Cover
Mulai sekarang gratis TAB 3.4 - Hoofdstuk 5a.docx
Summary
# Inzicht in stemmingsstoornissen
Dit onderwerp omvat de bio-psycho-sociale modellen van stemmingsstoornissen, verschillende classificaties zoals majeure depressie, PDD en bipolaire stoornis, en de bijbehorende risicofactoren en kenmerken.
### 1.1 Bio-psycho-sociaal model
Het bio-psycho-sociale model verklaart stemmingsstoornissen vanuit een samenspel van biologische, psychologische en sociale factoren.
#### 1.1.1 Biologische factoren
* **Genetische aanleg:** Erfelijkheid speelt een rol, met schattingen die variëren van 30 tot 40 procent, met specifieke genvariaties die de regulatie van neurotransmitters zoals serotonine beïnvloeden, vooral bij bipolaire stoornissen en depressie.
* **Biochemische factoren:** Een disbalans in neurotransmitters zoals serotonine en noradrenaline wordt geassocieerd met stemmingsstoornissen.
* **Neurofysiologische afwijkingen:** Veranderingen in hersengebieden die betrokken zijn bij denkprocessen en stemming, zoals een kleinere omvang of lagere metabole activiteit, kunnen een rol spelen.
#### 1.1.2 Psychologische factoren
* **Psychodynamische theorie:** Depressie wordt gezien als naar binnen gerichte woede na verlies, waarbij de mentale representatie van het verloren object geïnternaliseerd wordt, leidend tot zelfhaat. Bij bipolaire stoornis wordt een conflict tussen het superego (dominant in de depressieve fase, met schuldgevoelens) en het ego (dominant in de manische fase, met euforie) beschreven.
* **Humanistische visie:** Depressie kan voortkomen uit een verlies aan existentiële hoop, waarbij onvervulde mogelijkheden en de sociale rol de identiteit en eigenwaarde negatief beïnvloeden.
* **Leertheorieën:** De focus ligt op de omgeving en de mate van bekrachtiging ten opzichte van inspanningen.
* **Cognitieve theorieën:** Denkfouten met betrekking tot het zelf en de wereld, vaak gevormd in de jeugd door trauma of verstoorde hechting, kunnen leiden tot vertekende denkpatronen.
#### 1.1.3 Sociale factoren
Sociale omstandigheden, zoals intergenerationele problemen, gebrek aan sociale steun, materiële problemen, werk- of schoolgerelateerde stress, en levensgebeurtenissen (scheiding, misbruik), dragen bij aan het ontstaan en voortbestaan van stemmingsstoornissen.
### 1.2 Typen stemmingsstoornissen
#### 1.2.1 Majeure depressie
Dit type kenmerkt zich door één of meerdere episodes van ernstige depressie zonder manie of hypomanie.
* **Duur:** Minimaal twee weken, kan oplopen tot enkele maanden of zelfs langer dan een jaar.
* **Klinische kenmerken:**
* Gedeprimeerde stemming (bijna elke dag).
* Gevoelens van verdriet, hopeloosheid en leegte.
* Anhedonie (verlies van interesse of plezier).
* Negatieve gedachten over waardeloosheid en ongepaste schuldgevoelens.
* Doodsgedachten of suïcidale ideatie.
* "Vitale depressie" waarbij het hele lichaam lijkt mee te doen.
* Verandering in eetlust en gewicht (meer dan 5% per maand).
* Slaapproblemen (insomnia of hypersomnia).
* Concentratieproblemen en besluiteloosheid.
* Anergie, motorische vertraging of fysieke agitatie.
* **Comorbiditeit:** Hoge comorbiditeit met angststoornissen.
* **Suïcidaliteit:** Een aanzienlijk percentage patiënten heeft suïcidepogingen.
* **Psychotische depressie:** Kan gepaard gaan met stemmingscongruente wanen (bv. schuldwanen, zelfdestructieve wanen).
* **Recidiverend:** Bij tweederde van de patiënten komt de stoornis terug.
**Risicofactoren voor Majeure Depressie:**
* **Persoonsgebonden:** Erfelijkheid, persoonlijkheidskenmerken (introversie, lage zelfwaarde, negatieve attributiestijl), gezondheid (chronische aandoeningen, slaapproblemen, andere psychische stoornissen).
* **Omgevingsgebonden:** Intergenerationele problemen (bv. KOPP-kinderen, jeugdtrauma), gebrek aan sociale steun, materiële en werk-/schoolgerelateerde problemen, ingrijpende levensgebeurtenissen.
#### 1.2.2 Persisterende depressieve stoornis (PDD)
Voorheen bekend als dysthymie, is dit een mildere, chronische vorm van depressie.
* **Kenmerken:** Een aanhoudend "down" of "meh"-gevoel dat minstens twee jaar aanhoudt, met fluctuaties maar nooit volledige afwezigheid van klachten. Het kan ego-syntoon worden, met een constant pessimisme dat sociaal en professioneel functioneren aantast.
* **Dubbele depressie:** PDD kan samengaan met episodes van majeure depressie.
* **Seizoensdepressie (winterdepressie):** Kenmerkt zich door overmatig slapen, anergie, koolhydraat-hunkering en gewichtstoename, veroorzaakt door verstoringen in het bioritme en seizoensgebonden lichtveranderingen. Lichttherapie is een mogelijke behandeling.
* **Premenstruele stemmingsstoornis (PMSS):** Een ernstigere vorm van PMS met stemmingsschommelingen, prikkelbaarheid, angst en plotse huilbuien in de week voor de menstruatie, met opklaring na de menstruatie. De diagnose is controversieel.
* **Postpartum depressie:** Stemmingsveranderingen die na de bevalling optreden, langer duren dan de "baby blues", en gepaard gaan met verstoorde eetlust en slaap, geringe eigenwaarde en concentratieproblemen. Risicofactoren zijn een voorgeschiedenis van stemmingsproblemen, relationele problemen, financiële moeilijkheden en huiselijk geweld.
#### 1.2.3 Bipolaire stoornis
Gekenmerkt door buitensporige wisselingen in stemming, energie en activiteit. De stoornis is chronisch bij 95% van de patiënten.
* **Types:**
* **Bipolaire stoornis type I:** Minstens één volledige manische episode, met mogelijk depressieve episodes en periodes van normale stemming.
* **Bipolaire stoornis type II:** Episoden van hypomanie en depressie, maar nooit een volledige manische episode. Periodes van normale stemming komen voor.
* **"Rapid-cycling"-vorm:** Vier of meer stemmingswisselingen binnen een periode van twaalf maanden.
* **Manische episode:**
* **Duur:** Meer dan een week, vaak met een abrupt begin en snel toenemende intensiteit.
* **Kenmerken:** Verbeterde stemming (euforisch, optimistisch), opgeblazen eigenwaarde, psychomotore agitatie, ongeremd en slecht beoordelingsvermogen (koopwoede, promiscuïteit, slechte zakelijke investeringen), prikkelbaarheid, spraakzaamheid, vluchtige gedachtengang, slechte organisatie, snel afgeleid, veel energie en weinig slaapbehoefte. In ernstige gevallen kunnen psychotische kenmerken (bv. onkwetsbaarheidswanen) optreden.
* **Gevolgen:** Kan leiden tot schaamte en schuldgevoelens na de episode, met een verhoogd suïciderisico.
* **Hypomane episode:**
* **Kenmerken:** Lijkt op manie maar is minder ernstig, duurt minimaal 48 uur, en is niet voldoende ontregelend voor het functioneren. Geen hospitalisatie of psychotische kenmerken nodig.
* **Cyclothyme stoornis:** Een mildere, chronische vorm van bipolaire stoornis met cyclische stemmingswisselingen die het sociaal en persoonlijk functioneren belemmeren, maar nooit langer dan twee maanden stabiel blijven.
### 1.3 Behandeling van stemmingsstoornissen
#### 1.3.1 Psychotherapie
* **Psychodynamische therapie:** Gericht op inzicht in ambivalente gevoelens en het verwerken van woede.
* **Interpersoonlijke psychotherapie (IPT):** Kortdurende therapie gericht op huidige interpersoonlijke relaties.
* **Gedragstherapie:** Aanleren van effectieve interpersoonlijke vaardigheden en bevorderen van deelname aan plezierige activiteiten. Gedragsactivatie is een veelgebruikte vorm.
* **Cognitieve gedragstherapie (CGT):** Meest gebruikte behandeling voor depressie, gericht op het herkennen en corrigeren van disfunctionele denkpatronen.
#### 1.3.2 Biomedische behandeling
* **Antidepressiva:** Beschikbaar in vier soorten: MAO-remmers, TCA's, SSRI's en SNRI's. Deze verhogen de beschikbaarheid van neurotransmitters in de hersenen.
* **Psychedelica:** Zoals psilocybine, LSD en ketamine, worden toegepast bij ernstige depressie en kunnen snel effectief zijn door het stimuleren van nieuwe verbindingen in de hersenen. Voorzichtigheid is geboden vanwege mogelijke bijwerkingen en risico's, vooral in combinatie met andere medicatie of bij bepaalde kwetsbaarheden.
* **Sint-janskruid:** Kan effectief zijn bij lichte tot matige depressie en werkt vergelijkbaar met SSRI's, hoewel het geen geregistreerd geneesmiddel is.
* **Bipolaire stoornis/manie:**
* **Lithiumcarbonaat:** Stabiliseert de stemming en vermindert het risico op terugval, maar is toxisch en vereist levenslange behandeling.
* **Anti-epileptica:** Kunnen worden gebruikt, soms in combinatie met andere medicatie.
* **Elektroconvulsietherapie (ECT):** Een controversiële, maar effectieve behandeling voor ernstige depressie, waarbij elektrische schokken worden toegediend om een convulsie op te wekken. Nadelen zijn onder andere amnesie en een hoog hervalpercentage.
* **Repetitieve Transcraniële Magnetische Stimulatie (rTMS):** Effectiever dan medicatie bij moeilijk behandelbare depressie.
* **Alternatieve pistes:** Neuromodulatie, normobare zuurstoftherapie, en hyperthermie worden onderzocht.
### 1.4 Aandachtspunten voor de verpleegkundige
#### 1.4.1 Bij depressie
* **Focus:** Veiligheid, rust, voeding en structuur.
* **Interventies:** Psycho-educatie, dagstructurering, activering, en empathische aanwezigheid. Het stimuleren van gedeelde besluitvorming en zelfredzaamheid is belangrijk. Het vermogen om weer te kunnen huilen kan een eerste teken van herstel zijn.
#### 1.4.2 Bij manie
* **Focus:** Herstel van gezondheid en bestrijding van symptomen.
* **Interventies:** Psycho-educatie is zinvol nadat de ernst van de manische episode is afgenomen. Gesprekken over slecht nieuws kunnen het beste met twee hulpverleners worden gevoerd. Bewustzijn van de impact van manisch gedrag op de cliënt en omgeving is cruciaal.
* **Toolkit "Samen beslissen bij een bipolaire stoornis":** Bevat de Life Chart Methode om dagelijks functioneren, stemming en beïnvloedende factoren in kaart te brengen, wat bijdraagt aan zelfmanagement en het ontwikkelen van een signaleringsplan.
#### 1.4.3 Potentiële verpleegkundige diagnoses en interventies
* **Depressie:** Suïciderisico, gecompliceerde rouw, negatief zelfbeeld, sociaal isolement, machteloosheid, verstoord denken, malnutritie, slaaptekort.
* **Gecompliceerde rouw:** Beoordelen rouwproces, vertrouwensrelatie opbouwen, ruimte bieden voor gevoelens, uiten van woede faciliteren, psycho-educatie, relatie met de verlorene herbekijken, aanmoedigen van geestelijke bijstand.
* **Manie:** Gevaar voor letsel, dreigend geweld, malnutritie, verstoord denken, verstoorde zintuiglijke waarneming, inadequate sociale interacties, slaapstoornis.
* **Inadequate sociale interacties:** Begrijpen van de functie van manipulatief gedrag, stellen van grenzen, consequente communicatie, positieve bekrachtiging, verkennen van onderliggende gevoelens, hulp bij het herkennen van de consequenties van eigen gedrag.
---
## 2. Inzicht in suïcide
Suïcidegedrag is geen psychiatrische stoornis op zich, maar een uiting van ondraaglijke pijn.
### 2.1 Begrijpen van suïcide
* **Suïcideproces:** Gemiddeld duurt dit proces twee jaar met ups en downs. Er is geen "point of no return".
* **Ambivalentie:** De meeste mensen met suïcidale gedachten zijn ambivalent en worstelen tussen willen leven en dood willen.
* **Zichtbare signalen:** Voorafgaand aan een poging zijn er vaak zichtbare signalen (70-80%).
* **Ontlading na de poging:** Kan een tijdelijke opluchting geven, maar vereist nauwkeurige opvolging.
### 2.2 Verklarende modellen
* **Integratief bio-psycho-sociaal model:** Combineert biologische kwetsbaarheid (genetisch, cortisol), psychologische factoren (impulsiviteit, coping, zelfbeeld), psychiatrische stoornissen (vooral depressie) en sociale problemen (netwerk, steun, verlies).
* **Cry of Pain:** Een uiting van ondraaglijke, onoplosbare en oneindige pijnlijke problemen.
### 2.3 Risicofactoren
* **Media-impact:** Kan zowel positief als negatief werken.
* **Toegang tot middelen:** Middelenmisbruik kan ontremmend werken.
* **Eerdere pogingen:** De grootste drempelverlagende factor.
* **Demografische factoren:** Leeftijd, geslacht, sociaaleconomische status.
* **Biologische factoren:** Serotoninegehaltes.
* **Psychiatrische ziektebeelden:** Depressie, bipolaire stoornis, schizofrenie, eetstoornissen.
* **Erfelijke factoren:** Genetische kwetsbaarheid.
* **Vroege levenservaringen:** Trauma, misbruik.
### 2.4 Is suïcide te voorspellen?
* **Anamnese:** Eerdere pogingen (tentamen suicidii) zijn de belangrijkste voorspeller.
* **Signaleren:** Blijk geven van intenties, testament opstellen, bezittingen weggeven, of plotselinge kalmte kunnen indicatoren zijn.
* **"Niet pluis"-gevoel:** Een intuïtie bij hulpverleners kan een startpunt zijn voor onderzoek.
### 2.5 Omgaan met mensen met suïcidaal gedrag
* **Vraag ernaar:** Angst om de "doos van Pandora" te openen mag geen reden zijn om niet te vragen naar suïcidale gedachten. Vragen naar suïcidaliteit doorbreekt isolement, schept ruimte en normaliseert het thema.
* **Wat beter niet doen:** Onderschatten, veroordelen, vermijden, verwijten maken, uitdagen, onmiddellijk oplossingen aanbieden, of de hopeloosheid overnemen.
* **Basishouding:** Serieus nemen, respectvol, begripvol, empathisch, tijd nemen ("Vertraag en Verdraag"), directief en kalm blijven, actieve en transparante samenwerking ("Samen").
* **Ondersteunende interventies:** Emoties laten ventileren, stiltes laten bestaan, samenvatten en structureren, nagaan of de boodschap goed begrepen is.
* **Interventies naar verandering:** Hoop stimuleren zonder wanhoop te miskennen, het gesprek aanmoedigen, coping-mechanismen bevragen, nuanceren.
* **Concrete gespreksadviezen:** Ruim de tijd nemen, interesse tonen, luisteren, signaleren dat de patiënt het moeilijk heeft, helder krijgen of suïcidale gedachten bestaan, helpen bij het verwoorden van gevoelens, gevoelens accepteren.
### 2.6 Risicofactorenformulering (samenvatting)
Bij het inschatten van het risico op suïcide, wordt gekeken naar:
* **Huidige suïcidale intentie:** Frequentie, gedachten/beelden, intensiteit, plannen, ambivalentie.
* **Risicofactoren:** Eerdere suïcidaliteit, psychiatrische problematiek, middelengebruik, recente verlieservaringen, voorbeelden in de omgeving.
* **Beschikbare hulpbronnen:** Directe omgeving, bredere omgeving, school/werk.
* **Afleidingsstrategieën en stressfactoren.**
### 2.7 Verpleegkundig handelen
* **Bij vermoeden van suïcidaliteit:** Direct contact opnemen met de arts, rustig en vriendelijk blijven, uitleggen waarom je bij de patiënt blijft, contact houden door aanwezigheid en gesprek.
* **Beschermende maatregelen:** Indien nodig, beschermende maatregelen nemen, de familie informeren in overleg met de psychiater.
* **Safety plan:** Een concreet actieplan voor moeilijke momenten, samen met de cliënt opgesteld, dat zelfredzaamheid stimuleert. Dit is anders dan een non-suïcidecontract en biedt geen garanties, maar wel houvast.
* **High risk maatregelen:** Patiënt in het zicht houden, contact houden, regelmatig gesprek voeren, overleg met psychiater over veiligheidsmaatregelen. Bij intoxicatie of onhelderheid zijn beschermende maatregelen altijd noodzakelijk.
* **Adequaat VPK-handelen bij/na een TS:** Eigen veiligheid primeert, arts waarschuwen, vriendelijke doch zakelijke betrokkenheid tonen, overzicht en controle uitstralen, focussen op het hier en nu.
**Veelvoorkomende misvattingen over suïcide:**
* **Stelling 1:** Iemand die een zelfmoordpoging doet, wil niet altijd dood. (Vaak is het doel om een halt toe te roepen aan ondraaglijke pijn.)
* **Stelling 2:** Zelfmoord is een impulsief gebeuren. (Niet altijd; het kan ook jarenlang gepland zijn.)
* **Stelling 3:** Iemand die het echt wil doen, kan je niet tegenhouden. (Bij minste twijfel of ambivalentie is dit nog mogelijk.)
* **Stelling 4:** Een zelfmoord meemaken in je omgeving, kan de drempel verlagen om zelf een poging te ondernemen. (Impact media kan in beide richtingen werken.)
---
# Behandeling van stemmingsstoornissen
Dit deel behandelt de diverse therapeutische benaderingen voor stemmingsstoornissen, variërend van psychotherapie en medicatie tot meer ingrijpende biologische interventies.
### 2.1 Psychodynamische therapie
Psychodynamische therapieën, waaronder de traditionele psychoanalyse en modernere varianten, richten zich op het verkrijgen van inzicht in onbewuste conflicten en ambivalente gevoelens ten opzichte van belangrijke personen in het leven van de patiënt. Bij depressie wordt aangenomen dat woede naar binnen wordt gericht, resulterend in zelfhaat. De bipolaire stoornis wordt gezien als een conflict tussen het superego en het ego, waarbij het superego dominant is in de depressieve fase (met schuldgevoelens) en het ego in de manische fase (met euforie en overmatig zelfvertrouwen). Moderne psychoanalytische benaderingen zijn directer, korter en richten zich niet exclusief op het verleden.
#### 2.1.1 Interpersoonlijke psychotherapie (IPT)
IPT is een kortdurende therapie (minder dan 9-12 maanden) die zich primair richt op de huidige interpersoonlijke relaties van de patiënt. Het doel is het aanleren van effectievere interpersoonlijke vaardigheden en het bevorderen van deelname aan aangename activiteiten die voldoening geven.
### 2.2 Gedragstherapie
Gedragstherapie, en met name gedragsactivatie, is een veelgebruikte behandelingsvorm voor depressie. De focus ligt op het stimuleren van deelname aan activiteiten die plezier en voldoening opleveren, zoals tuinieren of het bijwonen van sportevenementen.
### 2.3 Cognitieve gedragstherapie (CGT)
CGT is de meest toegepaste behandeling voor depressie. Het richt zich op het herkennen en corrigeren van disfunctionele denkpatronen die verband houden met de eigen persoon, de wereld en de toekomst. Deze therapie duurt doorgaans 14 tot 16 weken.
> **Tip:** CGT is effectief omdat het patiënten leert hun denkpatronen te herkennen en te veranderen, wat een directe impact heeft op hun stemming en gedrag.
### 2.4 Biomedische behandelingen
Biomedische behandelingen omvatten medicatie en biologische interventies.
#### 2.4.1 Antidepressiva
Antidepressiva worden ingezet vanaf matige depressie om de beschikbaarheid van neurotransmitters in de hersenen te verhogen. Er zijn vier hoofdtypen:
* **MAO-remmers (Monoamine Oxidase-remmers):** Remmen enzymen die neurotransmitters afbreken. Worden minder vaak als eerste keuze gebruikt vanwege bijwerkingen en interacties.
* **TCA's (Tricyclische Antidepressiva):** Beïnvloeden noradrenaline en serotonine. Ze zijn potentieel toxisch bij overdosering, wat een risico vormt bij suïcidale patiënten.
* **SSRI's (Selectieve Serotonine Heropnameremmers):** Verhogen selectief de serotonineconcentratie.
* **SNRI's (Serotonine-Noradrenaline Heropnameremmers):** Beïnvloeden zowel noradrenaline als serotonine en hebben minder anticholinerge bijwerkingen dan TCA's.
#### 2.4.2 Psychedelica
Klassieke psychedelica (zoals psilocybine, LSD) en atypische (zoals ketamine) worden onderzocht en toegepast bij ernstige depressie, soms met suïcidaliteit. Ze kunnen via intraveneuze, orale of nasale toediening worden toegediend en hebben een snel en gunstig effect door het bevorderen van nieuwe verbindingen tussen hersencellen. Hoewel resultaten vergelijkbaar zijn met standaard antidepressiva, is het effect vaak van korte duur en is onderhoudsbehandeling nog onvoldoende gedocumenteerd. Er zijn potentiële risico's op interacties en acute gevaren, waaronder verhoogde suïcidale gedachten.
#### 2.4.3 Sint-janskruid
Sint-janskruid (Hypericum perforatum) wordt ingezet bij lichte tot matige depressie. De werking lijkt op die van SSRI's, maar het is geen geregistreerd geneesmiddel.
#### 2.4.4 Behandeling van bipolaire stoornis/manie
* **Lithiumcarbonaat:** Stabiliseert de stemming, remt manie en verkleint de kans op terugkeer. Soms is een levenslange behandeling nodig. Lithium is echter zeer toxisch.
* **Anti-epileptica:** Hebben vergelijkbare stemmingsstabiliserende eigenschappen. Ze zijn vaak minder krachtig en worden daarom vaak in combinatie met andere medicatie voorgeschreven.
#### 2.4.5 Elektroconvulsietherapie (ECT)
ECT is een controversiële maar effectieve behandeling waarbij een elektrische schok op het hoofd wordt toegediend, wat een convulsie veroorzaakt. Het wordt onder narcose en met een spierontspanner uitgevoerd. Nadelen zijn onder andere geheugenverlies en een hoog hervalpercentage. Het is minder effectief bij patiënten jonger dan 50 jaar.
#### 2.4.6 R-TMS (repetitieve Transcraniële Magnetische Stimulatie)
R-TMS is een onderdeel van de richtlijnen voor depressiebehandeling en kan effectiever zijn dan medicatie bij moeilijk behandelbare depressies.
#### 2.4.7 Alternatieve pistes (neuromodulatie)
Dit omvat technieken zoals Deep Brain Stimulation (DBS), normobare zuurstoftherapie en hyperthermie.
### 2.5 Aandachtspunten voor de verpleegkundige
#### 2.5.1 Bij depressie
* **Focus:** Veiligheid, rust, voeding en structuur. Symptomen zijn vaak 's ochtends het ergst.
* **Interventies:** Psycho-educatie, dagstructurering, activering. Blijf present en empathisch, ook als de patiënt zich terugtrekt. Stimuleer gedeelde besluitvorming en zelfredzaamheid. Kleine, haalbare doelen stellen. Bevorder lichaamsbeweging. Het vermogen om verdriet te voelen en te huilen is vaak een eerste teken van herstel.
#### 2.5.2 Bij manie
* **Focus:** Herstel van gezondheid en bestrijding van symptomen. Psycho-educatie is pas zinvol als de manische episode afneemt en de patiënt meer inzicht heeft.
* **Benadering:** Een patiënt in manie laat zich niet makkelijk tegenspreken. Slecht nieuwsgesprekken bij voorkeur met twee hulpverleners. Werk samen om oplossingen te zoeken en wees bewust van de impact van manisch gedrag.
> **Voorbeeld:** Een toolkit voor "Samen beslissen bij een bipolaire stoornis" en de "Life Chart Methode" kunnen helpen bij het in kaart brengen van relevante gegevens en het verhogen van het inzicht in de stoornis.
### 2.6 Potentiële verpleegkundige diagnoses en interventies
#### 2.6.1 Depressie
* **Diagnoses:** Suïciderisico, gecompliceerde rouw, negatief zelfbeeld, sociaal isolement, machteloosheid, verstoord denken, malnutritie, slaaptekort.
* **Interventies bij gecompliceerde rouw:** Beoordelen van het rouwproces, opbouwen van een vertrouwensrelatie, ruimte bieden voor gevoelens (inclusief woede), psycho-educatie, aanmoedigen van het herbekijken van de relatie met de overledene, en ondersteuning bij het ontwikkelen van adequatere copingstrategieën.
#### 2.6.2 Manie
* **Diagnoses:** Gevaar voor letsel, dreigend geweld, malnutritie, verstoord denken, verstoorde zintuiglijke waarneming, inadequate sociale interacties, slaapstoornis.
* **Interventies bij inadequate sociale interacties:** Onderzoeken van de functie van manipulatief gedrag, stellen van duidelijke grenzen, consequent toepassen van afspraken, positieve bekrachtiging bij niet-manipulatief gedrag, en helpen bij het herkennen van de consequenties van eigen gedrag.
### 2.7 Risicofactoren voor suïcidaliteit
* **Biologische kwetsbaarheid:** Genetische factoren, serotoninegehalte.
* **Psychologische factoren:** Impulsiviteit, agressie, denkfouten, negatief zelfbeeld, lage veerkracht.
* **Sociale problemen:** Gebrek aan sociaal netwerk en steun, verlieservaringen, groepsdruk.
* **Psychiatrische stoornissen:** Vooral depressie en afhankelijkheid.
* **Eerdere suïcidepogingen:** Dit is de grootste risicofactor.
* **Media-invloed:** Kan suïcidaliteit bevorderen.
* **Toegang tot middelen:** Middelenmisbruik werkt ontremmend.
### 2.8 Benadering van suïcidaal gedrag
* **Belangrijk:** Vraag direct naar suïcidale gedachten. Angst om ernaar te vragen is ongegrond en kan schadelijk zijn.
* **Vragen stellen:** Onderzoek de intentie, frequentie, intensiteit, plannen, ambivalentie, risicofactoren en beschikbare hulpbronnen.
* **Wat te doen:** Neem het serieus, wees respectvol, bied begrip en empathie, neem de tijd. Gebruik een actieve, transparante samenwerking.
* **Ondersteunende interventies:** Laat emoties ventileren, vat samen, controleer of je goed begrepen bent.
* **Stimuleren van verandering:** Moedig hoop aan zonder wanhoop te miskennen, bekrachtig gesprekken, bevraag copingmechanismen en breng nuancering aan.
> **Tip:** De "Chronological Assessment of Suicide Events" (CASE) benadering is een veelgebruikte methode voor klinische interviews om de suïcidale toestand te onderzoeken.
* **Wat beter niet te doen:** Onderschatten, veroordelen, vermijden, verwijten, uitdagen, onmiddellijk oplossingen aanbrengen, en je laten besmetten door hopeloosheid.
#### 2.8.1 Verpleegkundig handelen bij vermoeden van suïcidaliteit
* Ga in gesprek of schakel een collega of deskundige in.
* Overleg met de arts en vraag om een spoedconsult.
* Blijf rustig en vriendelijk, leg uit waarom je aanwezig blijft.
* Neem indien nodig beschermende maatregelen (bv. beperken van toegang tot middelen).
#### 2.8.2 Safety Plan
Een safety plan is een concreet actieplan voor moeilijke momenten, gemaakt in samenwerking met de patiënt. Het helpt de patiënt om zelf actie te ondernemen in crisissituaties en is effectiever dan non-suïcidecontracten. Het bestaat uit stappen zoals het herkennen van eigen signalen, copingstrategieën (alleen of met hulp), en het contacteren van hulpverlening.
#### 2.8.3 High-risk maatregelen
Bij een hoog risico is directe aanwezigheid, frequent contact, overleg met de psychiater en eventueel beschermende maatregelen (zoals fixatie of medicatie) noodzakelijk. De familie dient ingelicht te worden in overleg met de psychiater.
#### 2.8.4 Adequaat verpleegkundig handelen bij/na een poging
* Eigen veiligheid primeert.
* Waarschuw altijd een arts.
* Straal rust, overzicht en controle uit.
* Focus op het hier en nu.
* Praat over je eigen gevoelens met collega's.
> **Stelling 1:** "Iemand die een zelfmoordpoging doet, wil niet altijd dood." Dit is juist; uit het leven stappen is vaak een poging om ondraaglijke pijn te stoppen wanneer geen andere uitweg wordt gezien.
> **Stelling 2:** "Zelfmoord is een impulsief gebeuren." Niet altijd; het kan ook jarenlang gepland zijn, hoewel de uiteindelijke daad impulsief kan zijn na een beslissing.
> **Stelling 3:** "Iemand die het echt wil doen, kan je niet tegenhouden." Dit is discutabel; bij enige twijfel of ambivalentie lijkt interventie nog mogelijk.
> **Stelling 4:** "Een zelfmoord meemaken in je omgeving, kan de drempel verlagen om zelf een poging te ondernemen." De media-impact kan tweeledig zijn, maar het zien van een poging in de omgeving kan een drempel verlagen.
---
# Verpleegkundige benaderingen en suïcidepreventie
Dit onderwerp beschrijft de verpleegkundige benaderingen bij patiënten met stemmingsstoornissen, met specifieke aandacht voor de Life Chart Methode en suïcidepreventie.
### 3.1 Verpleegkundige aandachtspunten bij depressie en manie
#### 3.1.1 Depressie
Bij patiënten met depressie ligt de focus van de verpleegkundige zorg op het waarborgen van veiligheid, het creëren van rust en structuur, en het bevorderen van adequate voeding. Het is belangrijk te erkennen dat depressieve symptomen vaak het ergst zijn in de ochtend.
**Interventies bij depressie:**
* **Psycho-educatie:** Het informeren van de patiënt over de aandoening.
* **Dagstructurering en activering:** Het helpen structureren van de dag en het stimuleren van activiteit.
* **Aanwezigheid en empathie:** Zelfs wanneer de cliënt zich terugtrekt, is het belangrijk om aanwezig, empathisch en contactgericht te blijven. Verbinding en contact zijn cruciaal.
* **Shared Decision Making en zelfredzaamheid:** Stimuleer gezamenlijke besluitvorming en de zelfredzaamheid van de patiënt.
* **Kleine stappen:** Stel geen te hoge verwachtingen en werk met kleine, haalbare doelen.
* **Lichaamsbeweging:** Stimuleer voldoende lichaamsbeweging.
* **Observeren van verbetering:** Het opkomen van verdriet en de mogelijkheid om te huilen kunnen eerste tekenen zijn van herstel.
#### 3.1.2 Manie
Bij manie ligt de prioriteit bij het herstel van de gezondheid en het bestrijden van de symptomen. Psycho-educatie is pas zinvol nadat de ernst van de manische episode is afgenomen en de patiënt meer inzicht heeft.
**Uitdagingen en benaderingen bij manie:**
* Patiënten in een manische fase laten zich niet gemakkelijk tegenspreken, corrigeren of overtuigen.
* **Slecht nieuws-gesprekken:** Voer deze bij voorkeur met twee hulpverleners. Eén collega kan verbinding zoeken vanuit een bondgenoot-rol en samen met de patiënt zoeken naar een passende oplossing.
* **Impact van manisch gedrag:** Blijf bewust van de impact van manisch gedrag, zelfs nadat de acute fase voorbij is.
* **Toolkit ‘Samen beslissen bij een bipolaire stoornis’:** Deze toolkit kan ondersteuning bieden.
#### 3.1.3 Life Chart Methode (bij bipolaire stoornis)
De Life Chart Methode is een instrument om relevante gegevens over het dagelijks leven van een individu in kaart te brengen. Het helpt bij het monitoren van functioneren, stemming en beïnvloedende factoren zoals medicatie, slaap en levensgebeurtenissen.
**Doel en toepassing:**
* Onderdeel van zelfmanagementtaxatie.
* Bevordert het herkennen van de stoornis, de eerste symptomen, eigen kwetsbaarheid en krachten.
* Kan zowel retrospectief als prospectief worden gebruikt.
* Verhoogt het inzicht en dient als input voor een signaleringsplan.
#### 3.1.4 Potentiële verpleegkundige diagnoses en interventies
##### 3.1.4.1 Depressie
* **Diagnoses:** Suïciderisico, gecompliceerde rouw, negatief zelfbeeld, sociaal isolement/inadequate sociale interactie, machteloosheid, verstoord denken, malnutritie, slaaptekort/insomnia.
* **Interventies bij gecompliceerde rouw:**
* Beoordeel de fase van het rouwproces en bijbehorend gedrag.
* Bouw een vertrouwensrelatie op met empathie, warmte, eerlijkheid en consequentie.
* Bied een accepterende houding en ruimte voor open bespreking van gevoelens.
* Faciliteer het uiten van woede; ga niet in de verdediging.
* Bied psycho-educatie over het rouwproces en normaliseer gevoelens van schuld en woede.
* Moedig het herzien van de relatie met de overledene aan en corrigeer tactvol irreële voorstellingen.
* Laat de patiënt weten dat huilen is toegestaan en gebruik (waar gepast) aanraking therapeutisch.
* Help bij het oplossen van problemen bij het kiezen van adequatere copingstrategieën en geef positieve feedback.
* Moedig geestelijke bijstand aan.
##### 3.1.4.2 Manie
* **Diagnoses:** Gevaar voor letsel, dreigend geweld (zelf of op anderen), malnutritie, verstoord denken, verstoorde zintuiglijke waarneming, inadequate sociale interacties, slaapstoornis/insomnia.
* **Interventies bij inadequate sociale interacties:**
* Onderzoek de functie van manipulatief gedrag (macht/controle of onzekerheid).
* Stel grenzen aan manipulatief gedrag en communiceer verwachtingen en consequenties duidelijk. Zorg voor teamconsistentie in afspraken.
* Vermijd ruzie, onderhandeling en discussie. Herhaal afspraken en wees consequent.
* Geef positieve bekrachtiging bij niet-manipulatief gedrag en verken gevoelens die aan manipulatie voorafgaan.
* Help de patiënt de consequenties van eigen gedrag te herkennen en niet aan anderen toe te schrijven.
* Wijs positieve aspecten en prestaties van de patiënt aan.
### 3.2 Suïcidepreventie
Suïcidegedrag is geen psychiatrische stoornis op zich, maar een complex fenomeen. Het Vlaams Actieplan Suïcidepreventie streeft naar een reductie van sterfte door zelfdoding.
#### 3.2.1 Begrip van suïcidaal gedrag
* **Het suïcidale proces:** Gemiddeld duurt dit proces ongeveer 2 jaar met ups en downs. De stemming kan sterk variëren, zelfs binnen uren.
* **Ambivalentie:** De meeste mensen met suïcidale gedachten plannen niet, en de meesten met plannen ondernemen geen poging. Er is altijd ambivalentie, een constante strijd tussen twee opties, die verkend kan worden.
* **Zichtbare signalen:** Aan voorafgaande signalen wordt geschat dat 70-80% van de suïcidepogingen voorafgegaan wordt door zichtbare signalen. Na een poging treedt vaak ontlading op, maar het risico op een nieuwe poging kan snel stijgen. De periode direct na het nemen van de beslissing kan paradoxaal genoeg rust brengen.
* **Subtypes van suïcide (De Winter et al.):**
* **Cry of Pain:** Uiting van ondraaglijke, onoplosbare en oneindige pijnlijke problemen. Dit is anders dan een 'cry for help' (interpretatie van de omgeving).
* **Tunnelvisie:** Afname van probleemoplossend en oordeelsvermogen, waarbij men enkel de negatieve aspecten ziet en vergeet wat men achterlaat.
#### 3.2.2 Verklarende modellen
* **Integratief Bio-Psycho-sociaal model:**
* **Biologische kwetsbaarheid:** Genetische aanleg (bv. lager serotoninegehalte) en de impact van stress (cortisol) op de prefrontale cortex (aandacht, concentratie) en het limbisch systeem (hopeloosheid, angst, impulsiviteit).
* **Vroege levenservaringen:** Trauma, misbruik.
* **Psychologie:** Impulsiviteit, agressie, copingmechanismen, denkfouten, zelfbeeld, veerkracht.
* **Psychiatrische stoornis:** 90% van de zelfdodingen is gerelateerd aan psychiatrische aandoeningen, met name depressie.
* **Sociale problemen:** Gebrek aan sociaal netwerk, steun, verlieservaringen, druk vanuit de omgeving, eenzaamheid (versterkt door bv. de coronapandemie).
#### 3.2.3 Risicofactoren
* Eerdere suïcidepogingen (meest significante risicofactor).
* Gevoelens na een mislukte poging (bv. teleurstelling).
* Voorafgaande signalen van intentie (bv. testament opstellen, bezittingen weggeven).
* Plotselinge kalmte na een beslissing (kan verkeerd geïnterpreteerd worden).
* Media-impact (kan de drempel verlagen).
* Toegang tot middelen (middelenmisbruik werkt ontremmend).
* Demografische factoren (bv. man, jong versus oud, sociaaleconomische status).
* Biologische factoren (serotonine, erfelijkheid).
* Psychiatrische ziektebeelden (depressie, bipolaire stoornis, angststoornissen, schizofrenie).
#### 3.2.4 Voorspellen van suïcide
Suïcide is niet volledig te voorspellen, maar er zijn indicatoren:
* **Eerdere suïcidaliteit:** Met name bij adolescenten (risico significant hoger bij mannen).
* **Gedrag dat intenties verraadt:** Testament opmaken, bezittingen weggeven, graf kopen.
* **Plotselinge kalmte of opluchting:** Na het nemen van een beslissing kan dit een misleidend signaal zijn.
#### 3.2.5 Omgaan met mensen met suïcidaal gedrag
De MD-richtlijn (Model-richtlijn) voor suïcidepreventie biedt houvast.
* **Vermoeheid en 'niet pluis'-gevoel:** Ga na waarom dit gevoel bestaat en baseer dit op concrete signalen. Overleg met collega's.
* **In gesprek gaan:** Schakel een collega of deskundige in indien nodig.
* **Chronological Assessment of Suicide Events (CASE):** Een klinische interviewtechniek om de suïcidale toestand te onderzoeken.
**Belemmeringen om ernaar te vragen:**
* Angst om 'de doos van Pandora te openen' of het erger te maken.
* Angst om mensen op ideeën te brengen.
* Angst om onbewust goedkeuring te geven.
* Tijdsdruk.
**Waarom er wel naar vragen:**
* Het doorbreken van het isolement.
* Ruimte creëren voor het beladen thema (suïcidaliteit als coping).
* Laten zien dat men niet bang is om het onderwerp aan te snijden.
* Helpen bij het ordenen van gedachten.
* Bevordert intermenselijk contact en een werkalliantie.
**Wat beter niet te doen:**
* Onderschatten, veroordelen, vermijden, verwijten, uitdagen.
* Onmiddellijk oplossingen aandragen of positieve zaken gebruiken om te counteren.
* Zich laten besmetten door hopeloosheid.
**Basishouding:**
* Ernst nemen, respectvol zijn, begrip en empathie tonen.
* Tijd nemen ("Vertraag en Verdraag").
* Het kader schetsen ("Wat ik wel/niet voor jou kan betekenen").
* Directief en kalm blijven.
* Actieve, transparante samenwerking ("Samen").
**Ondersteunende interventies:**
* Emoties laten ventileren.
* Stiltes laten bestaan.
* Samenvatten en structureren.
* Nagaan of je goed begrepen hebt.
**Interventies gericht op verandering:**
* Hoop stimuleren zonder wanhoop te miskennen.
* Het zetten van de eerste stap (praten) bekrachtigen.
* Coping bevragen en nuanceren (tegen zwart-wit denken).
**Concrete gespreksadviezen:**
* Vraag toestemming om te gaan zitten en het gesprek aan te gaan.
* Neem ruim de tijd (minimaal 10 minuten).
* Toon interesse en luister.
* Deel je indruk dat de patiënt het moeilijk heeft.
* Probeer de aanwezigheid, duur, concreetheid en intensiteit van suïcidale gedachten te achterhalen.
* Help bij het verwoorden van gevoelens (bv. "Als ik u goed begrijp, dan hoeft het van u niet zo verder omdat...").
* Accepteer gevoelens zonder te ontkennen of goed te praten.
* Sluit het gesprek af met een concrete vervolgstap indien nodig (bv. afspraak met arts).
**Risicoformulering (onderdelen):**
* Huidige suïcidale intentie (frequentie, gedachten/beelden, intensiteit, plannen, ambivalentie).
* Risicofactoren (eerder suïcidaliteit, psychiatrische problematiek, middelengebruik, recente verliezen, voorbeelden in omgeving).
* Beschikbare hulpbronnen (directe omgeving, bredere omgeving, school/werk).
* Hoe gedachten afleiden.
* Dreigende veranderingen of stressfactoren.
#### 3.2.6 Verpleegkundig handelen bij een vermoeden van suïcidaliteit
Bij een ernstig vermoeden van suïcidaliteit dient direct contact opgenomen te worden met de arts voor een spoedconsult.
* **Blijf rustig en vriendelijk:** Leg uit waarom je bij de patiënt blijft.
* **Hou contact:** Zowel door aanwezigheid als door regelmatig te praten.
* **Neem beschermende maatregelen:** Indien nodig (bv. bij intoxicatie).
* **Informeer familie/wettelijke vertegenwoordiger:** In overleg met de psychiater.
* **Dossiervermelding:** Duidelijke vermelding van te ondernemen acties bij crisissituaties.
#### 3.2.7 Adequate verpleegkundige/medische handelen bij en na een suïcidepoging
* **Eigen veiligheid primeert.**
* **Waarschuw direct een arts.**
* **Houding:** Vriendelijke, zakelijke betrokkenheid. Duidelijk maken dat je overzicht en controle hebt, dit werkt geruststellend. Focus op het hier en nu.
* **Spreken met collega's:** Over gedeelde schuldgevoelens kan helpen.
#### 3.2.8 Safety plan (veiligheidsplan)
Een safety plan is een concreet actieplan voor moeilijke momenten en is effectiever dan een non-suïcidecontract. Het stelt de cliënt terug in een actieve positie.
* **Kernboodschap:** Je kan zelf op moeilijke momenten anders handelen.
* **6 stappen:** Herkennen van eigen signalen, coping die alleen kan, coping met iemand (zonder te zeggen hoe slecht het gaat), coping met iemand en praten, hulpverlening contacteren, veiligheid garanderen.
* **Maak het plan samen met de patiënt:** Zo concreet mogelijk.
* **Anticipeer op barrières:** Bespreek alternatieven.
* **Mogelijkheden:** Zelf schrijven, online sjablonen, apps.
#### 3.2.9 High-risk maatregelen
* Plaats de patiënt in het zicht.
* Blijf in de buurt en ga regelmatig in gesprek.
* Overleg met de psychiater over te nemen veiligheidsmaatregelen.
* Bij verminderde helderheid (bv. intoxicatie) zijn beschermende maatregelen noodzakelijk (bv. fixatie, verwijderen gevaarlijke voorwerpen).
#### 3.2.10 Stellingen over suïcide (discussiepunten)
* **Stelling 1: "Iemand die een zelfmoordpoging doet, wil niet altijd dood."**
* Suïcide kan gezien worden als een poging om ondraaglijke pijn te stoppen, niet per se een wens om dood te zijn. Vaak ziet men geen andere uitweg.
* **Stelling 2: "Zelfmoord is een impulsief gebeuren."**
* Niet altijd; het kan jarenlang overwogen zijn, maar de uiteindelijke daad kan wel impulsief zijn na de beslissing.
* **Stelling 3: "Iemand die het echt wil doen, kan je niet tegenhouden."**
* Bij de minste twijfel of ambivalentie kan interventie nog mogelijk zijn. De vraag is wat 'echt' betekent.
* **Stelling 4: "Een zelfmoord meemaken in je omgeving, kan de drempel verlagen om zelf een poging te ondernemen."**
* De impact van media op suïcidegedrag kan in beide richtingen werken.
---
## Veelgemaakte fouten om te vermijden
- Bestudeer alle onderwerpen grondig voor examens
- Let op formules en belangrijke definities
- Oefen met de voorbeelden in elke sectie
- Memoriseer niet zonder de onderliggende concepten te begrijpen
Glossary
| Term | Definition |
|------|------------|
| Bio-Psycho-Sociaal model | Dit model beschrijft de ontwikkeling van stemmingsstoornissen als een interactie tussen biologische (genetische, biochemische, neurofysiologische), psychologische (cognitieve, psychodynamische, leer-) en sociale (omgevings-, interpersoonlijke) factoren. |
| Majeure depressie | Een stemmingsstoornis die gekenmerkt wordt door een of meerdere episoden van ernstige depressie, zonder manische of hypomane episoden. Kenmerkend zijn een gedeprimeerde stemming, verlies van interesse (anhedonie), schuldgevoelens en suïcidale ideatie. |
| Anhedonie | Het onvermogen om plezier te ervaren of interesse te tonen in voorheen genoten activiteiten. Dit is een kernsymptoom bij diverse psychische stoornissen, waaronder depressie. |
| Psychotische depressie | Een ernstige vorm van depressie waarbij de patiënt waanideeën heeft die vaak overeenkomen met de sombere stemming, zoals schuldwanen of wanen van zelfvernietiging. |
| Persisterende depressieve stoornis (PDD) | Ook bekend als dysthymie, is dit een mildere, chronische vorm van depressie die gekenmerkt wordt door een langdurige, laaggradige depressieve stemming en andere depressieve symptomen die het dagelijks functioneren beïnvloeden. |
| Seizoensdepressie | Een type depressie dat gerelateerd is aan de veranderende seizoenen, meestal voorkomend in de wintermaanden (winterdepressie) en verdwijnend in het voorjaar. Kenmerken zijn onder andere overmatig slapen en een hunkering naar koolhydraten. |
| Premenstruele stemmingsstoornis (PMSS) | Een ernstigere vorm van premenstrueel syndroom (PMS) met significante stemmingsveranderingen, prikkelbaarheid, angst en somberheid die optreden in de week voorafgaand aan de menstruatie en doorgaans verbeteren na de menstruatie. |
| Postpartum depressie | Een stemmingsstoornis die zich kan voordoen na de bevalling, gekenmerkt door aanhoudende somberheid, huilbuien, prikkelbaarheid, slaap- en eetproblemen en een verminderd gevoel van eigenwaarde. Het verschilt van de 'baby blues' door de duur en ernst. |
| Bipolaire stoornis | Een stemmingsstoornis die wordt gekenmerkt door extreme schommelingen in stemming, energie en activiteitenniveaus. Dit omvat episoden van manie of hypomanie (verhoogde stemming, energie) afgewisseld met depressieve episoden. |
| Manische episode | Een periode van abnormaal verhoogde, euforische of prikkelbare stemming, gepaard gaande met verhoogde activiteit en energie. Kenmerken zijn onder andere opgeblazen zelfwaarde, verminderde behoefte aan slaap, spraakzamer zijn en impulsief gedrag. |
| Hypomane episode | Een mildere vorm van een manische episode, waarbij de kenmerken van verhoogde stemming en activiteit minder ernstig zijn en het functioneren van de patiënt niet dusdanig verstoren dat hospitalisatie noodzakelijk is. |
| Cyclothyme stoornis | Een mildere, chronische bipolaire stoornis die gekenmerkt wordt door een cyclisch patroon van lichte stemmingswisselingen tussen depressieve en hypomane symptomen, die echter niet voldoen aan de diagnostische criteria voor bipolaire stoornis I of II. |
| Antidepressiva | Medicijnen die worden voorgeschreven voor de behandeling van depressie. Ze werken door de beschikbaarheid van bepaalde neurotransmitters, zoals serotonine en noradrenaline, in de hersenen te verhogen. |
| MAO-remmers | Een klasse van antidepressiva die de afbraak van neurotransmitters remmen door het enzym monoamineoxidase te inhiberen. Ze worden niet vaak als eerste keuze gebruikt vanwege potentiële interacties en bijwerkingen. |
| TCA’s (Tricyclische antidepressiva) | Een oudere klasse van antidepressiva die de heropname van noradrenaline en serotonine beïnvloeden. Ze kunnen effectief zijn, maar hebben aanzienlijke bijwerkingen en zijn giftig bij overdosis. |
| SSRI’s (Selectieve serotonineheropnameremmers) | Een veelgebruikte klasse van antidepressiva die selectief de heropname van serotonine remmen, wat leidt tot een verhoogde beschikbaarheid van serotonine in de synaptische spleet. |
| SNRI’s (Serotonine- en noradrenalineheropnameremmers) | Antidepressiva die zowel de heropname van serotonine als noradrenaline beïnvloeden, waardoor ze een breder werkingsprofiel hebben dan SSRI's. |
| Psychedelica | Een groep psychoactieve stoffen die perceptuele, cognitieve en emotionele veranderingen veroorzaken. In de context van stemmingsstoornissen worden ze onderzocht voor hun potentieel om snel effectieve antidepressieve effecten te bieden. |
| Lithiumcarbonaat | Een stemmingsstabilisator die voornamelijk wordt gebruikt voor de behandeling van bipolaire stoornis. Het helpt bij het stabiliseren van stemmingswisselingen en het verminderen van het risico op manische en depressieve terugvallen. |
| ECT (Elektroconvulsietherapie) | Een medische behandeling waarbij gecontroleerde elektrische schokken aan de hersenen worden toegediend om een korte convulsie op te wekken. Het wordt gebruikt voor ernstige depressie, manie en katatonie wanneer andere behandelingen falen. |
| R-TMS (Repetitieve Transcraniële Magnetische Stimulatie) | Een niet-invasieve hersenstimulatietechniek die magnetische pulsen gebruikt om specifieke hersengebieden te activeren. Het wordt gebruikt bij moeilijk behandelbare depressie. |
| Suïcidegedrag | Alle gedragingen die gericht zijn op zelfbeschadiging met de intentie om te sterven. Dit omvat suïcidale ideatie (gedachten), suïcidepogingen en voltooide suïcide. Het wordt niet beschouwd als een psychiatrische stoornis op zich. |
| Ambivalentie (suïcide) | Een staat van innerlijke conflict waarbij iemand tegelijkertijd wil leven en dood wil. Deze tegenstrijdige gevoelens zijn vaak aanwezig bij suïcidale personen en zijn een belangrijk aangrijpingspunt voor interventie. |
| Cry of Pain | Een uiting van ondraaglijke, onoplosbare en oneindige pijnlijke problemen. Dit staat tegenover een 'cry for help', wat een interpretatie van de omgeving is. |
| Tunnelvisie (suïcide) | Een vernauwde perceptie waarbij iemand zich alleen richt op het negatieve aspect van een probleem en het vermogen om oplossingen te zien of andere perspectieven te overwegen, sterk afneemt. |
| Integratief Bio-Psycho-sociaal model (suïcide) | Een model dat suïcide verklaart door de interactie van biologische kwetsbaarheden, psychologische factoren (zoals impulsiviteit en denkfouten), vroege levenservaringen, psychiatrische stoornissen en sociale problemen. |
| Risicofactoren (suïcide) | Factoren die de kans op suïcidaal gedrag vergroten, zoals eerdere pogingen, psychiatrische stoornissen, middelengebruik, sociale isolatie en verlieservaringen. |
| Safety plan | Een concreet actieplan, opgesteld in samenwerking met de patiënt, dat strategieën bevat om te hanteren tijdens crisismomenten en suïcidale gedachten. Het is geen non-suïcidecontract maar een hulpmiddel voor zelfmanagement. |
| Hoge risk maatregelen | Acute maatregelen die genomen worden wanneer een patiënt een hoog suïciderisico vertoont, zoals verhoogd toezicht, beperken van toegang tot gevaarlijke middelen, fixatie en het inlichten van familie of wettelijke vertegenwoordigers. |