Summary
# Fysiologie en pathofysiologie van glucosehuishouding en diabetes mellitus
### Normale glycemie
* Koolhydraten uit voeding worden in de darmen afgebroken tot glucose [32](#page=32).
* Glucose wordt opgenomen door darmwandcellen en komt via de vena porta in de lever [32](#page=32).
* Overtollige glucose wordt opgeslagen als glycogeen in lever- en spiercellen, of omgezet tot vet [33](#page=33).
* Insuline zorgt voor glucose-opname in spier- en vetcellen; hersen- en levercellen hebben dit niet nodig [33](#page=33).
* Glucagon wordt door de pancreas afgescheiden bij een dreigend tekort aan bloedsuiker, om glycogeen in de lever af te breken en de glycemiespiegel te verhogen [33](#page=33).
* Normale glycemiewaarden: Kinderen 60-100 mg/dl (3,3-5,6 mmol/l); Volwassenen 74-110 mg/dl (4,1-6,1 mmol/l) [33](#page=33).
* Hypoglycemie: lagere glycemie dan normaalwaarden; hyperglycemie: hogere glycemie dan normaalwaarden [33](#page=33).
### Fysiopathologie bij afwezige insuline
* Afwezigheid van insuline leidt tot hyperglycemie en onvoldoende glucose-opname door cellen [34](#page=34).
* Vetafbraak voor energie leidt tot vetzuren, die de lever omzet in ketonlichamen (keto-acidose) [34](#page=34).
* Ketonlichamen worden via de urine uitgescheiden (ketonurie); aceton kan uitgeademd worden [34](#page=34).
* Keto-acidose kan hyperventilatie en hypocapnie veroorzaken door compensatie van het zuur-base-evenwicht [34](#page=34).
* Hoge glycemie overschrijdt de nierdrempel (180 mg/dl), wat leidt tot glucosurie [34](#page=34).
* Osmotische diurese treedt op door glucose die water mee trekt, wat polyurie veroorzaakt [34](#page=34).
* Polyurie leidt tot dorst (polydipsie) [34](#page=34).
### Definitie en klinische vormen van diabetes mellitus
* Diabetes mellitus: chronische aandoening met verhoogde glycemie door onvoldoende insulineproductie of -werking [34](#page=34).
* Impact op koolhydraat-, vet- en eiwitmetabolisme [34](#page=34).
* **Type I (IDDM):** Chronische auto-immuunziekte die de bètacellen vernietigt, leidend tot een absoluut insulinetekort [35](#page=35).
* **Type II (NIDDM):** Gevolg van insulineresistentie en/of defecte insulinesecretie [35](#page=35).
* Zwangerschapsdiabetes: ontstaat tijdens de zwangerschap [35](#page=35).
### Prevalentie en etiologie
* Prevalentie diabetes mellitus (type 1 & 2) bij volwassenen geschat op 6,7% in België, stijgend naar 7,9% in 2040 [36](#page=36).
* 1/3 van de bekende gevallen heeft nog geen diagnose; 4,8% bevindt zich in de 'grijze zone' (prediabetes) [36](#page=36).
* **Etiologie Type I:** Auto-immuniteit, genetische aanleg (30%), beschadiging pancreas (pancreatitis, verwijdering) [37](#page=37).
* **Etiologie Type II:** Genetische aanleg, leeftijd, overgewicht/obesitas (insulineresistentie), verhoogde adrenaline, gebruik cortisone, leefstijl (roken, alcohol, weinig beweging) [37](#page=37).
### Diagnose van diabetes mellitus
* Diagnose is vaak gebaseerd op glycemiebepalingen [38](#page=38).
* Nierdrempel voor glucose kan variëren [38](#page=38).
### Behandeling van diabetes mellitus
### Complicaties van diabetes mellitus
---
## Complicaties en pathologie van glucosehuishouding
### Keto-acidose
* Hyperglycemisch of keto-acidotisch coma treedt op bij een glycemie boven 350 mg/dl [48](#page=48).
* Oorzaak is acuut ernstig insulinetekort of acute stress met verhoogde secretie van glycemie-verhogende hormonen door adrenaline [48](#page=48).
* Symptomen zijn vergelijkbaar met hyperglycemie, aangevuld met Kussmaul-ademhaling (hyperventilatie) en een aceton-achtige ademgeur [48](#page=48).
* Ontstaat door verzuring van het bloed door aanwezige ketonlichamen (metabole acidose) [48](#page=48).
* Behandeling is dringend en vereist ziekenhuisopname met intraveneus vocht, insuline, bicarbonaat en elektrolytencorrectie [48](#page=48).
* Onbehandelde keto-acidose leidt tot de dood [48](#page=48).
### Chronische complicaties
* **Diabetische macro-angiopathie**: Versnelde vernauwing van grote arteriën door arteriosclerose, met verhoogd risico op C.V.A., angina pectoris en acuut myocardinfarct [49](#page=49).
* **Diabetische micro-angiopathie**: Vernauwing van kleine arteriën, met problemen aan ogen en nieren [50](#page=50).
* Verdikking van basaalmembraan en endotheelzwelling in capillairen van onderste ledematen [50](#page=50).
* Oorzaak van ischemie, perifeer vaatlijden en diabetische ulcera [50](#page=50).
* **Diabetische retinopathie**: Aantasting van het netvlies, meestal na 10 jaar [50](#page=50).
* Eerste stadium: lekkende bloedvaatjes, vocht in netvlies, patiënt merkt niets [50](#page=50).
* Volgend stadium: vernauwing en blokkade van bloedvaatjes, zuurstoftekort leidt tot nieuwe, slechte bloedvaatjes (proliferatieve retinopathie) [50](#page=50).
* Deze nieuwe vaatjes barsten makkelijk, veroorzaken bloedingen, littekens, zichtbeperking en blindheid [50](#page=50).
* **Diabetische nefropathie**: Aantasting van nierfunctie door verdikking van glomerulaire membraan en toename bindweefsel [51](#page=51).
* Eerst doorsijpelen van eiwitten (micro-albuminurie, macro-albuminurie) [51](#page=51).
* Uiteindelijk achteruitgang filterfunctie (chronische nierinsufficiëntie, nierdialyse) [51](#page=51).
* **Diabetische neuropathie**: Verstoorde prikkelgeleiding via zenuwbanen door schade aan isolatie door hoge glycemie [51](#page=51).
* Klachten starten vaak bij de voeten wegens langere zenuwbanen [51](#page=51).
* Symptomen: voosheid, jeuk, branderigheid, tintelingen, gevoelloosheid [51](#page=51).
* Verlies van pijn-, temperatuur- en tastzin leidt tot letsels die patiënt niet opmerkt [51](#page=51).
* Sensorische neuropathie: verminderde gevoeligheid voor pijn, temperatuur, druk [51](#page=51).
* Motorische neuropathie: atrofie van kleine voetspieren, dysbalans, veranderde voetstand (hamertenen), loopstoornissen, Charcotvoet [52](#page=52).
* Autonome neuropathie: verandert bloedregulatie en vermindert transpiratie, leidt tot droge huid, fissuren, kloven en infecties [52](#page=52).
* **Infecties**: Verminderde immuniteit maakt patiënten extra gevoelig [52](#page=52).
---
## Kankerdiagnostiek, stagering en behandeling
### Tumormarkers
* Tumormarkers zijn stoffen, zoals enzymen, die door sommige tumoren worden geproduceerd en in het bloed kunnen worden opgespoord [84](#page=84).
* Ze kunnen helpen de diagnose van kanker te bevestigen [84](#page=84).
* Voorbeelden zijn PSA (Prostaat Specifiek Antigeen) en CEA (Carcino Embryonaal Antigeen) [84](#page=84).
### Oorzaken en risicofactoren van kanker
* Gastheerfactoren zoals genotype, geslacht en leeftijd spelen een rol [84](#page=84).
* Carcinogene factoren zijn exogeen en kunnen fysisch, chemisch of infectieus zijn [84](#page=84).
* Tumorvirussen zoals hepatitis B, humaan papillomavirus en Epstein-Barrvirus kunnen carcinogeen zijn [84](#page=84).
* Chronische maagaandoeningen zoals maagulcers verhogen het risico op maagkanker [84](#page=84).
### Symptomen van kanker
* Kanker begint vaak onopgemerkt met vage klachten zoals vermagering en moeheid [85](#page=85).
* Signaleren van een gezwel kan wijzen op: niet-genezende ulcera, pijnloze zwelling, ongewone bloedingen, langdurige heesheid, onverklaarbaar gewichtsverlies, verandering in moedervlekken, verandering in defecatiepatroon, of spontane fracturen [85](#page=85).
### Diagnostiek van kanker
* Diagnostiek omvat anamnese, lichamelijk onderzoek, medische beeldvorming (CT, PET, NMR, endoscopie, echografie) en laboratoriumonderzoek, inclusief tumormarkers [86](#page=86).
* Differentiatie tussen benigne en maligne weefsel gebeurt via cytologisch en histologisch onderzoek (biopsie, vriescoupe, secreten, puncties) [86](#page=86).
### Stadiëring van kanker
* Stadiëring bepaalt de uitgebreidheid van de tumor voor de behandeling [86](#page=86).
* De TNM-classificatie wordt internationaal gebruikt:
* T (tumor): uitgebreidheid van de tumor (0-4) [86](#page=86).
* N (nodus): toestand van regionale lymfeklieren (0-3) [86](#page=86).
* M (metastasen): aanwezigheid van metastasen (0-1) [86](#page=86).
### Behandeling van kanker
* Behandeling kan curatief (genezing) of palliatief (klachtenvermindering) zijn [87](#page=87).
* **Chirurgie:** Verwijderen van de tumor met vrije snijranden; ook regionale lymfeklieren worden verwijderd indien aangetast [87](#page=87) [88](#page=88).
* **Radiotherapie:** Uitwendige bestraling, soms voorafgaand aan chirurgie of als nabestraling [88](#page=88).
* **Brachytherapie:** Inwendige bestraling met radioactieve bronnen dichtbij of in de tumor [88](#page=88).
* **Chemotherapie:** Medicatie voor kanker en metastasen op afstand, met mogelijke bijwerkingen [89](#page=89).
* **Hormoontherapie:** Gericht op hormoonproducerende organen of remming van hormoonproductie (bv. oestrogenen, testosteron) [89](#page=89).
* **Immuuntherapie:** Stimuleert het afweersysteem om tumorgroei te controleren, gebruikt bij slechte prognose [90](#page=90).
* **Gentherapie:** Herstelt fouten of geeft nieuwe functies aan zieke cellen door genetisch materiaal in te brengen [90](#page=90).
* **Angiogeneseremming:** Remt de ontwikkeling van bloedvaten in de tumor [91](#page=91).
### Prognose van kanker
---
## Respiratie en respiratoire insufficiëntie
### Kernidee
* Respiratie omvat de opname van zuurstof en afgifte van koolzuurgas .
* Normale ventilatie (verversing van alveolaire lucht) en perfusie (bloeddoorstroming) zijn essentieel .
* Respiratoire insufficiëntie treedt op wanneer deze processen tekortschieten .
### Oorzaken van respiratoire insufficiëntie
* Acute en chronische ziekteprocessen in longen en pleura .
* Stoornissen in het ademhalingscentrum (bv. na trauma) .
* Neurologische aandoeningen en spieraandoeningen .
* Multipele ribfracturen .
* Aandoeningen van de wervelzuil die de beweeglijkheid van de ribben beperken .
## Onderzoeken ademhalingsstelsel
### Anamnese
* Controle ademhaling: frequentie, diepte, geluiden .
* Observatie houding (zittend geeft vaak verlichting) .
* Controle op cyanose en trommelstokvingers .
* Inspectie van de thorax op symmetrie en vorm .
* Familiale anamnese .
### Laboratoriumonderzoek
* Algemeen bloedonderzoek (bloedcellen, ionen, nier- en leverfunctie) .
* Sputumonderzoek: kweken voor bacteriën, microscopisch onderzoek, observatie hoeveelheid en aspect .
### Endoscopische onderzoeken
* Flexibele bronchoscopie: inspectie grote luchtwegen, weefselnames mogelijk .
* Rigide bronchoscopie: inspectie grote luchtwegen onder narcose .
* Directe laryngoscopie: inspectie larynx (bv. voor poliepverwijdering) .
* Endobronchiale echografie met punctie (EBUS-TBNA): echografie van luchtweg met mogelijke lymfeklierpunctie .
### Pleurapunctie en -biopsie
* Pleurapunctie: vochtonttrekking uit pleuraholte voor diagnose/therapie .
* Pleurabiopsie: wegnemen van een stukje longvlies .
### Longfunctieonderzoeken
* Longfunctietesten/spirometrie: meting longinhoud en zuurstofopname in rust .
* Cyclo-ergospirometrie: meting longcapaciteit en zuurstofverbruik tijdens inspanning .
### Overige onderzoeken
* Arteriële bloedgaswaarden: meting O2 en CO2 gehalte in arterieel bloed .
* Pulsoximetrie: niet-invasieve meting arteriële zuurstofsaturatie en polsfrequentie .
---
## Aandoeningen van het bloed en bloedvaten
### Kernconcepten bloedvaten
* Atherosclerose ontstaat door schade aan de endotheellaag van de arterie, met vetophoping (atheroomplaat) in de vaatwand .
* Dit verdikt de vaatwand en vernauwt de diameter van het bloedvat (stenose), wat leidt tot verminderde bloedtoevoer en zuurstoftekort .
### Veneuze bloedvaten
* **Varices (spataders)**
* Definitie: kronkelige, uitgezette venen .
* Etiologie: staand/zittend beroep, zwangerschap, erfelijkheid, slechte klepfunctie in diepe venen .
* Symptomen: zwaar gevoel in benen, krampen, zichtbare varices, huidverkleuring, trage wondgenezing .
* Behandeling: compressietherapie, sclerotherapie, chirurgie, endoveneuze lasertherapie .
* **Tromboflebitis**
* Definitie: ontsteking van een oppervlakkige vene met stolselvorming .
* Etiologie: vaatwandschade, zwangerschap, varices, stollingsstoornissen .
* Symptomen: pijn, zwelling, roodheid, warmte, harde streng, lichte koorts .
* Behandeling: rust, pijnstilling, compressietherapie, trombectomie, anticoagulantia .
### Arteriële bloedvaten
* **Atherosclerose (arteriosclerose met atheromatose)**
* Etiologie: genetische factoren, hypertensie, diabetes mellitus, roken, metabool syndroom, hoog cholesterol, stress, leeftijd .
* Cholesteroltypen: LDL stimuleert afzetting, HDL verwijdert cholesterol .
* Ideale bloedcholesterol: Totaal < 190 mg/dl, LDL < 100 mg/dl, HDL > 35 mg/dl .
* Complicaties: vernauwing arterie, trombose, embolie, angina pectoris, hartinfarct, CVA, claudicatio intermittens, nierinsufficiëntie, hypertensie .
* Preventie/behandeling: vetarm dieet, gezonde vetten, stoppen met roken, beweging, medicatie, soms chirurgie .
### Aandoeningen van het bloed (samenvatting vorige delen)
* **Anemie:** tekort aan hemoglobine/erytrocyten .
* Oorzaken: bloedverlies, verhoogde afbraak (hemolyse), gestoorde bloedaanmaak (ijzer-/B12-tekort, beenmergbeschadiging) .
* **Polycythemie:** toename erythrocyten .
* **Leukocytose:** toename leukocyten, vaak bij infecties .
* **Leukopenie:** vermindering leukocyten, verhoogd infectiegevaar .
* **Leukemie:** ongecontroleerde aanmaak/rijping leukocyten .
* **Trombocytose:** toename trombocyten, risico op stolselvorming .
---
## Arteriosclerose van de onderste ledematen
### Stadia van arteriosclerose
- Stadium 1: asymptomatische afsluiting met ontwikkeling van collaterale circulatie .
- Stadium 2: claudicatio intermittens (etalageziekte) met krampen tijdens lopen door zuurstofgebrek .
- Stadium 3: rustpijn in de voet wanneer de doorbloeding dermate slecht is .
- Stadium 4: weefselversterf (necrose) van tenen door onvoldoende doorbloeding .
### Behandeling van arteriosclerose
- Infogeven over natuurlijk verloop en risicofactoren .
- Geruststellen van de patiënt .
- Bewegingstherapie tot aan de pijngrens .
- Medicatie, dotteren (PTA) met stentplaatsing, plaque-verwijdering .
- Bypass chirurgie of amputatie als laatste redmiddelen .
### Percutane Transluminale Angioplastie (PTA)
- Een procedure om vernauwingen in bloedvaten te verwijden .
- Een katheter met een ballonnetje wordt naar de vernauwing geschoven en opgeblazen .
- Na verwijdering van de ballon kan de bloedstroom herstellen .
### Plaatsen van een stent
- Versterkt de vaatwand na PTA om nieuwe vernauwing te voorkomen .
- Kan vervaardigd zijn uit metaal of biologische materialen .
## Hypertensie
### Definitie hypertensie
- Verhoogde bloeddruk (systolisch $\ge$ 14 cm Hg of diastolisch $\ge$ 9 cm Hg) na herhaalde metingen .
- Beïnvloed door circulerend bloedvolume, hartminuutvolume en vasoconstrictie .
- Meestal veroorzaakt door te grote perifere weerstand .
### Etiologie en symptomen van hypertensie
- Essentiële hypertensie (geen oorzaak) komt in 85% voor .
- Endocriene oorzaken (bv. bijniermergkanker) en renaal (nierfunctiestoornissen) .
- Symptomen kunnen hoofdpijn (vooral ochtend), oorsuizen, hartkloppingen en nachtelijke benauwdheid zijn .
### Behandeling van hypertensie
- Leefstijladviezen: stoppen met roken, zoutarme voeding, beweging .
- Medicatie: diuretica, bètablokkers, renine-angiotensine-systeem remmers, calciumantagonisten .
## Aandoeningen van het hart (selectie)
### Hartklepstenose
- Vernauwing van een hartklep (mitralis, aorta, tricuspidalis, pulmonalis) die bloedstroom bemoeilijkt .
- Vaak veroorzaakt door acuut reuma met littekenvorming .
### Hartklepinsufficiëntie
- Een hartklep lekt, waardoor bloed terugstroomt bij het sluiten .
### Angina pectoris
### Acuut myocardinfarct (hartinfarct)
### Hartfalen (decompensatio cordis)
---
# Onderzoeken met röntgenstralen
### Kernidee
* Onderzoeken met röntgenstralen maken gebruik van RX-stralen om inwendige structuren van het lichaam in beeld te brengen [19](#page=19).
### Belangrijke feiten
* Radiografie, ook bekend als standaard RX-onderzoek, creëert een tweedimensionaal beeld vergelijkbaar met een foto [19](#page=19).
* Superpositie is een nadeel waarbij alle lichaamslagen over elkaar heen worden afgebeeld [19](#page=19).
* RX-thorax toont lucht als zwart (stralen doorgelaten) en botten als wit (stralen tegengehouden) [19](#page=19).
* Mammografie gebruikt een speciaal toestel om borsten in beeld te brengen voor tumoropsporing [19](#page=19).
* Contraststoffen helpen structuren zichtbaar te maken die anders onzichtbaar zouden zijn [20](#page=20).
* Contraststoffen worden ingedeeld in positieve en negatieve middelen [20](#page=20).
* Positieve contraststoffen kleuren wit op de foto omdat ze RX-stralen tegenhouden [20](#page=20).
* Negatieve contrastmiddelen, zoals lucht, worden gebruikt in combinatie met positieve middelen voor dubbelcontrastradiografie [21](#page=21).
* Radioscopie, ook doorlichting of fluoroscopie genoemd, maakt bewegende beelden van organen of contrastmiddelen mogelijk [21](#page=21).
* Een CT-scan combineert röntgenstraling met een computer voor driedimensionale beelden [22](#page=22).
* De stralingsdosis bij een CT-scan is hoger dan bij een gewone radiografie [22](#page=22).
### Belangrijke concepten
* **Radiografie**: Standaard RX-onderzoek, maakt een stilstaand beeld [19](#page=19).
* **RX-thorax**: Een radiografie van de borstkas om longen en skelet te beoordelen [19](#page=19).
* **Mammografie**: RX-onderzoek specifiek voor borsten [19](#page=19).
* **Positieve contrastmiddelen**: Barium (spijsverteringsstelsel) en jodium (bloedvaten, organen, gewrichten) [20](#page=20).
* **Barium**: Oraal of rectaal toegediend, vereist nuchtere patiënt, kan constipatie veroorzaken, toxisch bij perforatie [20](#page=20).
* **Jodium**: Intraveneus toegediend, kan allergische reactie veroorzaken, vereist nuchtere patiënt, excretie via nieren [20](#page=20).
* **Negatieve contrastmiddelen**: Lucht, gebruikt voor dubbelcontrastonderzoek zoals bij de colon [21](#page=21).
* **Radioscopie (Doorlichting/Fluoroscopie)**: Vergelijkbaar met video, toont beweging van organen of contrastmiddelen [21](#page=21).
* **Coronarografie**: Een voorbeeld van radioscopie om kransslagaders van het hart te onderzoeken [21](#page=21).
* **CT-scan (Computertomografie)**: 3D-beeldvorming met röntgenstraling en computer [22](#page=22).
### Implicaties
* Contraststoffen vergroten de diagnostische waarde van röntgenonderzoeken aanzienlijk [20](#page=20).
* Verpleegkundige taken omvatten patiëntvoorbereiding (nuchterheid), toediening van contrast, en nazorg (bv. hydratatie, observatie) [20](#page=20) [21](#page=21).
* Bewustzijn van mogelijke allergische reacties op contrastmiddelen is cruciaal [20](#page=20) [21](#page=21).
---
# Onderzoeken in de nucleaire geneeskunde
### Kernidee
* Nucleaire geneeskunde onderzoeken gebruiken kleine hoeveelheden radioactieve stoffen (tracers) om lichaamsfuncties en structuren in beeld te brengen [23](#page=23) [24](#page=24).
### Kernfeiten
* Tracers zijn licht radioactief en hebben een korte halfwaardetijd [24](#page=24).
* Tracers worden vaak intraveneus toegediend, maar ook ingeademd of ingenomen via drank [24](#page=24).
* De tracer wordt opgenomen door specifieke lichaamsdelen die vervolgens straling uitzenden [24](#page=24).
* Een gammacamera detecteert de straling en zet deze om in een beeld [24](#page=24).
* Radioactief afval verlaat het lichaam snel, vaak via urine [24](#page=24).
### Kernconcepten
* **Tracers:** Licht radioactieve stoffen om processen in het lichaam op te sporen [23](#page=23).
* **Halfwaardetijd:** De tijd waarna de radioactiviteit van een stof is gehalveerd [24](#page=24).
* **Gammacamera:** Apparaat dat radioactieve straling detecteert en omzet in een beeld [24](#page=24).
* **Scintigrafie:** Techniek die de verspreiding van een tracer in een orgaan toont [24](#page=24).
* **PET-scan (Positron Emission Tomografie):** Onderzoek dat stofwisselingsmechanismen in beeld brengt [25](#page=25).
* **SPECT-scan (Single Photon Emission Computed Tomography):** Techniek voor het verkrijgen van 3D-beelden [26](#page=26).
### Voorbeelden
* **Scintigrafie schildklier:** Gebruikt radioactief jodium om functionele activiteit en afwijkingen te tonen [24](#page=24).
* **Skeletscintigrafie (botscan):** Gebruikt radioactief calcium om infecties of uitzaaiingen in botten zichtbaar te maken [24](#page=24).
* **PET-scan met FDG:** Gebruikt radioactieve suikerstof (FDG) om tumoren en uitzaaiingen op te sporen door verhoogde stofwisseling [25](#page=25).
### Implicaties
* PET-scans kunnen het hele lichaam in één onderzoek scannen voor uitzaaiingen [25](#page=25).
* PET-scans kunnen kleine tumoren detecteren die met traditionele radiologische methoden niet zichtbaar zijn [25](#page=25).
* PET-scans kunnen onderscheid maken tussen goedaardige gezwellen en kwaadaardige tumoren [25](#page=25).
* SPECT-scans zijn vaak goedkoper en kunnen bredere waaier aan speurstoffen gebruiken dan PET [26](#page=26).
* SPECT kan meerdere tracers tegelijk inzetten om diverse ziekteprocessen te bestuderen [26](#page=26).
* PET-scans zijn beter geschikt voor kwantificering en zeer nauwkeurige plaatsbepaling dan SPECT [26](#page=26).
---
# Diagnose en behandeling van ziekten
### Kernideeën
- Een diagnose identificeert een ziekte op basis van symptomen [28](#page=28).
- Behandeling kan preventief, curatief of palliatief zijn [28](#page=28).
- Preventieve behandeling voorkomt ziekte [28](#page=28).
- Curatieve behandeling geneest ziekte [28](#page=28).
- Palliatieve behandeling vermindert symptomen als genezing niet mogelijk is [28](#page=28).
### Belangrijke feiten
- Een bloedonderzoek voor glycemiebepaling is essentieel voor de diagnose van diabetes mellitus [38](#page=38).
- Normale nuchtere glycemie ligt lager dan 100 mg/dl [38](#page=38).
- Prediabetes wordt gediagnosticeerd bij licht verhoogde nuchtere waarden (100-120 mg/dl) [38](#page=38).
- Een glycemie boven 126 mg/dl nuchter of boven 180 mg/dl niet nuchter wijst op diabetes mellitus [38](#page=38).
- De Orale Glucose Tolerantie Test (OGTT) meet de glycemie na inname van 75 gram glucose [39](#page=39).
- Een OGTT met glycemie tussen 140-200 mg/dl na 2 uur duidt op een gestoorde tolerantie [39](#page=39).
- Een OGTT met glycemie boven 200 mg/dl na 2 uur is een indicatie voor diabetes mellitus [39](#page=39).
- HbA1c geeft inzicht in de gemiddelde glycemie van de voorbije 3 maanden [40](#page=40).
- Een HbA1c-waarde van 6,5% of hoger wijst op diabetes [40](#page=40).
- Jaarlijkse oogonderzoeken en voetinspecties zijn belangrijk voor het opsporen van diabetische complicaties [40](#page=40).
- Controle van urine op glucosurie en albuminurie is onderdeel van de diagnose [40](#page=40).
### Belangrijke concepten
- Diabetes mellitus is een chronische aandoening met een verhoogde glycemie [34](#page=34).
- Type I diabetes (IDDM) is een auto-immuunziekte met absoluut insulinetekort [35](#page=35).
- Type II diabetes (NIDDM) is gerelateerd aan insulineresistentie en/of defecte insulinesecretie [35](#page=35).
- Keto-acidose is een potentieel levensbedreigende complicatie door te hoge glycemie en insulinetekort [34](#page=34).
- Hypoglycemie is een te lage bloedsuikerspiegel (minder dan 70 mg/dl) [44](#page=44).
- Hyperglycemie is een te hoge bloedsuikerspiegel (meer dan 180 mg/dl) [46](#page=46).
- Chronische complicaties van diabetes omvatten macro- en micro-angiopathie, neuropathie, infecties en voetproblemen [49](#page=49).
### Gevolgen
- Insulineresistentie en/of defecte insulinesecretie bij type II diabetes beïnvloeden vet- en eiwitmetabolisme [34](#page=34).
- Chronische hyperglycemie beschadigt bloedvaten (macro- en micro-angiopathie) [49](#page=49).
---
# Etiologie en diagnose van diabetes mellitus
### Etiologie van diabetes mellitus
* Type I (IDDM) oorzaken: auto-immuniteit tegen bètacellen, genetische aanleg (30%), beschadiging pancreas [37](#page=37).
* Type II (NIDDM) oorzaken: genetische aanleg, leeftijd, overgewicht/obesitas, verhoogde adrenaline, cortisonegebruik, leefstijlfactoren [37](#page=37).
* Overgewicht/obesitas leidt tot insulineresistentie door verminderde gevoeligheid insulinereceptoren [37](#page=37).
### Diagnose van diabetes mellitus
* Diagnose is niet moeilijk, maar nierdrempel voor glucose kan variëren [38](#page=38).
* Bloedonderzoeken met glycemiebepaling zijn noodzakelijk [38](#page=38).
#### Bepalen van de glycemie
* Nuchtere glycemie: meer dan 126 mg/dl is diabetes [38](#page=38).
* Niet-nuchtere glycemie: meer dan 180 mg/dl is diabetes [38](#page=38).
* Normale nuchtere glycemie: lager dan 100 mg/dl [38](#page=38).
* Licht verhoogde nuchtere waarden (100-120 mg/dl) worden beschouwd als prediabetes [38](#page=38).
#### Dagcurve
* Controleert glycemie op verschillende tijdstippen (7u, 12u, 14u, 17u) voor schommelingen [39](#page=39).
* Helpt de patiënt om zelf de diabetes op te volgen [39](#page=39).
#### Orale Glucose Tolerantie Test (OGTT)
* Patiënt drinkt 75 gram glucose in 3 dl water nuchter [39](#page=39).
* Glycemie wordt gemeten nuchter, na 60, 120 (en soms 180) minuten [39](#page=39).
* Gestooorde OGTT: glycemie > 140 mg/dl maar < 200 mg/dl na 2 uur [39](#page=39).
* Diabetes mellitus: glycemie > 200 mg/dl na 2 uur [39](#page=39).
#### HbA1c
* Meet "geglyceerde" hemoglobine (glucose gebonden aan hemoglobine) [40](#page=40).
* Geeft informatie over glycemiewaarden van de voorbije 3 maanden [40](#page=40).
* Waarde $\ge$ 6,5% (48 mmol/l) wijst richting diabetes [40](#page=40).
* Wordt gebruikt om het verloop van diabetes op te volgen [40](#page=40).
* C-peptide bepaling meet de eigen insulineproductie [40](#page=40).
#### Aanvullende diagnostische controles
* Jaarlijks oogonderzoek spoort vroege letsels op [40](#page=40).
* Jaarlijkse voetinspectie door voetkliniek of podoloog [40](#page=40).
* Urinecontrole op glucosurie (nier drempel 180 mg%/dl) [40](#page=40).
* Controle op albuminurie op 24-uurs urine of nuchter urinestaal [40](#page=40).
---
# chronische complicaties van diabetes mellitus
### Diabetische macro-angiopathie
* Versnelde vernauwing van grote arteriën door arteriosclerose [49](#page=49).
* Verhoogd risico op C.V.A. (beroerte) [49](#page=49).
* Verhoogd risico op angina pectoris [49](#page=49).
* Verhoogd risico op acuut myocardinfarct (hartinfarct) [49](#page=49).
* Verhoogd risico op claudicatio intermittens (etalagebenen) [49](#page=49).
### Diabetische micro-angiopathie
* Vernauwing van kleine arteriën, vooral in ogen en nieren [50](#page=50).
* Verdikking van basaalmembraan en zwelling van endotheel in capillairen van onderste ledematen [50](#page=50).
* Kan leiden tot ischemie, perifeer vaatlijden en diabetische ulcera [50](#page=50).
#### Diabetische retinopathie
* Aantasting van het netvlies, meestal na 10 jaar [50](#page=50).
* Kleine bloedvaatjes lekken vocht in het netvlies (eerste stadium) [50](#page=50).
* Vernauwing en blokkade van kleine bloedvaten leiden tot zuurstoftekort [50](#page=50).
* Ontwikkeling van nieuwe, fragiele bloedvaatjes (proliferatieve retinopathie) [50](#page=50).
* Deze bloedvaatjes scheuren gemakkelijk, veroorzaken bloedingen, littekens en uiteindelijk blindheid [50](#page=50).
#### Diabetische nefropathie
* Aantasting van de nierfunctie [51](#page=51).
* Verdikking glomerulaire membraan en toename bindweefsel [51](#page=51).
* Porien laten eiwitten door, wat leidt tot albumine in urine (micro- en macro-albuminurie) [51](#page=51).
* Kan leiden tot chronische nierinsufficiëntie en uiteindelijk dialyse [51](#page=51).
### Diabetische neuropathie
* Verstoorde prikkelgeleiding via zenuwbanen [51](#page=51).
* Hoge glycemie beschadigt de isolatie van zenuwen [51](#page=51).
* Klachten starten vaak bij de voeten vanwege lengte van zenuwbanen [51](#page=51).
* Symptomen variëren van gevoelloosheid, jeuk, branderigheid tot tintelingen [51](#page=51).
* Sensorische neuropathie: verminderde gevoeligheid voor pijn, temperatuur, druk [51](#page=51).
* Motorische neuropathie: atrofie van kleine voetspieren, dysbalans, veranderde voetstand, hamertenen [51](#page=51).
* Autonome neuropathie: verandert bloedregulatie en transpiratie, wat leidt tot droge huid, fissuren, kloven en infecties [52](#page=52).
### Infecties
* Verminderde immuniteit en extra gevoeligheid voor infecties [52](#page=52).
### Voetproblemen
#### Limited Joint Mobility (LJM) of fibrositis
#### Charcotvoet
### Huidaandoeningen
---
# Infectieziekten
### Kernidee
* Besmetting is de aanwezigheid van ziekteverwekkende kiemen; een infectie ontstaat als de immuniteit deze kiemen niet kan bestrijden, wat schade aanricht [59](#page=59).
* Een infectie heeft vaak een ontsteking (inflammatie) tot gevolg [60](#page=60).
### Belangrijke feiten
* Soorten besmetting: aërogeen (ademhalingswegen), enterale (maagdarmstelsel), cutane (huid), en hematogeen (bloed) [59](#page=59).
* Ontstekingsverschijnselen: plaatselijk (roodheid, warmte, pijn, zwelling, functieverlies) en algemeen (oedeem, exsudaat, pols-/temperatuurstijging) [61](#page=61).
* Vormen van ontstekingen: abces, flegmoon, empyeem, fistel, bacteriëmie, sepsis [61](#page=61).
* Diagnostiek kan via hemocultuur, microscopie, gramkleuring (gram- of gram+) of kweek [62](#page=62).
* Uitbreiding van infectie hangt af van kiem (aard, virulentie, aantal) en afweer [63](#page=63).
### Belangrijke concepten
* Contaminatie: kiemen zijn in het lichaam aanwezig [59](#page=59).
* Infectie: kiemen richten schade aan en de patiënt wordt ziek [60](#page=60).
* Inflammatie: weefselreactie op schadelijke prikkel [60](#page=60).
* Pathogeen: ziekteverwekker [60](#page=60).
* Bacteriëmie: bacteriën in het bloed [61](#page=61).
* Sepsis: infectie van het hele lichaam via bloedbaan [61](#page=61).
### Implicaties
* Goede hygiëne en protocollen zijn essentieel om de verspreiding van infectieziekten te beperken.
* Patiënteneducatie over infectiepreventie en rotatieschema's (bv. bij insuline-injecties) is belangrijk [57](#page=57).
* De behandeling van infectieziekten varieert van antibiotica tot specifieke antivirale therapieën en ondersteunende zorg [63](#page=63) [66](#page=66) [69](#page=69).
* Vroegtijdige opsporing en diagnose verbeteren de prognose en voorkomt complicaties.
### Voorbeelden van infectieziekten
* Tuberculose (TBC): veroorzaakt door *mycobacterium tuberculosis*, overgedragen via aërogene weg [63](#page=63) [65](#page=65).
* AIDS: veroorzaakt door HIV, tast immuunsysteem aan, overgedragen via bloed/semen [65](#page=65).
* Mononucleosis infectiosa (MNI): veroorzaakt door Epstein-Barr virus, overgedragen via speeksel [69](#page=69).
* Ziekte van Lyme: veroorzaakt door *Borrelia burgdorferi*, overgedragen door teken [70](#page=70).
---
# Infectieziekten, besmetting en ontsteking
### Kernidee
* Besmetting is de aanwezigheid van ziekteverwekkende kiemen in het lichaam; een infectie ontstaat als deze kiemen schade aanrichten en niet bestreden kunnen worden door de immuniteit [59](#page=59).
* Ontsteking is een reactie van weefsel op een schadelijke prikkel, vaak veroorzaakt door een infectie [60](#page=60).
### Belangrijke feiten
* Contaminatie betekent dat ziekteverwekkende kiemen aanwezig zijn; als de immuniteit deze kan bestrijden, treedt geen infectie op [59](#page=59).
* Een infectie ontstaat wanneer micro-organismen, virussen of parasieten binnendringen en schade veroorzaken [60](#page=60).
* Ziekteverschijnselen ontstaan door verspreiding en vermenigvuldiging van ziektekiemen in het bloed [60](#page=60).
* De overgang van besmetting naar infectie verloopt aanvankelijk onopgemerkt [60](#page=60).
* Ziek zijn treedt pas op bij een bepaalde hoeveelheid kiemen in het lichaam [60](#page=60).
* Diagnostiek van bloedinfecties gebeurt vaak via een hemocultuur [62](#page=62).
* Ziektekiemen kunnen direct microscopisch worden onderzocht op vorm en kleuring (Gram-positief/negatief) [62](#page=62).
* Kweek van bloed, wondvocht en etter helpt bij verdere differentiatie van ziektekiemen [62](#page=62).
* Uitbreiding van een infectie hangt af van de aard en virulentie van de kiem en de afweer van de patiënt [63](#page=63).
### Belangrijke concepten
* **Soorten besmetting:**
* Aërogeen: via de ademhalingswegen (bv. tuberculose) [59](#page=59).
* Enteraal: via het maagdarmstelsel [59](#page=59).
* Cutane: via de huid (bv. schurft) [59](#page=59).
* Hematogeen: rechtstreeks via het bloed (bv. serumhepatitis) [59](#page=59).
* **Oorzaken van ontsteking:**
* Fysisch, chemisch, immunologisch [60](#page=60).
* Micro-organismen zoals bacteriën, protozoën, virussen, schimmels, gisten [60](#page=60).
* **Ontstekingsverschijnselen:**
* Plaatselijk: roodheid (rubor), warmte (calor), pijn (dolor), zwelling (tumor), functieverlies (functio laesa) [61](#page=61).
* Algemeen: oedeem, exsudaat, mogelijke polsversnelling, temperatuurstijging [61](#page=61).
* **Vormen van ontstekingen:**
* Abces: etterophoping in een nieuw gevormde holte [61](#page=61).
* Flegmone: acute, snel uitbreidende weefselontsteking met ettering [61](#page=61).
### Gevolgen
### Behandeling en preventie
### Voorbeelden van infectieziekten
---
# AIDS
### Core idea
* AIDS (Acquired Immune Deficiency Syndrome) is a fatal disease that severely compromises the immune system [67](#page=67).
* It is caused by the Human Immune Virus (HIV), a retrovirus that attacks CD4-lymphocytes [67](#page=67).
### Key facts
* HIV is transmitted through blood-to-blood and blood-semen contact [67](#page=67).
* Safe practices, not frequency of contact, determine transmission risk [67](#page=67).
* Common risky behaviors include unsafe sexual contact and sharing contaminated needles [67](#page=67).
* Infection risk from needle-stick injury is low (approx. 0.5%) compared to Hepatitis B (6-30%) [67](#page=67).
* Casual social contact is safe and does not transmit HIV [67](#page=67).
* Primo-infection symptoms can occur 1-6 weeks after exposure: fever, muscle pain, sore throat, swollen lymph nodes, fatigue [68](#page=68).
* Seroconversion (antibody formation) makes a patient seropositive [68](#page=68).
* A symptom-free carrier period can last months to years; this is not yet AIDS [68](#page=68).
* AIDS is diagnosed when advanced stages of HIV infection are present [68](#page=68).
### Key concepts
* HIV infects CD4-lymphocytes, crucial for the immune system's function [67](#page=67).
* Viral presence blocks CD4-lymphocyte production, leading to immune deficiency [67](#page=67).
* AIDS is defined by having fewer than 200 CD4+ T cells per cubic millimeter of blood [68](#page=68).
* Diagnosis also requires infection with at least one of 26 specific clinical illnesses, often opportunistic infections [68](#page=68).
* Opportunistic infections are normally harmless to individuals with a healthy immune system [68](#page=68).
* Patients with AIDS often die from secondary opportunistic infections [68](#page=68).
* Examples of clinical illnesses include oral/esophageal candidiasis, cervical cancer, Kaposi's sarcoma, and Pneumocystis carinii pneumonia [68](#page=68).
### Treatment and prevention
* Current treatment focuses on stabilization, not cure [69](#page=69).
* HIV inhibitors (e.g., zidovudine, nevirapine) reduce viral replication and slow disease progression [69](#page=69).
* Microbicides (e.g., TMC 120 with dapivirine) in vaginal rings or gels can prevent HIV and other STIs [69](#page=69).
* HAART (Highly Active Antiretroviral Therapy) is a triple drug therapy reducing HIV growth, extending life but not curing [69](#page=69).
* Gene therapy involves administering genetically modified versions of a patient's own immune cells [69](#page=69).
* Prevention includes AIDS awareness campaigns for safe sex and providing sterile needles to IV drug users [70](#page=70).
* Pre-exposure prophylaxis (PrEP) is a daily pill to reduce infection risk, e.g., with non-condom use [70](#page=70).
---
# kenmerken van benigne en maligne tumoren
### Benigne tumoren
* Vaak omgeven door een kapsel [78](#page=78).
* Kenmerken: geen metastasering, beweeglijk, expansieve groei [78](#page=78).
* Over het algemeen niet levensbedreigend, tenzij locatie problematisch is [78](#page=78).
* Naamgeving: oorspronkelijk weefsel + "-oom" (bv. lipoom, adenoom) [79](#page=79).
### Maligne tumoren
* Een kapsel is uitzonderlijk aanwezig [79](#page=79).
* Kenmerken: infiltratieve en destructieve groei, zit vast (niet beweeglijk), veranderde groeisnelheid, metastasering, structurele en functionele veranderingen [79](#page=79).
* Groeien in normaal weefsel en vernietigen dit [79](#page=79).
* Kwaadaardige cellen groeien over het algemeen trager dan normaal weefsel [79](#page=79).
* Naamgeving: onderverdeeld in carcinomen (dekweefsel) en sarcomen (steunweefsel) [80](#page=80).
* Hematologische maligniteiten zoals leukemie zijn beenmergkankers [80](#page=80).
* Lymfomen zijn kwaadaardige woekeringen in lymfeklieren en milt [80](#page=80).
* De kanker wordt genoemd naar de oorspronkelijke locatie, niet waar het uitzaait [80](#page=80).
### Metastasering
* Verspreiding van tumorcellen vanuit de primaire haard [81](#page=81).
* Kan via de bloedbaan (hematogene metastasen) plaatsvinden [81](#page=81).
* Tumoren van spijsverteringsorganen veroorzaken snel levermetastasen [81](#page=81).
* Kan via lymfevaten (lymfeklierklierklierklierklierklierklierkliermetastasen) plaatsvinden, vooral in regionale lymfeklieren [83](#page=83).
* De schildwachtklier (sentinelklier) is de eerste lymfeklier waarheen kankercellen uitzaaien bij borstcarcinoom [83](#page=83).
* Implantatiemetastasen kunnen ontstaan bij chirurgie [83](#page=83).
### Tumormarkers
* Stoffen, vaak enzymen, geproduceerd door sommige tumoren [84](#page=84).
* Kunnen in het bloed worden opgespoord ter bevestiging van de diagnose [84](#page=84).
* Voorbeelden: PSA (Prostaat Specifiek Antigeen), CEA (Carcino Embryonaal Antigeen) [84](#page=84).
### Oorzaken en begunstigende factoren
* Gastheerfactoren: genotype, geslacht, leeftijd [84](#page=84).
* Carcinogene factoren: fysisch, chemisch, infectieus (bv. tumorvirussen) [84](#page=84).
* Chronische maaglijders (bv. maagulcus) hebben een grotere kans op kanker [84](#page=84).
### Symptomen
* Vaak beginnend met vage klachten zoals vermagering, moeheid, lusteloosheid [85](#page=85).
### Diagnostiek
### Staging
---
# Behandelingen van kanker
### Core idea
* Behandeling onderscheidt zich in curatief (genezing) en palliatief (klachtenvermindering) [87](#page=87).
* Keuze behandeling is gebaseerd op histologisch onderzoek en stagering [87](#page=87).
### Key facts
* Chirurgie: tumor breed wegnemen, snijranden controleren, regionale lymfeklieren verwijderen bij aantasting [87](#page=87).
* Radiotherapie: uitwendige bestraling, kan voorafgaand aan operatie (genezing vergroten) of als nabestraling (resten doden) [88](#page=88).
* Brachytherapie: inwendige bestraling met radioactieve bronnen dichtbij of in de tumor [88](#page=88).
* Chemotherapie: medicatie tegen kanker en metastasen op afstand, kan bijwerkingen hebben [89](#page=89).
* Hormoontherapie: wegnemen hormoonproducerende organen of medicatie die hormoonproductie remt [89](#page=89).
* Immuuntherapie: stimuleert het afweersysteem om tumorgroei te controleren, bij slechte prognose [90](#page=90).
* Gentherapie: inbrengen genetisch materiaal om genetische oorzaken te genezen of cellen nieuwe functie te geven [90](#page=90).
### Key concepts
* Chirurgie: noodzakelijk vrije snijranden controleren met vriescoupe [87](#page=87).
* Radiotherapie: kan gebruikt worden om genezingskans te vergroten voor de operatie [88](#page=88).
* Brachytherapie: minimaliseert schade aan omringende weefsels [88](#page=88).
* Chemotherapie: medicijnen worden toegediend die niet geregistreerd zijn voor het specifieke kankertype, maar wel op basis van mutaties in tumorcellen [89](#page=89).
* Hormoontherapie: voorbeelden zijn ovarectomie bij borstkanker en medicatie zoals Aromasin®, Nolvadex® en Zoladex® [89](#page=89).
* Immuuntherapie: patiënten worden behandeld met lichaamseigen cellen met verwerkte tumoreiwitten [90](#page=90).
* Gentherapie: verschillende soorten zoals genadditie, genvervanging, gencontrole [90](#page=90).
### Implications
* Chirurgie: vitale organen mogen niet aangetast zijn voor een succesvolle ingreep [87](#page=87).
* Chemotherapie: bijwerkingen kunnen voorkomen op huid, maagdarmstelsel en bloed [89](#page=89).
* Immuuntherapie: gebruikt als laatste redmiddel na falen van andere behandelingen [90](#page=90).
* Gentherapie (genadditie): een extra gen wordt ingebracht dat vertaald wordt naar een ontbrekend eiwit [90](#page=90).
- > **Tip:** Het T Nation M classificatiesysteem geeft de uitgebreidheid van de tumor aan [87](#page=87)
- > **Example:** Bij prostaatcarcinoom kan brachytherapie gebruikt worden
- Bij borstkanker kan oophorectomie of medicatie zoals Aromasin® ingezet worden [88](#page=88) [89](#page=89)
---
# Traumatologie
### Core idea
* Traumatologie is de leer van verwondingen en houdt zich bezig met gebeurtenissen die het normale functioneren plots verstoren [94](#page=94).
* Een trauma omvat vaak lichamelijke letsels, psychische letsels en gevoelens van schrik, onbehagen en machteloosheid [94](#page=94).
### Letsels aan het onderhuids weefsel
* **Ecchymosis:** Blauwverkleuring van de huid door een onderhuidse bloeding na scheuren van onderhuidse bloedvaten bij stomp geweld [95](#page=95).
* Symptomen van ecchymosis: pijn, zichtbare blauwe verkleuring, zwelling, bewegingsbeperking [96](#page=96).
* Behandeling ecchymosis: direct na kwetsuur koude aanbrengen en een drukverband leggen [96](#page=96).
* Hematoom: een bloedbuil ontstaan bij groter bloedverlies dan bij ecchymosis [95](#page=95).
### Letsels aan botten en gewrichten
* **Distorsie (verstuiking):** Ontstaat wanneer een gewricht geforceerd wordt in een abnormale bewegingsrichting, wat leidt tot overrekking of scheuring van gewrichtskapsel en banden [97](#page=97).
* Symptomen distorsie: veel pijn, functio laesa, zwelling (hydrops), instabiliteit, soms bloed in gewricht (haemarthrose) [97](#page=97).
* Behandeling distorsie: koude, rust, elevatie, drukverband, gipsspalk, punctie of operatie [98](#page=98).
* **Luxatie (ontwrichting):** Duurzame en totale scheiding van de gewrichtskop en -kom, meestal door traumatische oorzaak [99](#page=99).
* Symptomen luxatie: pijn, abnormale stand, dwangstand, bewegingsbeperking [99](#page=99).
* Behandeling luxatie: repositie (onder narcose) en immobilisatie van het gewricht gedurende 3 weken [99](#page=99).
* **Luxatiefractuur:** Een luxatie gecombineerd met een breuk; röntgenopnames zijn noodzakelijk [99](#page=99).
* **Habituele/recidiverende luxatie:** Steeds terugkerende luxatie, bv. schouder of heup na prothese [99](#page=99).
* **Congenitale luxatie:** Luxatie bij pasgeborenen, vaak heupluxatie [99](#page=99).
### Chemische letsels
* Oorzaken: zuren (zwavelzuur, zoutzuur), basen (ammoniak), detergenten, zouten [100](#page=100).
* Symptomen: vaak derdegraads brandwonden door celproteïne-oplossing; afhankelijk van contactwijze, duur en aard stof [100](#page=100).
* Behandeling: spoelen met water (uitzondering: ongebluste kalk); eerst antigifcentrum bellen [100](#page=100).
### Elektrische letsels en elektrocutie
* Kunnen brandwonden en hartstilstand veroorzaken op intrede- en uittredepunten .
* Schade is evenredig aan stroomsterkte, weefselweerstand en tijdsduur; droge huid heeft hogere weerstand .
### Radiatieletsels
* Oorzaken: natuurlijke straling (zon) en kunstmatige straling (röntgenstralen, zonnebank) .
* Symptomen: roodheid (eerstegraads brandwonde), schilfering, necrose, pigmentatie/depigmentatie .
* Behandeling: cosmetica, soms plastische chirurgie .
### Shock
* Definitie: Levensbedreigende instorting van lichaamsfuncties door zuurstoftekort door onvoldoende circulatie en weefseldoorstroming .
* **Hypovolemische/hemorragische shock:** Door (bloed)volumeverlies (bloedingen, braken, diarree, brandwonden) .
---
# Letsels aan botten en gewrichten
### Core idea
* Traumatologie bestudeert verwondingen die het normale functioneren verstoren, vaak met lichamelijke en psychische gevolgen [94](#page=94).
* Letsels aan botten en gewrichten omvatten verstuikingen (distorsies) en ontwrichtingen (luxaties) [97](#page=97) [99](#page=99).
### Key facts
* Een distorsie ontstaat wanneer een gewricht buiten zijn normale bewegingsbereik wordt gedwongen, wat leidt tot overrekking of scheuring van kapsel en banden [97](#page=97).
* Meest voorkomende distorsies treden op bij vingers, enkels en knieën [97](#page=97).
* Een luxatie is een duurzame, totale scheiding van de gewrichtskop en gewrichtskom, meestal door trauma [99](#page=99).
* Röntgenopnames zijn cruciaal bij verdenking op een luxatie om een gecombineerde breuk uit te sluiten [99](#page=99).
### Key concepts
* **Distorsie (verstuiking):** Letsel aan gewrichtskapsel en/of banden door abnormale beweging [97](#page=97).
* **Functio laesa:** Verlies van functie van het getroffen lichaamsdeel [97](#page=97).
* **Hydrops:** Zwelling door vochtophoping in het gewricht [97](#page=97).
* **Haemarthrose:** Bloedophoping in het gewricht [97](#page=97).
* **Luxatie (ontwrichting):** Duurzame, totale ontwrichting van een gewricht [99](#page=99).
* **Reponeren:** Het terugplaatsen van geluxeerde gewrichtsdelen [99](#page=99).
* **Luxatiefractuur:** Een combinatie van een luxatie en een breuk [99](#page=99).
* **Habituele/recidiverende luxatie:** Een herhaaldelijk optredende luxatie [99](#page=99).
* **Congenitale luxatie:** Een aangeboren luxatie, zoals bij pasgeborenen [99](#page=99).
### Implications
* Behandeling van distorsies omvat rust, koude, drukverband, en bij ernstige gevallen spalken of punctie [98](#page=98).
* Behandeling van luxaties vereist reponeren, vaak onder narcose, gevolgd door immobilisatie gedurende drie weken [99](#page=99).
* Luxatiefracturen vereisen doorgaans een operatieve ingreep [99](#page=99).
### Common pitfalls
* Het negeren van de mogelijkheid van een gecombineerde breuk bij een luxatie [99](#page=99).
* Onvoldoende immobilisatie na reponeren van een luxatie, wat kan leiden tot recidiverende luxaties [99](#page=99).
---
# Shock
### Core idea
* Shock is a life-threatening collapse of bodily functions due to oxygen deprivation from insufficient circulation and tissue perfusion .
* This leads to inadequate blood pumping, insufficient oxygen supply to tissues, and delayed waste removal, causing lactic acid buildup and metabolic acidosis .
### Key facts
* Hypovolemic/hemorrhagic shock results from volume loss (e.g., bleeding, vomiting, diarrhea, burns) .
* Septic shock is caused by bacterial infection and endotoxin secretion leading to peripheral vasodilation .
* Anaphylactic shock is an acute allergic reaction causing severe vasodilation .
* Cardiogenic shock stems from direct reduced heart function or heart failure .
* Mild hypovolemic shock involves <20% blood volume loss, affecting skin and muscles but sparing vital organs .
* Moderate hypovolemic shock involves 20-40% blood volume loss, impacting kidneys and vital organs .
* Severe hypovolemic shock involves >50% blood volume loss, severely affecting lungs, brain, and heart .
### Key concepts
* **Hypovolemic shock symptoms:** Hypotension, tachycardia, tachypnea, pale/cold clammy skin, anxiety, restlessness, oliguria, decreased consciousness .
* **Septic shock symptoms:** Hypotension, tachycardia, shallow tachypnea, hectic fever, often red/warm skin, anxiety, oliguria .
* **Anaphylactic shock symptoms:** Cardiovascular symptoms and dyspnea .
* **Cardiogenic shock symptoms:** Pulmonary congestion, dyspnea, cyanosis, rattling breathing .
* **Causes of hypovolemic shock:** Internal bleeding, vomiting, diarrhea, burns .
* **Causes of septic shock:** Severe infections (pneumonia, kidney/heart infections), central venous catheter contamination .
* **Triggers for anaphylactic shock:** Medication, contrast agents, insect bites, antisera, food, transfusion .
* **Causes of cardiogenic shock:** Myocardial infarction, heart failure, arrhythmias, valve dysfunction .
### Implications
* **Hypovolemic shock treatment:** Volume replacement (plasma, packed cells, expanders), vasoconstrictors (Levophed®), monitor vitals .
* **Septic shock treatment:** IV fluids/electrolytes, IV antibiotics/antipyretics, vasoconstrictors, monitor vitals .
* **Anaphylactic shock treatment:** Adrenaline (Epipen®), monitor vitals .
* **Cardiogenic shock treatment:** Monitor vitals, CVD, fluid balance; medication for contractility, diuretics, anticoagulants, oxygen .
### Common pitfalls
* Misinterpreting septic shock as hypovolemic due to hypotension, neglecting the underlying infection .
* Delaying adrenaline administration in anaphylactic shock, leading to rapid deterioration .
---
# onderzoeken van het spijsverteringsstelsel
### Kernidee
* Verschillende methoden worden gebruikt om het spijsverteringsstelsel te onderzoeken, variërend van anamnese tot geavanceerde beeldvorming .
### Anamnese
* Het verzamelen van informatie van de patiënt is de eerste stap in het onderzoek .
### Labo-onderzoek
* **Bloedonderzoek:**
* Hematologisch, microbiologisch, serologisch, biologisch .
* Tumormarkers, zoals CEA, voor opsporing en opvolging van kanker (bv. colon, pancreas) .
* **Faecesonderzoek:**
* Opsporen van infecties, bloed .
* Bacteriologisch onderzoek .
* iFOB-test (immunochemische faeces occult bloed-test) detecteert onzichtbare bloedsporen .
### Endoscopische onderzoeken
* "Ergens binnenin kijken" met een scopie-onderzoek .
* **Videocapsule-endoscopie (VCE):**
* Capsule met camera maakt beelden van het maag-darmkanaal, vooral nuttig voor de dunne darm .
* **ERCP:** Endoscopische retrograde cholangio-pancreaticografie voor gal- en pancreaswegen .
* **Laparoscopie:** Kijkoperatie in de buikholte via een kleine incisie .
### Functieonderzoeken
* Doel is het opsporen van afwijkingen in de werking van het maag-darmkanaal .
* Voorbeelden: PH-metrie slokdarm, glucose-ademtest .
### Nucleaire onderzoeken
* **PET (CT) SCAN:** Onderzoek met een radioactieve stof (radio-isotoop gekoppeld aan suiker) .
* **Scintigrafie:** Isotopenscan om grootte, werking en vorm van een orgaan te onderzoeken (bv. galblaas) .
### Radiologische onderzoeken
* **RX foto:** Röntgenfoto's met contraststof om holle organen zichtbaar te maken .
* **CT scan:** Dwarse doorsneden van het lichaam met röntgenstralen .
* **Magnetische resonantie (MR-MRI-NMR):** Aanvulling op de CT scan .
* **Echografie:** Beeldvorming met geluidsgolven van organen en structuren .
* **CT geleide punctie:** Afname van lichaamsvocht of -weefsel onder CT-begeleiding (bv. leverbiopsie) .
---
# Aandoeningen van de darmen
### Aambeien (hemorroïden)
* Gezwollen, ontstoken aders in de anus en het einde van de dikke darm .
* Oorzaken: persen bij stoelgang, lang zitten op toilet, chronische diarree/constipatie, zwaarlijvigheid, zwangerschap, anale seks .
* Genetische aanleg en ouderdom spelen een rol in verlies van ondersteunende weefselkracht .
* Vaakste oorzaak van rectaal bloeden na stoelgang; kan jeuken, irriteren en pijnlijk zijn .
* Behandeling: aanpassing levensstijl, afbinden met rubberbandjes, inspuiten irriterende stof, verhitting weefsel .
* Chirurgische verwijdering is uitzonderlijk .
### Darmpoliepen
* Gesteelde, goedaardige uitstulpingen van het darmslijmvlies .
* Meestal gevonden in het colon, minder in dunne darm en maag .
* Verwijdering kan tijdens een coloscopie plaatsvinden .
### Diverticulitis
* Ontsteking of infectie van een divertikel (zakvormige uitstulping) .
* Meestal pseudo-divertikels in het sigmoïd, wand bestaat uit mucosa en serosa .
* Oorzaak: voedingspatroon met te weinig vezels .
* Symptomen: pijn (meestal links onderbuik), koorts, drukpijn .
* Behandeling ongecompliceerde vorm: vloeibaar dieet, licht verteerbare voeding, rust .
* Complicaties: perforatie, abcesvorming, peritonitis, fistelvorming, stenose .
### Appendicitis
* Ontsteking van de appendix vermiformis (wormvormig aanhangsel) .
* Symptomen: vage pijn rond navel, verplaatst naar rechter onderbuik (punt van Mc Burney) .
* Verergering bij lopen/hoesten, patiënt blijft liggen; misselijkheid, braken, koorts, obstipatie/diarree .
* Complicatie: perforatie met risico op peritonitis .
* Diagnose: bloedonderzoek, echografie, CT-scan, laparoscopie .
* Behandeling: laparoscopische appendectomie .
### Peritonitis
* Ontsteking van het buikvlies .
* Etiologie: infectie vanuit bloedbaan, perforatie spijsverteringsorganen, ontstekingen (bv. appendicitis), bloeding .
* Symptomen: pijn, drukpijn, loslaatpijn, onbeweeglijk liggen, défense musculaire, verminderde darmperistaltiek, koorts, tachycardie, vochtophoping buik .
* Behandeling: niets per os, maagsonde, intraveneus vocht/elektrolyten, antibiotica, controle vitale parameters, behandeling oorzaak .
### Ziekte van Crohn
### Colitis Ulcerosa
---
# Aandoeningen van de galwegen
### Cholelithiasis (galstenen)
* **Definitie:** Aanwezigheid van galstenen in de galblaas .
* **Etiologie:** Vaak familiair, risicofactoren omvatten 'fat, forty, female, fertile' .
* **Symptomen:** Vol gevoel in de bovenbuik (vooral na vetrijk eten) .
* **Symptomen:** Galsteenkolieken: hevige, aanvalsgewijze pijn bij obstructie van ductus cysticus of ductus choledochus .
* **Symptomen:** Misselijkheid en braken tijdens kolieken .
* **Symptomen:** Patiënt zoekt naar een antalgische houding tijdens kolieken .
* **Symptomen:** Icterus, jeuk, donkere urine, stopverfontlasting door bilirubine .
* **Behandeling:** Pijnbestrijding met analgetica of spasmolytica (bv. Buscopan®) .
* **Behandeling:** Dieet: vetarm en kleine maaltijden .
* **Behandeling:** Cholecystectomie (verwijdering galblaas) .
* **Complicaties:** Cholecystitis (galblaasontsteking) .
* **Complicaties:** Galblaascarcinoom .
### Cholecystitis (galblaasontsteking)
* **Definitie:** Ontsteking van de galblaas .
* **Etiologie:** Afsluiting van de ductus cysticus door galstenen, leidend tot hydrops of empyeem .
* **Symptomen:** Meestal voorafgegaan door galsteenkoliek waarvan de pijn niet overgaat .
* **Symptomen:** Misselijkheid en braken .
* **Symptomen:** Koorts, koude rillingen en défense musculaire .
* **Behandeling:** Vetarm dieet in kleine hoeveelheden .
* **Behandeling:** Pijnbestrijding en antibiotica .
* **Behandeling:** Operatie: laparoscopische cholecystectomie .
---
# Aandoeningen van de neusbijholten en larynx
### Sinusitis
* **Definitie:** Ontsteking van het slijmvlies van de neusbijholten .
* **Etiologie:** Virussen, bacteriën, allergenen; ontstaat vaak vanuit acute rhinitis .
* **Symptomen:** Drukkende/kloppende pijn rond voorhoofd en ogen, hoofdpijn, aangezichtspijn .
* **Behandeling:** Anamnese, lichamelijk onderzoek, neusdruppels, ontzwellende medicatie, eventueel drainage, sinuscopie .
### Laryngitis
* **Definitie:** Ontsteking van het strottenhoofd (larynx) .
* **Etiologie:** Infecties (bacterieel, viraal), overmatig stemgebruik, bijtende stoffen en rook .
* **Symptomen:** Heesheid, afonie .
* **Behandeling:** Meestal zelfherstel, pijnstilling met paracetamol .
### Tonsillitis
* **Definitie:** Ontsteking van de keelamandelen (tonsillen) .
* **Etiologie:** Langdurige irritatie, infecties (bacterieel, viraal) .
* **Symptomen:** Slikklachten, keelpijn, koorts; bij ernstige infectie slikproblemen door zwelling .
* **Behandeling:** Analgetica, antibiotica, eventueel tonsillectomie/amygdalectomie .
* **Complicaties:** Abcesvorming, hypertrofie (slaapapneu), zeldzaam reuma/glomerulonefritis, nabloeding na operatie .
### Endoscopische onderzoeken van de larynx
* **Directe laryngoscopie:** Inspectie van de larynx, vaak voor verwijderen poliep, vreemd voorwerp of behandelen stembandknobbels .
---
# Aandoeningen van het bloed: erytrocyten
### Kernidee
* Erytrocyten, ook wel rode bloedcellen genoemd, zijn cruciaal voor zuurstoftransport.
* Afwijkingen in het aantal of de hoeveelheid hemoglobine leiden tot anemie (tekort) of polycythemie (overschot) .
### Kernfeiten
* Anemie is een tekort aan hemoglobine door te weinig erytrocyten of te weinig hemoglobine per cel .
* Polycythemie is een toename van het aantal erytrocyten .
* Oorzaken van anemie zijn bloedverlies, verhoogde afbraak (hemolyse) of gestoorde bloedaanmaak .
* Secundaire polycythemie kan ontstaan door langdurige hypoxie op grote hoogte .
* IJzer- en vitamine B12-tekorten zijn belangrijke oorzaken van gestoorde bloedaanmaak .
### Belangrijkste symptomen anemie
* Moeheid en duizeligheid door verminderd zuurstoftransport naar weefsels .
* Bleekheid, vooral zichtbaar aan de slijmvliezen .
* Snellere hartslag (tachycardie) door verminderde bloedviscositeit .
* Kauwelijk en oorsuizen kunnen optreden .
### Behandeling anemie
* Afhankelijk van de oorzaak .
* Kan bloedtransfusie, ijzertherapie of toediening van vitamine B12 omvatten .
### Symptomen polycythemie
* Vaak onbekende oorzaak bij primaire polycythemie .
* Gevoel van verzadiging door verhoogd bloedvolume .
### Behandeling polycythemie
* Aderlating kan overwogen worden .
- > **Tip:** Chronisch bloedverlies (bv
- maagzweer, menstruatie) is een veelvoorkomende oorzaak van anemie door gestoorde bloedaanmaak
- > **Tip:** Bij patiënten ouder dan 60 jaar moet men alert zijn op een bloedend darmcarcinoom als oorzaak van anemie
---
# Atherosclerose: arteriosclerose met atheromatose
### Core idea
* Atherosclerose, ook wel arteriosclerose genoemd, is een aandoening van de arteries die ontstaat door schade aan de endotheellaag .
* Vetaccumulatie in de vaatwand vormt een atheroomplaat, wat leidt tot verdikking en vernauwing (stenose) van het bloedvat .
* Verminderde bloedtoevoer onder de vernauwing kan leiden tot zuurstoftekort .
### Key facts
* Bevorderende factoren zijn genetische aanleg, hypertensie, diabetes mellitus, roken, metabool syndroom en stress .
* Te hoog cholesterolgehalte, met name LDL, is een belangrijke risicofactor .
* HDL cholesterol heeft een beschermende werking door cholesterol uit de vaatwand te verwijderen .
* Ideale bloedcholesterolwaarden zijn: totaal cholesterol < 190 mg/dl, LDL < 100 mg/dl, HDL > 35 mg/dl .
### Key concepts
* Cholesterol is een vetachtige substantie essentieel voor celmembranen; problemen ontstaan bij overproductie .
* LDL (low-density lipoproteïne) stimuleert cholesterolafzetting in de vaatwand .
* HDL (high-density lipoproteïne) verwijdert cholesterol uit de vaatwand .
* De verhouding tussen totaal en HDL cholesterol is cruciaal voor het risico op atherosclerose .
### Complications
* Vernauwing van arteries en verminderde bloedtoevoer .
* Verhoogd risico op trombose en embolie .
* Verhoogde kans op angina pectoris, hartinfarct en CVA (beroerte) .
* Verhoogde kans op claudicatio intermittens (etalagebenen) en nierinsufficiëntie .
* Verhoogde kans op hypertensie .
### Prevention and treatment
* Dieet: vetarm, vervang verzadigde vetten door meervoudige onverzadigde vetzuren .
* Leefstijl: stoppen met roken, meer lichaamsbeweging .
* Medicatie, zoals simvastatine .
* Chirurgie, zoals bypassoperaties .
- > **Tip:** De verhouding tussen totaal cholesterol en HDL cholesterol is een betere indicator voor cardiovasculair risico dan de absolute waarden
---
# Aandoeningen van de hartkleppen
### Kernidee
* Hartklepaandoeningen belemmeren de normale bloedstroom door vernauwing (stenose) of terugvloei (insufficiëntie) .
* Deze aandoeningen kunnen leiden tot hartfalen en andere ernstige complicaties .
### Belangrijke feiten
* Hartklepstenose is een vernauwing van een hartklep (mitralisklep, aortaklep, tricuspidalisklep, pulmonalisklep) .
* De belangrijkste oorzaak van hartklepstenose is acuut reuma, een infectieziekte .
* Littekenvorming en bindweefselvorming leiden tot vernauwing van de klep bij stenose .
* Hartklepinsufficiëntie treedt op wanneer een hartklep lekt bij het sluiten .
* Bij insufficiëntie stroomt een deel van het bloed terug naar de oorspronkelijke plaats .
* Endocarditis is een ontsteking van de binnenkant van het hart, inclusief de hartkleppen .
* Bacteriën kunnen zich via de bloedbaan op de hartkleppen nestelen en endocarditis veroorzaken .
* Endocarditis kan leiden tot blijvende schade aan de hartkleppen of hartfalen .
* Risicogroepen voor endocarditis zijn mensen met een kunst- of donorklep .
### Belangrijke concepten
* **Hartklepstenose**: Vernauwing die bloedstroom bemoeilijkt .
* **Hartklepinsufficiëntie**: Terugvloei van bloed door een slecht sluitende klep .
* **Acuut reuma**: Infectieziekte die klepstenose kan veroorzaken door ontsteking en littekenvorming .
* **Endocarditis**: Ontsteking van het endocard en de hartkleppen door bacteriële infectie .
* **Hartfalen**: Een mogelijke complicatie van ernstige hartklepaandoeningen .
### Implicaties
* Patiënten met hartklepstenose ervaren bemoeilijkte bloedstroom .
* Patiënten met hartklepinsufficiëntie hebben te maken met terugstromend bloed .
* Endocarditis vereist behandeling om verdere schade aan kleppen en hart te voorkomen .
* Preventieve maatregelen zijn belangrijk voor risicogroepen bij endocarditis .
---
# Decompensatio cordis
### Core idea
* Decompensatio cordis (hartfalen) is een syndroom dat ontstaat door een stoornis in de pompfunctie van het hart .
* Dit leidt tot verminderde bloed- en zuurstofvoorziening van weefsels .
* Er wordt onderscheid gemaakt tussen linker en rechter hartdecompensatie .
### Linker hartdecompensatie
#### Etiologie
* Coronaire hartziekten met infarct .
* Hypertrofische cardiomyopathie .
* Hypertensie .
* Hartklepdefecten (bv. aortaklepstenose) .
* Hartritmestoornissen .
* Leeftijd .
#### Symptomen
* Dyspnoe d'effort die evolueert naar dyspnoe de repos .
* Orthopnoe, vooral in liggende houding .
* Stuwing in de longvenen met longoedeem .
* Ophoesten van rozig sputum door longoedeem .
#### Behandeling
* Rust en zoutarme voeding .
* Medicatie ter verbetering contractiekracht (digitalis, dopamine) .
* Diuretica en anticoagulantia .
* Patiënt juist positioneren (halfzittende houding) .
* Zo nodig extra zuurstof .
* Controle bloeddruk, pols, ademhaling, O2 saturatie, CVD, sputum, vochtbalans .
### Rechter hartdecompensatie
#### Etiologie
* Coronaire hartziekten met infarct .
* Hypertrofische cardiomyopathie .
* Hypertensie .
* Hartklepdefecten (bv. pulmonalisklepstenose) .
* Hartritmestoornissen .
* Leeftijd .
#### Symptomen
#### Behandeling
---
# Verklarende woordenlijst en literatuurlijst
### Kernconcepten
* Een verklarende woordenlijst definieert specifieke termen die in de tekst worden gebruikt .
* Een literatuurlijst vermeldt alle geraadpleegde bronnen .
### Literatuurlijst secties
* **Boeken:** Lijst van geraadpleegde boeken, inclusief auteurs, titel, druk, uitgever, pagina's en jaar .
* **Niet-gepubliceerde cursussen:** Cursussen die intern zijn ontwikkeld, met vermelding van auteurs, titel, instelling en jaar .
* **Elektronische bronnen:** Websites en online bronnen die zijn gebruikt .
### Belangrijke aspecten van een literatuurlijst
* Gedetailleerde vermelding van alle gebruikte bronnen is essentieel voor academische integriteit .
* De lijst helpt lezers om de informatie te verifiëren en verder onderzoek te doen .
* Correcte citatie voorkomt plagiaat .
- > **Tip:** Zorg voor een consistente opmaak in de literatuurlijst volgens de geldende APA- of MLA-stijl, afhankelijk van de vereisten
- > **Voorbeeld:** Een boekvermelding kan er als volgt uitzien: de Jong J
- H
- J, Chirurgie, niveau 5, BohnStafleu Van Loghum, 337 p
- , 1998
---
## Veelgemaakte fouten om te vermijden
- Bestudeer alle onderwerpen grondig voor examens
- Let op formules en belangrijke definities
- Oefen met de voorbeelden in elke sectie
- Memoriseer niet zonder de onderliggende concepten te begrijpen
Glossary
| Term | Definition |
|------|------------|
| Term | Definitie |
| Hartklepstenose | Een hartklepstenose is een vernauwing van een hartklep, zoals de mitralisklep, aortaklep, tricuspidalisklep of pulmonalisklep, die de bloedstroom belemmert. De meest voorkomende oorzaak is acuut reuma, waarbij littekenvorming en bindweefselvorming de klep vernauwen. |
| Hartklepinsufficiëntie | Bij een hartklepinsufficiëntie lekt een hartklep, waardoor een deel van het bloed terugstroomt naar de oorspronkelijke plaats wanneer de klep probeert te sluiten. Dit kan optreden bij de mitralisklep, aortaklep, tricuspidalisklep en pulmonalisklep. |
| Endocarditis | Endocarditis is een ontsteking van het endocard, de binnenbekleding van het hart, inclusief de hartkleppen. Bacteriën kunnen via de bloedbaan het hart bereiken en zich op het endocard nestelen, wat kan leiden tot beschadiging van de hartkleppen en hartfalen. |
| Angiografie | Een angiografie is een medische beeldvormingstechniek die wordt gebruikt om bloedvaten zichtbaar te maken met behulp van een contrastmiddel. Dit onderzoek helpt bij het opsporen van afwijkingen zoals vernauwingen (stenose) of verwijdingen (aneurysmata) van de slagaders. |
| Hartkatheterisatie | Hartkatheterisatie is een diagnostisch onderzoek waarbij een dunne, flexibele buis (katheter) via de bloedvaten naar het hart en de kransslagaders wordt geleid. Dit gebeurt onder röntgencontrole om de bloedstroom en de toestand van de hartstructuren te beoordelen. |
| Verklarende woordenlijst | Een lijst met belangrijke termen die in een document worden gebruikt, voorzien van hun betekenis om de lezer te helpen bij het begrijpen van de inhoud. |
| Literatuurlijst | Een opsomming van alle bronnen (boeken, artikelen, cursussen, elektronische bronnen) die zijn geraadpleegd of geciteerd in een academisch document, vaak onderverdeeld in categorieën. |
| Zakwoordenboek der geneeskunde | Een compact naslagwerk dat medische termen en hun definities bevat, bedoeld voor snelle referentie in de geneeskunde. |
| Chirurgie | Het medische specialisme dat zich bezighoudt met de behandeling van ziekten en verwondingen door middel van operatieve ingrepen. |
| Interne geneeskunde | Een medisch specialisme dat zich richt op de diagnose, behandeling en preventie van ziekten die interne organen aantasten, zonder chirurgische interventie. |
| Handboek wondzorg | Een uitgebreide gids die informatie biedt over de preventie, behandeling en verzorging van wonden, inclusief verschillende soorten wonden en hun specifieke aanpak. |
| Diabetes mellitus | Een chronische stofwisselingsziekte die wordt gekenmerkt door een verhoogd bloedsuikergehalte, veroorzaakt door een tekort aan insuline of een verminderde gevoeligheid voor insuline. |
| Anatomie en fysiologie | Anatomie bestudeert de structuur van levende organismen en hun delen, terwijl fysiologie de functies en mechanismen binnen levende systemen onderzoekt. |
| Insuline | Een hormoon dat wordt geproduceerd door de alvleesklier en dat een cruciale rol speelt bij het reguleren van de bloedsuikerspiegel door glucose uit het bloed naar de cellen te transporteren voor energie. |
| Pathologie | De medische discipline die de oorzaken, mechanismen en gevolgen van ziekten bestudeert, inclusief de veranderingen in structuur en functie die ziekte veroorzaken. |
| Verpleegkundige diagnosen | Klinische oordelen over individuele, gezins- of gemeenschapsreacties op huidige of potentiële gezondheidsproblemen/levensprocessen, die de basis vormen voor verpleegkundige interventies. |
| Röntgenstralen (RX-stralen) | Elektromagnetische straling met een korte golflengte die gebruikt wordt voor medische beeldvorming, waarbij verschillende weefsels de straling in verschillende mate absorberen. |
| Radiografie | Een standaard röntgenonderzoek dat vergelijkbaar is met het nemen van een foto, voornamelijk gebruikt om het skelet in beeld te brengen, waarbij een superpositiebeeld ontstaat van alle lagen van het lichaam. |
| Superpositiebeeld | Een beeld waarbij alle lagen van het lichaam boven elkaar worden afgebeeld, wat kan leiden tot schaduwen van organen op de röntgenfoto. |
| RX-thorax | Een röntgenfoto van de borstkas, waarbij lucht in de longen zwart wordt weergegeven omdat de stralen worden doorgelaten, en beenderen wit omdat de stralen worden tegengehouden. |
| Mammografie | Een specifieke röntgenonderzoeksmethode om de borsten in beeld te brengen en eventuele tumoren op te sporen, waarvoor een speciaal radiografietoestel nodig is. |
| Contraststof | Een stof die wordt toegediend om structuren zichtbaar te maken die anders niet zichtbaar zouden zijn op een röntgenbeeld, ingedeeld in positieve en negatieve contrastmiddelen. |
| Positieve contrastmiddelen | Stoffen die wit kleuren op een röntgenfoto omdat ze röntgenstralen tegenhouden, zoals barium en jodium. |
| Barium | Een positief contrastmiddel dat voornamelijk wordt gebruikt voor onderzoeken van het spijsverteringsstelsel en oraal of via een lavement kan worden toegediend. |
| Jodium | Een positief contrastmiddel dat intraveneus wordt toegediend en gebruikt wordt voor onderzoeken van bloedvaten, urinewegen, organen en gewrichten. |
| Negatief contrastmiddel | Een contrastmiddel dat röntgenstralen doorlaat en donker wordt weergegeven op een röntgenfoto, zoals lucht, dat vaak in combinatie met een positief contrastmiddel wordt gebruikt. |
| Dubbelcontrastradiografie | Een röntgenonderzoek waarbij zowel een positief als een negatief contrastmiddel wordt gebruikt om bepaalde structuren, zoals de darmplooien, beter af te grenzen. |
| Radioscopie (doorlichting, fluoroscopie) | Een röntgenonderzoek waarbij beweging van organen of contrastmiddelen in real-time op een beeldscherm bekeken kan worden, vergelijkbaar met het maken van een video. |
| Tracer | Een licht radioactieve stof, ook wel isotoop genoemd, die wordt toegediend aan een patiënt om specifieke lichaamsdelen of processen zichtbaar te maken op medische beelden. Deze tracers hebben een korte halfwaardetijd en verlaten het lichaam na korte tijd, bijvoorbeeld via de urine. |
| Halfwaardetijd | De tijd die nodig is om de helft van de radioactiviteit van een radioactieve stof te laten vervallen. Stoffen met een korte halfwaardetijd stralen niet lang en zijn daarom geschikt voor medische toepassingen in de nucleaire geneeskunde. |
| Gammacamera | Een detectieapparaat dat radioactieve straling uitzendt door het lichaam na toediening van een tracer. De gammacamera registreert deze straling en zet deze om in een beeld, waardoor de verspreiding van de tracer in het lichaam kan worden gevolgd. |
| Scintigrafie | Een nucleair-geneeskundig onderzoek waarbij een radioactieve tracer wordt gebruikt om de functionele activiteit, omvang en mogelijke afwijkingen van specifieke organen, zoals de schildklier of botten, in beeld te brengen. |
| Skeletscintigrafie (Botscan) | Een type scintigrafie waarbij radioactief calcium als tracer wordt gebruikt om de botten in beeld te brengen. Dit onderzoek kan helpen bij het zichtbaar maken van infecties of uitzaaiingen in het skelet. |
| PET-scan (Positron Emission Tomografie) | Een isotopisch onderzoek dat het stofwisselingsmechanisme in het lichaam in beeld brengt met behulp van een zwak radioactieve stof, zoals FDG (een radioactieve suikerstof). Tumoren, die een verhoogde stofwisseling hebben, worden hierdoor zichtbaar, zelfs als ze klein zijn. |
| SPECT-scan (Single Photon Emission Computed Tomography) | Een techniek die wordt gebruikt om 3D-beelden te verkrijgen door gebruik te maken van enkelvoudige fotonen. SPECT-scans zijn nuttig voor nauwkeurige plaatsbepaling en kunnen verschillende tracers tegelijkertijd gebruiken om verschillende aspecten van een ziekteproces te bestuderen. |
| Functieonderzoek | Medische onderzoeken die gericht zijn op het controleren van de werking van specifieke lichaamsdelen, zoals het hart of de hersenen, bijvoorbeeld door het registreren van elektrische activiteit. |
| Elektrocardiogram (ECG) | Een functieonderzoek dat de elektrische activiteit van het hart registreert om de hartfunctie te beoordelen. |
| Auto-immuniteit | Een proces waarbij het immuunsysteem antilichamen aanmaakt tegen de eigen lichaamscellen, in dit geval de insulineproducerende bètacellen in de pancreas. |
| Bètacellen | Gespecialiseerde cellen in de eilandjes van Langerhans in de pancreas die insuline produceren. |
| C-peptide | Een stof die samen met insuline wordt aangemaakt door de pancreas en die gebruikt wordt om de mate van eigen insulineproductie te beoordelen. |
| Dagcurve | Een reeks glycemiebepalingen die op verschillende tijdstippen gedurende de dag worden uitgevoerd om de schommelingen van de bloedsuikerspiegel te volgen. |
| Etiologie | De leer van de oorzaken van ziekten. |
| Glycemie | De concentratie van glucose (suiker) in het bloed. |
| Glycemiebepaling | Een laboratoriumtest om de hoeveelheid glucose in het bloed te meten. |
| Gestoorde OGTT | Een resultaat van de Orale Glucose Tolerantie Test waarbij de glycemiewaarden verhoogd zijn, maar nog niet hoog genoeg voor een definitieve diagnose van diabetes mellitus. |
| HbA1c | Hemoglobine waaraan glucose is gebonden, ook wel "geglyceerde hemoglobine" genoemd. De waarde geeft een indicatie van de gemiddelde bloedsuikerspiegel van de afgelopen 2 tot 3 maanden. |
| Hyperglycemie | Een te hoge bloedsuikerspiegel. |
| AIDS (Acquired Immune Deficiency Syndrome) | Een ziekte die voor het eerst werd gemeld in 1981, die het immuunsysteem aantast en uiteindelijk dodelijk is. |
| HIV (Human Immune Virus) | Een retrovirus of RNA-virus dat de oorzaak is van AIDS. Het virus wordt overgedragen via bloed-bloed en bloed-spermacontact. |
| CD4-lymfocyt | Een type witte bloedcel dat een cruciale rol speelt in het menselijke immuunsysteem. HIV nestelt zich in deze cellen, waardoor hun functie wordt aangetast en de aanmaak ervan wordt geblokkeerd. |
| Primo infectie | De initiële fase van een HIV-infectie, die 1 tot 6 weken na de besmetting kan optreden en gepaard kan gaan met symptomen zoals koorts, spierpijn en keelpijn. |
| Seropositief | Een staat waarbij het lichaam antilichamen heeft gevormd tegen het HIV-virus, wat aangeeft dat er een infectie aanwezig is. |
| Opportunistische infecties | Infectieziekten die optreden bij personen met een verzwakt immuunsysteem, zoals bij AIDS, en die bij gezonde individuen doorgaans onschadelijk zijn. |
| HIV remmers | Medicijnen die de vermenigvuldiging van het HIV-virus in het lichaam afremmen, waardoor de concentratie van het virus daalt en het immuunsysteem minder wordt aangetast. |
| Microbiciden | Stoffen die gebruikt worden in vaginale ringen of gels om HIV-besmetting en andere seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA's) te voorkomen. |
| Tripeltherapie (HAART-therapie) | Een combinatiebehandeling van drie verschillende medicijnen die de groei van HIV probeert te verminderen, waardoor HIV-patiënten langer kunnen leven. |
| PREP (Pre-Exposure Profylaxe) | Een dagelijkse pil die wordt ingenomen om het risico op HIV-infectie te verminderen, met name bij risicovol gedrag zoals onveilig vrijen. |
| PEP (Post Exposure Profylaxis) | Een behandeling met HIV-remmers die wordt gestart na een potentieel risicocontact met HIV om het risico op infectie te verkleinen. Deze behandeling duurt een maand en moet zo snel mogelijk na het risicocontact worden gestart. |
| Aidstest | Een test die antilichamen tegen het HIV-virus detecteert. Antistoffen kunnen pas na enkele maanden gevormd worden, waardoor de test pas met zekerheid uitsluitsel kan geven na een bepaalde periode na het vermoedelijke contact. |
| Benigne tumor | Een goedaardige tumor, gekenmerkt door een langzame groei, meestal omgeven door een kapsel, zonder metastasering, beweeglijk en met expansieve groei. Hoewel niet levensbedreigend, kan de lokalisatie soms wel problemen veroorzaken. |
| Maligne tumor | Een kwaadaardige tumor, gekenmerkt door infiltratieve en destructieve groei, vaak zonder kapsel, niet beweeglijk, met veranderde groeisnelheid en de mogelijkheid tot metastasering. Deze tumoren groeien in normaal weefsel en verwoesten het. |
| Tumor | Een gezwel dat ontstaat door ongecontroleerde celgroei. Bij kanker is er sprake van een ongeremde deling van lichaamscellen waarbij het bouwplan van de cel beschadigd raakt. |
| Celwoekering | De vermenigvuldiging van cellen met overmaat, waarbij de nieuw gevormde cellen geen duidelijke functie hebben. Dit is een kenmerk van gestoorde regulatie van celgroei. |
| Autonome groei | De groei van cellen die niet meer geremd wordt zoals bij normaal weefsel, wat leidt tot celwoekering. Dit is een kenmerk van tumoren. |
| Metastasering | De verspreiding van tumorcellen vanuit de primaire tumor naar andere delen van het lichaam, via de bloedbaan (hematogene metastasen) of lymfevaten (lymfekliermetastasen). |
| Hematogene metastasen | Uitzaaiingen van tumorcellen die plaatsvinden via de bloedbaan. Tumoren van de spijsverteringsorganen kunnen bijvoorbeeld snel levermetastasen veroorzaken. |
| Lymfekliermetastasen | Uitzaaiingen van tumorcellen die plaatsvinden via de lymfevaten. De uitzaaiingen ontwikkelen zich voornamelijk in de regionale lymfeklieren die stroomafwaarts van de primaire tumor liggen. |
| Schildwachtklier (Sentinel node) | De eerste lymfeklier waarheen kankercellen uitzaaien vanuit de primaire tumor, zoals bij borstkanker. Het onderzoeken van deze klier kan uitsluitsel geven over de aanwezigheid van uitzaaiingen. |
| Tumormarkers | Specifieke stoffen, zoals enzymen, die door sommige tumoren worden geproduceerd. Deze kunnen in het bloed worden opgespoord en helpen bij de diagnose van kanker. |
| Carcinomen | Maligne tumoren die ontstaan uit dekweefsel, zoals huid, slijmvliezen en klierweefsel. |
| Sarcomen | Maligne tumoren die ontstaan uit steunweefsel, zoals bot, spier en bindweefsel. |
| Curatieve behandeling | Een behandeling waarbij het doel is om de patiënt definitief van zijn ziekte te genezen. |
| Palliatieve behandeling | Een behandeling die als enig doel heeft de vermindering van klachten en het bieden van comfortzorg aan de patiënt. |
| Vriescoupe | Een techniek die tijdens een operatie wordt gebruikt om de snijranden van een weggenomen tumor direct te controleren op de aanwezigheid van tumorcellen. |
| Radiotherapie | Behandeling met bestraling, die uitwendig kan gebeuren en soms voorafgaand aan een operatie wordt toegepast om de genezingskans te vergroten, of als nabestraling om achtergebleven tumorresten te doden. |
| Brachytherapie | Een vorm van inwendige bestraling waarbij radioactieve bronnen, zoals jodiumzaadjes of naalden, in of dicht tegen de tumor worden ingebracht om schade aan omringende weefsels te minimaliseren. |
| Chemotherapie | Behandeling met medicatie, ook wel cytostatica of antitumorale middelen genoemd, die voornamelijk wordt gebruikt om kanker en metastasen op afstand te behandelen, en die bijwerkingen kan hebben op onder andere de huid, het maagdarmstelsel en het bloed. |
| Cytostatica | Medicatie die gebruikt wordt om kankercellen te doden of hun groei te remmen; een synoniem voor chemotherapie. |
| Antitumorale middelen | Medicijnen die gericht zijn op het bestrijden van tumoren, vaak gebruikt in de context van chemotherapie. |
| Academische studies | Onderzoeken die worden uitgevoerd in samenwerking met universitaire ziekenhuizen en de farmaceutische industrie, waarbij patiënten toegang kunnen krijgen tot geneesmiddelen die nog niet geregistreerd zijn voor hun specifieke kankertype. |
| Hormoontherapie | Een behandeling die gericht is op het beïnvloeden van hormonen die de groei van de tumor stimuleren, bijvoorbeeld door het wegnemen van hormoonproducerende organen of het toedienen van medicatie die de hormoonproductie afremt. |
| Ovarectomie | Het chirurgisch verwijderen van de eierstokken, wat een vorm van hormoontherapie kan zijn bij borstkanker. |
| Immuuntherapie | Een therapie die wordt toegepast bij patiënten met een slechte prognose, waarbij het afweersysteem van de patiënt wordt gestimuleerd om tumorgroei te controleren. Dit kan door lichaamseigen cellen te behandelen met tumoreiwitten die vervolgens weer worden ingespoten om het immuunsysteem te activeren. |
| Gentherapie | Een behandeling waarbij genetisch materiaal wordt ingebracht in een zieke cel om genetische oorzaken van aandoeningen te genezen. Dit kan door middel van genadditie (een extra gen inbrengen), genvervanging (een fout gen vervangen) of gencontrole (genexpressie veranderen). |
| Angiogeneseremming | Een therapie die zich richt op het remmen van de ontwikkeling van nieuwe bloedvaten in de tumor, wat essentieel is voor tumorgroei. Stoffen die angiogenese remmen, worden gebruikt om de vaatontwikkeling te belemmeren. |
| Hyperthermie | Een behandeling waarbij de lichaamstemperatuur wordt verhoogd tot 40-45°C, wat een celdodend effect heeft op tumorcellen. Hoge temperaturen beïnvloeden tumorcellen sneller dan normale cellen, waardoor tumorcellen afsterven terwijl normale cellen nog niet worden aangetast. |
| Combinatietherapie | Een behandelingsstrategie waarbij verschillende therapieën, zoals chirurgie, radiotherapie en chemotherapie, met elkaar worden gecombineerd om kanker te bestrijden. De volgorde en combinatie van therapieën worden aangepast aan het specifieke kankertype en de omvang van de tumor. |
| Prognose | De toekomstverwachting of het verloop van een ziekte, vaak uitgedrukt in een percentage dat aangeeft hoeveel patiënten een bepaalde periode na de behandeling nog leven, zoals de vijfjaarsoverleving. Prognostische factoren omvatten onder andere het orgaan van oorsprong van de tumor, de histologie, de leeftijd van de patiënt en de stagering. |
| Anamnese | Een medische geschiedenis die wordt afgenomen door een zorgverlener om informatie te verzamelen over de gezondheidstoestand van een patiënt, inclusief eerdere ziekten, medicatiegebruik en familiegeschiedenis, specifiek gericht op spijsverteringsklachten. |
| Faecesonderzoek | Een laboratoriumtest die wordt uitgevoerd op ontlasting om de aanwezigheid van infecties, bloed of andere afwijkingen te detecteren. Dit omvat bacteriologisch onderzoek en de iFOB-test voor het opsporen van onzichtbaar bloed. |
| iFOB-test | De immunochemische faeces occult bloed-test, een methode om zeer kleine hoeveelheden bloed in de stoelgang op te sporen die met het blote oog niet zichtbaar zijn. Dit kan een indicatie zijn van bloedingen in het spijsverteringskanaal. |
| Endoscopie | Een medische procedure waarbij een flexibele buis met een camera, een endoscoop, wordt gebruikt om inwendige lichaamsdelen te bekijken. De term "scopie" gevolgd door de naam van een orgaan geeft aan welk specifiek deel van het spijsverteringsstelsel wordt onderzocht, zoals bij een colonscopie. |
| Videocapsule-endoscopie (VCE) | Een onderzoek waarbij een patiënt een capsule, die een camera bevat, inslikt. Deze capsule maakt gedurende de passage door het spijsverteringskanaal, met name de dunne darm, een reeks foto's die een gedetailleerd beeld vormen van de binnenkant. |
| ERCP | Endoscopische retrograde cholangio-pancreaticografie, een gespecialiseerde endoscopische procedure die wordt gebruikt om de galwegen en pancreaswegen te onderzoeken en eventuele afwijkingen te behandelen. |
| Laparoscopie | Een minimaal invasieve chirurgische techniek waarbij een arts via kleine incisies, vaak in de navel, met een laparoscoop in de buikholte kijkt om organen te inspecteren of te behandelen. |
| Functieonderzoeken | Tests die de werking van het maag-darmkanaal evalueren, zoals pH-metrie van de slokdarm of een glucose-ademtest, om afwijkingen in de spijsverteringsprocessen op te sporen. |
| PET (CT) SCAN | Positronemissietomografie scan, een beeldvormend onderzoek waarbij een kleine hoeveelheid radioactieve stof, vaak gekoppeld aan suiker, wordt geïnjecteerd om metabole activiteit in het lichaam te visualiseren, wat kan helpen bij het detecteren van tumoren. |
| RX foto | Een röntgenfoto die beelden van het lichaam creëert met behulp van röntgenstralen. Holle organen zijn vaak niet direct zichtbaar, waardoor contrastmiddelen worden gebruikt om structuren zoals de maag en darmen in beeld te brengen. |
| Cholelithiasis | De aanwezigheid van galstenen in de galblaas, vaak familiair bepaald en geassocieerd met risicofactoren zoals vet, leeftijd boven veertig, vrouwelijk geslacht en vruchtbaarheid. |
| Galsteenkolieken | Hevige, aanvalsgewijze pijn die optreedt wanneer een galsteen een obstructie veroorzaakt in de ductus cysticus of ductus choledochus, vaak gepaard gaand met misselijkheid en braken. |
| Icterus | Geelzucht, een aandoening waarbij de huid en het oogwit geel kleuren door een ophoping van bilirubine, wat kan optreden bij galwegobstructie en gepaard kan gaan met jeuk. |
| Cholecystitis | Een ontsteking van de galblaas, meestal veroorzaakt door een afsluiting van de ductus cysticus door galstenen, wat kan leiden tot hydrops of empyeem. |
| Empyeem | Een ophoping van pus in een lichaamsholte, in de context van cholecystitis verwijst dit naar een geïnfecteerde galblaas gevuld met pus. |
| Laparoscopische cholecystectomie | Een chirurgische ingreep waarbij de galblaas wordt verwijderd via kleine incisies met behulp van een laparoscoop, een instrument met een camera. |
| Acute pancreatitis | Een plotselinge ontsteking van de pancreas, vaak veroorzaakt door galstenen of tumoren die de papil van Vater afsluiten, wat leidt tot reflux en zelfvertering van het pancreasweefsel. |
| Papil van Vater | De uitmonding van de ductus choledochus en de ductus pancreaticus in het duodenum, waar gal en pancreasenzymen het spijsverteringskanaal binnenkomen. |
| Reflux | De terugstroom van inhoud vanuit een lager gelegen deel van het spijsverteringskanaal naar een hoger gelegen deel, zoals de terugstroom van duodenuminhoud in de pancreasbuis. |
| Obstructie ileus | Een mechanische belemmering in het spijsverteringskanaal die de passage van darminhoud volledig blokkeert, veroorzaakt door bijvoorbeeld vreemde lichamen of tumoren. |
| Paralytische ileus | Een functionele belemmering van de darm waarbij de spieren in de darmwand verlamd zijn, waardoor de ontlasting niet meer wordt voortgestuwd, vaak als gevolg van peritonitis. |
| Faecaloïd braken | Braaksel dat een donkerbruine kleur heeft en sterk stinkt, vergelijkbaar met ontlasting, wat kan wijzen op een ernstige obstructie in het spijsverteringskanaal. |
| Decompensatio cordis | Een syndroom dat wordt gekenmerkt door een verminderde pompfunctie van het hart, resulterend in onvoldoende bloed- en zuurstofvoorziening van de lichaamsweefsels. Dit kan zich uiten als linker- of rechterhartdecompensatie. |
| Linker hartdecompensatie | Een toestand waarbij de linker hartkamer onvoldoende zuurstofrijk bloed naar de aorta pompt, wat leidt tot een drukstijging in de linker voorkamer en progressieve ademhalingsproblemen door stuwing in de longcirculatie. |
| Rechter hartdecompensatie | Een toestand waarbij de rechter hartkamer onvoldoende zuurstofarm bloed naar de longarterie pompt, wat resulteert in een drukstijging in de rechter voorkamer en belemmering van de veneuze terugvloei, met stuwing en oedeemvorming tot gevolg. |
| Dyspnoe d’effort | Ademhalingsmoeilijkheden die optreden tijdens lichamelijke inspanning en die bij progressie van de aandoening kan overgaan in dyspnoe de repos. |
| Dyspnoe de repos | Ademhalingsmoeilijkheden die in rust optreden, wat duidt op een ernstigere vorm van hartfalen. |
| Orthopnoe | Ademhalingsmoeilijkheden die specifiek optreden in liggende houding en verlichten bij het rechtop zitten, vaak een symptoom van linker hartdecompensatie. |
| Stuwing in de longvenen | Een verhoogde druk in de longvenen als gevolg van onvoldoende pompfunctie van het linkerhart, wat kan leiden tot vochtophoping in de longen (longoedeem). |
| Longoedeem | Vochtophoping in de longblaasjes en het interstitiële weefsel van de longen, veroorzaakt door een verhoogde druk in de longcirculatie, vaak een complicatie van linker hartdecompensatie. |
| Rozig sputum | Sputum (opgehoest slijm) met een roze of schuimige kleur, wat kan wijzen op de aanwezigheid van bloed en vocht, typisch bij longoedeem. |
| Contractiekracht | De mate van kracht waarmee de hartspier zich kan samentrekken om bloed uit te pompen. Medicatie zoals digitalis en dopamine kan deze kracht verbeteren. |
| Diuretica | Medicijnen die de uitscheiding van zouten en water door de nieren bevorderen, gebruikt om vochtophoping (oedeem) te verminderen bij hartfalen. |
| Anticoagulantia | Medicijnen die de bloedstolling remmen, vaak voorgeschreven bij hartfalen om de vorming van bloedstolsels te voorkomen. |
| Besmetting (contaminatie) | De aanwezigheid van ziekteverwekkende kiemen in een lichaam, die door overbrenging op een bepaald moment in het lichaam zijn gekomen. Indien de immuniteit deze kiemen kan bestrijden, treedt er geen probleem op. |
| Infectie | Een toestand die ontstaat wanneer de immuniteit van het lichaam ziekteverwekkende kiemen niet kan bestrijden, waardoor deze zich kunnen vermenigvuldigen en schade aanrichten. Het micro-organisme wordt hierbij een pathogeen of ziekteverwekker genoemd. |
| Aërogene besmetting | Een vorm van besmetting die plaatsvindt via de ademhalingswegen, zoals bij de overbrenging van tuberculose. |
| Enterale besmetting | Besmetting die plaatsvindt via de slijmvliezen van het maagdarmstelsel. |
| Cutane besmetting | Besmetting die plaatsvindt via de huid, zoals bij schurft of erysipelas. |
| Hematogene besmetting | Besmetting die rechtstreeks via het bloed plaatsvindt, bijvoorbeeld bij serumhepatitis. |
| Ontsteking (inflammatie) | Een plaatselijke of centrale reactie van een weefsel op een schadelijke prikkel van buitenaf, die kan leiden tot ziekteverschijnselen door de verspreiding en vermenigvuldiging van ziektekiemen. |
| Pathogeen (ziekteverwekker) | Een micro-organisme, virus of parasiet dat in het lichaam binnendringt en daar schade aanricht, waardoor een infectie ontstaat. |
| Rubor | Een van de lokale ontstekingsverschijnselen, wat staat voor roodheid van het aangedane weefsel. |
| Calor | Een van de lokale ontstekingsverschijnselen, wat staat voor warmteontwikkeling in het ontstoken gebied. |
| Dolor | Een van de lokale ontstekingsverschijnselen, wat staat voor pijn in het ontstoken gebied. |
| Traumatologie | De leer van de trauma's, een medisch specialisme dat zich bezighoudt met verwondingen en de gevolgen daarvan. Het omvat zowel lichamelijke als psychische aspecten van letsel na een ingrijpende gebeurtenis. |
| Trauma | Een gebeurtenis die het normale functioneren van een persoon plotseling verstoort, vaak resulterend in een combinatie van lichamelijk letsel, psychisch letsel en een psychische schok, gepaard gaande met gevoelens van schrik, onbehagen en machteloosheid. |
| Ecchymosis | Een blauwverkleuring van de huid die ontstaat door een onderhuidse bloeding, veroorzaakt door het scheuren van kleine bloedvaten in het onderhuids weefsel als gevolg van stomp geweld. |
| Hematoom | Een bloedbuil die ontstaat bij een groter bloedverlies dan bij een ecchymosis, waarbij bloed zich ophoopt onder de huid of in een lichaamsweefsel. |
| Distorsie | Een verstuiking, waarbij een gewricht gedwongen wordt in een abnormale bewegingsrichting, wat leidt tot overrekking of scheuring van het gewrichtskapsel en de gewrichtsbanden. |
| Functio laesa | Een medische term die een ernstige beperking van de normale functie van een lichaamsdeel aanduidt, vaak als gevolg van letsel. |
| Hydrops | Een abnormale ophoping van vocht in een lichaamsholte of weefsel, in de context van een gewricht kan dit duiden op zwelling. |
| Haemarthrose | De aanwezigheid van bloed in een gewricht, wat kan optreden bij ernstige letsels aan gewrichten, zoals bij een distorsie. |
| Luxatie | Een ontwrichting, waarbij de normale samenhang tussen de gewrichtsdelen verstoord is en er een duurzame, totale scheiding optreedt tussen de gewrichtskop en de gewrichtskom. |
| Dwangstand | Een abnormale, geforceerde houding van een lichaamsdeel, vaak als gevolg van letsel aan spieren, zenuwen of gewrichten. |
| Reponeren (Repositisie) | Het terugplaatsen van ontwrichte gewrichtsdelen in hun oorspronkelijke, anatomisch correcte positie. |
| Luxatiefractuur | Een gecombineerd letsel waarbij er sprake is van zowel een luxatie (ontwrichting) als een fractuur (botbreuk) in hetzelfde gebied. |
| Shock | Een levensbedreigende instorting van alle lichaamsfuncties, veroorzaakt door zuurstofgebrek als gevolg van onvoldoende circulatie en weefseldoorstroming, wat leidt tot onvoldoende bloedtoevoer, zuurstoftekort in weefsels, ophoping van afvalstoffen en metabole acidose. |
| Hypovolemische shock | Een vorm van shock die ontstaat door een significant verlies van (bloed)volume in het lichaam, veroorzaakt door bijvoorbeeld inwendige bloedingen, braken, diarree of brandwonden, resulterend in een te laag circulerend volume. |
| Hypotensie | Een medische term die een te lage bloeddruk aanduidt, wat een veelvoorkomend symptoom is bij verschillende vormen van shock. |
| Tachycardie | Een verhoogde hartslag, waarbij het hart sneller klopt dan normaal, wat een compensatiemechanisme kan zijn bij shock om de bloedtoevoer te handhaven. |
| Tachypnoe | Een versnelde ademhaling, waarbij de patiënt sneller ademt dan normaal, wat eveneens een reactie kan zijn op zuurstoftekort of stress tijdens shock. |
| Oligurie | Een verminderde urineproductie, wat een teken kan zijn van verminderde doorbloeding van de nieren, een veelvoorkomend symptoom bij matige tot ernstige shock. |
| Septische shock | Shock veroorzaakt door een bacteriële infectie, waarbij bacteriële endotoxines leiden tot wijdverbreide vaatverwijding, een afname van het circulerend volume en shockverschijnselen. |
| Vasodilatatie | Het verwijden van bloedvaten, wat bij septische en anafylactische shock leidt tot een sterke daling van de bloeddruk en verminderde weefseldoorstroming. |
| Anafylactische shock | Een ernstige, acute allergische reactie die leidt tot sterke vaatverwijding en potentieel levensbedreigende symptomen, vaak uitgelokt door medicatie, insectenbeten of voeding. |
| Cardiogene shock | Shock die ontstaat door een direct verminderde hartfunctie of hartfalen, waarbij het hart onvoldoende bloed kan rondpompen naar de organen. |
| Longstuwing | Een ophoping van vocht in de longen, wat kan optreden bij cardiogene shock als gevolg van de verminderde pompfunctie van het hart. |
| Dyspnoe | Kortademigheid of ademnood, een symptoom dat kan wijzen op onvoldoende zuurstoftoevoer, vaak gezien bij verschillende vormen van shock. |
| Diabetische macro-angiopathie | Een aandoening waarbij de grote bloedvaten versneld vernauwen door arteriosclerose, wat leidt tot een verhoogd risico op beroertes (C.V.A.), angina pectoris en acuut myocardinfarct. |
| Diabetische micro-angiopathie | Een aandoening waarbij de kleine bloedvaten vernauwen, wat problemen veroorzaakt in de ogen en nieren. Dit kan leiden tot ischemie, perifeer vaatlijden en diabetische ulcera door verdikking van het basaalmembraan en zwelling van het endotheel in de capillairen. |
| Diabetische retinopathie | Een complicatie van diabetes die het netvlies aantast, meestal zichtbaar na 10 jaar. Het begint met lekkende bloedvaatjes, gevolgd door vernauwing en blokkade van bloedvaten, wat leidt tot zuurstoftekort en de aanmaak van nieuwe, fragiele bloedvaatjes. Dit kan resulteren in bloedingen, littekens, verminderd zicht en uiteindelijk blindheid. |
| Diabetische nefropathie | Een aantasting van de nierfunctie door diabetes, gekenmerkt door verdikking van het glomerulaire membraan en toename van bindweefsel. Dit leidt tot eiwitverlies in de urine (albumine) en uiteindelijk tot chronische nierinsufficiëntie en mogelijk nierdialyse. |
| Diabetische neuropathie | Een verstoring van de prikkelgeleiding via de zenuwbanen, veroorzaakt door hoge glycemieniveaus die schade aan de isolatie van de zenuwen toebrengen. Dit leidt tot zenuwdysfunctie, met symptomen variërend van gevoelloosheid en tintelingen tot verlies van pijn- en temperatuurgevoeligheid, vooral in de voeten. |
| Sensorische neuropathie | Een type zenuwdysfunctie waarbij de waarneming van pijn, temperatuur en druk vermindert, waardoor de patiënt letsels, wrijving en drukplekken niet opmerkt. |
| Motorische neuropathie | Een type zenuwdysfunctie die het motorische deel van de zenuwen aantast, leidend tot atrofie van kleine voetspieren, dysbalans tussen spiergroepen, veranderde voetstand, hamertenen, en loopstoornissen. |
| Autonome neuropathie | Een type zenuwdysfunctie die de bloedregulatie en transpiratie beïnvloedt, wat resulteert in een droge huid met fissuren, kloven en een verhoogd risico op infecties en wonden. |
| Diabetische voet | Een complexe complicatie van diabetes die voortkomt uit vasculaire en neuropathische afwijkingen in de voet. Het wordt gekenmerkt door slecht genezende ulcera, chronische wonden, recidiverende problemen en een verhoogd risico op amputatie, vaak veroorzaakt door verminderde beschermingsmechanismen en drukplekken. |
| Charcotvoet | Een ernstige voetmisvorming waarbij botten van de voet plotseling instorten (collaps), wat leidt tot aanzienlijke vormafwijkingen. Dit verhoogt het risico op slecht genezende wonden, infecties zoals osteomyelitis en amputatie. |
| Lipodystrofie | Een verdikking van het onderhuidse vetweefsel, vaak gerelateerd aan herhaaldelijk injecteren van insuline op dezelfde plaats. Dit kan leiden tot onregelmatigheden van de huid, die soms pijnlijk zijn en het risico op infecties kunnen verhogen. |
| Hypoglycemie | Een toestand waarbij de hoeveelheid glucose in het bloed te laag is, gedefinieerd als minder dan 70 mg/dl. Dit kan leiden tot diverse fysieke en psychische symptomen, en in ernstige gevallen tot coma en de dood. |
| Hypoglycemisch coma | Een ernstige complicatie van hypoglycemie waarbij het bewustzijn verloren gaat. Dit vereist onmiddellijke medische interventie, zoals de toediening van Glucagen® om de bloedsuikerspiegel te verhogen. |
| Hyperglycemisch of keto-acidotisch coma | Een levensbedreigende complicatie die ontstaat bij zeer hoge bloedglucosespiegels (meer dan 350 mg/dl) en een acuut ernstig insulinetekort, leidend tot metabole stoornissen en verzuring van het bloed door ketonlichamen. |
| Trombocytose | Een aandoening waarbij het aantal bloedplaatjes (trombocyten) in het bloed verhoogd is, wat kan leiden tot spontane bloedstolsels. De oorzaak is vaak onbekend. |
| Trombopenie | Een vermindering van het aantal bloedplaatjes (trombocyten) in het bloed, vaak als gevolg van chemotherapie of een maligniteit. Dit kan leiden tot bloedingsneiging omdat bloedingen door vaatwandbeschadigingen niet goed gestelpt worden. |
| Hemofilie | Een erfelijke bloedingsziekte die wordt overgebracht via het X-chromosoom, waarbij er een tekort is aan specifieke stollingsfactoren. Er wordt onderscheid gemaakt tussen hemofilie A (tekort aan factor VIII) en hemofilie B (tekort aan factor IX). |
| Veneuze trombose | Stolselvorming in een vene, die zowel oppervlakkig als diep kan zijn. Een diepe veneuze trombose (DVT) treedt op in dieper gelegen venen, meestal in de benen, en kan leiden tot belemmering van de bloeddoorstroming. |
| Arteriële trombose | Stolselvorming in een arterie, wat leidt tot een verminderde bloedtoevoer naar de weefsels die door die arterie worden bevloeid. Dit kan veroorzaakt worden door arteriosclerose of beschadiging van de vaatwand. |
| Ulcus cruris | Een moeilijk genezende wond op het onderbeen of de enkel, meestal veroorzaakt door een gestoorde veneuze bloedafvoer (veneus ulcus cruris) of minder vaak door een onvoldoende arteriële bloedtoevoer (arterieel ulcus cruris). |
| Varices (spataders) | Kronkelige, uitgezette venen die vaak zichtbaar zijn op de huid, vooral in de benen. Ze ontstaan door een slechte klepfunctie in de venen, wat leidt tot stuwing en uitzetting van de aders. |
| Tromboflebitis | Een ontsteking van een oppervlakkige vene gepaard gaande met stolselvorming. Het begint meestal met een beschadiging van het endotheel van de vene, wat leidt tot stolselvorming en ontstekingsverschijnselen. |
| Atherosclerose (arteriosclerose met atheromatose) | Een aandoening van de arteries waarbij de endotheellaag beschadigd raakt en vet zich ophoopt in de vaatwand, wat leidt tot verdikking van de vaatwand en vernauwing van het bloedvat (stenose). |
| Claudicatio intermittens (etalageziekte) | Een symptoom van arteriosclerose waarbij zuurstofgebrek in de spieren optreedt tijdens het lopen, wat leidt tot krampen. De pijn verdwijnt na een korte pauze, waardoor de patiënt weer een korte afstand kan lopen. |
| PTA (Percutane Transluminale Angioplastie) | Een medische procedure waarbij een katheter met een ballonnetje wordt ingebracht in een vernauwd bloedvat. Het ballonnetje wordt opgeblazen om de vernauwing te verwijden, waardoor de bloeddoorstroming wordt hersteld. |
| Atherosclerose | Een aandoening die zich in de arteries manifesteert, gekenmerkt door de beschadiging van de endotheellaag van het vat en de ophoping van vet (atheroomplaat) in de vaatwand. Dit leidt tot verdikking van de vaatwand en vernauwing van de bloedvatdiameter (stenose), met als gevolg verminderde bloedtoevoer en zuurstoftekort onder de vernauwing. |
| Arteriosclerose | Een algemene term die vaak wordt gebruikt om atherosclerose aan te duiden, verwijzend naar de verharding en verdikking van de slagaderwanden. |
| Atheroomplaat | Een ophoping van vetachtige substanties, cholesterol en andere cellen in de binnenwand van een arterie, kenmerkend voor atherosclerose. |
| Stenose | Een vernauwing van een bloedvat, in de context van atherosclerose veroorzaakt door de vorming van een atheroomplaat, wat de bloedstroom beperkt. |
| Hypertensie | Een medische aandoening waarbij de bloeddruk in de arteries verhoogd is, wat een bevorderende factor is voor de ontwikkeling van atherosclerose. |
| Metabool Syndroom | Een cluster van aandoeningen, waaronder abdominale obesitas, hypertensie, diabetes en hypercholesterolemie, die samen het risico op atherosclerose en cardiovasculaire ziekten aanzienlijk verhogen. |
| Hypercholesterolemie | Een te hoog gehalte aan cholesterol in het bloed, wat een belangrijke risicofactor is voor de ontwikkeling van atherosclerose. |
| LDL (Low Density Lipoproteïne) | Een type lipoproteïne dat cholesterol transporteert en dat, bij verhoogde waarden, de afzetting van cholesterol in de vaatwand stimuleert, wat het risico op hart- en vaatziekten verhoogt. |
| HDL (High Density Lipoproteïne) | Een type lipoproteïne dat cholesterol transporteert en dat cholesterol uit de vaatwand verwijdert, waardoor het een beschermende werking heeft tegen atherosclerose. |
| Trombose | De vorming van een bloedstolsel (trombus) in een bloedvat, wat een complicatie kan zijn van atherosclerose door de vernauwing en beschadiging van de vaatwand. |
| Embolie | Een plotselinge afsluiting van een bloedvat door een embolus, zoals een bloedstolsel of een vetdeeltje, dat vanuit een andere locatie in het lichaam is meegevoerd. |
| Anemie | Een aandoening die wordt gekenmerkt door een tekort aan hemoglobine, veroorzaakt door een te laag aantal erytrocyten en/of een te lage hoeveelheid hemoglobine in de rode bloedcellen. |
| Erytrocyten | Rode bloedcellen die verantwoordelijk zijn voor het transport van zuurstof door het lichaam. |
| Hemoglobine | Een eiwit in rode bloedcellen dat zuurstof bindt en transporteert van de longen naar de weefsels en koolstofdioxide terug naar de longen. |
| Polycythemie | Een aandoening waarbij er een verhoogd aantal erytrocyten in het bloed aanwezig is, wat kan leiden tot een verdikking van het bloed en een verminderde doorstroming. |
| Hemolyse | Het proces van afbraak van erytrocyten, wat kan leiden tot hemolytische anemie wanneer de afbraak sneller gaat dan de aanmaak. |
| Erytropoëtine | Een hormoon dat voornamelijk in de nieren wordt geproduceerd en de aanmaak van erytrocyten in het beenmerg stimuleert. |
| Cyanose | Een blauwachtige verkleuring van de huid en slijmvliezen, veroorzaakt door een onvoldoende zuurstofverzadiging van het bloed. |
| Hypoxie | Een toestand van zuurstoftekort in de weefsels van het lichaam, wat kan leiden tot een verhoogde productie van erytropoëtine. |
| Beenmerg | Het sponsachtige weefsel binnenin botten waar bloedcellen, waaronder erytrocyten, worden aangemaakt. |
| Distorsie (Verstuiking) | Een letsel aan een gewricht waarbij het gewrichtskapsel en/of de gewrichtsbanden overrekt of gescheurd raken doordat het gewricht geforceerd wordt in een onnatuurlijke bewegingsrichting. |
| Luxatie (Ontwrichting) | Een duurzame en totale scheiding van de gewrichtskop uit de gewrichtskom, wat resulteert in een verstoring van de normale samenhang van het gewricht. |
| Habituele luxatie (Recidiverende luxatie) | Een luxatie die herhaaldelijk optreedt, vaak als gevolg van eerdere letsels of structurele zwakte van het gewricht. |
| Congenitale luxatie | Een aangeboren afwijking waarbij een gewricht, met name de heup, bij de geboorte niet correct gevormd is of ontwricht is. |
| Aambeien (hemorroïden) | Gezwollen en ontstoken aders in de anus en het einde van de dikke darm, vaak veroorzaakt door verhoogde druk tijdens de stoelgang, zwangerschap of ouderdom. Ze kunnen jeuken, irriteren en pijnlijk zijn, en zijn een veelvoorkomende oorzaak van rectaal bloeden. |
| Darmpoliepen | Gesteelde, goedaardige uitstulpingen van het darmslijmvlies die meestal in het colon voorkomen. Ze kunnen solitair of gegroepeerd voorkomen en worden vaak tijdens een coloscopie verwijderd. |
| Diverticulitis | Een ontsteking of infectie van een divertikel, een zakvormige uitstulping van een hol orgaan, meestal in het sigmoïd. Symptomen zijn onder andere pijn, koorts en drukpijn, en complicaties kunnen perforaties, abcessen of peritonitis omvatten. |
| Appendicitis | Een ontsteking van de appendix (wormvormig aanhangsel aan het caecum), wat vaak een spoedopname vereist. Het eerste symptoom is pijn, die zich typisch verplaatst naar de rechter onderbuik. Complicaties kunnen perforatie en peritonitis zijn. |
| Peritonitis | Een ontsteking van het buikvlies, die kan ontstaan door infectie, perforatie van spijsverteringsorganen, of ontstekingen zoals appendicitis of diverticulitis. Symptomen zijn onder andere pijn, drukpijn, koorts en een algemeen ziektegevoel. |
| Ziekte van Crohn | Een idiopathische, chronische, niet-specifieke ontsteking van de dunne darm, die vooral jongvolwassenen treft. Het darmslijmvlies verdikt en littekent, waardoor het lumen kleiner wordt. Symptomen zijn buikpijn, diarree en koorts. |
| Colitis Ulcerosa | Een ulcererende ontsteking van het colonslijmvlies, waarbij het rectum altijd is aangetast en de ontsteking zich kan uitbreiden naar het colon. Het begint meestal op jongvolwassen leeftijd en kenmerkt zich door diarree met bloed, slijm en pus. |
| Ulcus ventriculi | Zweervorming in het maagslijmvlies, veroorzaakt door factoren zoals stress, medicatie of een te zwak slijmvlies. Kenmerkend is pijn tijdens of na de maaltijd, misselijkheid en opboeren. Complicaties kunnen bloedingen of perforatie zijn. |
| Ulcus duodeni | Zweervorming in het slijmvlies van het eerste deel van het duodenum, vaak gerelateerd aan stress, te veel maagzuur of bacteriële infecties. Symptomen zijn hongerpijn uren na de maaltijd en pijn rechts van het midden in de bovenbuik. |
| Gastritis | Een ontsteking van het maagslijmvlies, veroorzaakt door interne irritatie zoals alcohol, medicatie, allergieën of infecties. Symptomen kunnen een vol gevoel, verminderde eetlust, branderigheid en opboeren omvatten. |
| Oesofagitis (refluxoesofagitis) | Een ontsteking van het slokdarmslijmvlies, vaak veroorzaakt door een stoornis in het afsluitmechanisme van de slokdarm (lage oesofagus sfincter) wat leidt tot reflux. Symptomen zijn zuurbranden, retrosternale pijn en eventueel stenose met dysfagie. |
| Besmetting of contaminatie | De aanwezigheid van bepaalde ziekteverwekkende kiemen in een lichaam door overbrenging. Als de immuniteit deze kiemen kan bestrijden, ontstaat er geen probleem; anders kan er een infectie ontstaan. |
| Pathogeen | Een micro-organisme, virus of parasiet dat in staat is om een ziekte te veroorzaken. |
| Bacteriëmie | De aanwezigheid van bacteriën in het bloed. Dit kan leiden tot infecties in verschillende delen van het lichaam. |
| Sepsis | Een levensbedreigende infectie van het hele lichaam die zich via de bloedbaan heeft uitgebreid. Ook wel bloedvergiftiging genoemd. |
| Hemocultuur | Een laboratoriumtest waarbij een bloedmonster wordt afgenomen om de aanwezigheid van micro-organismen te detecteren en te identificeren. Dit wordt gebruikt voor de diagnose van infecties zoals sepsis. |
| Hematologische maligniteiten | Een verzamelnaam voor beenmergkankers, waarbij er sprake is van woekering van tumorale leukocyten in het beenmerg. |
| Lymfomen | Kwaadaardige woekeringen van cellen in de lymfeklieren en milt, ook wel lymfeklierkanker genoemd. |
| TNM-classificatie | Een internationaal gebruikt systeem om de uitgebreidheid van een tumor te classificeren, bestaande uit T (tumor), N (nodus/lymfeklieren) en M (metastasen). |
| Sinusitis | Een ontsteking van het slijmvlies van de neusbijholten, veroorzaakt door virussen, bacteriën of allergenen, vaak voortkomend uit een acute rhinitis. |
| Laryngitis | Ontsteking van het strottenhoofd (larynx), die kan worden veroorzaakt door bacteriële of virale infecties, overmatig stemgebruik of blootstelling aan bijtende stoffen en rook, resulterend in heesheid of afonie. |
| Tonsillitis | Ontsteking van de keelamandelen (tonsillen), vaak veroorzaakt door langdurige irritatie, bacteriën of virussen, leidend tot slikklachten, keelpijn en soms koorts. |
| Abcesvorming (bij tonsillitis) | Een complicatie van tonsillitis waarbij zich pus ophoopt in de keelamandelen of omliggende weefsels, wat kan leiden tot ernstige slikproblemen. |
| Hypertrofie (van tonsillen) | Een abnormale vergroting van de keelamandelen, die kan leiden tot slaapapneu en andere ademhalingsproblemen. |
| Acute bronchitis | Ontsteking van de bronchiën (luchtwegen), vaak volgend op een infectie van de bovenste luchtwegen, gekenmerkt door hoesten met of zonder sputum en retrosternaal pijn. |
| Pneumonie | Een acute ontsteking van de longblaasjes (alveolen) en het omliggende weefsel, veroorzaakt door diverse micro-organismen zoals virussen en bacteriën, wat leidt tot koorts, hoesten en dyspneu. |
| Pleuritis | Ontsteking van het longvlies (pleura), vaak als complicatie van een andere longaandoening, die zich manifesteert met scherpe pijn bij het inademen, droge hoest en kortademigheid. |
| Pneumothorax | De aanwezigheid van lucht in de pleuraholte, waardoor de long (gedeeltelijk) samenvalt, ook wel klaplong genoemd, met symptomen als pijn en dyspneu. |
| Bronchiaal astma | Een chronische ontsteking van de bronchiën en bronchiolen, gekenmerkt door hyperreactiviteit van de luchtwegen die leidt tot vernauwing, samentrekking van gladde spieren, zwelling van het slijmvlies en verhoogde slijmproductie, met aanvalsgewijze kortademigheid als gevolg. |
| COPD (Chronic Obstructive Pulmonary Disease) | Een verzamelnaam voor chronische longaandoeningen die stoornissen in de gasuitwisseling veroorzaken, waaronder chronische bronchitis en longemfyseem. |
| Chronische bronchitis | Een langdurige ontsteking van de bronchiën, gekenmerkt door aanhoudend hoesten met slijmen, kortademigheid en cyanose, waarbij de ernst wordt ingedeeld volgens de GOLD-classificatie. |
| Diagnose | Een diagnose is het proces waarbij een ziekte wordt geïdentificeerd op basis van de waargenomen symptomen. De term wordt vaak gebruikt als synoniem voor de naam van de ziekte of aandoening waaraan een persoon lijdt. |
| Behandeling | Een behandeling kan worden ingesteld met verschillende doelen, waaronder preventie (het voorkomen van een ziekte), curatie (het genezen van een ziekte) of palliatie (het verminderen van symptomen wanneer genezing niet meer mogelijk is). |
| Preventieve behandeling | Dit type behandeling is gericht op het voorkomen van het ontstaan van een ziekte, voordat deze zich manifesteert. |
| Glucagon | Een hormoon dat ook door de pancreas wordt geproduceerd. Glucagon werkt tegengesteld aan insuline en verhoogt de bloedsuikerspiegel door de lever aan te zetten tot de afbraak van glycogeen naar glucose. |
| Normoglycemie | De normale, gezonde bloedsuikerspiegel die het lichaam nastreeft. De waarden variëren enigszins met de leeftijd. |
| Auscultatie | Het beluisteren van lichaamsgeluiden met behulp van een stethoscoop om de toestand van organen te beoordelen. |
| CT-scan (Computertomografie) | Een onderzoeksmethode die röntgenstraling en een computer gebruikt om driedimensionale beelden van inwendige lichaamsstructuren te creëren. |
| Doppler | Een onderzoekstechniek die, in combinatie met echografie, de snelheid van de bloedstroom meet aan de hand van ultrasone geluidsgolven. |
| Duplexonderzoek | Een combinatie van echografie en dopplertechniek, waarbij zowel beeld als geluid wordt gebruikt om bijvoorbeeld de arteria carotis te onderzoeken. |
| Echografie | Een beeldvormende techniek die ultrasone geluidsgolven gebruikt om beelden van inwendige structuren te vormen door de teruggekaatste golven te meten. |
| EEG (Elektro-encefalogram) | Een onderzoek dat de elektrische activiteit van de hersenen registreert om afwijkingen in de hersenactiviteit op te sporen. |
| ECG (Elektrocardiogram) | Een onderzoek dat de elektrische activiteit van het hart registreert om de hartfunctie te beoordelen. |
| EMG (Elektromyogram) | Een onderzoek dat de functie van spieren en zenuwbanen meet, voornamelijk in de ledematen, maar ook in het aangezicht, de keel, de rug en de bekkenbodem. |
| Fluoroscopie (Radioscopie) | Een onderzoeksmethode waarbij beweging van organen of contrastmiddelen in real-time op een beeldscherm zichtbaar wordt gemaakt, vergelijkbaar met het maken van een video. |