WW - MSK4 - HOC heup.pdf
Summary
# Femoroacetabulair impingementsyndroom (FAIS)
Femoroacetabulair impingementsyndroom (FAIS) is een bewegingsgerelateerde klinische aandoening van de heup, gekenmerkt door symptomen, klinische tekenen en beeldvormingsbevindingen die wijzen op symptomatisch, vroegtijdig contact tussen het proximale femur en het acetabulum [7](#page=7).
### 1.1 Omschrijving en etiologie
FAIS wordt gedefinieerd als symptomatisch prematuur contact tussen de proximale femur en het acetabulum. De oorzaak kan divers zijn en onderverdeeld worden in verschillende subtypes [7](#page=7) [8](#page=8):
* **CAM-type:** Vaak geassocieerd met botuitgroeiingen aan de proximale femurkop of -nek, die ontstaan tijdens de groei. Dit type wordt ook wel gelinkt aan "cutting sports" [8](#page=8).
* **PINCER-type:** Gekenmerkt door een overmatige bedekking van de femurkop door het acetabulum [8](#page=8).
* **Gecombineerd type:** Een combinatie van CAM- en PINCER-kenmerken [8](#page=8).
* **Secundair letsel:** Vaak veroorzaakt door een secundair labrumletsel [10](#page=10).
### 1.2 Symptomen
Patiënten met FAIS presenteren zich typisch met de volgende symptomen:
* **Pijn:** Vaak gelokaliseerd in de lies, soms beschreven als een "C-sign". De pijn wordt verergerd door langdurig zitten, in- en uitstappen uit de auto, en bepaalde sportbewegingen of stretches [10](#page=10).
* **Stijfheid:** Een gevoel van beperking in de heup [10](#page=10).
* **Klikken:** Soms wordt een klikkend geluid waargenomen tijdens specifieke bewegingen [10](#page=10).
* **Beperkte bewegingsuitslag (ROM):** Vooral de interne rotatie is vaak beperkt [11](#page=11).
* **Evolutie:** De symptomen ontwikkelen zich meestal traag en geleidelijk [10](#page=10).
* **Leeftijd en populatie:** Symptomen treden vaak op tussen de 20 en 30 jaar, voornamelijk bij een actieve populatie [10](#page=10).
### 1.3 Klinisch onderzoek
Het klinisch onderzoek richt zich op het objectiveren van de beperkingen en het provoceren van de symptomen:
* **Gang-analyse:** Beoordeling van de heuphoek in extensie en interne rotatie [11](#page=11).
* **Squat-test:** Beoordeling van de diepte van de squat, de mate van posterieure bekkenkanteling en de mogelijkheid om de heuppositie te modificeren [11](#page=11).
* **Single leg hip flexion:** Evaluatie van de posterieure bekkenkanteling [11](#page=11).
* **Pelvic tilt test:** Beoordeling van de controle en dissociatie van het bekken [11](#page=11).
* **Rotatie-index:** Vergelijking van interne rotatie in rugligging versus externe rotatie in 90 graden flexie [11](#page=11).
* **Impingement testen:**
* **FADIR (Flexie, adductie, interne rotatie):** Hoge sensitiviteit (94%), lage specificiteit (8%) [12](#page=12).
* **FABER (Flexie, abductie, externe rotatie):** Wordt gebruikt binnen een cluster van symptomen [12](#page=12).
* **FABER-clusters:** Een cluster van symptomen bestaande uit liespijn én een positieve FABER-test, of een positieve FADIR-test én een positieve FABER-test, heeft een hoge sensitiviteit (97%) [12](#page=12).
### 1.4 Beeldvorming
Beeldvormende diagnostiek is essentieel voor het bevestigen van de diagnose en het identificeren van het subtype:
* **Radiografie (RX):**
* **CAM-type:** Een $\alpha$-hoek $\geq$ 50-55 graden op een röntgenfoto kan duiden op een CAM-type [13](#page=13).
* **PINCER-type:** Een LCEA (Lateral Center-Edge Angle) $\geq$ 39 graden op een röntgenfoto kan wijzen op een PINCER-type [13](#page=13).
### 1.5 Management
Het management van FAIS kan conservatief of chirurgisch zijn en vereist vaak een langdurige aanpak (maanden). Progressieve variabelen zoals heuphoek, dosering en weerstand zijn hierbij cruciaal .
#### 1.5.1 Conservatief management
Het conservatieve traject focust op het aanpakken van beperkingen en deconditionering:
* **Kracht en conditie:** Evaluatie van beperkingen, met name deconditionering van de onderste ledematen. Een 10 RM (Repetition Maximum) test kan hierbij nuttig zijn .
* **Onderzoek naar specifieke spierzwakte:**
* M. quadriceps (bv. single leg squat) .
* M. hamstrings (bv. single leg 90 graden supine bridge) .
* Adductoren (bv. Copenhagen plank) .
* Abductoren (bv. side plank) .
* Abdominals (bv. supine double leg lift) .
* Er wordt gezocht naar significante verschillen tussen links en rechts .
* **Sport-specifiek:** Evaluatie en modificatie van techniek binnen de sport .
#### 1.5.2 Chirurgisch management
Chirurgisch management wordt overwogen wanneer conservatieve methoden onvoldoende resultaat bieden.
* **Educatie van de patiënt:** Cruciaal voor het managen van verwachtingen, begrijpen van de revalidatietijdlijn (vaak langer dan 4-5 maanden), het niveau van return-to-play (RTP) en het belang van prehabilitatie .
* **Prognostische factoren na chirurgie:**
* **Positieve predictors:** Jonge leeftijd, mannelijk geslacht, hogere Patient Reported Outcome Measures (PROMS) (HOS-ADL > 60), normale BMI .
* **Negatieve predictors:** Hogere leeftijd (> 55.5 jaar), vrouwelijk geslacht, langere pre-operatieve klachten (> 9.5 maanden), abnormale (hoog/laag) BMI, chondrale defecten, gewrichtsruimte < 2 mm .
* **Fase van post-operatieve revalidatie:**
* **Fase 0-4 weken (Quit hip):**
* Laat de heup tot rust komen om herstel mogelijk te maken .
* Vermijd overmatige belasting en beperk gewichtsdragende posities .
* Vermijd eind-ROM (Range Of Motion) vanwege reactiviteit .
* Geen grote hefboom heupflexiebewegingen .
* **Doel:** Normale, pijnvrije ROM verkrijgen. Deze fase kan langer duren indien nodig .
* **Fase 4-8 weken (Controlled hip):**
* Progressieve belasting .
* Focus op proprioceptie en stabiliteit .
* Deze fase kan langer duren indien nodig .
* **Fase 8-12 weken (Strong hip):**
* Focus op kracht en conditie .
* Alle delen van de heup worden betrokken .
* Deze fase kan langer duren indien nodig .
* **Fase > 3 maanden (Dynamic hip):**
* Absorptie van krachten in meerdere richtingen, inclusief rotaties .
* Oefeningen omvatten springen, landen en draaien .
* **Doel:** Voldoen aan RTP-criteria. Deze fase kan langer duren indien nodig .
### 1.6 Gerelateerde aandoeningen
Heupdysplasie (HD) is een gerelateerde aandoening die ook aandacht verdient in de context van heupklachten .
---
# Heupdysplasie (HD)
Heupdysplasie (HD) is een veelvoorkomende vervorming die leidt tot verhoogde gewrichtskrachten en degeneratie van het kraakbeen .
### 2.1 Algemene beschrijving
Acetabulaire dysplasie, de onderliggende oorzaak van HD, resulteert in verhoogde reactieve krachten in het gewricht, overbelasting van de acetabulaire rand, en uiteindelijk degeneratie van het kraakbeen. Dit kan leiden tot een verhoogde belasting van het gewricht, zowel multi-directioneel als rotaties, wat significant is tijdens activiteiten zoals springen, landen en draaien .
### 2.2 Subtypes van heupdysplasie
Er zijn verschillende subtypes van HD te onderscheiden:
* **Ontwikkelingsdysplasie van de heup (DDH):** Dit subtype heeft een duidelijke genetische component, met een verhoogd risico indien er een familielid (broer, zus, ouder) is met heupproblematiek. Ook tweelingen hebben een verhoogd risico, met name de eerstgeborene .
* **Adolescente HD:** Dit subtype wordt gekenmerkt door vertraagde ossificatie van het triradiate kraakbeen en onvoldoende ossificatie van het laterale acetabulum .
### 2.3 Klinische kenmerken en presentatie
* **Pijn:** Liespijn is een veelvoorkomend symptoom bij heup pathologieën, inclusief HD, en wordt in ongeveer 72% van de gevallen gemeld. Laterale heuppijn wordt vaker geassocieerd met gluteale tendinopathie .
* **FAIS (Femoroacetabular Impingement Syndrome):** Een 'C-sign' kan wijzen op FAIS .
* **Iliopsoas tendinopathie:** Dit kan optreden als gevolg van compensatiebelasting en is een belangrijke stabilisator van de heup .
* **Gang-analyse:** Patiënten met HD vertonen vaak een verminderde heupextensie in hun gang .
* **Trendelenburg teken:** Dit teken is positief bij ongeveer 37% van de patiënten met HD .
* **Bewegingsbereik (ROM):** Een abnormaal groot heup ROM kan wijzen op ligamentaire laxiteit .
* **Impingement test:** De FADIR test is in 97% van de gevallen positief bij verdenking op HD .
> **Tip:** De gemiddelde tijd tot diagnose kan aanzienlijk zijn .
### 2.4 Differentiële diagnose
Bij de evaluatie van heupklachten is het belangrijk om HD te onderscheiden van andere pathologieën. De differentiële diagnose omvat onder andere:
* Liespijn, die veel heuppathologieën kan presenteren .
* Laterale heuppijn, wat kan wijzen op gluteale tendinopathie (GTPS) .
* FAIS, waarvoor een 'C-sign' kenmerkend kan zijn .
* Iliopsoas tendinopathie, vaak secundair aan compenserende belasting .
### 2.5 Klinisch onderzoek
Een grondig klinisch onderzoek omvat:
* Beoordeling van de extensie-load intolerantie, kenmerkend voor HD .
* Gang-analyse om de mate van heupextensie te observeren .
* Beoordeling van flexie-load intolerantie, wat kan wijzen op iliopsas tendinopathie (bijv. via een prone SL plank test) .
* Het uitvoeren van de Trendelenburg test .
* Inspectie van het bewegingsbereik van de heup op abnormaliteiten, wat kan duiden op ligamentaire laxiteit .
* Uitvoeren van impingement tests, met name de FADIR test .
* Bij verdenking op HD wordt beeldvorming, zoals röntgenfoto's (RX), CT of MRI, geadviseerd .
### 2.6 Beeldvorming
* **Röntgenfoto's (RX):**
* **HD:** Gedefinieerd door een LCEA (Lateral Center Edge Angle) van minder dan 20 graden .
* **Borderline HD:** Gekenmerkt door een LCEA tussen 20 en 25 graden .
### 2.7 Management
De keuze tussen conservatief en operatief management hangt af van diverse factoren en kan maanden duren .
#### 2.7.1 Conservatief management
Het doel van conservatief management is het optimaliseren van kracht en functionele prestaties .
* **Indicaties voor doorverwijzing naar medisch specialistische behandeling (MBV):**
* Niet-responsief op fysiotherapie binnen 3 tot 5 maanden .
* Vermoeedens van ernstige of urgente pathologie .
#### 2.7.2 Operatief management
Het primaire chirurgische ingrijpen bij HD is de peri-acetabulaire osteotomie (PAO) .
* **Herstel na PAO:**
* Hospitalisatie: 2 tot 4 dagen .
* Krukken: 6 tot 8 weken .
* Terugkeer naar school/werk: 3 maanden .
* Terugkeer naar sport: 6 tot 12 maanden .
* **Bilaterale HD:** Bij bilaterale HD kan een tweede operatie worden uitgevoerd met een interval van 4 tot 6 maanden .
---
# Osteoartritis (OA)
Osteoartritis (OA) van de heup is de meest voorkomende oorzaak van heupklachten bij volwassenen [19](#page=19).
### 3.1 Klinische tekenen en symptomen
Hoewel OA vaak geassocieerd wordt met de oudere populatie, kan het ook bij jongeren voorkomen omdat het een multifactorieel probleem is. De symptomen nemen doorgaans progressief toe. Typische klachten omvatten pijn bij het aantrekken van schoenen en kousen, pijn bij het in- en uitstappen van een auto, en pijnlijke rotatie van de heup. Een specifieke aanpassing van het looppatroon treedt op bij toenemende symptomen, en de pijn bevindt zich vaak in de liesregio [20](#page=20).
> **Tip:** Het is belangrijk te beseffen dat 40% van de patiënten met heup OA ook kniepijn ervaart of pijn onder de knie. Dit is gerefereerde pijn via de nervus saphenus, die ontspringt uit de nervus femoralis, en betekent niet noodzakelijk dat er een probleem is in de lage rugwervelkolom (LWZ) [20](#page=20).
### 3.2 Impact op de levenskwaliteit
Patiënten die wachten op een totale heupprothese (THP) uiten vaak hun zorgen, zoals "Ik moet langer wachten voor een THP", "Ik ben te jong voor een THP", of "Ik moet wachten, anders heb ik nood aan een revisie THP". Echter, het advies is om *niet* te wachten, aangezien dit een significante impact heeft op de health-related quality of life (HRQoL) [21](#page=21).
Onderzoek toont aan dat oudere volwassenen met OA van de onderste extremiteiten een aanzienlijke impact op meerdere dimensies van hun HRQoL ervaren in vergelijking met gezonde controles. Dit uit zich in [21](#page=21):
* Slechter fysieke gezondheid [21](#page=21).
* Slechter mentale gezondheid [21](#page=21).
* Meer beperkingen, zowel fysiek als emotioneel [21](#page=21).
* Meer pijn [21](#page=21).
> **Tip:** De impact van OA op de levenskwaliteit is dus aanzienlijk en mag niet worden onderschat. Vroegtijdige interventie kan de HRQoL positief beïnvloeden [21](#page=21).
### 3.3 Managementstrategieën
#### 3.3.1 Operatief management: totale heupprothese (THP)
Een belangrijke operatieve behandelingsoptie voor heup OA is de totale heupprothese (THP) [22](#page=22).
#### 3.3.2 Postoperatief herstel
Het postoperatieve herstel na een THP is generiek, maar kan variëren afhankelijk van de specifieke procedure, het ziekenhuis en de patiënt. De richtlijnen voor postoperatief herstel omvatten onder andere [22](#page=22) [23](#page=23):
* **Vroegtijdige mobilisatie:** Patiënten worden aangemoedigd om zo spoedig mogelijk te wandelen, eventueel met hulpmiddelen. Dit vermindert het risico op diepveneuze trombose (DVT) en cardiale problemen [23](#page=23).
* **Activatie:** Stimulatie tot activiteit is cruciaal in het herstelproces [23](#page=23).
* **Gang revalidatie:** Start met een bipodaal looppatroon en progresseer naar een unipodaal looppatroon wanneer mogelijk. Het doel is de revalidatie van het pre-operatieve looppatroon [23](#page=23).
* **Krachtoefeningen:** Versterking van de heup musculatuur is essentieel, zowel in bed als staand [23](#page=23).
* **Cardiovasculaire training:** Gebruik van een fietsergometer wordt aanbevolen [23](#page=23).
* **Afbouwen hulpmiddelen:** Hulpmiddelen worden afgebouwd naarmate het looppatroon zonder manken verbetert [23](#page=23).
* **Zwemmen:** Zwemmen, zoals aquagym, wordt ook als nuttig beschouwd [23](#page=23).
> **Tip:** Een dag-hospitalisatie kan deel uitmaken van het management voor sommige patiënten [23](#page=23).
### 3.4 Toekomstig management
De vraag "wat nu?" na de initiële behandeling van OA, met name in relatie tot sport, is een belangrijk aspect van het lange-termijn management [24](#page=24).
---
# Greater Trochanteric Pain Syndrome (GTPS)
Greater trochanteric pain syndrome (GTPS) is an umbrella term encompassing lateral hip complaints, primarily related to gluteal insertion tendinopathy and trochanteric bursitis .
### 4.1 Pathofysiologie
The core issue in GTPS is a load intolerance of the gluteal insertions. This can be exacerbated by compressive loads, particularly during hip adduction, which can lead to neovascularization .
### 4.2 Kenmerken
GTPS typically presents with lateral hip pain, often located around the greater trochanter. The prevalence is higher in women, with a reported ratio of 4:1. It is commonly seen in individuals over 40 years of age. There is an association with osteoarthritis (OA), though the primary pathology is debated; it's unclear whether GTPS precedes or follows OA. Anatomical variations, such as coxa vara, can also be linked to GTPS .
### 4.3 Risicofactoren
Several factors can contribute to the development of GTPS:
* **Heup adductie:** Positions involving sustained hip adduction can increase compressive load on the affected structures .
* **Hormonale status:** A hormonal status, particularly related to estrogen, has been linked to reduced collagen tensile strength, synthesis, fiber diameter and density, and increased tendon degradation .
* **Hoog BMI:** A higher body mass index is a risk factor .
* **Toename lichaamsgewicht:** Significant weight gain can also increase the load on the hip .
* **Plotse toename trainingsload:** A sudden increase in training volume or intensity can overload the gluteal tendons .
### 4.4 Symptomen
GTPS commonly presents with:
* **Graduele ontwikkeling van klachten:** Symptoms often develop gradually, though they can occur after a trauma .
* **Pijn rond trochanter major:** The primary site of pain is typically around the greater trochanter, but referred pain can extend down the thigh towards the knee .
* **Brandende, scherpe pijn:** The pain is often described as burning or sharp .
* **Klachten bij langzitten/zijlig:** Symptoms are aggravated by prolonged sitting or lying on the affected side .
* **Medische voorgeschiedenis:** Comorbidities such as insertie tendinopathies (uni- or bilateral), spondylitis ankylosans (Bechterew's disease), rheumatoid arthritis, and gout can be associated with GTPS. A complex medical history may lead to longer recovery times .
### 4.5 Diagnose
There is no universal consensus on the diagnostic criteria for GTPS. A crucial first step is to exclude lumbar spinal disease (LWZ). Diagnosis often relies on a cluster of tests that assess both contractile and compressive loads :
**Diagnostische cluster:**
* **Gang:**
* **Trendelenburg sign:** A positive Trendelenburg sign indicates either uncompensated (dropper) or compensated (leaner) hip abductor weakness .
* **Zitten met gekruiste benen:** This position can provoke pain due to compression .
* **Trendelenburg test (single leg stance > 30 seconds):** This test has 100% sensitivity for pain provocation when held in a single leg stance for over 30 seconds, assessing contractile load .
* **Palpatie van de trochanter major en het dorsale aspect:** Palpation of the greater trochanter and its posterior aspect elicits pain in approximately 80% of cases, indicative of compressive load .
* **De-rotation test/FADER test:** This test has high specificity (97%) and sensitivity (88%) for pain provocation, assessing combined contractile and compressive loads .
* **Heup abductie (actief of passief):** Pain during hip abduction can indicate contractile issues .
* **Side lying hip adduction (Ober test):** This test can provoke pain due to compression of the iliotibial band and underlying bursa .
### 4.6 Management
The cornerstone of conservative management for GTPS is **loading**, involving both controlled loading and offloading strategies .
#### 4.6.1 Posturale gewoontes
It's important to address postural habits that contribute to compressive load. These include:
* Hanging on one hip .
* Sitting with crossed legs .
* Sustained hip adduction positions .
These positions can represent a high compressive load due to repetition, duration, or a combination of factors .
#### 4.6.2 Oefentherapie
Exercise therapy is a key component of GTPS management. Specific exercises aim to improve the function and load tolerance of the gluteal muscles .
**Gluteus medius and minimus activation:**
The following figures illustrate the activation levels of the M. gluteus medius and minimus during specific exercises, measured as a percentage of their Maximum Voluntary Isometric Contraction (MVIC) .
* **MVIC < 20%:** Low activation of M. gluteus medius and minimus .
* **MVIC 21 – 40%:** Moderate activation of M. gluteus medius and minimus .
* **MVIC 41 – 60%:** High activation of M. gluteus medius and minimus .
* **MVIC > 60%:** Very high activation of M. gluteus medius and minimus .
**M. gluteus maximus activation:**
The activation level of the M. gluteus maximus is also considered in exercise prescription .
**Examples of exercises:**
Exercises like the "clamshell" are frequently used and evaluated for their effectiveness in activating the gluteal muscles, particularly the M. gluteus medius, in relation to hip flexion .
> **Tip:** A comprehensive exercise program should aim to progressively increase the load capacity of the gluteal tendons and surrounding structures, while simultaneously identifying and mitigating aggravating factors.
> **Tip:** While stretching might seem intuitive, it's often less effective for GTPS compared to targeted strengthening and loading exercises. Focus on improving muscle function rather than solely on flexibility.
---
# Liespijn (LP) en casus
Dit gedeelte biedt een overzicht van liespijn (LP), inclusief symptomen, letselmechanismen, risicofactoren en beoordeling, gevolgd door een gedetailleerde casus van een brandweerman met subacute liesklachten, waarbij problemen, doelen en een gefaseerde behandelstrategie worden geanalyseerd.
### 5.1 Liespijn (LP)
#### 5.1.1 Symptomen van liespijn
Liespijn kan gepaard gaan met uitstraling naar de abdomen, de mediale dij of het perineum. De pijn kan scherp zijn. Acuut ontstaat liespijn unilateraal, terwijl chronische klachten bilateraal kunnen zijn. De pijn kan een significante impact hebben op de algemene dagelijkse activiteiten (ADL) zoals wandelen, traplopen, en draaien in bed. Ook sportprestaties worden negatief beïnvloed. Pijn kan optreden bij niezen, hoesten, stoelgang, en seksuele activiteiten .
#### 5.1.2 Letselmechanismen van liespijn
De meest voorkomende letselmechanismen voor liespijn zijn:
* Trapbewegingen (40%) .
* Richtingsveranderingen (17%) .
* Stretchbewegingen (17%) .
* Lopen of sprinten (15%) .
Deze mechanismen leiden tot een systematische overbelasting van het adductorcomplex, bestaande uit de adductor longus en magnus .
#### 5.1.3 Risicofactoren voor liespijn
Verschillende factoren verhogen het risico op het ontwikkelen van liespijn:
* **Leeftijd:** Met name tussen 22 en 30 jaar .
* **Eerdere liesblessure:** Een voorgeschiedenis van liesblessures is een significante risicofactor .
* **Hoog performance level:** Atleten op hoog niveau lopen een verhoogd risico .
* **Snelle volumetoename in training:** Hervatting van pre-season training met een snelle toename van trainingsvolume .
* **Gedaalde adductorkracht:** Een verminderde kracht van de adductoren .
#### 5.1.4 Beoordeling van liespijn
De beoordeling van liespijn omvat verschillende onderdelen:
* **Anamnese:** Vragen naar het mechanisme van ontstaan van de blessure en de aard van de klachten .
* **Inspectie:** Controleren op hematoom (bloeduitstorting) of zwelling .
* **Functioneel onderzoek:** Beoordelen van veranderingen in bewegingsstrategieën en de aanwezigheid van maladaptieve bewegingen .
* **Push-test:** Uitvoeren van de push-test in vier posities: 45°, 90°, gestrekte positie, en 20-30° .
* **Palpatie (Prod):** Directe palpatie van de pijnlijke structuren .
* **Pull-test:** Beoordelen van de kracht bij het uitvoeren van een heupabductie tegen weerstand, met focus op pijnprovocatie bij het activeren van de adductoren .
#### 5.1.5 Management van liespijn
Het management van liespijn is afhankelijk van de fase van de blessure:
* **Acute fase:**
* Rust is essentieel .
* Gebruik van niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAIDs) kan overwogen worden .
* Modificatie van activiteiten en sport om pijn te vermijden .
* **Na meer dan 1 week:**
* Isometrische oefeningen .
* Wandelen .
* Belasting op het onderste lidmaat en de romp die niet provocerend is .
* **Na meer dan 3-4 weken:**
* Progressieve opbouw van belasting .
* Variatie in oefentherapie is cruciaal .
* Multiplanaire oefeningen .
* Functionele training van de adductoren, inclusief:
* Adductie oefeningen .
* Flexie vanuit extensie positie (met uitzondering van de adductor magnus), specifiek voor de m. adductor longus .
* Extensie vanuit flexiepositie, specifiek voor de m. adductor magnus .
Een belangrijk concept in het management is de focus op de "3 Amigo's": de adductors, abductors, en de abdominale spierketen .
### 5.2 Casus: Brandweerman met subacute liesklachten
#### 5.2.1 Anamnese
Een 40-jarige brandweerman presenteert zich met pijn in de linker schaamstreek. De klachten zijn twee maanden geleden ontstaan tijdens een brandoefening waarbij hij een brandslang vooruit moest slepen. Initieel voelde hij een irriterend gevoel aan de binnenzijde van het bovenbeen tot aan de navel, met een pijnintensiteit van 6/10 bij beweging en 1/10 in rust (VAS). Sindsdien is de pijn constant aanwezig tijdens activiteiten. Na zwaar fysiek werk ervaart hij de klachten frequenter en intenser. De man werkt vast bij de brandweer en beoefent regelmatig sport, waaronder joggen (2-3 keer per week) en fitness (2 keer per week). Hij heeft deze activiteiten de laatste weken afgebouwd vanwege de klachten. Hij hoopt dat de klachten vanzelf overgaan, maar merkt geen verbetering. Zijn hulpvraag is om binnen drie maanden weer fit te zijn om deel te nemen aan de fysieke proeven van de brandweer, die essentieel zijn voor het behouden van zijn functie .
#### 5.2.2 Klinisch onderzoek
Bij lichamelijk onderzoek werd het volgende vastgesteld:
* **Palpatie:** De symphysis pubis is pijnlijk (++). De m. adductor longus (origo) is ook pijnlijk (++) .
* **Functioneel onderzoek:**
* **Joggen:** Een cross-over gait werd waargenomen, met pijnlijke steekjes in de linker lies na enkele minuten joggen, initieel met een drukkend gevoel .
* **Deepsquat (bipodaal):** Er werd een drukkend gevoel in de linker lies ervaren in gevorderde heupflexieposities .
* **SL squat links:** Pijnlijke steekjes in de liesregio, met een dynamische valgus van de linker knie .
* **Lunge links:** Contralaterale hip-drop werd waargenomen, met pijn in de linker lies/bekkenregio .
* **Heupflexie en heupadductie:** Positief bevonden, met een drukkend gevoel in de linker lies .
* **Heupabductie:** Positief bevonden, met beperkte Range of Motion (ROM) (musculaire rek), pijn ter hoogte van de origo van de m. adductor longus .
* **Heupflexie, adductie:** Pijnlijk en zwak .
* **Heupabductie:** Zwak .
#### 5.2.3 Probleemanalyse en diagnose
**Geïndiceerde problemen:**
* Pijn in de linker schaamstreek die ontstaan is twee maanden geleden tijdens een fysieke inspanning .
* De pijn is aanwezig tijdens activiteiten en verergert na zwaar fysiek werk .
* Functionele capaciteit is beperkt door pijn tijdens fysieke activiteiten, met problemen om sportactiviteiten voort te zetten .
**Diagnose en stadium:** Aspecifieke, sub-acute liesklachten (pubalgie) .
* **Stadium:** Sub-acuut (sinds 2 maanden klachten) .
* **Type pijn:** Nociceptief, zonder typische neuropathische tekenen of indicaties voor nociplastische pijn .
* **Karakteristieken:** Sterke stimulus-respons relatie met fysieke activiteit .
* **Sensitisatie:** Sterke toename in pijn bij normale fysieke activiteit .
**Bijdragende factoren:**
* **Functionele biomechanische afwijkingen:** Cross-over gait, unipodaal contralaterale hip-drop, dynamische valgus van de knie .
* **Functiestoornissen:** Musculaire rek van de adductoren (hypertonie), spierzwakte van de heupabductoren, adductoren en flexoren .
**Red flags:** Geen .
**Specifieke diagnose:** Geen duidelijke indicatie .
**Niet-specifieke diagnose:** Ja .
**Cognitieve, affectieve en sociale factoren:** Geen duidelijke negatieve factoren aanwezig .
**Positieve factoren:** Sportieve/actieve levensstijl .
**Negatieve factoren:** Geen .
**Behulpzaam:** Verminderen van pijn-provocerende bewegingen .
**Onbehulpzaam:** Vermindering van het fysieke activiteitenniveau .
#### 5.2.4 Doelen (SMART)
Het hoofddoel is om de patiënt binnen drie maanden weer fit te krijgen voor de fysieke proeven van de brandweer, wat essentieel is voor het behoud van zijn functie. Dit doel is SMART geformuleerd .
De subdoelen zijn gefaseerd opgebouwd:
* **Subdoel 1:** Pijnvrij tijdens lokaal analytische oefeningen en basis fysieke activiteiten .
* **Subdoel 2:** Graduele opbouw naar sport- en werkspecifieke noden, resulterend in functioneel herstel .
* **Subdoel 3:** Return to sport, wat inhoudt een pijnvrije sporthervatting .
* **Subdoel 4:** Return to performance, waarbij de sportspecifieke fysieke vereisten worden ontwikkeld .
#### 5.2.5 Behandelstrategie per fase
De behandelstrategie is opgedeeld in vier fasen:
##### 5.2.5.1 Fase 1: Pijnvrij tijdens lokaal analytische oefeningen en basis fysieke activiteiten
* **Pijncontrole tijdens fysieke activiteit:** Educatie met focus op het behouden van het fysieke activiteitenniveau door middel van oefeningen buiten de aangedane regio (armen, romp, etc.) .
* **Pijndempende oefentherapie:** Isometrische activatie van de heupadductoren en flexoren .
* **Pijndemping en tonusreductie:** Door middel van passieve/PNF-stretching .
* **Lokale belastbaarheid vergroten:**
* Lokale circulatie bevorderende oefeningen: lichte actieve stretchings van de heupadductoren en flexoren, actieve mobilisaties naar heupadductie en flexie .
* Lokale analytisch spierversterkende oefeningen van de heupadductoren en heupflexoren .
* **Reducerende interventies:**
* Dysfuncties in de biomechanica van de kinetische keten verminderen .
* Lokale analytisch spierversterkende oefeningen voor de heupabductoren .
##### 5.2.5.2 Fase 2: Graduele opbouw naar sport- en werkspecifieke noden (functioneel herstel)
* **Biomechanica reduceren:** Dysfuncties in de biomechanica van de kinetische keten (onderste lidmaat en lumbopelvische regio) verminderen .
* Functioneel spierversterkende oefeningen voor de heup in open en gesloten kinetische keten, met focus op adductoren en abductoren .
* Herwinnen van lenigheid naar heupabductie .
* **Algemene opbouw belastbaarheid onderste lidmaat:**
* Functioneel multidirectionele spierversterkende oefeningen voor het onderste lidmaat, met opbouw naar unipodale oefeningen .
* Onderhouden van lenigheid, stabiliteit en balans .
* Opbouw van plyometrische belasting van het onderste lidmaat in functie van loophervatting .
##### 5.2.5.3 Fase 3: Return to sport (pijnvrij sporthervatting)
* **Trainingsplan return to running:**
* Specifieke loopdrills .
* Progressief trainingsplan met opbouw in volume (tijdsduur van fysieke testen) en intensiteit (tempo < 4:35/km of snelheid > 13,1 km/u) .
* **Opbouw specifieke fysieke eigenschappen:** Afgestemd op de fysieke vereisten van de brandweerproeven .
* Kracht en uithouding van het bovenlichaam (verder te specificeren) .
* Core stability (verder te specificeren) .
* Traplopen (stabiliteit en kracht in het lumbopelvisch-heup complex) (verder te specificeren) .
##### 5.2.5.4 Fase 4: Return to performance (sportspecifieke fysieke vereisten ontwikkelen)
* **Conditionele training:**
* Progressief trainingsplan voor het lopen .
* Hoog-intensieve intervaltraining in functie van traplopen .
* **Opbouw specifieke fysieke eigenschappen:** Afgestemd op de fysieke vereisten van de brandweerproeven .
* Maximale kracht van het onderste lidmaat (verder te specificeren) .
* Functionele core stability (verder te specificeren) .
---
## Veelgemaakte fouten om te vermijden
- Bestudeer alle onderwerpen grondig voor examens
- Let op formules en belangrijke definities
- Oefen met de voorbeelden in elke sectie
- Memoriseer niet zonder de onderliggende concepten te begrijpen
Glossary
| Term | Definition |
|------|------------|
| Femoroacetabulair impingementsyndroom (FAIS) | Een bewegingsgerelateerde klinische stoornis van de heup, gekenmerkt door symptomen, klinische tekenen en beeldvormingsbevindingen, die voortkomt uit premature contact tussen het proximale femur en het acetabulum. |
| Heupdysplasie (HD) | Een aangeboren of verworven afwijking waarbij het acetabulum (heupkom) het femurkopje niet adequaat bedekt, wat kan leiden tot verhoogde gewrichtskrachten, overbelasting van de acetabulaire rand en vroegtijdige degeneratie van het kraakbeen. |
| Osteoartritis (OA) | Een degeneratieve gewrichtsaandoening die gekenmerkt wordt door de aantasting van het gewrichtskraakbeen, wat leidt tot pijn, stijfheid en beperking van de mobiliteit; het is de meest voorkomende oorzaak van heupklachten bij volwassenen. |
| Greater Trochanteric Pain Syndrome (GTPS) | Een parapluterm die verwijst naar pijn aan de laterale zijde van de heup, vaak geassocieerd met tendinopathie van de gluteale pezen (gluteus medius en minimus) en/of bursitis trochanterica, wat leidt tot een intolerantie voor belastingen op de trochanter major. |
| Liespijn (LP) | Pijn gelokaliseerd in de liesregio, vaak veroorzaakt door overbelasting of letsel van het adductorcomplex van de heup; het kan acuut ontstaan na een trauma of geleidelijk toenemen door repetitieve bewegingen. |
| Acetabulum | Het komvormige deel van het bekken dat, samen met de heupkop (caput femoris), het heupgewricht vormt. |
| FADIR test | Een klinische test voor heupproblemen, met name femoroacetabulair impingementsyndroom (FAIS), waarbij de heup in flexie, adductie en interne rotatie wordt gebracht om pijn te provoceren. |
| FABER test | Een klinische test waarbij de heup in flexie, abductie en externe rotatie wordt gebracht (een figuur-4 positie) om diverse pathologieën in het heupgewricht, de sacro-iliacale gewrichten en de lumbale wervelkolom te evalueren. |
| ROM (Range of Motion) | Het bereik van beweging dat mogelijk is binnen een gewricht, gemeten in graden. |
| RX (Röntgenfoto) | Een medische beeldvormingstechniek die gebruik maakt van röntgenstraling om interne structuren van het lichaam zichtbaar te maken, vaak gebruikt voor het beoordelen van botstructuren en gewrichtsruimte. |
| LCEA (Lateral Center Edge Angle) | Een radiografische meting die de mate van bedekking van de acetabulum over de femurkop aangeeft, gebruikt bij de diagnose van heupdysplasie; een verminderde LCEA suggereert een ontoereikende bedekking. |
| THP (Totale Heupprothese) | Een chirurgische ingreep waarbij het beschadigde heupgewricht wordt vervangen door een kunstgewricht (prothese), meestal toegepast bij ernstige artrose of andere destructieve heupafwijkingen. |
| Bursitis trochanterica | Ontsteking van de slijmbeurs (bursa) die zich tussen het bekken (trochanter major) en de pezen van de bilspieren bevindt, wat pijn aan de buitenzijde van de heup veroorzaakt. |
| Insertietendinopathie | Een aandoening die gekenmerkt wordt door pijn en irritatie van een pees op de plaats waar deze aan het bot vasthecht (insertie). |
| Neovascularisatie | De vorming van nieuwe bloedvaten, wat kan optreden als reactie op blessures of ontstekingen, en soms bijdraagt aan de pijnbeleving in chronische aandoeningen zoals GTPS. |
| Coxa vara | Een aandoening waarbij de nek van het bovenbeen (femurhals) een abnormaal lage hoek maakt met de dijbeenschacht, wat de mobiliteit van de heup kan beïnvloeden en kan bijdragen aan GTPS. |
| Pubalgie | Een chronische pijn in het schaambeengebied, vaak gerelateerd aan overbelasting of ontsteking van de aanhechting van de adductoren of buikspieren aan het schaambeen; ook wel bekend als sport-gerelateerde liespijn. |
| Kinetische keten | Een reeks opeenvolgende gewrichten die samenwerken om een beweging te produceren, waarbij de beweging in één gewricht de beweging in de andere beïnvloedt. |
| SMART doelen | Een acroniem dat staat voor Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdsgebonden; een methode om effectieve en haalbare doelen te formuleren in therapie en management. |
| MVIC (Maximal Voluntary Isometric Contraction) | De maximale vrijwillige isometrische contractie van een spier, gebruikt om de activiteit en kracht van specifieke spieren te kwantificeren tijdens oefeningen. |