zelflimiterend zijn met goede prognose, maar ook leiden tot ernstige cognitieve en motorische restletsels (bij herpes simplex virus is de mortaliteit zonder behandeling 70%) [56](#page=56).
* **Bacteriële infecties:** Zonder behandeling leiden ze tot zware restletsels of de dood [56](#page=56).
* **Schimmelinfecties:** Opportunistisch, zonder spontaan herstel [56](#page=56).
Vanwege de snel optredende catastrofale gevolgen en de beschikbare medicatie, is snelle diagnose en onmiddellijke behandeling, liefst na afname van lumbaal vocht, essentieel. Vaak wordt gestart met acyclovir en antibiotica intraveneus, waarna bijstelling plaatsvindt op basis van diagnostiek [56](#page=56).
Inflammatie en directe weefselschade verstoren neurale functies en kunnen vitale functies onderdrukken. Bij bacteriële infecties kan dit leiden tot sepsis, infectie van andere organen, orgaanfalen, diffuse intravasculaire stolling (DIC), septische emboli en bloedingen. Petechiën en purpura (niet-wegdrukbare rode vlekken) bij een ernstig zieke, koortserige patiënt zijn een alarmteken voor onmiddellijke actie en hospitalisatie. Meningokokkenmeningitis kan binnen enkele uren evolueren naar levensbedreigende sepsis [57](#page=57).
Analyse van lumbaal vocht is cruciaal:
* **Celtelling:** Viraal typisch beperkte stijging (vnl. lymfocyten), bacterieel typisch sterk verhoogd (vnl. neutrofielen) [58](#page=58).
* **Biochemie:** Viraal typisch normaal of licht gestoorde eiwit- en glucosewaarden; bacterieel typisch verhoogd eiwit, verlaagd glucose en verhoogd lactaat [58](#page=58).
Deze parameters zijn indicatief maar niet doorslaggevend, waardoor aantonen van de verwekker middels microscopie (Gramkleuring), antigendetectie, PCR of kweek noodzakelijk is. Hemokulturen worden ook afgenomen, zeker wanneer een lumbaalpunctie niet direct mogelijk is [58](#page=58).
### 11.2 Infecties van de lever
Leverinfecties zijn typisch viraal, maar in sommige regio's ook parasitair (bv. wormen). Hoofdsymptomen zijn leverfunctiestoornissen (geelzucht), lokale pijn en malaise, soms subklinisch. Complicaties kunnen leiden tot leverfalen bij een chronisch verloop, cirrose en hepatocellulair carcinoom. Hepatitis van niet-infectieuze origine (toxisch, medicamenteus, auto-immuun) en galwegobstructie (met kolieken) zijn aanverwante aandoeningen [60](#page=60).
#### 11.2.1 Spectrum van symptomen en verwekkers
Symptomen omvatten koorts, malaise (vermoeidheid, misselijkheid, eetlustverlies, braken), donkere urine, ontkleurde ontlasting, geelzucht en jeuk. Huiduitslag en artritis kunnen ook voorkomen [61](#page=61).
De belangrijkste verwekkers zijn:
* **Virussen:** Hepatitis A-, B- en C-virus zijn de meest voorkomende [61](#page=61).
* **Zeldzamere virussen:** HDV (altijd samen met HBV, typisch bij IV-druggebruikers) en HEV (besmet voedsel, varkens) [61](#page=61).
* **Opportunistische infecties:** Zeer zeldzaam door andere micro-organismen [61](#page=61).
Overdracht en incubatietijden variëren per virus. Diagnostiek omvat serologie en PCR voor therapiemonitoring van HCV en HBV. Sommige hepatitisvirussen zijn aangifteplichtig [61](#page=61).
#### 11.2.2 Overdracht en verloop
* **HAV:** Fecaal-oraal, typisch bij lage hygiëne [62](#page=62).
* **HBV en HCV:** Voornamelijk bloed-bloed contact (IV-druggebruik, iatrogeen), maar HBV ook via seksueel contact en perinataal [62](#page=62).
* **HEV:** Drinken van besmet water, zoönose [62](#page=62).
Reservoirs zijn mensen (HAV, HBV, HCV, HDV) en varkens (HEV) [62](#page=62).
Het verloop verschilt:
* **HAV:** Enkele weken symptomen, nooit chronisch [62](#page=62).
* **HBV:** Meestal geen symptomen, 10% wordt chronisch, waarvan 10% leverziekte ontwikkelt [62](#page=62).
* **HCV:** Meestal geen symptomen, 80% wordt chronisch, waarvan 20% leverziekte ontwikkelt [62](#page=62).
* **HEV:** Meestal geen symptomen, zelden chronisch bij immuundepressie [62](#page=62).
#### 11.2.3 Pathogenese
HAV en HEV zijn naakte virussen die cytotoxisch zijn en tijdelijke leverschade veroorzaken. Bij HBV en HCV zijn leverschade en complicaties bij chroniciteit grotendeels het gevolg van de immuunrespons; bij immuundepressie zijn er geen symptomen [65](#page=65).
#### 11.2.4 Diagnose
Serologie is essentieel:
* **HAV:** IgM (recent), IgG (recent of verleden) [66](#page=66).
* **HBV:** Anti-HBs (genezen/gevaccineerd), anti-HBc (contact), anti-HBe; HBsAg (actief acuut/chronisch) [66](#page=66).
* **HCV:** IgG (contact, soms laat positief) [66](#page=66).
* **HEV:** IgG, IgM [66](#page=66).
Antigeen- en genoomdetectie (PCR) is ook mogelijk voor HBV, HCV en RT-PCR voor HCV genoomtypering [66](#page=66).
#### 11.2.5 Behandeling en preventie
* **HAV:** Geen specifieke behandeling, enkel supportief. Preventie door vaccinatie; passieve immunisatie is mogelijk bij contacten [68](#page=68).
* **HBV:** Geen specifieke behandeling, enkel supportief; bij chroniciteit antivirale middelen. Preventie door vaccinatie; passieve immunisatie kan gelijktijdig met vaccin plaatsvinden. Een klein percentage gevaccineerden is een non-responder [68](#page=68).
* **HCV:** Antivirale middelen, geen vaccin. Bij prikongeval direct antivirale therapie starten [68](#page=68).
* **HEV:** Geen specifieke behandeling, enkel supportief [68](#page=68).
### 11.3 Lymphadenopathieën van infectieuze oorsprong
Lymfadenopathieën van infectieuze oorsprong zijn infecties van lymfeklieren, lymfocyten of andere immuuncellen, die zich door het lichaam kunnen verspreiden. Het hoofdsymptoom is niet-pijnlijke, gegeneraliseerde lymfeklierzwelling. Complicaties zijn zeldzaam, maar kunnen lokale druk of ulceratie omvatten. Deze aandoeningen uiten zich als een gegeneraliseerde lymfoproliferatie, vaak als reactie op virale infecties [69](#page=69).
Aanverwante ziekten omvatten neoplastische groei (bv. lymfomen) en auto-immune of allergische reacties. Gelokaliseerde lymfadenopathieën kunnen ook infectieus zijn, waarbij bacteriën via lymfevaten naar de klier reizen, leidend tot pijnlijke, geïnflammeerde klieren (lymfadenitis) [69](#page=69).
#### 11.3.1 Spectrum van symptomen en verwekkers
Symptomen zijn pijnloze, opgezwollen klieren in diverse anatomische regio's. Koorts is matig tot afwezig bij gegeneraliseerde lymfadenopathieën van virale origine [70](#page=70).
De belangrijkste verwekkers zijn virussen, met name herpesvirussen zoals CMV en EBV. Ook HIV-infectie en mazelen kunnen gegeneraliseerde lymfadenopathieën veroorzaken [70](#page=70).
Overdracht en incubatietijd zijn afhankelijk van de verwekker, variërend van weken tot maanden of jaren. Diagnostiek omvat klinische vaststelling en serologische uitwerking. Behandeling en preventie variëren: er is een vaccin voor mazelen; voor andere virussen zijn er virusremmers, die niet standaard worden gegeven bij goedaardige infecties [70](#page=70).
#### 11.3.2 Overdracht en verloop
Bij gezonde individuen zijn CMV/EBV zeer infectieus en wijdverspreid, vaak asymptomatisch bij jonge kinderen maar symptomatisch bij adolescenten. HIV geeft vrijwel altijd symptomen op lange termijn door immuunverzwakking. Bij verzwakte personen kunnen EBV en CMV agressief verlopen [71](#page=71).
Het verloop na infectie:
* **EBV/CMV:** Virussen blijven levenslang aanwezig en kunnen heropflakkeren [71](#page=71).
* **HIV:** Virus blijft levenslang aanwezig, het immuunsysteem brokkelt geleidelijk af leidend tot aids over circa 8 jaar [71](#page=71).
#### 11.3.3 Pathogenese
* **EBV:** Infecteert faryngeaal epitheel en B-cellen; de virale groei wordt onder controle gehouden door T-cellen, die bijdragen aan symptomen [72](#page=72).
* **CMV:** Infecteert monocyten/macrofagen en epitheelcellen; orgaanfalen is mogelijk. Kan transplacentair foetussen infecteren met ernstige malformaties [72](#page=72).
* **HIV:** Infecteert macrofagen en CD4+ T-cellen, verstoort de immuunfunctie en leidt tot uitputting en verlies van CD4+ T-cellen, wat kan leiden tot kanker en opportunistische infecties in het aids-stadium [72](#page=72).
#### 11.3.4 Diagnose
Diagnostiek omvat serologisch opsporen van de verwekker en meten van virale load middels PCR voor therapiemonitoring (bv. CMV bij immuundepressie, HIV). De Paul-Bunnell test voor EBV spoort heterofiele antistoffen op [73](#page=73).
#### 11.3.5 Mononucleosis infectiosa
Mononucleosis infectiosa (klierkoorts) wordt meestal veroorzaakt door EBV (HHV4), en in 10% van de gevallen door CMV (HHV5). EBV infecteert nagenoeg iedereen op volwassen leeftijd, vaak asymptomatisch bij jonge kinderen. Overdracht is voornamelijk via speeksel. CMV wordt ook via speeksel en urine overgedragen [74](#page=74).
Het verloop is meestal een spontane genezing, hoewel klieren en vermoeidheid langdurig kunnen aanhouden. Bij immuunsupressie kan CMV ernstige ziekte veroorzaken. Diagnostiek is klinisch en serologisch. Preventie is er geen vaccin. Medicatie (ganciclovir) is enkel voor CMV bij immuunsupressie [74](#page=74).
### 11.4 Intravasale en endovasculaire infecties. Prothese-infecties
Intravasale en endovasculaire infecties betreffen de aanwezigheid en vermenigvuldiging van micro-organismen in de bloedbaan. Dit omvat primaire endovasculaire infecties van het endotheel van hart en bloedvaten, evenals infecties van geïmplanteerde biomaterialen (bv. katheters). Secundaire bacteriëmie ontstaat wanneer micro-organismen herhaaldelijk of in grote aantallen vanuit een extern infectiehaard de bloedbaan binnendringen. Transiënte bacteriëmie (bv. na tandenpoetsen) wordt meestal snel door het lichaam geruimd [75](#page=75).
Deze verschijnselen voegen zich bij de gevolgen van de primaire orgaaninfectie. Systemisch Inflammatoir Respons Syndroom (SIRS) is een gegeneraliseerde inflammatie die, indien veroorzaakt door een infectie, sepsis wordt genoemd. Sepsis kan leiden tot septische shock, orgaanfalen (bv. acute nierinsufficiëntie, ARDS, leverinsufficiëntie) en uiteindelijk multi-orgaanfalen (MOF) [76](#page=76).
#### 11.4.1 Aanpak van sepsis / SIRS
De aanpak omvat het opsporen van de verwekker met microbiële kweken (bloed, getroffen orgaan). Monitoring van vitale parameters zoals pO2 en lactaat is essentieel. Behandeling bestaat uit intraveneuze breed spectrum antibiotica, met aanpassing zodra de verwekker bekend is, en supportieve therapie om sepsis en orgaanschade te bestrijden. Voor primaire bacteriëmie is het vervangen van besmette katheters of de geïnfecteerde hartklep noodzakelijk [77](#page=77).
#### 11.4.2 Endocarditis
Endocarditis is een infectie van het endotheel van het hart, typisch op hartkleppen, chordae tendineae of het endocard van atria en ventrikels. Gevolgen zijn aantasting van hartkleppen met hartgeruisen en verminderde pompfunctie, verspreiding van bacteriën via bloedbaan (strooi-infecties), en gevolgen van chronische inflammatie [78](#page=78).
Er zijn twee hoofdmechanismen:
1. **Subacute endocarditis:** Veroorzaakt door minder virulente verwekkers (bv. Viridans-streptokokken, HACEK groep, enterokokken) die zich op beschadigde kleppen hechten en een besmette trombus ('vegetatie') vormen. Risicofactoren zijn congenitale of verworven hartklepafwijkingen [78](#page=78).
2. **Acute endocarditis:** Veroorzaakt door virulente bacteriën zoals *Staphylococcus aureus*, met snelle destructie van de klep, zelfs zonder vooraf bestaande afwijkingen [78](#page=78).
Specifieke situaties omvatten endocarditis door gramnegatieve staven bij hospitalisatie en door gisten bij IV-druggebruikers [78](#page=78).
#### 11.4.3 Bron van bacteriëmie bij endocarditis
* Secundaire bacteriëmie bij andere infecties [79](#page=79).
* Manipulaties: tandheelkundige ingrepen, endoscopie [79](#page=79).
* Dagelijkse activiteiten: eten, kauwen, defecatie (frequenter bij gebitsproblemen) [79](#page=79).
Diagnostiek omvat het aantonen van een (nieuw) hartgeruis via auscultatie en echografie, tekenen van metastatische infectie, en bloedkweken (zonder antibiotica vooraf). Behandeling bestaat uit antibiotica gericht tegen de verwekker (hoge dosis, soms combinatie) en eventueel heelkunde (nieuwe klep). Preventie omvat het voorkomen van bacteriëmie, met name bij risicopatiënten met hartklepafwijkingen, door goede mond- en tandhygiëne en preventieve antibiotica bij risico-ingrepen [79](#page=79).
#### 11.4.4 Hemokweken
Bij indicatie voor hemokulturen worden 2-3 afzonderlijke kweken afgenomen om contaminatie te minimaliseren en de overlevingskans van de bacterie te vergroten. Huidontsmetting met een alcoholisch antisepticum, het niet meer aanraken van de prikplaats na desinfectie en het gebruik van handschoenen zijn cruciaal. Er wordt bij voorkeur 20 ml bloed afgenomen per kweek, met eerst de anaerobe en dan de aerobe fles, of omgekeerd bij gebruik van een vlindernaald om zuurstof in de spuit of leiding te minimaliseren. Het is belangrijk om het vacuüm in de flessen te respecteren. De dop van de fles wordt verwijderd, het rubber oppervlak ontsmet met 70% alcohol en gedroogd. Gebruik geen bloed uit tubes [80](#page=80) [81](#page=81) [82](#page=82).
#### 11.4.5 Profylaxe van bacteriële endocarditis
Profylaxe is geïndiceerd bij risicopatiënten (met hoog-risico hartklepafwijkingen) voorafgaand aan tandheelkundige ingrepen met bloeding. Richtlijnen schrijven amoxicilline in hoge doses (3 gram) eenmalig kort voor de ingreep voor om een adequate spiegel op het moment van bacteriële vrijkomst te garanderen. Goede mond- en tandhygiëne is minstens even belangrijk voor het voorkomen van klepinfecties [83](#page=83).
#### 11.4.6 Prothese infecties
Meer en meer protheses worden gebruikt, wat leidt tot meer infecties met potentieel dramatische gevolgen. Protheses kunnen endovasculair zijn (bv. katheters, klepprothesen, pacemakers) of niet-endovasculair (bv. gewrichten, borstprothesen) [84](#page=84).
Pathogenese omvat het bereiken van de prothese per continuitatem, tijdens implantatie, of via bacteriëmie. Micro-organismen nestelen zich in een biofilm, waarbij virulente bacteriën snel symptomen geven, terwijl huidbacteriën (bv. coagulase-negatieve stafylokokken) laattijdige symptomen kunnen veroorzaken. Door de biofilm en de bedekking met 'slijm' is klaring door het inflammatoire systeem verminderd [84](#page=84).
Behandeling met antibiotica is zelden voldoende om de infectie te klaren, omdat antibiotica de biofilm moeilijk bereiken en bacteriën als 'persisters' aanwezig kunnen zijn. Vaak is verwijdering van de prothese noodzakelijk [84](#page=84).
---
## Veelgemaakte fouten om te vermijden
- Bestudeer alle onderwerpen grondig voor examens
- Let op formules en belangrijke definities
- Oefen met de voorbeelden in elke sectie
- Memoriseer niet zonder de onderliggende concepten te begrijpen
Glossary
| Term | Definition |
|------|------------|
| Term | Definitie |
| Necrotiserende infectie | Een ernstige infectie die leidt tot het afsterven van weefsels door ischemie, met snelle uitbreiding, risico op sepsis en orgaanfalen. De behandeling omvat chirurgie, antibiotica en intensieve ondersteuning van vitale functies. |
| Gasgangreen | Een specifieke necrotiserende infectie veroorzaakt door *Clostridium perfringens*, waarbij de bacteriën weefselvernietigende enzymen produceren. Kenmerkend is de aanwezigheid van gas in het aangedane weefsel, wat zichtbaar kan zijn op radiografie of voelbaar bij palpatie. |
| Anaerobe omstandigheden | Omstandigheden waarin geen zuurstof aanwezig is. *Clostridium* soorten groeien strikt anaeroob, wat betekent dat ze alleen kunnen gedijen in gebieden met weinig of geen zuurstof, zoals in het darmlumen of in dood weefsel. |
| Sporen (bacteriële) | Zeer resistente, inactieve vormen van bacteriën, zoals die geproduceerd worden door *Clostridium* soorten. Deze sporen kunnen lange tijd overleven in de omgeving en zijn bestand tegen hitte en uitdroging, wat bijdraagt aan de besmettelijkheid. |
| Weefselvernietigende enzymen | Enzymen geproduceerd door bacteriën, zoals *Clostridium perfringens*, die specifiek gericht zijn op het afbreken van lichaamseigen weefsels. Deze enzymen dragen bij aan de snelle destructie van weefsel en de progressie van infecties. |
| Neurotoxines | Zeer potente gifstoffen die geproduceerd worden door bepaalde bacteriën, zoals *Clostridium botulinum* en *Clostridium tetani*. Deze toxines hebben een effect op afstand van de infectiehaard en kunnen leiden tot ernstige neurologische symptomen, zoals spierverlamming. |
| Clostridium botulinum | Een bacteriesoort die bekend staat om de productie van botulinetoxine, een krachtig neurotoxine dat kan leiden tot botulisme. De ontdekking van deze bacterie werd mede mogelijk gemaakt door het onderzoek van Emile Pierre van Ermengem na een uitbraak in Ellezelles in 1895. |
| Clostridium tetani | Een bacteriesoort die tetanus veroorzaakt door de productie van tetanustoxine. Deze bacterie vormt sporen die diep in wonden kunnen binnendringen en daar in anaerobe omstandigheden kunnen uitgroeien. |
| Justinus Kerner | Een Duitse dichter en arts die in de vroege 19e eeuw de eerste nauwkeurige beschrijvingen publiceerde van de symptomen van voedselvergiftiging door botulisme, destijds aangeduid als "worstvergiftiging". |
| Emile Pierre van Ermengem | Een professor in de bacteriologie die in 1895 de bacterie *Clostridium botulinum* ontdekte na onderzoek naar een botulisme-uitbraak in Ellezelles, België. Hij isoleerde de bacterie en het gif en ontrafelde de werking ervan. |
| Syfilis | Een infectieziekte veroorzaakt door de bacterie *Treponema pallidum*, die zich systemisch kan verspreiden en levenslang in het lichaam kan blijven. |
| Primaire syfilis | De eerste fase van syfilis, gekenmerkt door een lokale infectie die zich manifesteert als een "ulcus durum" of sjanker. Dit is een harde, pijnloze papel die spontaan kan genezen, maar waarbij de bacterie zich reeds door het lichaam verspreidt. |
| Secundaire syfilis | De fase die optreedt na enkele maanden, waarbij *Treponema pallidum* zich systemisch verspreidt en grote aantallen bereikt. Dit kan leiden tot huid- en slijmvliesletsels en kan ook spontaan genezen, maar evolueert vaak naar latere stadia. |
| Tertiaire syfilis | Het latere stadium van syfilis, waarbij *Treponema pallidum* in beperkte hoeveelheden in organen aanwezig is en chronische inflammatie veroorzaakt. Dit kan leiden tot onomkeerbare orgaanschade, neurologische, psychiatrische en cardiale complicaties, zoals gummata. |
| Ulcus durum (sjanker) | Een harde, pijnloze papel die kenmerkend is voor primaire syfilis. Hoewel het spontaan kan genezen, duidt het op de aanwezigheid van de syfilisbacterie in het lichaam. |
| Congenitale overdracht | De overdracht van syfilis van een geïnfecteerde moeder op haar kind tijdens de zwangerschap of bevalling. |
| Incubatietijd | De periode tussen de besmetting met *Treponema pallidum* en het optreden van de eerste symptomen, die minimaal een week bedraagt. |
| Microscopie | Een diagnostische methode die in de praktijk voor syfilis nauwelijks wordt gebruikt, maar waarbij de aanwezigheid van de bacterie direct onder de microscoop kan worden waargenomen. |
| Serologie | Een diagnostische techniek die gebruikmaakt van bloedonderzoek om antistoffen tegen *Treponema pallidum* te detecteren. Sommige testen, zoals TPPA, blijven levenslang positief, terwijl andere, zoals VDRL, negatief kunnen worden na succesvolle behandeling. |
| TPPA (Treponema pallidum particle agglutination) | Een serologische test die wordt gebruikt voor screening op contact met syfilis. Deze test blijft na infectie levenslang positief. |
| VDRL (Venereal Disease Research Labs) | Een serologische test die wordt gebruikt voor screening op de actieve ziekte. Deze test kan negatief worden na efficiënte behandeling van syfilis. |
| Gummata | Chronische, ontstekingsachtige laesies die kunnen ontstaan in organen zoals botten, huid en hersenen tijdens tertiaire syfilis, veroorzaakt door de aanwezigheid van *Treponema pallidum*. |
| Impetigo | Een huidinfectie van de epidermis die zich manifesteert met de vorming van blaasjes of puistjes die na enkele dagen indrogen en korstjes vormen. Het komt vaker voor bij kinderen en geneest meestal spontaan binnen enkele weken. |
| Verwekker | Het micro-organisme, zoals een bacterie, dat verantwoordelijk is voor het veroorzaken van een infectie. Bij impetigo zijn dit vaak *Staphylococcus aureus* en/of groep A streptokokken. |
| Exfoliatieve toxines | Stoffen geproduceerd door bacteriën, zoals *Staphylococcus aureus*, die de huid kunnen beschadigen en leiden tot blaarvorming. Bij uitgebreide reacties kan dit het Staphylococcal scalded skin syndrome veroorzaken. |
| Folliculitis | Een ontsteking van de haarzakjes, meestal veroorzaakt door *Staphylococcus aureus*. Het presenteert zich als een klein puistje met een geel puntje en wordt bevorderd door factoren zoals oliën en corticosteroïden. |
| Furunkel | Een lokaal abces dat ontstaat vanuit een haarzakje, ook wel een steenpuist genoemd. Het kan spontaan genezen, maar vereist soms behandeling met antibiotica, vooral bij koorts of op risicovolle locaties. |
| Karbunkel | Een diepere infectie die zich uitbreidt vanuit meerdere haarzakjes, met vorming van fistels waarbij etter subcutaan doorbreekt. Oppervlakkig kunnen individuele etterkopjes zichtbaar zijn. |
| Erysipelas | Een acute bacteriële infectie van de huid, voornamelijk veroorzaakt door groep A streptokokken, die zich kenmerkt door een scherp begrensde, rode en verheven huidafwijking, vaak gepaard gaande met koorts en malaise. |
| Cellulitis | Een infectie van de dermis en subcutis, veroorzaakt door groep A streptokokken of *Staphylococcus aureus*. Het is minder scherp begrensd dan erysipelas en dringt dieper in de huidlagen door. |
| Bijtwonden | Huidbeschadigingen veroorzaakt door de beet van een dier of mens. Deze wonden kunnen geïnfecteerd raken door de bacteriën in de mondflora van de bijter, met name *Staphylococcus aureus*. |
| Postexpositie profylaxe | Preventieve maatregelen, zoals antibiotica, die worden toegediend na een mogelijke blootstelling aan een infectie of ziekte om de ontwikkeling ervan te voorkomen. |
| Centraal zenuwstelsel (CZS) | Het centrale zenuwstelsel omvat de hersenen en het ruggenmerg, en is verantwoordelijk voor de verwerking van informatie en de aansturing van lichaamsfuncties. |
| Meningeale prikkeling | Een symptoom dat wijst op irritatie van de hersenvliezen, vaak gepaard gaand met nekstijfheid, hoofdpijn en overgevoeligheid voor licht en geluid. |
| Intracraniële overdruk | Een verhoogde druk binnen de schedel, die kan leiden tot symptomen zoals braken, nekstijfheid en veranderingen in de bloeddruk en hartslag. |
| Septische embolen | Kleine bloedstolsels die besmet zijn met bacteriën en zich kunnen verplaatsen naar andere delen van het lichaam, waaronder de hersenen, waar ze infecties kunnen veroorzaken. |
| Lumbaal vocht | Vocht dat wordt verkregen door middel van een lumbaalpunctie (ruggenprik), gebruikt voor diagnostische doeleinden om infecties of andere aandoeningen van het centrale zenuwstelsel te onderzoeken. |
| PCR (Polymerase Chain Reaction) | Een laboratoriumtechniek die wordt gebruikt om specifieke DNA-sequenties te vermenigvuldigen, waardoor de detectie van pathogenen, zoals virussen en bacteriën, in lichaamsvloeistoffen mogelijk wordt. |
| Sepsis | Een levensbedreigende aandoening die ontstaat wanneer het lichaam een ontstekingsreactie op een infectie niet adequaat kan beheersen, wat kan leiden tot orgaanfalen. |
| Petechiën/purpura | Kleine, niet-wegdrukbare rode vlekken op de huid die wijzen op lokale bloedingen, vaak een alarmsignaal bij ernstige infecties zoals meningokokkenmeningitis. |
| Iatrogeen | Een medische aandoening of complicatie die wordt veroorzaakt door medische behandeling of ingreep, zoals een infectie na een chirurgische ingreep of een punctie. |
| Immuungeprivilegieerde zone | Een gebied in het lichaam, zoals het centrale zenuwstelsel, waar de immuunrespons gemodificeerd is om schade aan kwetsbaar weefsel te voorkomen, wat echter ook de bestrijding van infecties kan bemoeilijken. |
| Diffuse intravasculaire stolling (DIS) | Een ernstige aandoening waarbij bloedstolling in het hele lichaam optreedt, wat kan leiden tot zowel bloedingen als trombose, vaak als complicatie van ernstige infecties. |
| Necrose | Weefselsterfte, die kan optreden als gevolg van een ernstige infectie of ischemie, en in sommige gevallen kan leiden tot de noodzaak van amputatie. |
| Intravasale infectie | Een infectie die zich voordoet binnen de bloedbaan, waarbij micro-organismen aanwezig zijn en zich vermenigvuldigen in het bloed. |
| Endovasculaire infectie | Een infectie die specifiek het endotheel, de binnenkant van de bloedvaten, aantast, inclusief de binnenwand van het hart en bloedvaten. |
| Primaire endovasculaire infectie | Een infectie die direct ontstaat in het endotheel van het hart of de bloedvaten, of op geïmplanteerde biomaterialen zoals kunsthartkleppen of katheters, wat kan leiden tot bacteriëmie. |
| Secundaire bacteriëmie | Een situatie waarbij micro-organismen vanuit een infectiehaard buiten de bloedbaan herhaaldelijk of in grote aantallen in de bloedbaan terechtkomen. |
| Transiënte bacteriëmie | Een tijdelijke aanwezigheid van micro-organismen in de bloedbaan, bijvoorbeeld na tandenpoetsen, die doorgaans snel wordt opgeruimd door het mononucleaire-fagocytensysteem. |
| Bacteriëmie | De aanwezigheid van bacteriën in de bloedbaan. |
| Viremie | De aanwezigheid van virussen in de bloedbaan. |
| SIRS (Systemisch Inflammatoir Response Syndroom) | Een gegeneraliseerde ontstekingsreactie in het lichaam, die niet uitsluitend door infecties wordt veroorzaakt, gekenmerkt door symptomen zoals koorts, koude rillingen, snelle ademhaling en snelle hartslag. |
| Septische shock | Een ernstige vorm van sepsis waarbij de bloeddruk gevaarlijk laag wordt en de doorbloeding van vitale organen afneemt, wat kan leiden tot orgaanfalen. |
| MOF (Multi-Orgaanfalen) | Het falen van meerdere vitale organen in het lichaam, vaak als gevolg van de secundaire schade veroorzaakt door ernstige infecties of ontstekingen. |
| Endocarditis | Een infectie van het endotheel van het hart, met name de hartkleppen, maar ook de chordae tendineae en het endocard van de atria en ventrikels. |
| Verrucae vulgares | Ook bekend als wratten, dit zijn huidinfecties veroorzaakt door het humaan papillomavirus (HPV). De transmissie vindt plaats via direct contact en het virus kan stabiel blijven buiten het lichaam, waarna het zich vermenigvuldigt in de basale cellen van de epidermis. |
| Mollusca Contagiosa | Ook bekend als waterwratjes, deze infectie wordt veroorzaakt door het molluscum contagiosum virus. De transmissie geschiedt door direct contact en de incubatietijd kan enkele maanden bedragen. |
| Tinea pedis | Ook wel bekend als voetschimmel of atleetvoet, dit is een infectie veroorzaakt door dermatofyten, schimmels die zich voeden met keratine. Het presenteert zich vaak als een rode, schilferige en jeukende huid, vooral op de voeten, en kan ontstaan door contact met gemeenschappelijke douches of slecht ventilerende schoenen. |
| Dermatophytosen | Dit zijn infecties van de huid, het haar en de nagels die worden veroorzaakt door dermatofyten, een groep schimmels die zich voeden met keratine. Voetwratten (tinea pedis) zijn een veelvoorkomende manifestatie hiervan. |
| Candidiasis | Een infectie veroorzaakt door gisten, met name Candida albicans. Het kan verschillende delen van het lichaam aantasten, waaronder de vagina, huidplooien en de huid. |
| Seksueel Overdraagbare Aandoeningen (SOA) | Infecties die voornamelijk worden overgedragen via seksueel contact. Dit kunnen infecties zijn van de geslachtsorganen zelf, maar ook infecties die andere organen aantasten (bv. leverontsteking door HBV) of symptomen buiten de geslachtsorganen veroorzaken (bv. HIV). |
| Vaginitis | Een ontsteking van de vagina, vaak veroorzaakt door een verstoring van de normale vaginale flora. Symptomen kunnen bestaan uit afscheiding, jeuk en een branderig gevoel. |
| Bacteriële Vaginose (BV) | Een veelvoorkomende oorzaak van vaginitis, gekenmerkt door een overgroei van bacteriën die normaal gesproken deel uitmaken van de vaginale flora. Dit leidt tot een verstoord evenwicht, wat zich kan uiten in vaginale afscheiding met een kenmerkende geur. |
| Trichomonas Vaginalis Vaginitis | Een specifieke vorm van vaginitis veroorzaakt door de protozoön Trichomonas vaginalis. Dit is een seksueel overdraagbare aandoening. |
| Clue cellen | Cellulaire afwijkingen die microscopisch zichtbaar zijn bij bacteriële vaginose. Het zijn epitheelcellen van de vagina die bedekt zijn met bacteriën, wat duidt op een verandering in de vaginale flora. |
| Pelvic Inflammatory Disease (PID) | Een opstijgende infectie van de vrouwelijke geslachtsorganen, die kan ontstaan als complicatie van genitale infecties. PID kan leiden tot onvruchtbaarheid en een verhoogd risico op buitenbaarmoederlijke zwangerschappen. |
| HAV (Hepatitis A Virus) | Een virale infectie waarvoor geen specifieke behandeling bestaat, enkel ondersteunende zorg. Preventie geschiedt door vaccinatie, en passieve immunisatie is mogelijk voor ongevaccineerde contacten. |
| HBV (Hepatitis B Virus) | Een virale infectie die ondersteunende zorg vereist. Bij chronische infectie worden antivirale middelen, zoals reverse transcriptase inhibitoren, ingezet. Preventie gebeurt via vaccinatie, waarbij passieve immunisatie voor contacten mogelijk is. |
| HCV (Hepatitis C Virus) | Een virale infectie die behandeld wordt met antivirale middelen, waaronder polymerase inhibitoren. Er is geen vaccin beschikbaar. Bij een prikongeval wordt onmiddellijk gestart met antivirale therapie, vergelijkbaar met HIV. |
| HEV (Hepatitis E Virus) | Een virale infectie waarvoor geen specifieke behandeling beschikbaar is, enkel ondersteunende zorg wordt geboden. |
| Lymfadenopathieën | Een symptoom waarbij lymfeklieren vergroot zijn, vaak als reactie op een infectie. Dit kan zowel gegeneraliseerd (verspreid over het lichaam) als gelokaliseerd zijn, en kan veroorzaakt worden door virussen, bacteriën of andere oorzaken zoals neoplastische groei. |
| Virale infectie | Een ziekte veroorzaakt door een virus. Deze infecties kunnen variëren in ernst en symptomen, en vereisen soms specifieke antivirale behandelingen of preventieve maatregelen zoals vaccinatie. |
| Antivirale middelen | Medicijnen die worden gebruikt om virale infecties te behandelen door de replicatie van virussen te remmen of te stoppen. Voorbeelden zijn reverse transcriptase inhibitoren en polymerase inhibitoren. |
| Vaccinatie | Een preventieve maatregel waarbij een verzwakte of geïnactiveerde vorm van een ziekteverwekker, of een deel daarvan, wordt toegediend om het immuunsysteem te stimuleren antistoffen aan te maken en zo bescherming te bieden tegen toekomstige infecties. |
| Passieve immunisatie | Het toedienen van reeds gevormde antistoffen aan een persoon om onmiddellijke, maar tijdelijke, bescherming te bieden tegen een specifieke ziekteverwekker. Dit wordt vaak gebruikt bij blootstelling aan infecties. |
| HBsAg | Het oppervlakte-antigeen van het Hepatitis B-virus. Het vaccin tegen Hepatitis B bevat enkel HBsAg en leidt niet tot de vorming van anti-HB-core-antistoffen, die enkel na een infectie ontstaan. |
| Anti-HBs titer | De concentratie van antistoffen tegen het Hepatitis B-virus oppervlakte-antigeen in het bloed. Een lage titer kan duiden op een ontoereikende immuunrespons na vaccinatie. |
| Polymerase inhibitoren | Een klasse van antivirale middelen die de werking van virale polymerasen blokkeren, enzymen die essentieel zijn voor de replicatie van viraal genetisch materiaal. |
| Bacteriële vaginose | Een veelvoorkomende vaginale infectie die wordt gekenmerkt door een verstoorde balans van bacteriën in de vagina, wat leidt tot symptomen zoals een onaangename geur, afscheiding en een verhoogde pH-waarde. |
| SOA (Seksueel Overdraagbare Aandoening) | Een infectie die wordt overgedragen door seksueel contact, veroorzaakt door diverse pathogenen zoals virussen, bacteriën, protozoa of insecten, en die zowel lokale als systemische symptomen kan veroorzaken. |
| Syndromale behandeling | Een behandelingsaanpak waarbij een infectie wordt behandeld op basis van de klinische symptomen (syndroom) die de patiënt vertoont, zonder noodzakelijkerwijs de specifieke verwekker aan te tonen. |
| Gramkleuring | Een laboratoriumtechniek die wordt gebruikt om bacteriën te classificeren op basis van hun celwandstructuur, waarbij gram-positieve bacteriën paars kleuren en gram-negatieve bacteriën roze of rood. |
| Kweek | Een laboratoriummethode waarbij biologisch materiaal wordt blootgesteld aan voedingsstoffen om de groei van micro-organismen, zoals bacteriën of schimmels, te stimuleren voor identificatie en gevoeligheidstesten. |
| Gonorroe | Een seksueel overdraagbare aandoening veroorzaakt door de bacterie *Neisseria gonorrhoeae*, die urethritis bij mannen en vaak milde of asymptomatische infecties bij vrouwen kan veroorzaken, met risico op complicaties zoals Pelvic Inflammatory Disease (PID). |
| Chlamydia | Een seksueel overdraagbare aandoening veroorzaakt door de bacterie *Chlamydia trachomatis*, die vaak asymptomatisch verloopt maar kan leiden tot urethritis, cervicitis en op termijn tot infertiliteit. |
| Mycoplasmata | Een groep eenvoudige bacteriën die geen celwand hebben en resistent zijn tegen bèta-lactam antibiotica; in de tractus genitalis kunnen *Mycoplasma hominis*, *Ureaplasma urealyticum* en *Mycoplasma genitalium* voorkomen. |
| Trichomonas vaginalis | Een parasitaire protozoön die seksueel wordt overgedragen en vaginitis of urethritis kan veroorzaken, met mogelijke complicaties zoals PID en premature bevalling. |
| Geelzucht | Een symptoom van leverinfecties, gekenmerkt door een gelige verkleuring van de huid en het oogwit, veroorzaakt door een ophoping van bilirubine in het bloed als gevolg van een gestoorde galsecretie. |
| Malaise | Een algemeen gevoel van onbehagen, vaak gepaard gaande met symptomen zoals vermoeidheid, misselijkheid, verlies van eetlust en soms braken, wat typisch is voor infecties van de lever. |
| Cirrose | Een chronische leverschade die leidt tot littekenvorming en functieverlies van de lever, en die een mogelijke complicatie is van langdurige leverinfecties zoals hepatitis B en C. |
| Hepatocellulair carcinoom | Een vorm van leverkanker die kan ontstaan als gevolg van chronische leverinfecties, met name hepatitis B en C, die leiden tot langdurige ontsteking en celschade. |
| Fecaal-oraal | Een overdrachtsroute van infecties waarbij ziekteverwekkers via de ontlasting worden uitgescheiden en vervolgens oraal worden ingenomen, vaak door besmet voedsel of water, zoals bij hepatitis A. |
| Bloed-bloed contact | Een overdrachtsroute van infecties waarbij direct contact met besmet bloed plaatsvindt, zoals bij het delen van naalden door intraveneus drugsgebruik of via medische procedures, wat kenmerkend is voor hepatitis B en C. |
| Fulminant verloop | Een zeer ernstige en snel progressieve vorm van een ziekte, die in zeldzame gevallen kan optreden bij hepatitis A en E, en die leidt tot acuut leverfalen. |
| Immuunrespons | De reactie van het immuunsysteem op een infectie, die bij hepatitis B en C een belangrijke rol speelt in de pathogenese van leverschade en complicaties, terwijl bij immuundepressie de symptomen juist afwezig kunnen zijn. |
| Zoönose | Een infectieziekte die van dieren op mensen kan worden overgedragen, zoals bij hepatitis E, dat via besmet water of door contact met besmette varkens kan worden opgelopen. |
| Serostatus | De bepaling van de aanwezigheid en/of hoeveelheid van antistoffen in het bloed, wat informatie geeft over een doorgemaakte infectie of immuniteit tegen een specifieke ziekteverwekker. |
| Cytomegalovirus (CMV) | Een veelvoorkomend virus dat bij de meeste mensen asymptomatisch verloopt, maar tijdens de zwangerschap ernstige congenitale afwijkingen kan veroorzaken bij foetale infectie. |
| Congenitale afwijkingen | Afwijkingen die aanwezig zijn bij de geboorte, veroorzaakt door factoren die optreden tijdens de zwangerschap, zoals infecties of genetische oorzaken. |
| IgG antistoffen | Immunoglobuline G antistoffen die een langdurige immuniteit aangeven na een infectie of vaccinatie, en die de placenta kunnen passeren. |
| IgM antistoffen | Immunoglobuline M antistoffen die wijzen op een recente of actieve infectie, en die doorgaans niet de placenta passeren. |
| Aviditeit | De sterkte van de binding tussen een antistof en zijn antigeen, waarbij een lage aviditeit bij IgG antistoffen kan duiden op een recente infectie. |
| Rubella (rode hond) | Een virale infectie die tijdens de zwangerschap ernstige misvormingen bij de foetus kan veroorzaken, maar die door vaccinatie grotendeels te voorkomen is. |
| Hepatitis B Virus (HBV) | Een virus dat leverontsteking kan veroorzaken en dat tijdens de zwangerschap van moeder op kind kan worden overgedragen, met mogelijke chronische infectie bij de pasgeborene. |
| Varicella Zoster Virus (VZV) | Het virus dat waterpokken en gordelroos veroorzaakt; infectie tijdens de zwangerschap kan risico's voor de foetus met zich meebrengen. |
| Listeria monocytogenes | Een bacterie die listeriose kan veroorzaken, een ernstige infectie die vooral risico's inhoudt voor zwangere vrouwen en hun ongeboren kinderen. |
| Groep B streptokokken (GBS) | Een bacterie die bij zwangere vrouwen asymptomatisch kan zijn, maar die neonatale sepsis kan veroorzaken bij de pasgeborene indien deze tijdens de bevalling wordt blootgesteld. |
| Inflammatie | Een lokale reactie van het lichaam op weefselschade of infectie, gekenmerkt door roodheid (rubor), warmte (calor), pijn (dolor) en zwelling (tumor). |
| Exantheem | Een huiduitslag die optreedt als symptoom van een infectieziekte, vaak veroorzaakt door virussen of bacteriën. |
| Verwekkers | Micro-organismen zoals bacteriën, virussen en schimmels die infectieziekten kunnen veroorzaken. |
| Kweken | Een laboratoriumtechniek waarbij micro-organismen worden gekweekt op een voedingsbodem om hun aanwezigheid en identiteit vast te stellen. |
| Virulentiefactoren | Kenmerken of substanties die een micro-organisme helpen om infectie te veroorzaken, zoals toxines of enzymen die weefselschade veroorzaken. |
| Abcesvorming | De vorming van een met pus gevulde holte in het weefsel, als reactie van het immuunsysteem op een infectie. |
| Coagulase-negatieve stafylokokken (CNS) | Een groep bacteriën die de huid koloniseren en over het algemeen minder virulent zijn dan Staphylococcus aureus, maar infecties kunnen veroorzaken, vooral bij verzwakte patiënten of via medische hulpmiddelen. |
| Penicillinase | Een enzym geproduceerd door sommige bacteriën, zoals Staphylococcus aureus, dat bèta-lactam antibiotica, zoals penicilline, afbreekt en zo resistentie veroorzaakt. |
| Bèta-lactamase | Een brede groep enzymen die bèta-lactam antibiotica afbreken, waaronder penicillinase. |
| MRSA (Methicilline-resistente Staphylococcus aureus) | Een stam van Staphylococcus aureus die resistent is tegen methicilline en andere bèta-lactam antibiotica, wat de behandeling van infecties bemoeilijkt. |