Cover
ابدأ الآن مجانًا S2 Syndromale lessen 2 (1).pdf
Summary
# Syfilis en de fasen van de infectie
Syfilis is een systemische infectie veroorzaakt door de bacterie *Treponema pallidum* die levenslang aanwezig kan blijven en zich in verschillende fasen manifesteert.
### 1.1 Etiologie en kenmerken van *Treponema pallidum*
* *Treponema pallidum* is een bacterie die zich systemisch kan verspreiden en levenslang in het lichaam aanwezig kan blijven [36](#page=36).
### 1.2 De fasen van syfilis
De infectie met *Treponema pallidum* verloopt typisch in drie fasen:
#### 1.2.1 Primaire syfilis
* **Kenmerk:** Lokale infectie gekenmerkt door een "ulcus durum" of sjanker [36](#page=36).
* **Symptomen:** Dit ulcus is een harde, pijnloze papel die spontaan kan genezen na enkele weken. Het niet opmerken of vaststellen van dit ulcus is mogelijk [36](#page=36) [37](#page=37).
* **Verdere verspreiding:** Ondanks de spontane genezing van de sjanker, verspreidt de bacterie zich in vele gevallen verder in het lichaam [36](#page=36).
#### 1.2.2 Secundaire syfilis
* **Tijdsframe:** Treedt op maanden na de primaire infectie [36](#page=36).
* **Kenmerken:** *Treponema* is systemisch aanwezig in grote aantallen en veroorzaakt letsels aan de huid en mucosa [36](#page=36).
* **Verloop:** Deze fase kan ook spontaan genezen, maar evolueert vaak na vele asymptomatische jaren naar tertiaire syfilis [36](#page=36).
#### 1.2.3 Tertiaire syfilis
* **Kenmerken:** *Treponema* is in beperkte hoeveelheden aanwezig in organen, wat chronische inflammatie veroorzaakt [36](#page=36).
* **Gevolgen:** Dit leidt tot onomkeerbare orgaanschade met mogelijke neurologische, psychiatrische en cardiale complicaties [36](#page=36).
* **Manifestaties:** Kan zich uiten als neurosyfilis, cardiovasculaire syfilis, of gummata (granulomateuze laesies) in bot, huid en hersenen [39](#page=39).
> **Tip:** Syfilis wordt ook wel "the great imitator" genoemd vanwege de diverse en soms misleidende symptomen die het kan veroorzaken [39](#page=39).
### 1.3 Overdracht
* Syfilis wordt overgedragen via direct contact met de geslachtsdelen [36](#page=36).
* Er is een recente toename van het aantal gevallen in het Westen, met name onder homoseksuele mannen [36](#page=36).
* Congenitale overdracht van moeder op kind is mogelijk [36](#page=36).
### 1.4 Incubatietijd
* De incubatietijd van syfilis bedraagt minimaal één week [36](#page=36).
### 1.5 Diagnose
* **Microscopie:** Wordt in de praktijk nauwelijks gebruikt [36](#page=36).
* **Serologie:**
* Sommige testen, zoals de TPPA (*Treponema pallidum* particle agglutination) test, blijven levenslang positief en worden gebruikt voor screening op contact [36](#page=36).
* Andere testen, zoals de VDRL (Venereal Disease Research Laboratory) test, worden negatief na een efficiënte behandeling en worden gebruikt voor screening op actieve ziekte [36](#page=36).
### 1.6 Behandeling en preventie
* *Treponema pallidum* is nog steeds gevoelig voor penicilline [36](#page=36).
* Eén toediening van penicilline volstaat doorgaans, behalve in sommige gevallen van tertiaire syfilis [36](#page=36).
* **Preventie:** Veilige seksuele praktijken en het behandelen van partners zijn essentieel voor preventie [36](#page=36).
---
# Specifieke huidaandoeningen en hun behandeling
Dit onderwerp behandelt verschillende bacteriële en virale huidaandoeningen, hun oorzaken, symptomen, verloop en behandelingsopties.
### 2.1 Bacteriële huidaandoeningen
#### 2.1.1 Impetigo
Impetigo is een epidermale infectie die voornamelijk bij kinderen voorkomt, gekenmerkt door de vorming van blaasjes of puistjes die indrogen tot korstjes [6](#page=6).
* **Verwekker:** Staphylococcus aureus, of een menginfectie met groep A streptokokken (Streptococcus pyogenes). S. aureus kan exfoliative toxines produceren, wat kan leiden tot blaarvorming, zoals bij het Staphylococcal scalded skin syndrome bij jonge kinderen [6](#page=6).
* **Voorkomen:** Vooral bij kinderen, op een beschadigde huid [6](#page=6).
* **Verloop:** Geneest spontaan binnen enkele weken [6](#page=6).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen [6](#page=6).
* **Preventie:** Goede hygiëne, ontsmetten van wondjes, vermijden van direct contact [6](#page=6).
* **Behandeling:** Meestal volstaat fusidinezuur zalf; bij uitgebreide infecties worden antibiotica zoals flucloxacilline voorgeschreven [6](#page=6).
#### 2.1.2 Folliculitis, furunkel en karbunkel
Dit zijn infecties van de haarfollikel, voornamelijk veroorzaakt door Staphylococcus aureus [7](#page=7).
* **Voorkomen:** Bevorderd door talgproductie en gebruik van oliën of corticosteroïden [7](#page=7).
* **Folliculitis:** Een klein puistje met een geel puntje [7](#page=7).
* **Furunkel:** Een lokaal abces (steenpuist) [7](#page=7).
* **Karbunkel:** Meerdere furunkels die met elkaar verbonden zijn, met mogelijke fistelvorming naar dieper gelegen weefsel [7](#page=7).
* **Verloop:** Kan spontaan genezen [7](#page=7).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen [7](#page=7).
* **Behandeling:** Folliculitis vereist hygiëne en wassen; furunkels en karbunkels worden behandeld met antibiotica (flucloxacilline) bij koorts of op een risicovolle locatie zoals rond de neus (vanwege mogelijke doorgifte naar de sinus cavernosus) [7](#page=7).
#### 2.1.3 Erysipelas en cellulitis
Dit zijn infecties van de dermis en subcutis [8](#page=8).
* **Verwekker:** Groep A streptokokken; cellulitis kan ook door Staphylococcus aureus worden veroorzaakt [8](#page=8).
* **Voorkomen:** Gekenmerkt door (hoge) koorts en malaise. Cellulitis is minder scherp begrensd en dieper dan erysipelas [8](#page=8).
* **Verloop:** Zelden spontane genezing; ernstige gevallen kunnen ziekenhuisopname vereisen [8](#page=8).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen [8](#page=8).
* **Behandeling:** Antibiotica (flucloxacilline) en het inzwachtelen van oedeem [8](#page=8).
#### 2.1.4 Necrotiserende infectie
Dit zijn ernstige infecties met snelle weefseldestructie [9](#page=9).
* **Verwekker:** Groep A streptokokken, Staphylococcus aureus, en menginfecties met grampositieve, gramnegatieve en anaerobe bacteriën, waaronder Clostridium perfringens (gasgangreen) [9](#page=9).
* **Voorkomen:** Gekenmerkt door hevige pijn en koorts, met een risico op sepsis. Kan optreden na trauma of chirurgie [9](#page=9).
* **Verloop:** Snelle uitbreiding, weefselnecrose door ischemie, gevolgd door sepsis en orgaanfalen [9](#page=9).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen, eventueel naaldaspiratie [9](#page=9).
* **Preventie:** Zeer belangrijk: grondige reiniging van vuile wonden, zuurstofwater, en eventueel profylactische antibiotica [9](#page=9).
* **Behandeling:** Chirurgie, intraveneuze antibiotica, intensieve monitoring en ondersteuning van vitale functies [9](#page=9).
#### 2.1.5 Bijtwonden
Infecties na beten van dieren of mensen [10](#page=10).
* **Verwekker:** Voornamelijk Staphylococcus aureus en de gemengde orale flora van de bijter [10](#page=10).
* **Symptomen:** Roodheid, eventueel ettervorming [10](#page=10).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen en anamnese [10](#page=10).
* **Preventie:** Beten vermijden, reiniging, preventieve antibiotica bij katten- of mensenbeten, en post-expositie profylaxe tegen tetanus [10](#page=10).
* **Behandeling:** Breedspectrum antibiotica, zoals amoxicilline/clavulaanzuur (Augmentin) [10](#page=10).
#### 2.1.6 Gasgangreen
Een ernstige anaerobe infectie veroorzaakt door Clostridium perfringens [12](#page=12).
* **Verwekker:** Clostridium perfringens en verwante soorten, die voorkomen in fecale flora en als sporen in aarde en vuil [12](#page=12).
* **Voorkomen:** Wonden kunnen gecontamineerd raken tijdens chirurgie of door 'straat'ongevallen. De sporen groeien uit in anaerobe omstandigheden (dood weefsel zonder zuurstoftoevoer) [12](#page=12).
* **Verloop:** Actieve groei leidt tot de productie van weefseldestructieve enzymen, wat snelle weefseldestructie veroorzaakt en verdere groei bevordert. Gasvorming in het weefsel is een typisch symptoom dat gevoeld kan worden bij palpatie of zichtbaar is op radiografie. Komt frequent voor in oorlogswonden [12](#page=12).
* **Behandeling:** Antibiotica, chirurgie, en symptomatische ondersteuning [12](#page=12).
* **Preventie:** Goede heelkunde en wondzorg, en chemoprofylaxie [12](#page=12).
> **Tip:** Clostridium species zijn grampositieve, sporevormende staven die strikt anaeroob groeien. Sommige soorten, zoals C. perfringens, produceren weefselvernietigende enzymen, terwijl andere, zoals C. botulinum en C. tetani, krachtige neurotoxines produceren [13](#page=13).
#### 2.1.7 Gemengde bacteriële wondkolonisatie en infectie
Chronische wonden, zelfs indien niet initieel door infectie ontstaan, worden vaak gekoloniseerd door diverse bacteriën [11](#page=11).
* **Kolonisatie vs. Infectie:** De aanwezigheid van bacteriën op een wond is niet altijd een infectie. Vaak wordt onterecht antibiotica toegediend voor kolonisatie, wat leidt tot resistentie [11](#page=11).
* **Voorkomen:** Vooral bij chronische wonden, zoals diabetische voeten [11](#page=11).
* **Behandeling:** Antibiotica zijn geïndiceerd bij duidelijke tekenen van infectie, niet enkel bij kolonisatie [11](#page=11).
### 2.2 Virale huidaandoeningen
#### 2.2.1 Herpes labialis (koortslip)
Herpes labialis is een infectie veroorzaakt door het herpes simplex virus (HSV) [15](#page=15).
* **Verwekker:** HSV type 1 (typisch bovenste lichaamshelft, virus in ggl. trigeminale) en HSV type 2 (typisch onderste lichaamshelft, virus in sacrale ggl.) [15](#page=15).
* **Voorkomen:**
* **Primaire infectie:** Vaak asymptomatisch, met een incubatieperiode van ongeveer een week [15](#page=15).
* **Reactivatie:** Gekenmerkt door vesikels met helder vocht (koortsblaasjes) die later korstjes vormen. Milde koorts en gezwollen submandibulaire klieren kunnen optreden. Reactivatie wordt getriggerd door stress, menstruatie, koorts, of zonlicht [15](#page=15).
* **Transmissie:** Door direct contact, zolang de blaasjes nog niet verkorst zijn. Seropositiviteit voor HSV-1 varieert tussen 40-95% [15](#page=15).
* **Verloop:** Het virus blijft permanent aanwezig in de neuronen [15](#page=15).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen [15](#page=15).
* **Preventie:** Vermijden van direct contact [15](#page=15).
* **Behandeling:** Meestal afwachten. Bij complicaties of systemische infecties (vooral bij immuundeficiëntie) kan zinkoxide/zinksulfaat, aciclovir, of orale antivirale middelen worden gebruikt [15](#page=15).
#### 2.2.2 Varicella en zona (waterpokken en gordelroos)
Veroorzaakt door het varicella zostervirus (VZV), een herpesvirus [16](#page=16).
* **Verwekker:** Varicella zostervirus (VZV) [16](#page=16).
* **Voorkomen:**
* **Primaire infectie (waterpokken):** Kenmerkend zijn vlekjes die overgaan in jeukende blaasjes die korstjes worden. Bacteriële superinfectie (door S. aureus, S. pyogenes) kan littekens veroorzaken [16](#page=16).
* **Reactivatie (gordelroos):** Ontstaat op het bijhorende dermatoom en treedt doorgaans één keer op [16](#page=16).
* **Verloop:** 90% van de mensen wordt besmet bij contact met een zieke persoon, zolang de blaasjes nog niet verkorst zijn. De incubatietijd voor waterpokken is ongeveer 14 dagen. Complicaties zoals postherpetische pijn, pneumonie, meningitis, en encefalitis zijn zeldzaam [16](#page=16).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen, vooral bij kinderen [16](#page=16).
* **Preventie:** Vermijden van direct contact [16](#page=16).
* **Behandeling:** Kinderen behoeven doorgaans geen behandeling. Aciclovir kan worden overwogen bij kinderen met een verzwakt immuunsysteem of om de koorts met één dag in te korten. Bij personen ouder dan 12 jaar kan antivirale therapie worden ingezet. Bij verzwakte personen kan het VZV-vaccin tot 72 uur na blootstelling worden toegediend [16](#page=16).
#### 2.2.3 Verrucae vulgares (wratjes) en Mollusca contagiosa (waterwratjes)
Dit zijn virale huidinfecties [17](#page=17).
* **Verrucae vulgares (wratjes):**
* **Verwekker:** Human Papillomavirus (HPV), met ongeveer 70 bekende genotypen [17](#page=17).
* **Verloop:** Transmissie vindt plaats via direct contact. Het virus is stabiel buiten het lichaam en dringt de huid binnen via minimale beschadigingen. Vermenigvuldiging vindt plaats in de differentiërende basale cellen van de epidermis [17](#page=17).
* **Mollusca contagiosa (waterwratjes):**
* **Verwekker:** Molluscum contagiosum virus (molluscipoxvirus) [17](#page=17).
* **Verloop:** Transmissie via direct contact, met een incubatietijd van enkele maanden [17](#page=17).
---
# Infecties van het centraal zenuwstelsel
Infecties van het centraal zenuwstelsel (CZS), waaronder de hersenen en het ruggenmerg, manifesteren zich primair via neurologische symptomen en vereisen een snelle diagnose en behandeling om levensbedreigende complicaties te voorkomen.
### 7.1 Klinisch beeld en deelsyndromen
Het klinische beeld van CZS-infecties wordt sterk beïnvloed door de leeftijd van de patiënt. Bij zuigelingen en peuters ontbreekt bijvoorbeeld de typische nekstijfheid die wijst op meningeale prikkeling. Complicaties kunnen variëren van neurologische en psychiatrische restletsels tot, afhankelijk van de verwekker en gastheer, een snel evoluerende systemische infectie. Een niet gemiste diagnose is cruciaal, aangezien dit het verschil kan betekenen tussen leven en dood [54](#page=54).
**Aanverwante ziekten en syndromen:**
Andere oorzaken van meningeale prikkeling, zoals inflammatie of cerebrovasculaire accidenten (CVA), kunnen initieel koortsafwezigheid vertonen, hoewel dit later kan veranderen [54](#page=54).
### 7.2 Spectrum van symptomen en verwekkers
**Symptomen:**
De symptomen van CZS-infecties omvatten neurologische uitingen zoals hoofdpijn, foto- en fonofobie, sensoriële defecten en bewustzijnsdaling. Soms treden ook psychiatrische symptomen op. Symptomen van intracraniële overdruk, zoals braken, nekstijfheid, hypertensie en bradycardie, kunnen eveneens voorkomen. Koorts is frequent, maar niet altijd aanwezig. De klassieke triade van koorts, nekstijfheid en veranderde geestestoestand wordt slechts bij ongeveer 50% van alle patiënten gezien, met name bij pneumokokkenmeningitis [55](#page=55).
**Verwekkers:**
De belangrijkste verwekkers zijn virussen, voornamelijk herpes- en enterovirussen. Bacteriële verwekkers zijn onder andere *Neisseria meningitidis* (meningokok), *Streptococcus pneumoniae* (pneumokok), en *Haemophilus influenzae*, hoewel de laatste door vaccinatie veel minder voorkomt in België. Opportunistische pathogenen kunnen binnendringen wanneer natuurlijke barrières worden doorbroken, bijvoorbeeld door direct trauma of uitbreiding vanuit sinussen. Parasieten en schimmels zijn zeldzamere verwekkers [55](#page=55).
**Overdracht:**
De overdrachtswijze varieert per verwekker. Typische pathogenen koloniseren aanvankelijk, waarna ze via direct contact of druppelinfecties het lichaam binnendringen. Een voorbeeld is de virulente meningokok die de keel koloniseert, vervolgens hematogeen de bloedbaan en de hersenbarrière passeert. Herpesvirussen kunnen vanuit mucosale replicatiesites via zenuwbanen het CZS bereiken [55](#page=55).
**Incubatietijd:**
De incubatietijd kan variëren van dagen tot weken, afhankelijk van de verwekker [55](#page=55).
**Diagnose:**
De diagnose berust op de detectie van de verwekker in het lumbaal vocht, aangevuld met biochemische analyses en celtellingen. Serologie op lumbaal vocht kan eveneens nuttig zijn [55](#page=55).
**Behandeling en preventie:**
Preventie kan plaatsvinden via vaccinatie tegen bepaalde verwekkers, zoals *Haemophilus influenzae* type b, *Neisseria meningitidis* type C, *Streptococcus pneumoniae*, en poliovirus. Voor virale infecties, zoals herpesvirussen, zijn antivirale middelen beschikbaar. Bacteriële infecties worden behandeld met antibiotica, wat restletsels kan verminderen en levensreddend kan zijn [55](#page=55).
### 7.3 Overdracht en verloop
**Mechanismen van binnendringen:**
Bij gezonde individuen dringen pathogenen het CZS binnen na voorafgaande kolonisatie of een infectie buiten het CZS. Uitbraken, zoals bij meningokokken, zijn mogelijk. Bij zieke of verzwakte patiënten kan er sprake zijn van opportunistisch binnendringen, bijvoorbeeld bij sepsis of infecties met parasieten zoals *Toxoplasma*. Barrière doorbraken kunnen optreden na trauma, door lokale uitbreiding vanuit de schedel of rug, of iatrogeen (bv. door drains, implantaten of puncties) [56](#page=56).
**Het CZS als immuungeprivilegieerde zone:**
Het CZS is een immuungeprivilegieerde zone, omgeven door een rigide omhulsel. Ontstekingen moeten hier beperkt blijven, omdat oedeem tot overdruk kan leiden. Er zijn geen lokale lymfefollikels aanwezig [56](#page=56).
**Verloop van infecties:**
* **Virale infecties:** Deze zijn vaak zelflimiterend met een goede prognose voor volledig herstel (bv. enterovirus). Ernstige restletsels op cognitief en motorisch vlak kunnen echter optreden (bv. Herpes simplex virus, met 70% mortaliteit zonder behandeling) [56](#page=56).
* **Bacteriële infecties:** Zonder behandeling leiden deze vaak tot zware restletsels of zijn ze fataal [56](#page=56).
* **Schimmelinfecties:** Deze treden opportunistisch op bij verminderde weerstand en kennen geen spontaan herstel [56](#page=56).
**Noodzaak van snelle interventie:**
Gezien de snel optredende catastrofale gevolgen van CZS-infecties en de beschikbaarheid van effectieve medicatie in welvarende regio's, is een snelle diagnose essentieel. Een klinische diagnose kan leiden tot het blind starten van behandeling, bij voorkeur na afname van lumbaal vocht. Vaak wordt gestart met acyclovir en intraveneuze antibiotica, waarbij de behandeling wordt aangepast op basis van diagnostische resultaten [56](#page=56).
### 7.4 Pathogenese
De pathogenese van CZS-infecties berust op inflammatie en directe weefselschade, wat de neurale functie kan verstoren en zelfs vitale functies kan onderdrukken. Bij bacteriële infecties kan dit leiden tot uitbreiding naar sepsis, infectie van andere organen, orgaanfalen, diffuse intravasculaire stolling, septische embolieën en bloedingen [57](#page=57).
**Petechiën en purpura:**
Petechiën en purpura zijn niet-wegdrukbare rode vlekken die duiden op lokale bloedingen, typisch op drukplaatsen zoals rond kousenbanden of in huidplooien. Het plotseling optreden hiervan bij een ernstig zieke of koortstigen patiënt is een alarmsignaal dat onmiddellijke actie en hospitalisatie vereist. Meningokokkenmeningitis kan binnen enkele uren evolueren naar levensbedreigende sepsis. Tijdig ingrijpen kan necrose voorkomen die anders amputaties noodzakelijk zou maken [57](#page=57).
> **Tip:** Het plotseling verschijnen van petechiën of purpura bij een koortstigen patiënt met symptomen die kunnen wijzen op een infectie, is een absolute spoedsituatie.
### 7.5 Diagnose
De diagnose van CZS-infecties wordt ondersteund door analyse van het lumbaal vocht.
**Celtelling:**
* Virale infecties kenmerken zich door een beperkte celstijging, voornamelijk lymfocyten [58](#page=58).
* Bacteriële infecties tonen een typische sterke verhoging van het aantal cellen, voornamelijk neutrofielen [58](#page=58).
**Biochemie:**
* **Virale infecties:** Eiwit- en glucosegehaltes zijn typisch normaal of slechts licht verstoord [58](#page=58).
* **Bacteriële infecties:** Kenmerkend is een verhoogd eiwitgehalte, een verlaagd glucosegehalte en een verhoogd lactaatgehalte [58](#page=58).
Het is belangrijk te benadrukken dat deze parameters indicatief zijn en nooit voldoende om een virale of bacteriële oorzaak definitief uit te sluiten, gezien de overlapping in kliniek en biochemie [58](#page=58).
**Aantonen van de verwekker:**
Daarom is het direct aantonen van de verwekker in het lumbaal vocht cruciaal. Dit kan gebeuren via microscopie (bv. gramkleuring), antigendetectie, PCR of kweek [58](#page=58).
**Hemokulturen:**
Gezien de ernst van de infectie en de mogelijkheid dat een punctie niet direct kan plaatsvinden, is het ook essentieel om hemokulturen af te nemen [58](#page=58).
---
# Lymfadenopathieën van infectieuze oorsprong
Lymfadenopathieën van infectieuze oorsprong manifesteren zich als een veralgemeende of gelokaliseerde lymfocytenvermeerdering als reactie op een infectie, met niet-pijnlijke, opgezette lymfeklieren als hoofdsymptoom bij gegeneraliseerde vormen [69](#page=69).
### 4.1 Algemene principes
Lymfadenopathieën van infectieuze oorsprong zijn een uiting van een veralgemeende lymphoproliferatie, waarbij lymfocyten delen als reactie op een virale infectie, of op andere doelwitcellen. Dit staat in contrast met andere oorzaken van veralgemeende lymfadenopathieën, zoals neoplastische groei (bv. lymfomen) of auto-immune of allergische responsen [69](#page=69).
Gelokaliseerde lymfadenopathieën zijn daarentegen vaak ook infectieus van aard. Ze ontstaan als normale afweerreactie op een infectie in het gebied dat wordt gedraineerd door de betreffende lymfeklieren. Hierbij kunnen bacteriën via lymfevaten tot in de klier raken, wat resulteert in pijnlijke, geïnflammeerde klieren (lymfadenitis) door een lokale reactie, bijvoorbeeld bij een Staphylococcus aureus infectie. Minder acuut verlopende lymfeklieropzettingen kunnen voorkomen bij andere infecties, zoals Chlamydia trachomatis of primaire syfilis, en kunnen gelokaliseerd of meer verspreid zijn (Mycobacterium tuberculosis, secundaire syfilis) [69](#page=69).
### 4.2 Spectrum van symptomen en verwekkers
#### 4.2.1 Symptomen
Het klinische beeld van gegeneraliseerde lymfadenopathieën van infectieuze oorsprong omvat meestal pijnloze, opgezette klieren die in verschillende anatomische regio's voelbaar zijn, of die met beeldvorming dieper aantoonbaar zijn. Koorts is vaak matig tot afwezig bij gegeneraliseerde lymfadenopathieën van virale origine [70](#page=70).
#### 4.2.2 Verwekkers
Belangrijke verwekkers van gegeneraliseerde lymfadenopathieën zijn virussen, met name herpesvirussen zoals Cytomegalovirus (CMV) en Epstein-Barrvirus (EBV). Ook bij infectie met het Human Immunodeficiency Virus (HIV) en mazelen komen gegeneraliseerde lymfadenopathieën voor [70](#page=70).
#### 4.2.3 Overdracht en incubatietijd
De overdracht van deze infecties is afhankelijk van de specifieke verwekker. De incubatietijd kan variëren van weken tot maanden of zelfs jaren [70](#page=70).
#### 4.2.4 Diagnose
De diagnose wordt gesteld door klinische vaststelling, gevolgd door serologisch onderzoek [70](#page=70).
#### 4.2.5 Behandeling en preventie
Voor mazelen bestaat er een effectief vaccin, waardoor de ziekte nagenoeg niet meer voorkomt in gebieden met vaccinatie. Voor de overige virussen is er geen vaccin beschikbaar, maar wel virusremmers. Deze worden doorgaans niet gegeven bij goedaardig verlopende infecties. Soms zijn virusremmers wel nodig bij immuundepressie (zoals bij CMV) en zeker bij HIV-infectie [70](#page=70).
### 4.3 Overdracht en verloop
#### 4.3.1 Bij gezonden
Bij gezonde personen zijn CMV en EBV zeer infectieus en wijdverspreid. De infectie geeft op jonge leeftijd meestal geen symptomen, maar meer vanaf de adolescentie. Een HIV-infectie leidt op lange termijn nagenoeg steeds tot symptomen, ten gevolge van de immuunverzwakking [71](#page=71).
#### 4.3.2 Bij zieken/verzwakten
Bij zieke of verzwakte personen kunnen een primo-infectie of heropflakkering van EBV en CMV agressief verlopen bij cellulaire immuundeficiëntie. Een HIV-infectie resulteert bij hen bovendien veel sneller in aids [71](#page=71).
#### 4.3.3 Verloop
* **EBV/CMV:** Na een infectie wordt het virus nooit volledig geklaard en blijft levenslang aanwezig. Bij EBV is dit in B-cellen, en bij CMV in monocyten en hematopoëtische stamcellen. Na de primo-infectie kunnen de virussen vanuit deze reservoirs heropflakkeren [71](#page=71).
* **HIV:** Na een infectie wordt het virus nooit geklaard en blijft levenslang aanwezig in macrofagen en T-cellen. Na de primo-infectie kan het virus tijdelijk onder controle worden gehouden door het immuunsysteem, dat echter geleidelijk afbrokkelt. Dit leidt tot een evolutie naar aids over een periode van ongeveer acht jaar [71](#page=71).
### 4.4 Pathogenese
* **EBV:** Infecteert het epitheel van de farynx en B-cellen. De viraal geïnduceerde B-celgroei wordt onder controle gehouden door een massale respons van T-cellen (die zelf niet geïnfecteerd zijn). Deze T-cellen zijn in de acute fase te zien als de mononucleaire cellen in het perifere bloed, die soms ten onrechte voor leukemische blasten worden aangezien. Ze dragen bij tot symptomen zoals hepatitis en faryngitis [72](#page=72).
> **Voorbeeld:** EBV faryngitis.
* **CMV:** Infecteert monocyten/macrofagen en epitheelcellen, wat kan leiden tot orgaanfalen. De infectie wordt onder controle gehouden door T-cellen. CMV kan transplacentair de foetus infecteren, wat ernstige malformaties kan veroorzaken [72](#page=72).
> **Voorbeeld:** CMV-infectie bij immuundepressie (door cortisonetherapie): A en B tonen diffuse infiltraties in de longen, C en D tonen inclusies in besmette cellen [72](#page=72).
* **HIV:** Infecteert macrofagen en CD4+ T-cellen, alsook enkele andere CD4+ cellen. Het verstoort de immuunfunctie en veroorzaakt chronische immuunactivatie met uiteindelijke uitputting, leidend tot verlies van CD4+ T-cellen en het instorten van de verworven immuniteit. In dit stadium kunnen kankers en opportunistische infecties de fatale afloop inluiden (aids-stadium) [72](#page=72).
### 4.5 Diagnose
De diagnose van lymfadenopathieën van infectieuze oorsprong gebeurt door serologisch opsporen van de verwekker. Voor therapiemonitoring (bv. CMV bij immuundepressie, zoals bij transplantpatiënten, en HIV) wordt de virale load gedoseerd met PCR [73](#page=73).
* **EBV:** De Paul-Bunnell test kan heterofiele antistoffen opsporen (gemaakt door massale polyklonale B-celactivatie). Daarnaast is specifieke EBV-serodiagnostiek mogelijk [73](#page=73).
* **CMV:** Diagnostiek omvat het meten van IgG en IgM-antistoffen [73](#page=73).
* **HIV:** Diagnostiek omvat het meten van IgG-antistoffen [73](#page=73).
---
# Intravasale en endovasculaire infecties en prothese-infecties
Intravasale en endovasculaire infecties betreffen de aanwezigheid en vermenigvuldiging van micro-organismen in de bloedbaan, met specifieke aandacht voor infecties van het vaatendotheel en geïmplanteerde biomaterialen [75](#page=75).
### 5.1 Algemene principes van intravasale en endovasculaire infecties
Micro-organismen kunnen op verschillende manieren in de bloedbaan terechtkomen, leidend tot diverse infectiebeelden [75](#page=75).
#### 5.1.1 Primaire endovasculaire infecties
Dit zijn infecties die direct het endotheel van het hart (endocarditis) of de bloedvaten aantasten. Geïmplanteerde biomaterialen, zoals kunsthartkleppen of katheters, kunnen ook direct geïnfecteerd raken, wat aanleiding geeft tot primaire bacteriëmie [75](#page=75).
#### 5.1.2 Secundaire bacteriëmie
Bij secundaire bacteriëmie ligt de oorspronkelijke infectiehaard buiten de bloedbaan, en komen de micro-organismen herhaaldelijk of in grote aantallen in de bloedbaan terecht [75](#page=75).
#### 5.1.3 Transiënte bacteriëmie
Transiënte bacteriëmie treedt op wanneer micro-organismen, bijvoorbeeld tijdens het tandenpoetsen, de bloedbaan binnenkomen, maar doorgaans snel worden opgeklaard door het mononucleaire-fagocytensysteem. Dit stadium kan ook dienen als een route voor micro-organismen om, door hun specifieke tropisme, naar andere organen te migreren [75](#page=75).
### 5.2 Gevolgen van intravasale en endovasculaire infecties
De gevolgen van deze infecties zijn divers en kunnen leiden tot ernstige systemische complicaties [76](#page=76).
#### 5.2.1 Lokale gevolgen van infectie
Naast de directe gevolgen van de infectie in het getroffen orgaan (zoals hartinsufficiëntie bij endocarditis of respiratoire symptomen bij pneumonie), kunnen ook ernstige systemische reacties optreden [76](#page=76).
#### 5.2.2 Systemic Inflammatory Response Syndrome (SIRS)
SIRS is een gegeneraliseerde inflammatoire reactie, die niet uitsluitend door infecties wordt veroorzaakt. Symptomen kunnen bestaan uit koude rillingen, koorts, hypothermie, tachypneu en tachycardie [76](#page=76).
#### 5.2.3 Sepsis en septische shock
Sepsis is een SIRS veroorzaakt door een infectie. Sepsis kan escaleren tot septische shock, gekenmerkt door een verminderde bloeddruk en verminderde perfusie van vitale organen, wat kan leiden tot functioneel falen [76](#page=76).
#### 5.2.4 Multi-Organ Failure (MOF)
De inflammatie en infectie kunnen secundaire schade aan vitale organen veroorzaken, resulterend in acuut nierfalen, ARDS (acuut respiratoir dystress syndroom), leverinsufficiëntie (met stollingsstoornissen), en uiteindelijk multi-orgaanfalen (MOF). Bij MOF wordt de secundaire schade steeds moeilijker spontaan te herstellen [76](#page=76).
#### 5.2.5 Metastatische infecties
Micro-organismen kunnen zich via de bloedbaan verspreiden naar andere locaties in het lichaam, wat kan leiden tot 'metastatische' infecties [76](#page=76).
### 5.3 Aanpak van sepsis en SIRS (diagnose en behandeling)
De aanpak vereist een multidisciplinaire benadering gericht op het opsporen van de verwekker, het monitoren van vitale parameters en het toepassen van adequate therapie [77](#page=77).
#### 5.3.1 Diagnostiek
* Het opsporen van de verwekker gebeurt middels microbiële kweken van het getroffen orgaan en meerdere bloedkweken (hemoculturen) [77](#page=77).
* Monitoring van parameters zoals pO2 en lactaat is essentieel, met name op een intensieve zorgenafdeling [77](#page=77).
#### 5.3.2 Behandeling
* Intraveneuze breedspectrum antibiotica worden initieel toegepast, met gerichte antibiotica zodra de verwekker bekend is [77](#page=77).
* Supportieve therapie is gericht op het tegengaan van sepsis en orgaanschade [77](#page=77).
* Behandelingen gebaseerd op het afremmen van lymfokines, zoals TNF, zijn niet bewezen effectief [77](#page=77).
* Bij primaire bacteriëmie is het vervangen van de besmette katheter of antibiotische behandeling en eventueel vervanging van een geïnfecteerde hartklep noodzakelijk [77](#page=77).
### 5.4 Endocarditis
Endocarditis is een infectie van het endotheel van het hart, met name op de hartkleppen, chordae tendineae en het endocard van de atria en ventrikels [78](#page=78).
#### 5.4.1 Gevolgen van endocarditis
* Aantasting van hartkleppen kan leiden tot hartgeruis en verminderde pompfunctie, met mogelijk hartinsufficiëntie tot gevolg [78](#page=78).
* Bacteriën kunnen via de bloedbaan verspreid worden, wat leidt tot strooi-infecties [78](#page=78).
* Chronische inflammatie kan eveneens gevolgen hebben [78](#page=78).
#### 5.4.2 Klinische beelden en mechanismen van endocarditis
* **Subacute endocarditis:** Verwekkers zijn typisch minder virulente bacteriën zoals Viridans-streptokokken, bacteriën uit de HACEK-groep (afkomstig uit de mondholte), of enterokokken (afkomstig uit de darm). Deze hechten zich aan endotheelletsels, vaak op misvormde of kunsthartkleppen, en vormen een met bacteriën geïnfiltreerde trombus, een 'vegetatie'. Risicofactoren omvatten congenitale of verworven hartklepafwijkingen. Symptomen van inflammatie zijn vaak mild, maar metastatische infecties kunnen voorkomen [78](#page=78).
* **Acute endocarditis:** Wordt veroorzaakt door virulente bacteriën, met name *Staphylococcus aureus*, die leiden tot snelle destructie van de klep. Dit kan ook optreden zonder vooraf bestaande hartklepafwijkingen en leidt tot een ernstige ziekte met potentieel ernstige infecties op afstand [78](#page=78).
* **Specifieke situaties:** Endocarditis kan ook worden veroorzaakt door gramnegatieve staven bij hospitalisatie, of door gisten bij intraveneus drugsgebruik [78](#page=78).
#### 5.4.3 Diagnose van endocarditis
* Aantonen van (nieuw) hartgeruis via auscultatie en echografie [79](#page=79).
* Detectie van tekenen van metastatische infectie, zoals splinterhemorragiën [79](#page=79).
* Het nemen van minimaal drie afzonderlijke bloedkweken zonder voorafgaande toediening van antibiotica is cruciaal [79](#page=79).
#### 5.4.4 Behandeling van endocarditis
* Antibiotica gericht tegen de specifieke verwekker worden in hoge doses en soms in combinatie toegediend, aangezien volledige eradicatie noodzakelijk is [79](#page=79).
* Chirurgische ingrepen, zoals het vervangen van de klep, zijn geïndiceerd bij falen van de antibiotische behandeling of snelle achteruitgang [79](#page=79).
#### 5.4.5 Preventie van endocarditis
* Preventie van bacteriëmie in het ziekenhuis omvat preventieve antibiotica bij chirurgie, goed kathetermanagement en adequate behandeling van infecties [79](#page=79).
* Patiënten met hartkleppatiënten wordt geadviseerd een goede mond- en tandhygiëne te handhaven en bij risicovolle ingrepen preventief antibiotica te laten toedienen [79](#page=79).
### 5.5 Afname van hemokulturen
Correcte afname van hemokulturen is essentieel voor een accurate diagnose [80](#page=80).
#### 5.5.1 Aantal en indicatie hemokulturen
Er worden doorgaans twee tot drie hemokulturen afgenomen. Meerdere positieve kweken zijn overtuigender, met name in situaties waarin huidbacteriën mogelijk de verwekker zijn of bij transiënte bacteriëmie [80](#page=80).
#### 5.5.2 Procedure voor afname
* Huidontsmetting dient te gebeuren met een alcoholisch antisepticum, waarna de prikplaats niet meer aangeraakt mag worden [80](#page=80).
* Handschoenen dienen gedragen te worden ter bescherming van de afnemer [80](#page=80).
* Bij gebruik van een naald en spuit wordt geadviseerd 20 mL bloed af te nemen, eerst voor de anaerobe, daarna voor de aerobe fles om zuurstof in de spuit te minimaliseren [81](#page=81).
* Bij gebruik van een adaptor en vlindernaald wordt aangeraden eerst de aerobe, daarna de anaerobe fles aan te prikken, omdat er zuurstof in de leiding kan zitten. Let op dat de flessen vacuüm blijven zuigen [81](#page=81).
* Verwijder de dop van de fles en ontsmet het rubber met een 70% alcoholische oplossing. Respecteer de contacttijd en laat drogen [82](#page=82).
* Gebruik een vlindernaald of spuit van 10 of 20 mL [82](#page=82).
* De optimale hoeveelheid bloed is 10 mL voor volwassen flessen. Gebruik geen bloed uit tubes [82](#page=82).
### 5.6 Profylaxe van bacteriële endocarditis
Profylaxe is geïndiceerd bij risicopatiënten en specifieke ingrepen [83](#page=83).
#### 5.6.1 Indicaties voor profylaxe
* **Risicopatiënten:** Patiënten met hoog-risico hartklepafwijkingen [83](#page=83).
* **Wanneer:** Tandheelkundige ingrepen met bloeding. Minder frequent bij ingrepen aan het gastro-intestinale en urogenitale stelsel [83](#page=83).
#### 5.6.2 Richtlijnen voor profylaxe
* **Antibiotica:** Amoxicilline [83](#page=83).
* **Dosering:** Een hoge dosis van 3 gram amoxicilline eenmalig, kort voor de ingreep, is cruciaal. Dit zorgt voor een hoge spiegel op het moment van bacteriële vrijzetting in het weefsel, een basisprincipe voor elke chirurgische profylaxe [83](#page=83).
#### 5.6.3 Aanvullende preventie
Minstens even belangrijk is het adviseren van patiënten met hartgebreken om een uitstekende mond- en tandhygiëne te handhaven, aangezien dit een groot deel van de klepinfecties kan voorkomen [83](#page=83).
### 5.7 Prothese-infecties
Prothese-infecties, hoewel niet gedetailleerd beschreven op de aangegeven pagina's, vallen onder de bredere categorie van intravasale en endovasculaire infecties wanneer de prothese zich in de bloedbaan bevindt of direct contact daarmee heeft. Denk hierbij aan geïmplanteerde kunstkleppen of vasculaire prothesen. Infecties van deze biomaterialen zijn ernstig en vereisen een specifieke diagnostiek en behandeling, vaak multidisciplinair. Het principe van het vermijden van bacteriëmie en het vroegtijdig opsporen van infecties is hierbij essentieel [75](#page=75) [77](#page=77).
---
# Genitale infecties en seksueel overdraagbare aandoeningen
Genitale infecties omvatten aandoeningen van de geslachtsorganen, vaak seksueel overdraagbaar, die verschillende klinische syndromen en complicaties kunnen veroorzaken [20](#page=20).
### 6.1 Klinisch beeld en deelsyndromen
Genitale infecties kunnen strikt genomen de geslachtsorganen betreffen, maar ook sensu latu andere organen infecteren (bv. lever bij HBV) of symptomen buiten de geslachtsorganen veroorzaken (bv. HIV) [20](#page=20).
#### 6.1.1 Hoofdsymptomen
De hoofdsymptomen manifesteren zich in diverse syndromen:
* Vaginitis [20](#page=20).
* Urethritis [20](#page=20).
* Cervicitis (en opstijgende infectie zoals Pelvic Inflammatory Disease - PID) [20](#page=20).
* Ulcura/vesikels [20](#page=20).
* Tumoren, wratten [20](#page=20).
* Niet onfrequent asymptomatisch [20](#page=20).
* SOA met niet-genitaal gelokaliseerde infectie (bv. HIV, HepB) [20](#page=20).
#### 6.1.2 Complicaties
Complicaties zijn afhankelijk van het type infectie en kunnen omvatten:
* Opstijgende infectie met inflammatie, leidend tot PID, infertiliteit en verhoogd risico op extra-uteriene zwangerschap [20](#page=20).
* Systemische of metastatische infecties [20](#page=20).
* Ontwikkeling van kanker, zoals bij HPV [20](#page=20).
#### 6.1.3 SOA versus niet-SOA
Het onderscheid tussen SOA (seksueel overdraagbare aandoeningen) en niet-SOA is cruciaal voor de behandeling en preventie.
* **SOA:** Gekenmerkt door seksuele overdracht en mogelijke complicaties. Behandeling van partner(s) is noodzakelijk [20](#page=20).
* **Niet-SOA:** Geen seksuele overdracht, met weinig tot geen complicaties [20](#page=20).
### 6.2 Vaginitis
Vaginitis is een ontsteking van de vagina die kan ontstaan door verstoring van de normale vaginale flora. De normale vaginale flora wordt gedomineerd door lactobacillen, die met behulp van glycogeen uit epitheelcellen zorgen voor een zure pH en stabilisatie van het microbioom. Factoren zoals vaginale spoelingen, sperma en individuele voorbeschiktheid kunnen dit evenwicht verstoren, leidend tot dysbacteriose en symptomatische vaginitis [21](#page=21).
#### 6.2.1 Oorzaken van vaginitis
Vaginitis kan door verschillende oorzaken ontstaan:
* **Bacteriële vaginose (BV):** De meest frequente oorzaak van vaginitis, gekenmerkt door overgroei van bacteriën die normaal tot de flora behoren (bv. *Prevotella spp.*, *Gardnerella vaginalis*). Dit veroorzaakt een storend vaginaal verlies, vaak met nare geuren. BV wordt beschouwd als een 'niet-gezonde' microflora en komt frequent voor (5-10%, in sommige regio's tot 50%). Ondanks dat het ongemak kan veroorzaken, brengt BV risico's met zich mee, zoals verhoogde transmissie van SOA's en vroeggeboorte [21](#page=21) [23](#page=23).
* **Kenmerken BV:**
* Vervanging van lactobacillen door grote aantallen *Gardnerella vaginalis*, anaeroben, streptococcen en mycoplasmata [23](#page=23).
* Symptomen kunnen variëren van asymptomatisch tot lokale hinder met stinkende fluor. Soms ook jeuk [23](#page=23) [24](#page=24).
* Objectieve tekenen (Amsel criteria): Stinkend, grijs, homogeen beslag/fluor; verhoogde vaginale pH (> 5); hoge concentratie amines (ruikend naar dode vis), aantoonbaar met de 'sniff test' (toevoegen KOH aan vaginaal slijm). Clue cellen in microscopie ('wet' stain of Gram-kleuring) [24](#page=24).
* Classiek als ongevaarlijk beschouwd, maar nu bekend dat BV de kans op HIV-overdracht, andere SOA's, laag geboortegewicht en prematuriteit verhoogt [24](#page=24).
* Behandeling met metronidazol of clindamycine (oraal of lokaal). Zeer frequente recidieven compliceren de behandeling [24](#page=24).
* **Candida vaginitis:** Overgroei van *Candida albicans*, vaak na antibioticagebruik of bij diabetes. Kenmerkend zijn witverlies en een branderig gevoel. De meeste vrouwen ervaren dit minstens één keer. Zie ook hoofdstuk fungi voor meer details [21](#page=21) [22](#page=22).
* **Trichomonas vaginalis vaginitis:** Een echte SOA veroorzaakt door een protozoön (*Trichomonas vaginalis*). Hoewel minder frequent en soms verwaarloosd, kan het vaginale symptomen zoals fluor, jeuk en branderigheid veroorzaken. Partnerbehandeling is alleen noodzakelijk bij Trichomonas [21](#page=21) [22](#page=22).
> **Tip:** De flora van de penis kan gelinkt zijn aan bacteriële vaginose bij partners, waarbij de rol van transmissie mogelijk onderschat wordt [22](#page=22).
### 6.3 Seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA) strictu sensu
SOA's zijn infecties die primair door seksueel contact worden overgedragen [26](#page=26).
#### 6.3.1 Symptomen
Symptomen van SOA's variëren en omvatten:
* Lokale symptomen: ulcera, pijn of branderig gevoel, afscheiding van secreten, tekenen van inflammatie [26](#page=26).
* Systemische symptomen: koorts, eventueel huiduitslag [26](#page=26).
* Complicaties op termijn: lokale tumoren, infertiliteit, infecties op afstand (bv. neurosyfilis) [26](#page=26).
#### 6.3.2 Verwekkers
De verwekkers van SOA's zijn divers en omvatten virussen, bacteriën, protozoa en insecten (zoals schaamluizen) [26](#page=26).
#### 6.3.3 Overdracht
Overdracht vindt plaats door direct contact met geïnfecteerde geslachtsorganen, soms via de handen. SOA-pathogenen kunnen ook slijmvliezen en lichaamsopeningen infecteren die in contact komen met geslachtsorganen (bv. HPV in de nasopharynx, proctitis door syfilis). Hoewel risicogroepen (bv. door promiscuïteit) bestaan, is occasionele onveilige seks wijdverbreid [26](#page=26).
#### 6.3.4 Incubatietijd
De incubatietijd varieert sterk afhankelijk van het type SOA, variërend van kort na contact tot jaren later (door complicaties) [26](#page=26).
#### 6.3.5 Diagnose
Bij voorkeur wordt directe diagnostiek toegepast, soms aangevuld met serologie. Bepaalde infecties, zoals PID en urethritis, worden syndromaal behandeld, waarbij behandeld wordt voor de klassieke verwekkers zonder dat deze noodzakelijk aangetoond zijn [26](#page=26).
#### 6.3.6 Behandeling en preventie
* **Behandeling:** Bestaat uit antibiotica, soms antivirale therapie. In principe worden ook partners meebehandeld [26](#page=26).
* **Preventie:** Veilige seks is zeer belangrijk. Enkele vaccins zijn beschikbaar [26](#page=26).
### 6.4 Andere genitale infecties (niet strikt SOA)
Naast SOA's zijn er andere infecties die de genitaliën kunnen aantasten, soms met overlappende symptomen of complicaties.
#### 6.4.1 Verrucae vulgares (wratjes)
* **Verwekker:** Humaan Papillomavirus (HPV) met meer dan 70 genotypen [17](#page=17).
* **Verloop:** Transmissie door direct contact. Het virus is relatief stabiel buiten het lichaam. Infectie treedt op door minimale beschadiging van de huid, waarna het virus zich vermenigvuldigt in differentiërende basale cellen van de epidermis [17](#page=17).
#### 6.4.2 Mollusca Contagiosa (waterwratjes)
* **Verwekker:** Molluscum contagiosum virus (molluscipoxvirus) [17](#page=17).
* **Verloop:** Transmissie door direct contact. De incubatietijd kan oplopen tot maanden [17](#page=17).
#### 6.4.3 Tinea pedis (atleetvoet)
Hoewel niet exclusief genitaal, is tinea pedis een voorbeeld van een schimmelinfectie die kan voorkomen op de voeten, vaak door blootstelling in gemeenschappelijke douches of door slecht ventilerende schoenen. Het kan zich uiten als erythemateuze huid, schilfering en jeuk. Tinea pedis is een manifestatie van dermatofytosen, infecties door keratinofiele schimmels zoals *Trichophyton rubrum*. Genezing kan moeilijk zijn en behandeling omvat anti-mycotische zalven [18](#page=18) [19](#page=19).
#### 6.4.4 Dermatophytosen en Candidiasis
Dermatofytosen zijn infecties van huid, haar en nagels door dermatofyten (schimmels). Candidiasis betreft infecties door gisten, zoals *Candida albicans*, die bijvoorbeeld de vagina (candida vaginitis) of huidplooien kunnen infecteren [19](#page=19) [21](#page=21).
---
# Virusinfecties en hun behandeling
Virusinfecties kunnen een breed scala aan ziektebeelden veroorzaken, van asymptomatische infecties tot levensbedreigende aandoeningen. De behandeling en preventie van virusinfecties variëren sterk afhankelijk van het specifieke virus [68](#page=68).
### 7.1 Behandeling en preventie van specifieke virusinfecties
#### 7.1.1 Hepatitis A (HAV)
* **Behandeling:** Geen specifieke behandeling, enkel ondersteunend [68](#page=68).
* **Preventie:** Vaccinatie. Passieve immunisatie is mogelijk ter bescherming van ongevaccineerde contacten [68](#page=68).
#### 7.1.2 Hepatitis B (HBV)
* **Behandeling:** Geen specifieke behandeling, enkel ondersteunend. Bij chronische infectie kunnen antivirale middelen (reverse transcriptase inhibitoren) worden ingezet [68](#page=68).
* **Preventie:** Vaccinatie. Passieve immunisatie is mogelijk ter bescherming van ongevaccineerde contacten en kan gelijktijdig met het vaccin worden toegediend, maar in een andere lichaamshelft. Het vaccin bevat enkel HBsAg, wat leidt tot anti-HBs-antistoffen, maar geen anti-HB-core-antistoffen (deze ontstaan enkel na infectie). Bij ongeveer 5% van de gevaccineerden (na 3 injecties) treedt een non-respons op (te lage anti-HBs titer); extra boosters kunnen soms helpen [68](#page=68).
#### 7.1.3 Hepatitis C (HCV)
* **Behandeling:** Antivirale middelen (polymerase inhibitoren). Bij een prikongeval dient onmiddellijk antivirale therapie gestart te worden, vergelijkbaar met HIV-behandeling [68](#page=68).
* **Preventie:** Geen vaccinatie beschikbaar [68](#page=68).
#### 7.1.4 Hepatitis E (HEV)
* **Behandeling:** Geen specifieke behandeling, enkel ondersteunend [68](#page=68).
### 7.2 Lymfadenopathieën van infectieuze oorsprong
Lymfadenopathieën, ofwel opgezette lymfeklieren, kunnen veroorzaakt worden door infecties die de lymfeklieren, lymfocyten of andere immuuncellen aantasten en zich over het lichaam verspreiden [69](#page=69).
#### 7.2.1 Klinisch beeld en deelsyndromen
Het hoofdsymptoom is de aanwezigheid van niet-pijnlijke, opgezette lymfeklieren verspreid over het lichaam. Zelden treden lokale complicaties op, zoals druk of ulceratie [69](#page=69).
Lymfadenopathieën van infectieuze oorsprong zijn een uiting van een veralgemeende lymfoproliferatie, waarbij lymfocyten zich delen als reactie op een virale infectie. Dit betreft zowel de lymfocyten zelf als andere doelwitcellen [69](#page=69).
#### 7.2.2 Aanverwante ziekten en syndromen
Andere oorzaken van veralgemeende lymfadenopathieën kunnen neoplastische groei (zoals lymfomen) of een auto-immune of allergische respons van lymfocyten zijn [69](#page=69).
Gelokaliseerde lymfadenopathieën zijn vaak ook infectieus van origine en vertegenwoordigen de normale afweerreactie op een infectie in het gebied dat door deze lymfeklieren wordt gedraineerd. Hierbij kunnen bacteriën via lymfevaten in de klier terechtkomen, wat leidt tot pijnlijke, geïnflammeerde klieren (lymfadenitis) door een lokale reactie (bv. Staphylococcus aureus infectie). Minder acuut verlopende lymfeklieropzettingen bij andere infecties zijn mogelijk, zowel gelokaliseerd (bv. Chlamydia trachomatis, primaire syfilis) als meer verspreid (bv. Mycobacterium tuberculosis, secundaire syfilis) [69](#page=69).
#### 7.2.3 Spectrum van symptomen en verwekkers
* **Symptomen:** Pijnloze, opgezette klieren in verschillende anatomische regio's (voelbaar, of dieper aantoonbaar met beeldvorming). Koorts is matig tot afwezig bij gegeneraliseerde lymfadenopathieën van virale oorsprong [70](#page=70).
* **Verwekkers:** Virussen, voornamelijk herpesvirussen zoals CMV en EBV. Gegeneraliseerde lymfadenopathieën worden ook gezien bij HIV-infectie en mazelen [70](#page=70).
* **Overdracht:** Afhankelijk van de verwekker [70](#page=70).
* **Incubatietijd:** Variërend van weken tot maanden of jaren, afhankelijk van de verwekker [70](#page=70).
* **Diagnose:** Klinische vaststelling, gevolgd door serologisch onderzoek [70](#page=70).
* **Behandeling en preventie:** Voor mazelen bestaat een effectief vaccin en komt de ziekte nagenoeg niet voor waar gevaccineerd wordt. Voor andere virussen is er geen vaccin, maar wel virusremmers. Deze worden niet gegeven bij goedaardig verlopende infecties, maar zijn soms nodig bij immuundepressie (CMV) en zeker bij HIV [70](#page=70).
### 7.3 Overdracht en verloop van bepaalde virusinfecties
#### 7.3.1 Cytomegalovirus (CMV) en Epstein-Barrvirus (EBV)
* **Bij gezonden:** CMV en EBV zijn zeer infectieus en wijdverspreid. Infectie op jonge leeftijd geeft meestal geen symptomen, maar vanaf adolescentie kunnen symptomen optreden [71](#page=71).
* **Bij zieken/verzwakten:** Een primo-infectie of heropflakkering van EBV en CMV kan agressief verlopen bij cellulaire immuundeficiëntie [71](#page=71).
* **Verloop:** Na infectie wordt het virus nooit volledig geklaard en blijft levenslang aanwezig. EBV blijft aanwezig in B-cellen, terwijl CMV aanwezig is in monocyten en hematopoëtische stamcellen. Vanuit deze reservoirs kunnen de virussen na de primo-infectie heropflakkeren [71](#page=71).
#### 7.3.2 Human Immunodeficiency Virus (HIV)
* **Bij gezonden:** HIV geeft nagenoeg steeds symptomen op lange termijn door de immuunverzwakking [71](#page=71).
* **Bij zieken/verzwakten:** HIV-infectie resulteert bij hen veel sneller in aids [71](#page=71).
* **Verloop:** Na infectie wordt het virus nooit volledig geklaard en blijft levenslang aanwezig in macrofagen en T-cellen. Na de primo-infectie kan het immuunsysteem het virus tijdelijk onder controle houden, maar dit brokkelt geleidelijk af, leidend tot aids binnen ongeveer 8 jaar [71](#page=71).
### 7.4 Pathogenese van virusinfecties
#### 7.4.1 Epstein-Barrvirus (EBV)
EBV infecteert epitheelcellen van de farynx en B-cellen. De door het virus geïnduceerde groei van B-cellen wordt onder controle gehouden door een massale respons van T-cellen (die zelf niet geïnfecteerd zijn). Deze T-cellen zijn in de acute fase te zien als de mononucleaire cellen in het perifere bloed (die soms ten onrechte voor leukemische blasten worden aangezien) en dragen bij aan symptomen zoals hepatitis en faryngitis [72](#page=72).
#### 7.4.2 Cytomegalovirus (CMV)
CMV infecteert monocyten/macrofagen en epitheelcellen, wat orgaanfalen kan veroorzaken. De infectie wordt onder controle gehouden door T-cellen. CMV kan transplacentair de foetus infecteren, wat kan leiden tot ernstige misvormingen [72](#page=72).
#### 7.4.3 Human Immunodeficiency Virus (HIV)
HIV infecteert macrofagen en CD4+ T-cellen, evenals enkele andere CD4+ cellen. Het virus verstoort de immuunfunctie en veroorzaakt chronische immuunactivatie die uiteindelijk leidt tot uitputting, met verlies van CD4+ T-cellen en het instorten van de verworven immuniteit. In dit stadium kunnen kankers en opportunistische infecties de fatale afloop veroorzaken (aids-stadium) [72](#page=72).
> **Voorbeeld:** CMV-infectie bij immuundepressie (door cortisonetherapie) kan leiden tot diffuse infiltraties in de longen (A en B) en inclusies in de besmette cellen (C en D) [72](#page=72).
### 7.5 Diagnose van virusinfecties
De diagnose van virusinfecties wordt voornamelijk gesteld door serologisch onderzoek naar de verwekker. Voor therapiemonitoring, met name bij CMV (bij immuundepressie, bv. transplantpatiënten) en HIV, wordt de virale load gedoseerd door middel van PCR [73](#page=73).
* **EBV:** Paul-Bunnell test voor het opsporen van heterofiele antistoffen (gemaakt door de massale polyklonale B-celactivatie). Daarnaast is specifieke EBV-serodiagnostiek mogelijk [73](#page=73).
* **CMV:** Opsporing van IgG- en IgM-antistoffen [73](#page=73).
* **HIV:** Opsporing van IgG-antistoffen [73](#page=73).
### 7.6 Mononucleosis infectiosa (klierkoorts)
Mononucleosis infectiosa, ook bekend als de ziekte van Pfeiffer of de 'kissing disease', is een syndroom dat voornamelijk wordt veroorzaakt door EBV (Humaan Herpesvirus 4). In ongeveer 10% van de gevallen wordt een analoog beeld veroorzaakt door CMV (Humaan Herpesvirus 5) [74](#page=74).
#### 7.6.1 Voorkomen
EBV infecteert nagenoeg iedereen tegen de volwassen leeftijd; symptomen treden meestal niet op op peuter- of kleuterleeftijd. Personen die op latere leeftijd nog niet geïnfecteerd zijn, hebben een grotere kans op symptomen. Overdracht vindt voornamelijk plaats via speeksel, met een incubatietijd van ongeveer een maand [74](#page=74).
CMV is eveneens frequent, met overdracht via speeksel en urine. De overdracht via urine is met name relevant voor de transmissie van zuigeling/kind naar moeder bij verschonen, wat een risico vormt als de moeder zwanger is van een volgend kind, vooral als zij zelf nog seronegatief is [74](#page=74).
#### 7.6.2 Verloop
* **EBV:** Geneest spontaan. Faryngitis en koorts verdwijnen relatief snel (binnen weken), maar klierzwellingen en vermoeidheid kunnen maanden aanhouden. Vaak is er sprake van geassocieerde hepatitis en zelden neurologische complicaties [74](#page=74).
* **CMV:** Het verloop is analoog aan EBV, met voornamelijk koorts als symptoom. Bij immuunsuppressie kan de ziekte ernstig verlopen, met hematologische en gastro-intestinale complicaties [74](#page=74).
#### 7.6.3 Diagnostiek
De diagnostiek berust op klinische verschijnselen en serologie [74](#page=74).
#### 7.6.4 Preventie
Er is geen vaccin beschikbaar [74](#page=74).
#### 7.6.5 Behandeling
Medicatie (ganciclovir) wordt enkel voor CMV ingezet in de context van immuunsuppressie [74](#page=74).
---
# Diagnostiek en behandeling van seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA's)
Seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA's) worden veroorzaakt door diverse pathogenen en kunnen leiden tot lokale, systemische en chronische complicaties indien niet adequaat gediagnosticeerd en behandeld [26](#page=26).
### 8.1 Algemene principes van SOA's
#### 8.1.1 Symptomen en verwekkers
SOA's kunnen zich presenteren met een breed scala aan symptomen, waaronder lokale effecten zoals ulcera, pijn, branderig gevoel, afscheiding van secreten en tekenen van inflammatie. Systemische symptomen zoals koorts en huiduitslag kunnen eveneens optreden. Op de lange termijn kunnen complicaties variëren van lokale tumoren tot infertiliteit en infecties op afstand, zoals neurosyfilis. De verwekkers van SOA's omvatten virussen, bacteriën, protozoa en insecten (zoals schaamluizen) [26](#page=26).
#### 8.1.2 Overdracht en risicofactoren
Overdracht vindt primair plaats via direct contact met de geslachtsorganen, maar kan soms ook via de handen gebeuren. SOA-pathogenen kunnen ook slijmvliezen en lichaamsopeningen infecteren die in contact komen met de geslachtsorganen, zoals bij HPV-infecties in de nasofarynx of proctitis door syfilis. Hoewel er specifieke risicogroepen bestaan (zoals bij promiscuïteit), is occasionele onveilige seks wijdverspreid in de bevolking. De incubatietijd varieert sterk, van kort na contact tot pas na jaren bij complicaties [26](#page=26).
#### 8.1.3 Diagnostiek
De voorkeursmethode voor diagnostiek zijn directe methoden, aangevuld met serologie waar nodig. Bepaalde infecties, zoals Pelvic Inflammatory Disease (PID) en urethritis, worden syndromaal behandeld, waarbij men zich richt op de klassieke verwekkers zonder deze altijd aan te tonen. Sommige SOA's zijn aangifteplichtige diagnosen [26](#page=26).
#### 8.1.4 Behandeling en preventie
Behandeling omvat doorgaans antibiotica en soms antivirale therapie. In principe worden partners eveneens meebehandeld. Preventie door middel van veilige seks is van cruciaal belang, en er zijn enkele vaccins beschikbaar [26](#page=26).
### 8.2 Specifieke SOA's
#### 8.2.1 Gonorroe (Neisseria gonorrhoeae)
##### 8.2.1.1 Kenmerken
* **Verwekker:** Bacterie met efficiënte aanhechting aan epithelia, met mogelijke intracellulaire replicatie [27](#page=27).
* **Symptomen:**
* **Mannen:** Urethritis met branderig gevoel bij plassen en typisch wit-geel-groen secreet ("druiper") [27](#page=27).
* **Vrouwen:** Vaak geen of milde symptomen, of symptomen die lijken op een urineweginfectie (UWI). Mogelijk verhoogde vaginale secretie en tussentijdse vaginale bloedingen [27](#page=27).
* **Andere locaties:** Rectaal kunnen er geen symptomen zijn, of wel secreties, jeuk anaal, bloedverlies of pijn. Faryngitis is ook mogelijk [27](#page=27).
* **Systemische symptomen:** Mogelijk, zoals artritis, tenosynovitis en dermatitis [27](#page=27).
* **Complicaties:** Opstijgende infecties. Bij vrouwen Pelvic Inflammatory Disease (PID), wat kan leiden tot infertiliteit of ectopische zwangerschappen. Bij mannen mogelijk epididymitis, zelden infertiliteit [27](#page=27).
* **Overdracht:** Contact met besmette geslachtsorganen, anus en mond. Overdracht bij de bevalling is mogelijk, wat kan leiden tot artritis, keratitis of sepsis bij het kind [27](#page=27).
* **Incubatietijd:** Enkele dagen tot een week [27](#page=27).
* **Diagnose:** Directe methoden zoals gramkleuring en kweek, steeds vaker vervangen door PCR [27](#page=27).
* **Beeldvorming:** Gramkleuring toont gram-negatieve diplokokken (gonokokken) [28](#page=28).
* **Behandeling en preventie:** Antibiotica, klassiek als single shot. De behandeling houdt rekening met een hoge graad van resistentie, de kans op verdere resistentieontwikkeling, en mogelijke co-infectie met Chlamydia. Preventie door veilige seks en behandeling van de partner zijn essentieel [27](#page=27).
#### 8.2.2 Chlamydia (Chlamydia trachomatis)
##### 8.2.2.1 Kenmerken
* **Verwekker:** Obligaat intracellulair levende bacterie met een voorkeur voor epitheelcellen [29](#page=29).
* **Infectiegebieden:** Kan diverse organen infecteren, waaronder de geslachtsorganen. Verschillende serotypes zijn beschreven, met associaties met specifieke klinische manifestaties:
* **SOA's:** [29](#page=29).
* **Trachoma:** Chronische conjunctivitis leidend tot blindheid in Afrika en Azië [29](#page=29).
* **Lymphogranuloma venereum:** Veroorzaakt door aparte serotypes, met een pijnlijk verloop en genitale ulcera in tropische gebieden en bij MSM in westerse landen [29](#page=29).
* **Symptomen:**
* **Lokale symptomen:** Frequent geen symptomen. Bij mannen mogelijk mucopurulente urethritis; bij vrouwen cervicitis [29](#page=29).
* **Systemische symptomen:** Mogelijk, waaronder PID (zie bij gonorroe). Zowel asymptomatische als symptomatische verloop [29](#page=29).
* **Complicaties op termijn:** Infertiliteit, wat in België een belangrijke oorzaak van infertiliteit is [29](#page=29).
* **Overdracht:** Contact met besmette geslachtsorganen, anus en mond. Relatief frequent bij jongeren (tot 10%). Cervicale epitheliale ectopie, frequent bij jongeren, verhoogt de vatbaarheid voor infectie, naast hun frequentere risicogedrag. Overdracht bij bevalling is mogelijk, leidend tot conjunctivitis of pneumonie bij het kind [29](#page=29).
* **Incubatietijd:** Minstens enkele weken [29](#page=29).
* **Diagnose:** Niet zichtbaar op gramkleuring en niet kweekbaar in routine; PCR is de enige betrouwbare test [29](#page=29).
* **Beeldvorming:** Chlamydia door C. trachomatis [30](#page=30).
* **Behandeling en preventie:** Antibiotica, soms als single shot (doxycycline of azithromycine, eventueel met intramusculaire ceftriaxon om ook gonorrhoeae te elimineren). Preventie door veilige seks en behandeling van de partner [29](#page=29).
#### 8.2.3 Genitale Mycoplasmata
##### 8.2.3.1 Kenmerken
* **Verwekker:** Eenvoudige bacteriën die in contact leven met epitheliale cellen en geen celwand hebben, wat ze resistent maakt tegen bèta-lactam antibiotica [31](#page=31).
* **M. pneumoniae:** Veroorzaakt atypische pneumonie in de luchtwegen [31](#page=31).
* **In de tractus genitalis:**
* *Mycoplasma hominis*
* *Ureaplasma urealyticum*
Deze zijn commensalen van de genitale tractus, komen frequent voor bij bacteriële vaginose en worden vaak ten onrechte opgezocht en behandeld [31](#page=31).
* *Mycoplasma genitalium:* Recent ontdekt, vermoedelijk even pathogeen als C. trachomatis met een vergelijkbaar spectrum en frequentie [31](#page=31).
* **Diagnose:** Moeilijke kweek; diagnose door PCR [31](#page=31).
* **Behandeling:** Deze infecties worden vaak syndromaal behandeld, gezien de gevoeligheid van Mycoplasma en Chlamydia vergelijkbaar is. Er is een recente trend om diagnostiek meer gedreven te behandelen [31](#page=31).
#### 8.2.4 Trichomonas vaginalis
##### 8.2.4.1 Kenmerken
* **Verwekker:** Parasitair protozoön [32](#page=32).
* **Symptomen:**
* **Mannen:** Urethritis met branderigheid en jeuk [32](#page=32).
* **Vrouwen:** Vulvitis, vaginitis met fluor, branderigheid en jeuk [32](#page=32).
* **Complicaties:** PID, premature bevalling [32](#page=32).
* **Overdracht:** Seksueel contact. De frequentie in België is laag, maar mogelijk onderschat [32](#page=32).
* **Diagnose:** Microscopie (wet stain) op een vers staal. Niet zichtbaar met gramkleuring [32](#page=32).
* **Behandeling en preventie:** Eenmalige behandeling met metronidazole per os. Preventie door veilige seks en behandeling van de partner [32](#page=32).
#### 8.2.5 Genitale herpes (HSV)
##### 8.2.5.1 Kenmerken
* **Verwekker:** DNA-virus met envelop, voornamelijk type 2 is geassocieerd met genitale infecties [33](#page=33).
* **Infectiekarakter:** De infectie is definitief; het virus kan niet uit het lichaam geklaard worden en blijft latent in sensoriële neuronen, van waaruit het kan reactiveren en epitheliale infecties veroorzaken [33](#page=33).
* **Symptomen:** Lokale symptomen met typische polycyclische blaasjes of ulcera [33](#page=33).
* **Complicaties op termijn:** Pijnlijke recidieven. Overdracht bij bevalling kan leiden tot herpes neonatorum, wat soms levensbedreigend is voor de pasgeborene [33](#page=33).
* **Overdracht:** Contact met de geslachtsorganen (huid op huid), ook indirect mogelijk (via handen, speeltjes) [33](#page=33).
* **Incubatietijd:** Enkele dagen tot het ontstaan van vesikels [33](#page=33).
* **Diagnose:** Klinisch, eventueel aangevuld met PCR [33](#page=33).
* **Behandeling en preventie:** Acyclovir bij opstoten. Condoomgebruik ter preventie, maar dit dekt niet alle geïnfecteerde oppervlakken [33](#page=33).
#### 8.2.6 Genitale wratten (HPV)
##### 8.2.6.1 Kenmerken
* **Verwekker:** Naakt DNA-virus met meer dan 100 typen. Het type is geassocieerd met de locatie van de infectie (cervix, genitale wratten, huidwratten) en het risico op carcinogeniteit. HPV-typen 16 en 18 zijn hoog-risico types voor cervixkanker [34](#page=34).
* **Infectiekarakter:** De infectie is niet steeds definitief; het virus kan geklaard worden na weken, maanden of jaren voordat er metaplasie en progressie naar kanker optreedt [34](#page=34).
* **Symptomen:**
* **Lokale symptomen:** Geen [34](#page=34).
* **Systemische symptomen:** Geen [34](#page=34).
* **Complicaties op termijn:** Lokale tumoren [34](#page=34).
* **Overdracht:** Contact met de geslachtsorganen, ook indirect (handen, speeltjes). Typische piek bij jonge volwassenen en een tweede piek op middelbare leeftijd. Mannen hebben meestal geen complicaties (uitzonderlijk mond-/keelkanker, peniskanker, anale kanker) en fungeren als vector tussen vrouwen en leeftijdsgroepen. Wijdverspreid en frequent; de overgrote meerderheid van de bevolking maakt een infectie door. Er is ook meer aandacht voor nasofaryngeale infecties [34](#page=34).
* **Incubatietijd:** Tot het ontstaan van cervixkanker: meerdere jaren (meer dan 5 jaar) [34](#page=34).
* **Diagnose:** Direct door PCR, indirect door screening op metaplasie/kanker [34](#page=34).
* **Behandeling en preventie:** Er is geen specifieke behandeling. Preventie gebeurt door vaccinatie, hoewel het vaccin slechts een beperkt aantal hoog-risico types dekt. Intermediair risico types blijven circuleren, waardoor screening noodzakelijk blijft in het post-vaccinatietijdperk. Condoomgebruik ter preventie dekt niet alle geïnfecteerde oppervlakken [34](#page=34).
---
# Leverinfecties en hepatitis virussen
Leverinfecties, met name die veroorzaakt door virussen, zijn een belangrijke oorzaak van leverfunctiestoornissen, waarbij geelzucht een prominent symptoom is. Naast virussen kunnen ook parasieten, zoals echinococcus, leverinfecties veroorzaken, hoewel dit in bepaalde streken vaker voorkomt. Infecties van de lever kunnen leiden tot complicaties zoals leverfalen, cirrose en hepatocellulair carcinoom. Het is belangrijk om onderscheid te maken met leveraandoeningen van niet-infectieuze oorsprong, zoals toxische of medicamenteuze hepatitis, en auto-immuunhepatitis, alsook met galwegobstructie die ook geelzucht kan veroorzaken [60](#page=60).
### 9.1 Spectrum van symptomen en verwekkers
De symptomen van virale hepatitis variëren, maar omvatten vaak koorts, malaise (vermoeidheid, misselijkheid, verlies van eetlust, soms braken). Bij 50 tot 90% van de patiënten treedt geelzucht op, gekenmerkt door donkere urine, ontkleurde ontlasting en jeuk, wat duidt op een wegvallende galsecretie van bilirubine en galzouten. Huiduitslag en artritis kunnen ook voorkomen [61](#page=61).
De belangrijkste virale verwekkers zijn hepatitis A, B en C virus (HAV, HBV, HCV). Minder frequent zijn hepatitis D virus (HDV), dat altijd samen met HBV voorkomt en typisch geassocieerd is met intraveneus drugsgebruik, en hepatitis E virus (HEV), dat via besmet voedsel wordt overgedragen. Opportunistische infecties door andere micro-organismen zijn zeer zeldzaam [61](#page=61).
### 9.2 Overdracht en incubatietijden
De overdracht en incubatietijd variëren sterk per type virus:
* **Hepatitis A (HAV):**
* Overdracht: Fecaal-oraal, via besmet voedsel of water. Typisch bij lage hygiëne. Het virus heeft geen virale enveloppe [62](#page=62).
* Incubatietijd: 4 ± 2 weken [61](#page=61).
* Reservoir: Mens (beperkte periode), fecaal besmet water of voedsel [62](#page=62).
* Verloop: Geen (kinderen) of enkele weken symptomen, nooit chronisch [62](#page=62).
* **Hepatitis B (HBV):**
* Overdracht: Voornamelijk bloed-bloed contact (bv. intraveneus drugsgebruik, iatrogen), seksueel contact met penetratie, intiem niet-seksueel contact (bv. speeksel, tandenborstel) en moeder op kind transmissie perinataal. Het virus heeft een virale enveloppe. Kan tot een week infectieus zijn buiten het lichaam [62](#page=62).
* Incubatietijd: 3 ± 2 maanden [61](#page=61).
* Reservoir: Mens (chronisch) [62](#page=62).
* Verloop: Meestal geen of enkele weken symptomen; 10% wordt chronisch, waarvan 10% symptomatische leverziekte ontwikkelt (cirrose, kanker). Ongeveer 2 miljard mensen wereldwijd zijn besmet [62](#page=62).
* **Hepatitis C (HCV):**
* Overdracht: Voornamelijk bloed-bloed contact (bv. intraveneus drugsgebruik, iatrogen). Het virus heeft een virale enveloppe [62](#page=62).
* Incubatietijd: 6 weken (2 weken tot 6 maanden) [61](#page=61).
* Reservoir: Mens (chronisch) [62](#page=62).
* Verloop: Meestal geen of enkele weken symptomen; 80% wordt chronisch, waarvan 20% symptomatische leverziekte ontwikkelt (cirrose, kanker) [62](#page=62).
* **Hepatitis D (HDV):**
* Overdracht: Zoals HBV [61](#page=61).
* Incubatietijd: Zoals HBV, maar met ernstigere co-infectie [61](#page=61).
* Reservoir: Mens (chronisch) [62](#page=62).
* **Hepatitis E (HEV):**
* Overdracht: Via drinken van besmet water, zoönose (varkens) [61](#page=61) [62](#page=62).
* Incubatietijd: 6 ± 3 weken [61](#page=61).
* Reservoir: Mens, varkens [62](#page=62).
* Verloop: Meestal geen of enkele weken symptomen; wordt uitzonderlijk chronisch (bij immuundepressie) [62](#page=62).
### 9.3 Pathogenese
HAV en HEV zijn "naakte" virussen en zijn cytotoxisch, wat leidt tot tijdelijke leverschade die meestal herstelt. Een fulminant verloop is uitzonderlijk [65](#page=65).
Bij HBV en HCV zijn de leverschade en complicaties bij chroniciteit grotendeels het gevolg van de immuunrespons. Bij immuundepressie treden er doorgaans geen symptomen op [65](#page=65).
### 9.4 Diagnose
De diagnose van virale hepatitis wordt gesteld middels serologie en genoomdetectie:
* **Serologie:**
* HAV: IgM (recent) en IgG (recent of in het verleden) [66](#page=66).
* HBV: Anti-HBs (genezen of gevaccineerd), anti-HBc (contact nu of in het verleden), anti-HBe (in samenhang met antigeen detectie). HBsAg detectie wijst op actieve acute infectie of chronische carrier [66](#page=66).
* HCV: IgG (soms pas 6 maanden na infectie positief) [66](#page=66).
* HEV: IgG, IgM [66](#page=66).
* **Antigeen en genoomdetectie:**
* HBV: HBsAg, HBeAg, PCR HBV [66](#page=66).
* HCV: RT-PCR en genoom-typering [66](#page=66).
Sommige hepatitisdiagnosen zijn aangifteplichtig [61](#page=61).
### 9.5 Behandeling en preventie
* **HAV:** Geen specifieke behandeling, enkel supportieve zorg. Preventie door vaccinatie. Passieve immunisatie is mogelijk voor ongevaccineerde contacten [68](#page=68).
* **HBV:** Geen specifieke behandeling, enkel supportieve zorg. Bij chroniciteit worden antivirale middelen (reverse transcriptase inhibitoren) ingezet. Preventie door vaccinatie. Passieve immunisatie is mogelijk voor ongevaccineerde contacten en kan gelijktijdig met vaccinatie worden toegediend (maar in een andere arm). Het vaccin bevat enkel HBsAg en induceert geen anti-HB-core-antistoffen, deze worden enkel na infectie gevormd. Ongeveer 5% van de gevaccineerden is een non-responder na drie injecties, waarbij extra boosters soms helpen [68](#page=68).
* **HCV:** Behandeling met antivirale middelen (polymerase inhibitoren). Er is geen vaccinatie beschikbaar. Bij een prikongeval wordt onmiddellijk antivirale therapie gestart, vergelijkbaar met de aanpak bij HIV [68](#page=68).
* **HEV:** Geen specifieke behandeling, enkel supportieve zorg [68](#page=68).
> **Tip:** Het onderscheid tussen acute en chronische infecties is cruciaal voor de prognose en behandeling, met name bij HBV en HCV. Let op de serologische markers om de infectiestatus te bepalen [66](#page=66).
---
# Microbiologische screening tijdens de zwangerschap
Microbiologische screening tijdens de zwangerschap is essentieel voor het identificeren van infecties die zowel de moeder als de foetus kunnen schaden, met als doel preventie, vroege detectie en adequate behandeling te waarborgen. Ideaal gezien vindt een groot deel van deze screening plaats preconceptie [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
### 10.1 Algemene principes van screening bij aanmelding
Bij de aanmelding van een zwangere dient een brede microbiologische screening te worden overwogen, die verschillende infectieuze agentia omvat. Het doel is niet alleen om actieve infecties te detecteren, maar ook om de serologische status te bepalen, wat inzicht geeft in eerdere blootstellingen en immuniteit [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
#### 10.1.1 Vaccinaties
* **Influenza:** Vaccinatie wordt sterk aanbevolen, zeker bij extra risicofactoren. Influenza kan ernstige complicaties veroorzaken bij zwangere vrouwen, zoals virale pneumonie, bacteriële surinfecties en systemische complicaties, met name bij personen met onderliggende aandoeningen, ouder dan 60 jaar, jonger dan 2 jaar, of die (hoog)zwanger zijn. Vaccinatie is ook aanbevolen voor gezondheidswerkers, dierenartsen, kippenkwekers en de werkende bevolking om economische redenen [42](#page=42) [43](#page=43) [44](#page=44) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
#### 10.1.2 Serologische statusbepalingen
De bepaling van de serologische status omvat de analyse van antistoffen (IgG en IgM) tegen specifieke pathogenen.
* **Cytomegalovirus (CMV):** Bepaling van CMV IgG en IgM antistoffen is cruciaal. Een primo-infectie met CMV tijdens de zwangerschap kan leiden tot foetale infectie en is momenteel de belangrijkste oorzaak van congenitale afwijkingen. Een probleem bij CMV is de aanwezigheid van meerdere stammen en het ontbreken van specifieke therapie, waardoor het nut van screening ter discussie staat. Routinematig wordt onderscheid gemaakt tussen een recente en oude infectie op basis van de aan- of afwezigheid van IgM. Echter, bij CMV kunnen IgM antistoffen langdurig aanwezig blijven. Om deze reden kan de aviditeit van de IgG antistoffen worden bepaald; een lage aviditeit wijst op een recente infectie, terwijl een verhoogde aviditeit na een jaar optreedt. Aanwezigheid van IgM antistoffen en lage aviditeit van IgG antistoffen bij een zwangere duidt op een recent contact en potentieel een infectie tijdens de zwangerschap [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [46](#page=46) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Rubella (rode hond):** Serostatusbepaling is noodzakelijk vanwege de teratogene effecten en malformaties die rubella kan veroorzaken. Normaal gesproken wordt men hiertegen gevaccineerd [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Syfilis:** Serologische screening is standaard [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **HIV:** Screening is van belang voor het beschermen van het kind, met de mogelijkheid tot behandeling tijdens de zwangerschap. Preventie van transmissie kan worden bereikt met ART (antiretrovirale therapie) [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Hepatitis B Virus (HBV):** Bepaling van HBs antistoffen, en indien positief, ook HBc antistoffen, HBs antigeen en HBe antigeen. Als HBc antistoffen negatief zijn, wordt de screening hier gestopt. Screening is opgenomen in de standaard aanpak [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Varicella Zoster Virus (VZV):** Serologische statusbepaling is onderdeel van de screening [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Toxoplasmose:** Bepaling van IgG en IgM antistoffen. Een probleem hierbij is dat IgM toxoplasmose maandenlang positief kan blijven, wat de interpretatie bemoeilijkt [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Zika Virus:** Bekend om zijn malformaties [41](#page=41).
* **Herpes Simplex Virus (HSV):** Screening op genitale herpes kan neonatale herpes voorkomen [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
#### 10.1.3 Perinatale screening en preventie
* **Bacteriurie:** Vroege detectie is belangrijk vanwege het verband met vroeggeboorte [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Kolonisatie door Groep B Streptokokken (GBS):** Dit is een risicofactor voor neonatale sepsis. Preventie van transmissie kan met penicilline [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Listeria monocytogenes:** Voorkomen van infectie is van belang [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Rhesus (Rh) factor:** Bij een negatieve Rh-factor bij de moeder en een positieve Rh-factor bij de baby, is toediening van Rhogam bij de partus geïndiceerd om Rhesusziekte te voorkomen [41](#page=41).
### 10.2 Diagnostiek en klinische interpretatie
Klinische symptomen van infecties tijdens de zwangerschap kunnen variëren, waarbij sommige ziekten het normale functioneren belemmeren, in tegenstelling tot banale verkoudheden. Herstel is doorgaans 'ad integrum'. Complicaties kunnen optreden zoals virale pneumonie, bacteriële surinfecties en systemische complicaties, vooral bij risicopatiënten [44](#page=44).
Snelle diagnostiek kan worden uitgevoerd via antigeendetectie op nasofarynxmonsters, hoewel RT-PCR op dezelfde monsters gevoeliger is, vooral bij hoge virusuitscheiding kort na aanvang van de symptomen. In de praktijk wordt klinische diagnose vaak ondersteund door epidemiologische gegevens via peilpraktijken en referentielaboratoria [44](#page=44).
> **Tip:** Idealiter vindt de meeste microbiologische screening preconceptie plaats, wat preventieve maatregelen en vaccinaties mogelijk maakt vóór de zwangerschap begint [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
> **Voorbeeld:** Bij de beoordeling van CMV-serologie kan de aanwezigheid van zowel IgM antistoffen als een lage aviditeit van IgG antistoffen duiden op een recente infectie die potentieel tijdens de zwangerschap heeft plaatsgevonden [46](#page=46).
#### 10.2.1 Specifieke infecties en hun screening/behandeling
* **CMV:** Screening op IgG en IgM. Aviditeitsbepaling bij twijfel. Geen specifieke therapie [41](#page=41) [46](#page=46).
* **Herpes:** Screening op antistoffen (80%+ IgG). Preventie van neonatale herpes. Eventueel bij expositie immunoglobulinen [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Rubella:** Serostatusbepaling. Preventie door vaccinatie, eventueel postnataal Ig + vaccin [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **HBV:** Screening op antistoffen en antigenen [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **HIV:** Screening voor bescherming van het kind. Preventie transmissie met ART [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Syfilis:** Serostatusbepaling [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **VZV:** Serostatusbepaling [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
* **Toxoplasmose:** Screening op IgG en IgM [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45) [47](#page=47) [48](#page=48) [49](#page=49) [50](#page=50) [51](#page=51) [52](#page=52).
De Hoge Gezondheidsraad (HGR) adviseert verder onderzoek na de derde maand van de zwangerschap, met name in de wintermaanden (oktober-maart) [44](#page=44).
---
# Huid- en wondinfecties: klinisch beeld, verwekkers en diagnose
Huid- en wondinfecties omvatten een breed spectrum van aandoeningen veroorzaakt door diverse micro-organismen, met uiteenlopende klinische presentaties en vereisen specifieke diagnostische en therapeutische benaderingen.
### 11.1 Algemene principes van huid- en wondinfecties
Huidinfecties manifesteren zich voornamelijk met lokale symptomen van inflammatie, zoals roodheid (rubor), warmte (calor), pijn (dolor) en zwelling (tumor). Bij uitgebreidere letsels kan ook koorts optreden. Complicaties kunnen bestaan uit lokale of systemische uitbreiding van de infectie of inflammatie. De verwekkers variëren en omvatten bacteriën, virussen en schimmels. Overdracht vindt meestal plaats door direct contact, of kan voortkomen uit de normale flora wanneer lokale barrières verzwakt zijn. De incubatietijd is afhankelijk van de specifieke verwekker. Diagnose is overwegend klinisch, maar in sommige gevallen kan afname van kweken noodzakelijk zijn. Behandeling en preventie zijn afhankelijk van de verwekker en kunnen antibiotica of antimycotica vereisen [1](#page=1) [2](#page=2).
#### 11.1.1 Overdracht en verloop
Bij gezonde personen zijn huidinfecties meestal zelflimiterend. Soms zijn antibiotica of antimycotica noodzakelijk, naast het aanpakken van lokale barrièreproblemen zoals huiddefecten of vreemde lichamen. Bij zieke of verzwakte individuen, met name bij uitgebreide brandwonden, kunnen problemen ontstaan door grote barrièredfecten gecombineerd met verminderde algemene immuniteit. Tijdens herstel worden de kiemen geklaard, hoewel virussen chronisch aanwezig kunnen blijven [3](#page=3).
* **Staphylococcus aureus:** Dit is een typische verwekker. Ongeveer 30% van de bevolking draagt S. aureus in de neusgang, vanwaar het lichaam gecontamineerd kan worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen persisterende dragers, intermitterende dragers en permanente niet-dragers. S. aureus beschikt over talrijke virulentiefactoren. Overdracht geschiedt via droplets, direct en indirect contact. Bij schade aan huid of slijmvliezen kan de bacterie de lymfe- en bloedbaan bereiken. De al dan niet optredende infectie hangt af van het aantal bacteriën, de virulentie, de toestand van het weefsel, de snelheid van de ontstekingsreactie en de persoonlijke afweer (bescherming door abcesvorming met pus, dode en levende bacteriën, necrotische weefselcellen en leukocyten) [3](#page=3).
* **Coagulase-negatieve stafylokokken (CNS):** Deze zijn minder virulent dan S. aureus en koloniseren de huid van iedereen in grote aantallen. Ze kunnen infecties veroorzaken wanneer ze de bloedbaan bereiken, bijvoorbeeld via katheters. CNS worden vaak als contaminant in kweken beschouwd, zoals bij valspositieve hemoculturen met Staphylococcus epidermidis [3](#page=3).
#### 11.1.2 Pathogenese
Lokale proliferatie van micro-organismen veroorzaakt weefselschade en bemoeilijkt de afweer. Virussen infecteren de intacte opperhuid niet gemakkelijk en vereisen een breuk in de barrière, soms via discrete defecten. Vreemde lichamen, zoals straatvuil in een wond, kunnen de genezing belemmeren. Daarom is het reinigen van wonden en het incideren van abcessen belangrijk [4](#page=4).
* **Antibioticaresistentie:** Vroeger waren alle S. aureus-stammen penicillinegevoelig. Tegenwoordig is 90-95% van de stammen penicillineresistent door de productie van penicillinase, een smal-spectrum bèta-lactamase. Huidinfecties worden daarom behandeld met een penicillinase-resistent penicilline, zoals oxacilline, flucloxacilline of methicilline [4](#page=4).
* **MRSA (Methicilline-Resistente Staphylococcus Aureus):** MRSA is resistent tegen methicilline en alle bèta-lactam antibiotica, en vaak ook tegen andere antibiotica. Ernstige infecties met MRSA worden behandeld met vancomycine intraveneus [4](#page=4).
* **Andere verwekkers:** Deze kunnen een andere epidemiologie, overdracht, pathogenese en behandeling vereisen [4](#page=4).
#### 11.1.3 Diagnose
De diagnose van huid- en wondinfecties is primair klinisch. Voor het identificeren van de verwekker is een Gramkleuring en kweek nuttig tot noodzakelijk. Een voorbeeld hiervan is een uitstrijkje van etter met Gramkleuring, waarop neutrofielen en stafylokokken zichtbaar zijn [5](#page=5).
### 11.2 Specifieke huidinfecties
#### 11.2.1 Impetigo
* **Verwekker:** Staphylococcus aureus, soms in menginfectie met groep A streptokokken, of enkel groep A streptokokken (S. pyogenes). S. aureus kan exfoliërende toxines produceren die blaarvorming veroorzaken, wat bij uitgebreide infecties kan leiden tot Staphylococcal scalded skin syndrome bij jonge kinderen en neonaten [6](#page=6).
* **Voorkomen:** Dit is een infectie van de epidermis met vorming van vesikels of pustels die binnen enkele dagen indrogen en korstjes vormen. Het komt vaker voor bij kinderen (met minder immuniteit tegen stafylokokken) en bij een beschadigde huid [6](#page=6).
* **Verloop:** Geneest spontaan binnen enkele weken. Inperking kan plaatsvinden door ontsmetten en het vermijden van direct contact [6](#page=6).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen [6](#page=6).
* **Preventie:** Hygiëne en het ontsmetten van wondjes [6](#page=6).
* **Behandeling:** Geen specifieke behandeling is vaak nodig, eventueel fusidinezuur zalf. Bij uitgebreide infecties worden antibiotica zoals flucloxacilline voorgeschreven [6](#page=6).
#### 11.2.2 Folliculitis/Furunkel
* **Verwekker:** Voornamelijk Staphylococcus aureus [7](#page=7).
* **Voorkomen:** Infecties van de haarfollikel, bevorderd door talg [7](#page=7).
* **Folliculitis:** Een puistje met een geel puntje, bevorderd door oliën en corticosteroïden [7](#page=7).
* **Furunkel:** Een lokaal abces (steenpuist) [7](#page=7).
* **Karbunkel:** Fistelvorming naar diepte toe wanneer etter subcutaan doorbreekt, met oppervlakkig nog individuele etterkopjes (negenoog) [7](#page=7).
* **Verloop:** Kan spontaan genezen [7](#page=7).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen [7](#page=7).
* **Behandeling:** Folliculitis vereist hygiëne, wassen en het vermijden van vette crèmes. Bij furunkels of karbonkels, vooral bij koorts of op gevaarlijke locaties zoals rond de neus (vanwege het risico op doorbraak naar de sinus cavernosus), worden antibiotica (flucloxacilline) voorgeschreven [7](#page=7).
#### 11.2.3 Erysipelas en cellulitis
* **Verwekker:** Groep A streptokokken; cellulitis kan ook door Staphylococcus aureus worden veroorzaakt [8](#page=8).
* **Voorkomen:** Infectie van de dermis en subcutis, met (hoge) koorts en malaise. Cellulitis is minder scherp begrensd en dieper [8](#page=8).
* **Verloop:** Zelden spontane genezing; een ernstig verloop kan hospitalisatie vereisen [8](#page=8).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen [8](#page=8).
* **Behandeling:** Antibiotica (flucloxacilline) en zwachtelen bij oedeem [8](#page=8).
#### 11.2.4 Necrotiserende infectie
* **Verwekker:** Groep A streptokokken, Staphylococcus aureus, menginfecties met grampositieve en gramnegatieve anaëeroben, en *Clostridium perfringens* (gasgangreen) [9](#page=9).
* **Voorkomen:** Gekenmerkt door hevige pijn en koorts, met mogelijke evolutie naar sepsis. Kan optreden na trauma of chirurgie [9](#page=9).
* **Verloop:** Weefselsterfte door ischemie, snelle uitbreiding, sepsis en orgaanfalen [9](#page=9).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen, eventueel naaldaspiratie [9](#page=9).
* **Preventie:** Cruciaal is het meedogenloos reinigen van vuile wonden door schrobben en het gebruik van zuurstofwater. Eventueel profylactische antibiotica [9](#page=9).
* **Behandeling:** Chirurgie gecombineerd met intraveneuze antibiotica, intensieve opvolging en ondersteuning van vitale functies [9](#page=9).
#### 11.2.5 Bijtwonden
* **Verwekker:** Voornamelijk Staphylococcus aureus en gemengde orale flora van het bijtende dier of mens [10](#page=10).
* **Symptomen:** Roodheid, eventueel etter [10](#page=10).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen en anamnese [10](#page=10).
* **Preventie:** Beten vermijden. Reinigen van de wond, preventieve antibiotica bij katten- of mensenbeten, en postexpositieprofylaxe tegen tetanus [10](#page=10).
* **Behandeling:** Breedspectrum antibiotica, bijvoorbeeld amoxicilline met clavulaanzuur (Augmentin) [10](#page=10).
#### 11.2.6 Gemengde bacteriële wondinfectie (voorbeeld diabetesvoet)
* Chronische wonden, ook indien niet primair infectieus, worden snel gekoloniseerd door diverse huid- en omgevingsbacteriën. Dit is op zichzelf geen infectie, en onterechte toediening van antibiotica kan leiden tot kolonisatie met meer resistente bacteriën [11](#page=11).
* Een voorbeeld is de progressieve cellulitis bij een diabetesvoet, waar sprake is van kolonisatie met bacteriën en tekenen van infectie, wat antibiotische behandeling vereist [11](#page=11).
#### 11.2.7 Gasgangreen
* **Verwekker:** Veroorzaakt door *Clostridium perfringens* [12](#page=12).
* **Voorkomen:** *Clostridium perfringens* en aanverwante soorten komen voor in fecale flora, aarde en vuil als sporen. Wonden kunnen tijdens chirurgie of ongevallen hiermee gecontamineerd worden. De sporen groeien uit tot metabool actieve bacteriën in anaërobe omstandigheden, zoals in dood weefsel met beperkte zuurstoftoevoer [12](#page=12).
* **Pathogenese:** Actieve groei leidt tot de productie van weefseldestructieve enzymen, wat snelle weefseldestructie veroorzaakt en verdere groei van de bacteriën bevordert [12](#page=12).
* **Klinische kenmerken:** Typisch voor gasgangreen is de aanwezigheid van gas, voelbaar bij palpatie of zichtbaar op radiografie. Gasgangreen is frequent in oorlogswonden [12](#page=12).
* **Behandeling:** Antibiotica, chirurgie en symptomatische ondersteuning [12](#page=12).
* **Preventie:** Goede heelkunde en wondzorg, en eventueel chemoprofylaxie [12](#page=12).
* ***Clostridium spp.***: Deze zijn anaerobe grampositieve sporevormende staven. Soorten zoals *C. perfringens* produceren weefselvernietigende enzymen (lokaal effect). Andere soorten, zoals *C. botulinum* en *C. tetani*, produceren zeer potente neurotoxines met effect op afstand. Ze groeien strikt anaeroob en veroorzaken geen ziekte van gezond weefsel. Hun sporen overleven langdurig in de omgeving, wat bijdraagt aan hun besmettelijkheid. De historische ontdekking van *Clostridium botulinum* na een uitbraak in Ellezelles in 1895 wordt beschreven [13](#page=13) [14](#page=14).
#### 11.2.8 Herpes labialis (koortslip)
* **Verwekker:** HSV type 1 (typisch bovenste lichaamshelft, virus in ggl. trigeminale) en HSV type 2 (typisch onderste lichaamshelft, virus in sacrale ggl.) [15](#page=15).
* **Voorkomen:** Primaire infectie is vaak asymptomatisch (incubatie ~1 week). Reactivatie uit zich in vesikels met helder vocht (koortsblaasjes) die later korstjes vormen. Eventueel lichte koorts en gezwollen submandibulaire klieren. Reactivatie treedt op bij stress, menstruatie, koorts en zonlicht. Transmissie vindt plaats door direct contact zolang de blaasjes nog niet verkorst zijn. Seropositiviteit voor HSV-1 is 40-95%, voor HSV-2 afhankelijk van het aantal sekspartners [15](#page=15).
* **Verloop:** Het virus blijft definitief aanwezig in neuronen, retrogradig via sensibele neuronen naar het ganglion [15](#page=15).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen [15](#page=15).
* **Preventie:** Direct contact vermijden, voor zover mogelijk [15](#page=15).
* **Behandeling:** Afwachten; bij complicaties wordt zinkoxide/zinksulfaat of aciclovir gebruikt. Bij systemische infecties of immuundeficiëntie worden perorale middelen ingezet [15](#page=15).
#### 11.2.9 Varicella en zona (waterpokken en gordelroos)
* **Verwekker:** Varicella zostervirus (VZV), een herpesvirus [16](#page=16).
* **Voorkomen:**
* **Primaire infectie (waterpokken):** Vlekken met jeukende blaasjes die korstjes worden. Kunnen bacterieel geïnfecteerd raken (S. aureus, S. pyogenes), wat littekens kan veroorzaken [16](#page=16).
* **Reactivatie (gordelroos/herpes zoster):** Uitbraak op het bijbehorende dermatoom, meestal eenmalig. Kan maandenlang postherpetische pijn veroorzaken [16](#page=16).
* **Complicaties:** Zeldzaam, waaronder pneumonie, meningitis, encefalitis (zelden bij kinderen) [16](#page=16).
* **Verloop:** 90% wordt besmet bij contact met een zieke persoon zolang de blaasjes niet verkorst zijn. Incubatietijd is 14 dagen [16](#page=16).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen, voornamelijk bij kinderen [16](#page=16).
* **Preventie:** Direct contact vermijden, voor zover mogelijk [16](#page=16).
* **Behandeling:** Kinderen worden normaal niet behandeld. Acyclovir kan worden gegeven bij kinderen met een verzwakt immuunsysteem of om de koorts met één dag te verkorten. Bij personen ouder dan 12 jaar is antivirale therapie mogelijk. Bij verzwakte personen kan het VZV-vaccin tot 72 uur na blootstelling worden gegeven [16](#page=16).
#### 11.2.10 Wratjes (Verrucae vulgares) en waterwratjes (Mollusca Contagiosa)
* **Verrucae vulgares (wratjes):**
* **Verwekker:** HPV (Human Papillomavirus) met ongeveer 70 genotypes [17](#page=17).
* **Verloop:** Transmissie door direct contact; het virus is stabiel buiten het lichaam. Het dringt de huid binnen via minimale beschadigingen en vermenigvuldigt zich in differentiërende basale cellen van de epidermis [17](#page=17).
* **Mollusca Contagiosa (waterwratjes):**
* **Verwekker:** Molluscum contagiosum virus (molluscipoxvirus) [17](#page=17).
* **Verloop:** Transmissie door direct contact; incubatietijd maanden [17](#page=17).
#### 11.2.11 Tinea pedis (voetschimmel/atleetvoet)
* **Verwekker:** Dermatofyten (keratinofiele schimmels), met name *Trichophyton rubrum* [18](#page=18).
* **Voorkomen:** Erythemateuze huid, schilfering en jeuk, voornamelijk op de voeten maar ook op andere plaatsen. Bevorderende factoren zijn gemeenschappelijke douches, slecht ventilerende schoenen en maceratie of zweetvoeten [18](#page=18).
* **Verloop:** Geneest moeilijk [18](#page=18).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen, eventueel een kweek van de schimmel [18](#page=18).
* **Preventie:** Goede ventilatie van de voeten [18](#page=18).
* **Behandeling:** Antimycotische zalf [18](#page=18).
* **Dermatofytosen en candidiasis:** Tinea pedis is een manifestatie van dermatofytosen (infecties door dermatofyten). Candida kan ook diverse huidinfecties veroorzaken (gisten) [19](#page=19).
### 11.3 Genitale infecties
Genitale infecties omvatten infecties van de geslachtsorganen, meestal seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA's). Sommige SOA's infecteren andere organen (bv. HBV) of veroorzaken symptomen buiten de geslachtsorganen (bv. HIV) [20](#page=20).
#### 11.3.1 Vaginitis
De vaginale flora is normaal gesproken rijk aan lactobacillen, die zorgen voor een zure pH en stabilisatie van het lokale microbioom. Dit evenwicht kan verstoord worden door vaginale spoelingen, sperma, of individuele predispositie, leidend tot dysbacteriose en vaginitis [21](#page=21).
* **Frequent voorkomende oorzaken:**
* **Bacteriële vaginose (BV):** Overgroei van bacteriën die tot de normale flora behoren, zoals *Prevotella spp.* en *Gardnerella vaginalis*. Dit is de meest frequente oorzaak van vaginitis en leidt tot storend vaginaal verlies, vaak met onaangename geuren. Naast ongemak kan BV het risico op SOA's verhogen en vroeggeboorte veroorzaken [21](#page=21).
* **Candida vaginitis:** Overgroei van *C. albicans*, typisch met witte afscheiding en branderig gevoel. Hogere incidentie na antibioticagebruik en bij diabetes [21](#page=21).
* **Minder frequente oorzaak:**
* **Trichomonas vaginalis vaginitis:** Een echte SOA veroorzaakt door een protozoön [21](#page=21).
Candidiasis en bacteriële vaginose komen zeer frequent voor, terwijl trichomoniasis minder frequent is. Recente inzichten suggereren dat de flora van de penis gelinkt is aan bacteriële vaginose bij partners, en de rol van transmissie mogelijk onderschat wordt [22](#page=22).
#### 11.3.2 Bacteriële vaginose (BV)
* **Kenmerken:** Vervanging van een lactobacillus-gedomineerde microflora door grote aantallen *Gardnerella vaginalis*, anaëeroben, streptokokken en mycoplasmata. Dit kan met of zonder symptomen optreden, lokaal hinder geven (stinkende fluor). Het wordt beschouwd als een "niet-gezonde" microflora, maar is niet onfrequent (5-10% in België, tot 50% in sommige regio's van Afrika) [23](#page=23).
* **Symptomen (subjectief):** Vaak asymptomatisch, stinkende fluor (soms jeuk) [24](#page=24).
* **Signs (objectief) - Amsel criteria (3 van de 4):**
* Stinkend, grijs, homogeen beslag/fluor [24](#page=24).
* Verhoogde pH van vaginale mucus (> 5) [24](#page=24).
* Hoge concentratie van amines (geur als dode vis), aantoonbaar met de 'sniff'-test (KOH-toevoeging aan vaginaal slijm, alkalinisatie doet amines vrijkomen) [24](#page=24).
* Clue cells: microscopisch zichtbare cellen bedekt met bacteriën, waarbij lactobacillen vervangen zijn door grote aantallen coccobacillen. Geen inflammatie, dus weinig neutrofielen [24](#page=24).
* **Complicaties:** Ondanks dat het klassiek als zonder complicaties werd beschouwd, is er nu bekend dat deze microflora geassocieerd is met een grotere kans op HIV-overdracht, andere SOA's, en een lager geboortegewicht/prematuriteit (behandeling met antibiotica helpt hier niet) [24](#page=24).
* **Behandeling:** Metronidazol of clindamycine per os of lokaal. Zeer frequente recidieven zorgen voor een momenteel niet efficiënte behandeling [24](#page=24).
#### 11.3.3 SOA's (Seksueel Overdraagbare Aandoeningen) strictu sensu
* **Symptomen:** Lokale symptomen zoals ulcera, pijn, branderig gevoel, afscheiding van secreten, en tekenen van inflammatie. Systemische symptomen kunnen koorts en huiduitslag omvatten. Op termijn kunnen complicaties zoals lokale tumoren, infertiliteit en infecties op afstand (bv. neurosyfilis) optreden [26](#page=26).
* **Verwekkers:** Virussen, bacteriën, protozoa, en insecten (schaamluizen) [26](#page=26).
* **Overdracht:** Direct contact met besmette geslachtsorganen, soms via handen. SOA-pathogenen kunnen ook slijmvliezen en lichaamsopeningen infecteren die in contact komen met geslachtsorganen, zoals HPV in de nasofarynx of proctitis door syfilis. Hoewel risicogroepen bestaan, is occasioneel onveilig seksueel contact wijdverbreid [26](#page=26).
* **Incubatietijd:** Afhankelijk van het type, variërend van kort na contact tot jaren later (door complicaties) [26](#page=26).
* **Diagnose:** Liefst directe methodes, soms aangevuld door serologie. Bepaalde infecties worden syndromaal behandeld (bv. PID, urethritis), waarbij behandeld wordt voor de klassieke verwekkers zonder ze noodzakelijk aan te tonen. Sommige diagnoses zijn aangifteplichtig [26](#page=26).
* **Behandeling en preventie:** Behandeling met antibiotica, soms antivirale therapie. Partners worden in principe meebehandeld. Preventie door veilig vrijen is zeer belangrijk; er zijn enkele vaccins beschikbaar [26](#page=26).
#### 11.3.4 Gonorroe (door *Neisseria gonorrhoeae*)
* **Kenmerken:** Een bacterie met efficiënte aanhechting aan epithelia en intracellulaire replicatie. Veroorzaakt urethritis bij mannen (branderig gevoel bij plassen, typisch wit-geel-groen secreet - 'druiper'). Vrouwen zijn vaak asymptomatisch of hebben milde symptomen, of symptomen die lijken op urineweginfecties. Ook rectale infecties (zonder symptomen, evt. secreties, jeuk, bloedverlies of pijn) en faryngitis zijn mogelijk. Systemische symptomen zoals artritis, tenosynovitis en dermatitis kunnen optreden [27](#page=27).
* **Complicaties:** Opstijgende infecties; bij vrouwen Pelvic Inflammatory Disease (PID) met mogelijke infertiliteit of ectopische zwangerschappen. Bij mannen epididymitis, zelden infertiliteit [27](#page=27).
* **Overdracht:** Contact met besmette geslachtsorganen, anus, mond. Overdracht bij de bevalling kan leiden tot artritis, keratitis of sepsis bij het kind [27](#page=27).
* **Incubatietijd:** Enkele dagen tot een week [27](#page=27).
* **Diagnose:** Directe methoden zoals Gramkleuring en kweek, steeds meer vervangen door PCR. Gramkleuring toont gram-negatieve diplokokken [27](#page=27) [28](#page=28).
* **Behandeling en preventie:** Antibiotica, klassiek in een single shot. De behandeling houdt rekening met hoge resistentie en het risico op verdere resistentie, evenals co-infectie met *Chlamydia*. Preventie door veilig vrijen en het behandelen van de partner [27](#page=27).
#### 11.3.5 Chlamydia (door *C. trachomatis*)
* **Kenmerken:** Obligaat intracellulair levende bacterie die epitheelcellen prefereert. Kan diverse organen infecteren, waaronder de geslachtsorganen. Verschillende serotypes zijn geassocieerd met kliniek, zoals SOA's, trachoom (chronische conjunctivitis met blindheid) en lymphogranuloma venerum. PID is mogelijk, zowel asymptomatisch als symptomatisch. Lokale symptomen zijn vaak afwezig, eventueel mucopurulente urethritis bij mannen of cervicitis bij vrouwen [29](#page=29).
* **Complicaties op termijn:** Infertiliteit, een belangrijke oorzaak van infertiliteit in België [29](#page=29).
* **Overdracht:** Contact met besmette geslachtsorganen, anus, mond. Vooral bij jongeren relatief frequent (tot 10%). Cervicale epitheliale ectopie bij jongeren verhoogt de vatbaarheid. Overdracht bij bevalling kan leiden tot conjunctivitis of pneumonie bij het kind [29](#page=29).
* **Incubatietijd:** Minstens weken [29](#page=29).
* **Diagnose:** Niet zichtbaar op Gramkleuring, niet kweekbaar in routine. PCR is de enige betrouwbare test [29](#page=29).
* **Behandeling en preventie:** Antibiotica, soms in single shot (doxycycline of azithromycine). Preventie door veilig vrijen en het behandelen van de partner [29](#page=29).
#### 11.3.6 Genitale Mycoplasmata
* **Kenmerken:** Eenvoudige bacteriën die in contact leven met epitheliale cellen en geen celwand hebben, waardoor ze bèta-lactam resistent zijn. In de luchtwegen veroorzaakt *M. pneumoniae* atypische pneumonie. In de tractus genitalis komen drie species voor: *Mycoplasma hominis*, *Ureaplasma urealyticum* en *Mycoplasma genitalium*. De eerste twee zijn commensalen van de genitale tractus en komen in grote aantallen voor bij bacteriële vaginose, vaak ten onrechte opgezocht en behandeld. *Mycoplasma genitalium* is recent ontdekt en vermoedelijk even pathogeen en frequent als *C. trachomatis* [31](#page=31).
* **Diagnose:** Moeilijk te kweken, diagnose door PCR. Niet altijd belangrijk voor therapie, gezien deze infecties syndromaal worden behandeld en de gevoeligheid van Mycoplasma en Chlamydia vergelijkbaar is [31](#page=31).
#### 11.3.7 Trichomonas vaginalis
* **Kenmerken:** Parasitair protozoön. Bij mannen veroorzaakt het urethritis (branderigheid, jeuk); bij vrouwen vulvitis en vaginitis (fluor, branderigheid, jeuk) [32](#page=32).
* **Complicaties:** PID, premature bevalling [32](#page=32).
* **Overdracht:** Seksueel contact. De frequentie in België is laag, maar mogelijk onderschat [32](#page=32).
* **Diagnose:** Microscopie (wet stain) op een vers staal. Niet zichtbaar op Gramkleuring [32](#page=32).
* **Behandeling en preventie:** Eenmalige behandeling met metronidazol per os. Preventie door veilig vrijen en het behandelen van de partner [32](#page=32).
#### 11.3.8 Genitale herpes door HSV
* **Kenmerken:** DNA-virus met enveloppe, twee types; vnl. type 2 is geassocieerd met genitale infectie. Infectie is definitief; het virus kan niet worden opgeklaard en verblijft latent in sensoriële neuronen, vanwaar het kan heropflakkeren. Lokale symptomen omvatten typische polycyclische blaasjes/ulcera [33](#page=33).
* **Complicaties op termijn:** Pijnlijke recidieven, overdracht bij bevalling (herpes neonatorum, soms levensbedreigend voor pasgeborenen) [33](#page=33).
* **Overdracht:** Contact met geslachtsorganen (huid op huid), ook indirect (handen, speeltjes) [33](#page=33).
* **Incubatietijd:** Tot ontstaan van vesikels: enkele dagen [33](#page=33).
* **Diagnose:** Klinisch, eventueel direct via PCR [33](#page=33).
* **Behandeling en preventie:** Aciclovir bij opstoten. Condoomgebruik ter preventie (dekt niet alle oppervlakken) [33](#page=33).
#### 11.3.9 Genitale wratten (en carcinoom) door HPV
* **Kenmerken:** Naakt DNA-virus met een grote reeks types (>100). Het type is geassocieerd met de locatie van de infectie en het risico op carcinogeniciteit (bv. HPV16 en 18 zijn hoog-risico types voor cervixkanker). Infectie is niet altijd definitief; het virus kan worden opgeklaard voordat metaplasie en progressie naar kanker optreedt. Lokale en systemische symptomen zijn meestal afwezig [34](#page=34).
* **Complicaties op termijn:** Lokale tumoren [34](#page=34).
* **Overdracht:** Contact met geslachtsorganen, ook indirect (handen, speeltjes). Typische piek bij jonge volwassenen en een tweede piek op middelbare leeftijd. Mannen hebben meestal geen complicaties (uitzonderlijk mond/keel kanker, peniskanker en anale kanker) en fungeren als vector. Wijdverspreid en frequent; de overgrote meerderheid van de bevolking maakt een infectie door. Er is ook toenemende aandacht voor nasofaryngeale infecties [34](#page=34).
* **Incubatietijd:** Tot ontstaan van cervixkanker: meerdere jaren (>5 jaar) [34](#page=34).
* **Diagnose:** Direct via PCR, indirect door screening op metaplasie/kanker [34](#page=34).
* **Behandeling en preventie:** Geen behandeling; preventie door vaccinatie. Het vaccin dekt echter slechts een beperkt aantal types; screening blijft nodig. Condoomgebruik ter preventie (dekt niet alle oppervlakken) [34](#page=34).
#### 11.3.10 Syfilis (veroorzaakt door *Treponema pallidum*)
* **Kenmerken:** Bacterie die zich systemisch kan verspreiden en levenslang aanwezig kan blijven [36](#page=36).
* **Primaire syfilis:** Lokale infectie met een "ulcus durum" of sjanker: een harde, pijnloze papel die spontaan geneest na enkele weken, maar waarbij de bacterie zich in het lichaam verspreidt [36](#page=36) [37](#page=37).
* **Secundaire syfilis (na maanden):** *Treponema* is systemisch aanwezig met letsels in verschillende organen (huid en mucosa). Kan spontaan genezen, maar evolueert na vele asymptomatische jaren vaak naar [36](#page=36) [38](#page=38):
* **Tertiaire syfilis:** *Treponema* in beperkte hoeveelheden maar met chronische inflammatie, leidend tot onomkeerbare orgaanschade, neurologische/psychiatrische en cardiale complicaties (gummata). Syfilis wordt ook wel "the great imitator" genoemd [36](#page=36) [39](#page=39).
* **Overdracht:** Contact met geslachtsorganen. Er is een recente toename in het Westen, met name bij homoseksuele mannen. Congenitale overdracht is mogelijk [36](#page=36).
* **Incubatietijd:** Minstens een week [36](#page=36).
* **Diagnose:** Microscopie wordt in de praktijk nauwelijks gebruikt. Serologie: sommige testen (bv. TPPA) blijven levenslang positief, andere (bv. VDRL) worden negatief na efficiënte behandeling [36](#page=36).
* **Behandeling en preventie:** *Treponema pallidum* is nog steeds gevoelig voor penicilline; één toediening volstaat (tenzij bij tertiaire syfilis). Preventie door veilig vrijen en het behandelen van de partner [36](#page=36).
### 11.4 Huid- en wondinfecties tijdens de zwangerschap
Microbiologisch onderzoek bij zwangeren is cruciaal, zowel preconceptie als perinataal [41](#page=41) [42](#page=42) [43](#page=43) [45](#page=45).
#### 11.4.1 Preconceptieve en vroege zwangerschap screening
* **Vaccinatie:** Voor influenza, zeker bij risicofactoren [42](#page=42).
* **Serostatus:** CMV (cytomegalovirus), rubella (roodvonk), syfilis, HIV, HBV (hepatitis B), VZV (varicella zoster virus), Toxoplasmose. Dit wordt bij voorkeur preconceptie uitgevoerd [42](#page=42).
* **CMV:** Een primo-infectie met CMV tijdens de zwangerschap kan leiden tot foetale infectie en congenitale afwijkingen. De serostatus (IgG en IgM) wordt bepaald om onderscheid te maken tussen recente en oude infecties. Aviditeit van IgG-antistoffen kan helpen bij het bepalen van de recentheid van de infectie [46](#page=46).
* **Rubella:** Terment is teratogeen; vaccinatie is belangrijk [42](#page=42).
* **Syfilis:** Screening is noodzakelijk [42](#page=42).
* **HIV en HBV:** Screening ter bescherming van moeder en kind [42](#page=42).
* **VZV:** Screening op waterpokken [42](#page=42).
* **Toxoplasmose:** IgM-antistoffen kunnen maanden positief blijven [42](#page=42).
* **Rhesusfactor:** Belangrijk voor de foetale gezondheid [41](#page=41).
#### 11.4.2 Perinatale aanpak
* **Bacteriurie:** Verhoogd risico op vroeggeboorte [42](#page=42).
* **Kolonisatie met groep B streptokokken:** Risico op neonatale sepsis [42](#page=42).
* **Genitale herpes:** Controle op genitale herpes ter preventie van neonatale herpes [42](#page=42).
* **Vermijden van Listeria monocytogenes infectie:** Belangrijk om te voorkomen [42](#page=42).
#### 11.4.3 Kliniek en diagnostiek (algemeen, ook relevant voor zwangeren)
Ziekte kan het normale functioneren belemmeren. Herstel is meestal *ad integrum*. Complicaties kunnen optreden bij virale pneumonie, bacteriële surinfectie, en systemische complicaties, met name bij risicogroepen zoals cardiovasculair belaste personen, diabetici, ouderen, jonge kinderen, zwangeren. Vaccinatie wordt ten zeerste aanbevolen voor deze groepen, gezondheidswerkers, dierenartsen en kippenkwekers. Snelle diagnostiek gebeurt via antigen detectie en RT-PCR op nasofarynxmonsters. In de praktijk is klinische diagnose, ondersteund door epidemiologische gegevens, vaak leidend [44](#page=44).
> **Tip:** De documentatie over specifieke microbiologische aanpak bij zwangere vrouwen (pagina's 41-48) bevat veel herhaling en is gedetailleerd. Focus op de genoemde pathogenen en de redenen voor screening.
> **Tip:** Bij het bestuderen van huid- en wondinfecties is het belangrijk om de verwekker, de typische klinische presentatie, de overdrachtswegen en de specifieke behandelingsopties te koppelen. Let op de resistentiepatronen, vooral bij *Staphylococcus aureus* en gonorroe.
---
Dit onderwerp behandelt de klinische presentatie, de oorzakelijke micro-organismen en de diagnostische benaderingen van infecties van het centrale zenuwstelsel, de lever, het lymfesysteem, de bloedbaan, en prothese-gerelateerde infecties.
### 11.1 Infecties van het centraal zenuwstelsel
#### 11.1.1 Klinisch beeld en deelsyndromen
Infecties van de hersenen, het ruggenmerg en/of de hersenvliezen manifesteren zich voornamelijk met neurologische symptomen. De specifieke symptomen kunnen variëren met de leeftijd; bij zuigelingen en peuters ontbreekt bijvoorbeeld de typische nekstijfheid bij meningeale prikkeling. Complicaties kunnen leiden tot neurologische of psychiatrische restletsels. In sommige gevallen evolueren deze infecties snel naar een systemische infectie, wat een spoeddiagnose en -behandeling vereist. Andere oorzaken van meningeale prikkeling of cerebrovasculaire accidenten kunnen initieel vergelijkbare symptomen vertonen [54](#page=54).
#### 11.1.2 Spectrum van symptomen en verwekkers
De symptomen omvatten neurologische uitingen zoals hoofdpijn, foto- en fonofobie, sensorische defecten en bewustzijnsdaling. Psychiatrische symptomen en tekenen van intracraniële overdruk (braken, nekstijfheid, hypertensie, bradycardie) kunnen ook optreden. Koorts is frequent, maar de klassieke triade van koorts, nekstijfheid en veranderde geestestoestand is slechts bij ongeveer 50% van de patiënten aanwezig, met name bij pneumokokkenmeningitis [55](#page=55).
De verwekkers zijn divers en omvatten virussen (voornamelijk herpes- en enterovirussen), bacteriën (zoals *Neisseria meningitidis* (meningokok), *Streptococcus pneumoniae* (pneumokok), en *Haemophilus influenzae*, hoewel de laatste door vaccinatie zeldzaam is geworden in België). Opportunistische pathogenen kunnen een rol spelen wanneer natuurlijke barrières worden doorbroken door trauma of uitbreiding vanuit sinussen. Parasieten en schimmels zijn zeldzame verwekkers [55](#page=55).
#### 11.1.3 Overdracht en incubatietijd
De overdracht is afhankelijk van de verwekker en kan plaatsvinden via direct contact of druppelinfecties, waarbij pathogenen eerst koloniseren alvorens te invaderen. Bij meningokokken kan dit via de keel naar de bloedbaan leiden, en bij herpesvirussen kan migratie via zenuwbanen optreden. De incubatietijd varieert van dagen tot weken [55](#page=55).
#### 11.1.4 Diagnose
De diagnose wordt gesteld door het aantonen van de verwekker in lumbaal vocht, aangevuld met biochemische analyses en celtellingen. Serologie op lumbaal vocht kan eveneens nuttig zijn [55](#page=55).
#### 11.1.5 Behandeling en preventie
Preventie kan plaatsvinden middels vaccinatie (bijvoorbeeld tegen *Haemophilus influenzae* type b, *Neisseria meningitidis* type C, *Streptococcus pneumoniae*, poliovirus). Voor virale infecties zijn antivirale middelen beschikbaar. Antibiotica zijn cruciaal bij bacteriële infecties en kunnen restletsels verminderen en levens redden [55](#page=55).
#### 11.1.6 Overdracht en verloop
Infecties kunnen ontstaan door binnendringen na kolonisatie of infectie buiten het CZS bij gezonden, of opportunistisch bij zieken/verzwakten (bv. sepsis, toxoplasmose). Barrièredoorbraak door trauma, lokale uitbreiding of iatrogene oorzaken is ook een risicofactor. Het CZS is een immuungeprivilegieerde zone met een rigide omhulsel dat inflammatie beperkt om overdruk te voorkomen [56](#page=56).
Virale infecties zijn vaak zelflimiterend met een goede prognose, hoewel ernstige restletsels mogelijk zijn bij herpes simplex virus (70% mortaliteit zonder behandeling). Bacteriële infecties zonder behandeling leiden tot zware restletsels of de dood. Schimmelinfecties treden opportunistisch op bij verminderde weerstand en herstellen niet spontaan. Vanwege de snel optredende catastrofale gevolgen van CZS-infecties, is snelle diagnose en blinde behandeling cruciaal, idealiter na afname van lumbaal vocht. Vaak wordt direct gestart met acyclovir en antibiotica intraveneus, waarna de behandeling wordt aangepast op basis van diagnostiek [56](#page=56).
#### 11.1.7 Pathogenese
Inflammatie en directe weefselschade verstoren de neurale functie en kunnen vitale functies onderdrukken. Bij bacteriële infecties kan dit leiden tot sepsis, infectie van andere organen, orgaanfalen, diffuse intravasculaire stolling, septische embolen en bloedingen. Petechiën en purpura (niet-wegdrukbare rode vlekken door lokale bloedingen) bij een ernstig zieke, koortserige patiënt zijn alarmtekens die onmiddellijke actie vereisen. Meningokokkenmeningitis kan binnen enkele uren escaleren naar levensbedreigende sepsis [57](#page=57).
#### 11.1.8 Diagnose
Diagnostiek omvat cel- en biochemische analyses van lumbaal vocht. Viraal geassocieerde veranderingen zijn typisch een beperkte stijging van lymfocyten, normaal of licht verstoorde eiwit- en glucosewaarden. Bij bacteriële infecties is er een sterke stijging van neutrofielen, verhoogde eiwitwaarden, verlaagd glucose en verhoogd lactaat. Deze parameters zijn indicatief maar niet doorslaggevend, en daarom is het aantonen van de verwekker via microscopie (bv. gramkleuring), antigendetectie, PCR of kweek essentieel. Hemokulturen worden ook afgenomen gezien de ernst en de mogelijke contra-indicatie voor een lumbaalpunctie [58](#page=58).
### 11.2 Infecties van de lever
#### 11.2.1 Klinisch beeld en deelsyndromen
Infecties van de lever zijn meestal viraal, maar in sommige regio's ook parasitair (bv. wormen). Het hoofdsymptoom is een leverfunctiestoornis, vaak gepaard gaande met geelzucht, lokale pijn en malaise. Complicaties kunnen leiden tot leverfalen, cirrose en hepatocellulair carcinoom. Hepatitis van niet-infectieuze oorsprong (toxisch, medicamenteus, auto-immuun) en galwegobstructie kunnen vergelijkbare symptomen geven [60](#page=60).
#### 11.2.2 Spectrum van symptomen en verwekkers
Symptomen omvatten koorts, malaise (vermoeidheid, misselijkheid, eetlustverlies, braken), donkere urine, ontkleurde ontlasting, geelzucht en jeuk. Huiduitslag en artritis kunnen ook voorkomen. De belangrijkste verwekkers zijn hepatitis A, B en C virussen. Zeldzamer zijn HDV (altijd samen met HBV) en HEV (besmet voedsel). Opportunistische infecties door andere micro-organismen zijn zeer zeldzaam [61](#page=61).
#### 11.2.3 Overdracht en incubatietijd
De overdracht is afhankelijk van het virus. Incubatietijden variëren: HAV (4 ± 2 weken), HBV (3 ± 2 maanden), HCV (6 weken tot 6 maanden), HDV (gelijk aan B), HEV (6 ± 3 weken) [61](#page=61).
#### 11.2.4 Diagnose
Diagnostiek omvat serologie voor screening en therapiemonitoring van HCV en HBV. Sommige hepatitisinfecties zijn aangifteplichtig [61](#page=61).
#### 11.2.5 Behandeling en preventie
Er zijn soms medicijnen of vaccins beschikbaar. Preventie omvat hygiëne, veilige seks en het voorkomen van overdracht via bloedproducten [61](#page=61).
#### 11.2.6 Overdracht en verloop
HAV wordt fecaal-oraal overgedragen, typisch bij lage hygiëne. HBV en HCV verspreiden zich voornamelijk via bloed-bloedcontact (bv. IV-drugsgebruik, iatrogeen). HBV is efficiënt overdraagbaar via seksueel contact, intiem niet-seksueel contact, en perinataal. HEV wordt overgedragen via besmet water en zoönose. Reservoirs zijn mensen (HBV, HCV, HDV chronisch; HAV beperkte periode) en varkens (HEV). HAV verloopt nooit chronisch. HBV wordt bij 10% chronisch, waarvan 10% symptomatische leverziekte ontwikkelt. Bij HCV wordt 80% chronisch, waarvan 20% symptomatische leverziekte ontwikkelt. HEV wordt uitzonderlijk chronisch bij immuundepressie [62](#page=62).
#### 11.2.7 Pathogenese
HAV en HEV zijn naakte virussen die cytotoxisch zijn en tijdelijke leverschade veroorzaken die herstelt. Bij HBV en HCV is leverschade en chroniciteit grotendeels een gevolg van de immuunrespons; bij immuundepressie treden geen symptomen op [65](#page=65).
#### 11.2.8 Diagnose
Serologie is cruciaal. Voor HAV wordt IgM (recent) en IgG (recent of verleden) bepaald. Bij HBV wordt anti-HBs (genezen/gevaccineerd), anti-HBc (contact) en anti-HBe gebruikt, samen met antigeendetectie (HBsAg) en PCR voor de HBV-load. Voor HCV wordt IgG bepaald (soms pas laat positief), en voor HEV wordt IgG en IgM bepaald. Antigen- en genoomdetectie (PCR) is ook beschikbaar voor HBV en HCV [66](#page=66).
#### 11.2.9 Behandeling en preventie
Voor HAV is er geen specifieke behandeling of vaccin, wel ondersteunende zorg en passieve immunisatie bij contacten. Voor HBV zijn er bij chroniciteit antivirale middelen; preventie geschiedt via vaccinatie. Een deel van de gevaccineerden is non-responder. Voor HCV zijn er antivirale middelen, maar geen vaccin; bij prikongevallen wordt direct antivirale therapie gestart. Voor HEV is er geen specifieke behandeling of vaccin [68](#page=68).
### 11.3 Lymfadenopathieën van infectieuze oorsprong
#### 11.3.1 Klinisch beeld en deelsyndromen
Dit betreft infecties van lymfeklieren, lymfocyten of andere immuuncellen verspreid over het lichaam. Het hoofdsymptoom is niet-pijnlijke, opgezette lymfeklieren, vaak verspreid over het lichaam. Complicaties zijn zeldzaam en omvatten lokale druk of ulceratie. Lymfadenopathieën van infectieuze oorsprong zijn een uiting van veralgemeende lymfoproliferatie, meestal als reactie op virale infecties. Andere oorzaken van veralgemeende lymfadenopathieën zijn neoplastische groei (bv. lymfomen) of auto-immune/allergische reacties. Gelokaliseerde lymfadenopathieën kunnen ook infectieus zijn (lymfadenitis) door bacteriën die via lymfevaten de klier bereiken, wat leidt tot pijnlijke, geïnflammeerde klieren [69](#page=69).
#### 11.3.2 Spectrum van symptomen en verwekkers
Kenmerkend zijn pijnloze, opgezette klieren in verschillende anatomische regio's. Koorts is matig tot afwezig bij gegeneraliseerde lymfadenopathieën van virale origine. De belangrijkste virale verwekkers zijn herpesvirussen (CMV en EBV). Lymfadenopathieën worden ook gezien bij HIV-infectie en mazelen [70](#page=70).
#### 11.3.3 Overdracht en incubatietijd
Overdracht is afhankelijk van de verwekker. De incubatietijd varieert van weken tot maanden of jaren [70](#page=70).
#### 11.3.4 Diagnose
De diagnose is klinisch, gevolgd door serologische uitwerking [70](#page=70).
#### 11.3.5 Behandeling en preventie
Voor mazelen bestaat een vaccin. Voor andere virussen zijn er geen vaccins, wel virusremmers die soms nodig zijn bij immuundepressie (CMV) of zeker bij HIV [70](#page=70).
#### 11.3.6 Overdracht en verloop
CMV en EBV zijn zeer infectieus en komen wijdverspreid voor. Bij jonge kinderen verlopen deze infecties vaak symptoomloos, maar vanaf adolescentie kunnen ze symptomen geven. HIV geeft bijna steeds symptomen op lange termijn door immuunzwakte. Bij zieken/verzwakten kunnen primo-infecties of heropflakkeringen van EBV en CMV agressief verlopen. HIV-infectie leidt bij hen sneller tot aids. EBV en CMV blijven levenslang aanwezig in het lichaam en kunnen heropflakkeren. HIV wordt ook levenslang in het lichaam gehouden, wat leidt tot een geleidelijke afbrokkeling van de immuniteit en uiteindelijk aids [71](#page=71).
#### 11.3.7 Pathogenese
EBV infecteert epitheel en B-cellen, waarbij de virale celgroei wordt onderdrukt door T-cellen. CMV infecteert monocyten/macrofagen en epitheelcellen, wat orgaanfalen kan veroorzaken. Het wordt onder controle gehouden door T-cellen. CMV kan transplacentair het foetus infecteren, met ernstige malformaties tot gevolg. HIV infecteert macrofagen en CD4+ T-cellen, verstoort de immuunfunctie en leidt tot uitputting van het immuunsysteem [72](#page=72).
#### 11.3.8 Diagnose
Serologisch onderzoek naar de verwekker en PCR voor de virale load worden gebruikt voor therapiemonitoring. De Paul-Bunnell test voor EBV detecteert heterofiele antistoffen. Voor CMV en HIV wordt IgG bepaald [73](#page=73).
#### 11.3.9 Mononucleosis infectiosa
Mononucleosis infectiosa (klierkoorts) wordt meestal veroorzaakt door EBV, maar 10% door CMV. EBV infecteert nagenoeg iedereen tegen volwassen leeftijd, vaak asymptomatisch op jonge leeftijd. Overdracht geschiedt via speeksel (incubatie ± 1 maand). CMV is ook frequent en wordt via speeksel en urine overgedragen; dit laatste is belangrijk voor transmissie van zuigeling/kind naar moeder. EBV geneest spontaan, hoewel klierzwelling en moeheid lang kunnen aanhouden. CMV verloopt analoog aan EBV, vooral met koorts; bij immuunsupressie kan het ernstig zijn. Diagnostiek omvat klinische verschijnselen en serologie. Er is geen vaccin; medicatie (ganciclovir) is enkel voor CMV bij immuunsupressie [74](#page=74).
### 11.4 Intravasculaire en endovasculaire infecties. Prothese-infecties
#### 11.4.1 Algemeen
Dit betreft de aanwezigheid en vermenigvuldiging van micro-organismen in de bloedbaan. Dit kan leiden tot primaire endovasculaire infecties (bv. endocarditis, infectie van protheses) of secundaire bacteriëmie, waarbij micro-organismen vanuit een infectiehaard buiten de bloedbaan in het bloed terechtkomen. Transiënte bacteriëmie, bijvoorbeeld na tandenpoetsen, wordt doorgaans snel opgeklaard. Bacteriën kunnen via de bloedbaan migreren naar andere organen [75](#page=75).
#### 11.4.2 Sepsis en gerelateerde syndromen
Sepsis is een SIRS (Systemisch Inflammatoir Respons Syndroom) veroorzaakt door een infectie. Sepsis kan leiden tot septische shock, orgaanfalen (acute nierinsufficiëntie, ARDS, leverinsufficiëntie) en uiteindelijk multi-orgaanfalen (MOF). Strooiing van micro-organismen naar andere locaties kan 'metastatische' infecties veroorzaken [76](#page=76).
#### 11.4.3 Klinische verschijnselen van sepsis
Naast de symptomen van de primaire infectie, kan SIRS zich uiten met koude rillingen, koorts, hypothermie, tachypneu en tachycardie [76](#page=76).
#### 11.4.4 Aanpak (diagnose en behandeling) van sepsis / SIRS
De aanpak omvat het opsporen van de verwekker met microbiële kweken van het getroffen orgaan en bloedkweken (hemokulturen). Monitoring van parameters zoals pO2 en lactaat is essentieel. Behandeling bestaat uit intraveneuze breed spectrum antibiotica (en gepaste antibiotica zodra de verwekker bekend is) en supportieve therapie. Bij primaire bacteriëmie moeten geïnfecteerde katheters worden vervangen en hartklepinfecties met antibiotica worden behandeld [77](#page=77).
#### 11.4.5 Endocarditis
Endocarditis is een infectie van het endotheel van het hart, typisch ter hoogte van de hartkleppen. Gevolgen zijn aantasting van de hartkleppen (met hartgeruis en hartinsufficiëntie) en strooi-infecties [78](#page=78).
Er zijn twee mechanismen:
1. **Subacute endocarditis:** Verwekt door minder virulente bacteriën zoals Viridans-streptokokken, HACEK-groep of enterokokken. Deze hechten zich op endotheellestels, vaak bij misvormde of kunstkleppen, en vormen vegetaties. Symptomen van inflammatie zijn beperkt, maar metastatische infecties kunnen optreden [78](#page=78).
2. **Acute endocarditis:** Verwekt door virulente bacteriën zoals *Staphylococcus aureus*, met snelle destructie van de klep, ook zonder voorafgaande afwijkingen. Deze vorm is ernstig en kan leiden tot ernstige infecties op afstand [78](#page=78).
Specifieke situaties omvatten endocarditis door gramnegatieve staven bij hospitalisatie of door gisten bij druggebruikers [78](#page=78).
#### 11.4.6 Bron van bacteriëmie bij endocarditis
Bronnen kunnen secundaire bacteriëmie bij infecties zijn, manipulaties zoals endoscopie of tandheelkundige ingrepen, en zelfs dagelijkse activiteiten zoals eten en kauwen, vooral bij gebitsproblemen [79](#page=79).
#### 11.4.7 Diagnose van endocarditis
Diagnostiek omvat het aantonen van een (nieuw) hartgeruis via auscultatie en echografie, het identificeren van tekenen van metastatische infectie, en het afnemen van bloedkweken (minimaal 3, zonder antibiotica) [79](#page=79).
#### 11.4.8 Behandeling van endocarditis
Behandeling bestaat uit hoog gedoseerde antibiotica gericht tegen de verwekker, vaak in combinatie, om volledige eradicatie te garanderen. Chirurgie (vervangen van de klep) is noodzakelijk bij falen van de behandeling of snelle achteruitgang [79](#page=79).
#### 11.4.9 Preventie van endocarditis
Preventie omvat het voorkomen van bacteriëmie in het ziekenhuis (hygiëne, kathetermanagement, goede behandeling van infecties). Bij patiënten met hartklepafwijkingen is een goede mond- en tandhygiëne essentieel, en bij risico-ingrepen wordt profylactisch antibiotica gegeven [79](#page=79).
#### 11.4.10 Procedure bloedafname voor hemokulturen
Voor hemokulturen worden 2 tot 3 afzonderlijke bloedkweken afgenomen om de betrouwbaarheid te verhogen, met name bij mogelijke huidcontaminatie. Huidontsmetting met een alcoholische oplossing en het laten drogen is cruciaal. Handschoenen dienen gedragen te worden voor bescherming. Er wordt 20 ml bloed afgenomen per fles, waarbij de volgorde (anaeroob/aeroob) afhankelijk is van de gebruikte naald/adapter. De flessen zuigen zelf vacuüm [80](#page=80) [81](#page=81).
#### 11.4.11 Belangrijke instructies voor bloedafname
Verwijder de dop van de fles en ontsmet het rubberoppervlak. Gebruik een vlindernaald of spuit van 10 of 20 ml. De optimale hoeveelheid bloed per fles is 10 ml voor volwassen flessen. Gebruik geen bloed uit tubes [82](#page=82).
#### 11.4.12 Profylaxe van bacteriële endocarditis
Profylaxe is geïndiceerd bij risicopatiënten met hartklepafwijkingen, met name voorafgaand aan tandheelkundige ingrepen met bloeding. Richtlijnen adviseren antibiotica zoals amoxicilline in hoge doses (3 gram) één keer, kort voor de ingreep, om een adequate spiegel te garanderen op het moment van bacteriële vrijgave. Goede mond- en tandhygiëne is van groot belang om klepinfecties te voorkomen [83](#page=83).
#### 11.4.13 Prothese-infecties
Prothese-infecties zijn een groeiend probleem met potentieel dramatische gevolgen [84](#page=84).
#### 11.4.14 Spectrum van protheses
Protheses kunnen endovasculair zijn (met directe verspreiding van bacteriën in de bloedbaan), zoals tijdelijke intravasculaire katheters en definitieve klepprothesen of pacemakers. Niet-endovasculaire protheses omvatten gewrichtsprotheses, borstprotheses, en intracerebrale katheters [84](#page=84).
#### 11.4.15 Pathogenese van prothese-infecties
Micro-organismen bereiken de prothese via continuïteit (katheters), tijdens implantatie (afkomstig van patiënt, team of omgeving), of via bacteriëmie. Bacteriën nestelen zich in een biofilm. Virulente bacteriën veroorzaken snel symptomen, terwijl huidbacteriën (bv. coagulase-negatieve stafylokokken, *Cutibacterium acnes*) vaak laattijdige, subtiele symptomen geven zoals loslating van de prothese. De biofilm en de aanwezigheid van 'persisters' maken het immuunsysteem minder effectief in het klaren van de infectie [84](#page=84).
#### 11.4.16 Behandeling van prothese-infecties
Antibiotica zijn zelden voldoende om de infectie te klaren vanwege beperkte penetratie en de 'persister' status van bacteriën. Vaak is verwijdering van de prothese noodzakelijk [84](#page=84).
---
## Veelgemaakte fouten om te vermijden
- Bestudeer alle onderwerpen grondig voor examens
- Let op formules en belangrijke definities
- Oefen met de voorbeelden in elke sectie
- Memoriseer niet zonder de onderliggende concepten te begrijpen
Glossary
| Term | Definition |
|------|------------|
| Term | Definitie |
| Syfilis | Een infectieziekte veroorzaakt door de bacterie *Treponema pallidum*, die zich systemisch kan verspreiden en levenslang in het lichaam kan blijven. |
| Primaire syfilis | De eerste fase van syfilis, gekenmerkt door een lokale infectie die zich manifesteert als een "ulcus durum" of sjanker; een harde, pijnloze papel die spontaan kan genezen, maar waarbij de bacterie zich reeds door het lichaam verspreidt. |
| Secundaire syfilis | De fase die optreedt na enkele maanden, waarbij *Treponema pallidum* zich systemisch verspreidt en in grote aantallen aanwezig is in andere organen, wat leidt tot huid- en slijmvliesletsels. Deze fase kan ook spontaan genezen. |
| Tertiaire syfilis | De latente of gevorderde fase van syfilis, die na vele asymptomatische jaren kan optreden. Hierbij bevinden *Treponema pallidum* zich in beperkte hoeveelheden in organen, maar veroorzaken chronische inflammatie met onomkeerbare orgaanschade, waaronder neurologische, psychiatrische en cardiale complicaties zoals gummata. |
| Ulcus durum (sjanker) | Een kenmerkend symptoom van primaire syfilis; een harde, meestal pijnloze zweer die ontstaat op de plaats van infectie en spontaan kan genezen, hoewel de infectie dan al systemisch is. |
| Gummata | Chronische, ontstekingsachtige laesies die kenmerkend zijn voor tertiaire syfilis. Deze kunnen zich in diverse organen manifesteren, zoals de huid, botten en hersenen, en leiden tot aanzienlijke weefselschade. |
| Serologie | Een diagnostische methode die gebruikmaakt van bloedonderzoek om antistoffen tegen *Treponema pallidum* te detecteren. Sommige serologische testen, zoals de TPPA, blijven levenslang positief na infectie, terwijl andere, zoals de VDRL, negatief kunnen worden na succesvolle behandeling. |
| Congenitale overdracht | De overdracht van syfilis van een geïnfecteerde moeder op haar kind tijdens de zwangerschap of bevalling. |
| Impetigo | Een huidinfectie die wordt veroorzaakt door bacteriën zoals *Staphylococcus aureus* en/of groep A streptokokken. Het kenmerkt zich door de vorming van blaasjes of puistjes die korstjes vormen, vooral bij kinderen met een beschadigde huid. De aandoening geneest meestal spontaan binnen enkele weken. |
| Folliculitis/Furunkel | Infecties van de haarzakjes, voornamelijk veroorzaakt door *Staphylococcus aureus*. Folliculitis is een oppervlakkige ontsteking, terwijl een furunkel (steenpuist) een dieper gelegen abces is. Een karbunkel is een complexere vorm met meerdere etterkoppen en mogelijke fistelvorming. |
| Erysipelas en cellulitis | Infecties van de huidlagen (dermis en subcutis) die worden veroorzaakt door groep A streptokokken en soms *Staphylococcus aureus*. Cellulitis is dieper en minder scherp begrensd dan erysipelas. Beide gaan gepaard met koorts en malaise, en vereisen antibiotische behandeling. |
| Necrotiserende infectie | Een ernstige infectie die leidt tot het afsterven van weefsels door ischemie, vaak veroorzaakt door groep A streptokokken, *Staphylococcus aureus* of menginfecties met anaërobe bacteriën zoals *Clostridium perfringens*. Dit kan snel leiden tot sepsis en orgaanfalen. |
| Bijtwonden | Wonden veroorzaakt door beten van dieren of mensen, waarbij *Staphylococcus aureus* en de orale flora van de bijter de belangrijkste verwekkers zijn. Reiniging en preventieve antibiotica zijn cruciaal om infectie te voorkomen. |
| Gemengd bacteriële wondkolonisatie | De aanwezigheid van diverse bacteriën op chronische wonden, die niet per se een infectie hoeft te zijn. Dit kan leiden tot resistentie tegen antibiotica als deze onterecht worden voorgeschreven. |
| Gasgangreen | Een ernstige infectie veroorzaakt door *Clostridium perfringens*, een anaërobe bacterie die sporen kan vormen. De infectie treedt op in zuurstofarme omstandigheden, zoals in dood weefsel, en produceert weefselvernietigende enzymen en gas. |
| Herpes labialis | Een infectie veroorzaakt door het herpes simplex virus (HSV), meestal type 1, die zich manifesteert als koortsblaasjes rond de mond. Reactivatie kan optreden bij stress, koorts of zonlicht. |
| Varicella en zona | Varicella (waterpokken) is de primaire infectie met het varicella zostervirus, gekenmerkt door jeukende blaasjes. Zona (gordelroos) is een reactivatie van hetzelfde virus, die zich uit over een specifiek huidgebied (dermatoom). |
| Verrucae vulgares (wratjes) | Huidafwijkingen veroorzaakt door het humaan papillomavirus (HPV). Ze worden overgedragen door direct contact en vermenigvuldigen zich in de huidcellen. |
| Mollusca Contagiosa (waterwratjes) | Een virale huidinfectie veroorzaakt door het molluscum contagiosum virus. De transmissie gebeurt via direct contact en de incubatietijd kan maanden bedragen. |
| Centraal zenuwstelsel (CZS) | Het centrale zenuwstelsel omvat de hersenen en het ruggenmerg, en is verantwoordelijk voor het verwerken van informatie en het aansturen van lichaamsfuncties. |
| Meningeale prikkeling | Een symptoom dat wijst op ontsteking van de hersenvliezen, vaak gekenmerkt door symptomen zoals nekstijfheid, hoofdpijn en gevoeligheid voor licht en geluid. |
| Neurologische symptomen | Symptomen die verband houden met het zenuwstelsel, zoals hoofdpijn, bewustzijnsdaling, gevoelsstoornissen, motorische uitval of psychiatrische afwijkingen. |
| Intracraniële overdruk | Een verhoogde druk binnen de schedel, die kan leiden tot symptomen zoals braken, nekstijfheid en veranderingen in hartslag en bloeddruk. |
| Verwekker | Een micro-organisme, zoals een bacterie, virus, schimmel of parasiet, dat een infectieziekte kan veroorzaken. |
| Kolonisatie | De aanwezigheid van micro-organismen op of in het lichaam zonder dat dit direct ziekte veroorzaakt, maar die wel een potentiële bron van infectie kunnen zijn. |
| Hematogeen | Via de bloedbaan verspreid; dit verwijst naar de manier waarop pathogenen zich door het lichaam kunnen verplaatsen en organen kunnen bereiken. |
| Lumbaal vocht | Vocht dat wordt verkregen door middel van een lumbaalpunctie (ruggenprik), gebruikt voor diagnostische doeleinden om infecties of andere aandoeningen van het centrale zenuwstelsel te onderzoeken. |
| Sepsis | Een levensbedreigende aandoening die ontstaat wanneer het lichaam een extreme reactie heeft op een infectie, wat leidt tot orgaanbeschadiging en -falen. |
| Petechiën/purpura | Kleine, niet-wegdrukbare rode of paarse vlekjes op de huid die ontstaan door lokale bloedingen in de huid, vaak een alarmsignaal bij ernstige infecties. |
| Diffuse intravasculaire stolling (DIS) | Een ernstige aandoening waarbij er abnormale stolling van bloed optreedt in kleine bloedvaten door het hele lichaam, wat kan leiden tot zowel bloedingen als orgaanfalen. |
| Lymfadenopathieën van infectieuze oorsprong | Een medische aandoening waarbij lymfeklieren vergroot zijn als gevolg van een infectie, wat duidt op een veralgemeende reactie van het immuunsysteem op ziekteverwekkers zoals virussen. |
| Lymfadenitis | Een ontsteking van lymfeklieren, vaak veroorzaakt door een bacteriële infectie, resulterend in pijnlijke en gezwollen klieren in het getroffen gebied. |
| Lymfoproliferatie | Een overmatige deling van lymfocyten, meestal als reactie op een virale infectie, wat leidt tot de vergroting van lymfeklieren. |
| Cytomegalovirus (CMV) | Een veelvoorkomend virus dat, vooral bij mensen met een verzwakt immuunsysteem, ernstige symptomen kan veroorzaken, waaronder orgaanfalen en ernstige misvormingen bij foetale infectie. |
| Epstein-Barrvirus (EBV) | Een virus dat voornamelijk de farynx en B-cellen infecteert en, hoewel het vaak asymptomatisch verloopt bij jonge kinderen, kan leiden tot klachten zoals mononucleosis infectiosa bij adolescenten en volwassenen. |
| Human Immunodeficiency Virus (HIV) | Een virus dat macrofagen en CD4+ T-cellen infecteert, wat leidt tot een chronische immuunactivatie en uiteindelijk tot het instorten van de verworven immuniteit, met de ontwikkeling van AIDS als gevolg. |
| Serologische uitwerking | Diagnostische tests die gericht zijn op het aantonen van antistoffen of antigenen in het bloed om de aanwezigheid van een specifieke infectie te bevestigen. |
| Virale load | De hoeveelheid viraal genetisch materiaal in het bloed, gemeten met technieken zoals PCR, die gebruikt wordt om de effectiviteit van antivirale therapie te monitoren. |
| Paul-Bunnell test | Een specifieke serologische test voor de diagnose van infectieuze mononucleosis veroorzaakt door EBV, waarbij heterofiele antistoffen worden opgespoord. |
| Intravasale infectie | Een infectie die zich in de bloedbaan bevindt, gekenmerkt door de aanwezigheid en vermenigvuldiging van micro-organismen. |
| Endovasculaire infectie | Een infectie die specifiek het endotheel, de binnenkant van de bloedvaten, aantast. Dit kan zowel natuurlijke bloedvaten als geïmplanteerde biomaterialen betreffen. |
| Prothese-infectie | Een infectie die optreedt op of rondom een geïmplanteerd medisch apparaat, zoals een kunsthartklep of katheter, die een toegangspoort vormt voor micro-organismen. |
| Primaire endovasculaire infectie | Een infectie die direct ontstaat in het endotheel van het hart (endocarditis) of bloedvaten, of op geïmplanteerde biomaterialen zoals kunstkleppen of katheters. |
| Secundaire bacteriëmie | Een situatie waarbij micro-organismen vanuit een infectiehaard buiten de bloedbaan herhaaldelijk of in grote aantallen in de bloedbaan terechtkomen. |
| Transiënte bacteriëmie | Een tijdelijke aanwezigheid van micro-organismen in de bloedbaan, vaak veroorzaakt door alledaagse activiteiten zoals tandenpoetsen, die doorgaans snel door het lichaam worden opgeruimd. |
| SIRS (Systemisch Inflammatoir Response Syndroom) | Een gegeneraliseerde ontstekingsreactie in het lichaam, die niet uitsluitend door infecties wordt veroorzaakt, en zich kan uiten in symptomen zoals koorts, koude rillingen, snelle ademhaling en hartslag. |
| Septische shock | Een ernstige complicatie van sepsis, gekenmerkt door een gevaarlijk lage bloeddruk en onvoldoende doorbloeding van vitale organen, wat kan leiden tot orgaanfalen. |
| MOF (Multi-Orgaanfalen) | Het falen van meerdere vitale organen in het lichaam, vaak als gevolg van de secundaire schade veroorzaakt door ernstige inflammatie of infectie, waardoor herstel moeilijk wordt. |
| Endocarditis | Een infectie van het endocard, de binnenbekleding van het hart, met name ter hoogte van de hartkleppen, chordae tendineae en de wanden van de atria en ventrikels. |
| Vegetatie | Een besmette trombus die zich vormt op het endotheel van het hart, met name bij endocarditis, waarin bacteriën zich inkapselen en vermenigvuldigen. |
| Verrucae vulgares | Dit zijn wratten, veroorzaakt door het humaan papillomavirus (HPV). De transmissie vindt plaats via direct contact, en het virus kan enige tijd stabiel blijven buiten het lichaam. Het vermenigvuldigt zich in de differentiërende basale cellen van de epidermis. |
| Mollusca Contagiosa | Ook bekend als waterwratjes, worden deze veroorzaakt door het molluscum contagiosum virus. De transmissie geschiedt door direct contact en de incubatietijd kan enkele maanden bedragen. |
| Tinea pedis | Dit is een schimmelinfectie van de voeten, ook wel bekend als voetschimmel of atleetvoet. Het wordt veroorzaakt door dermatofyten, die keratinofiele schimmels zijn. De infectie kenmerkt zich door rode huid, schilfering en jeuk. |
| Dermatophytosen | Dit zijn infecties van de huid, haar en nagels veroorzaakt door dermatofyten. Tinea pedis is een voorbeeld van een dermatofytose. |
| Candidiasis | Dit is een infectie veroorzaakt door gisten van het geslacht Candida, met name Candida albicans. Het kan voorkomen in de vagina, huidplooien en andere vochtige lichaamsdelen. |
| Seksueel Overdraagbare Aandoeningen (SOA) | Dit zijn infecties die primair worden overgedragen via seksueel contact. Ze kunnen de geslachtsorganen infecteren, maar ook andere organen (bv. lever bij Hepatitis B) of buiten de geslachtsorganen symptomen veroorzaken (bv. HIV). |
| Vaginitis | Dit is een ontsteking van de vagina, vaak veroorzaakt door een verstoring van de normale vaginale flora. Symptomen kunnen bestaan uit afscheiding, jeuk en een branderig gevoel. |
| Bacteriële vaginose (BV) | Dit is een veelvoorkomende oorzaak van vaginitis, gekenmerkt door een overgroei van bacteriën die normaal tot de vaginale flora behoren. Het wordt geassocieerd met een verhoogde pH, een kenmerkende geur en de aanwezigheid van clue cells. |
| Clue cells | Dit zijn epitheelcellen van de vagina die bedekt zijn met bacteriën, kenmerkend voor bacteriële vaginose. Ze zijn zichtbaar onder de microscoop en duiden op een verandering in de vaginale flora. |
| Trichomonas vaginalis vaginitis | Dit is een specifieke vorm van vaginitis veroorzaakt door de protozoön Trichomonas vaginalis. Het wordt beschouwd als een seksueel overdraagbare aandoening. |
| Pelvic Inflammatory Disease (PID) | Dit is een opstijgende infectie van de vrouwelijke geslachtsorganen, die kan voortkomen uit genitale infecties. PID kan leiden tot infertiliteit en een verhoogd risico op buitenbaarmoederlijke zwangerschappen. |
| Passieve immunisatie | Het toedienen van reeds gevormde antistoffen aan een individu om onmiddellijke bescherming te bieden tegen een infectie. Dit is een tijdelijke vorm van immuniteit. |
| Reverse transcriptase inhibitoren | Een klasse van antivirale medicijnen die het enzym reverse transcriptase blokkeren, dat essentieel is voor de replicatie van retrovirussen zoals HIV. |
| Polymerase inhibitoren | Antivirale medicijnen die het virale polymerase-enzym remmen, wat noodzakelijk is voor de replicatie van viraal genetisch materiaal. |
| Lymfadenopathieën | Een medische term voor vergrote lymfeklieren. Dit kan een symptoom zijn van diverse aandoeningen, waaronder infecties en maligniteiten. |
| Gegeneraliseerde lymfadenopathieën | Vergroting van lymfeklieren in meerdere anatomische regio's van het lichaam, wat kan wijzen op een systemische infectie of andere aandoeningen. |
| Virusremmers | Medicijnen die de replicatie van virussen remmen of stoppen, gebruikt bij de behandeling van diverse virale infecties. |
| Immuundepressie | Een verzwakking van het immuunsysteem, waardoor het lichaam vatbaarder wordt voor infecties en ziekten. |
| Primo-infectie | De eerste infectie met een specifiek pathogeen in een individu. |
| Heropflakkering | Het opnieuw actief worden van een virus of ziekte na een periode van inactiviteit of remissie. |
| SOA strictu sensu | Seksueel overdraagbare aandoening in de strikte zin, die zich manifesteert met lokale symptomen zoals ulcera, pijn, afscheiding of inflammatie, en soms systemische symptomen zoals koorts of huiduitslag. Complicaties op termijn kunnen lokale tumoren, infertiliteit of infecties op afstand omvatten. |
| Verwekkers | De oorzakelijke agentia van een infectie, welke bij SOA's kunnen variëren van virussen, bacteriën en protozoa tot insecten zoals schaamluizen. Deze pathogenen kunnen slijmvliezen en lichaamsopeningen infecteren die in contact komen met de geslachtsorganen. |
| Incubatietijd | De periode tussen de blootstelling aan een ziekteverwekker en het optreden van de eerste symptomen. Bij SOA's kan deze tijd sterk variëren, van kort na contact tot jaren later wanneer complicaties zich voordoen. |
| Syndromale behandeling | Een behandelingsaanpak waarbij infecties worden behandeld op basis van de klinische symptomen (syndromen), zonder noodzakelijkerwijs de specifieke verwekker aan te tonen. Dit is bijvoorbeeld gebruikelijk bij Pelvic Inflammatory Disease (PID) of urethritis. |
| Gonorroe | Een bacteriële infectie veroorzaakt door *Neisseria gonorrhoeae*, die urethritis bij mannen kan veroorzaken met branderigheid en afscheiding. Vrouwen hebben vaak milde of geen symptomen, maar complicaties zoals Pelvic Inflammatory Disease (PID) zijn mogelijk. |
| Gramkleuring | Een microbiologische kleuringstechniek die bacteriën onderscheidt op basis van hun celwandstructuur. *Neisseria gonorrhoeae* wordt bijvoorbeeld gekenmerkt als gram-negatieve diplokokken. |
| PCR (Polymerase Chain Reaction) | Een moleculaire techniek die wordt gebruikt om specifieke DNA-sequenties te vermenigvuldigen, waardoor de detectie van pathogenen zoals *Chlamydia trachomatis* zeer gevoelig wordt. Het vervangt steeds vaker traditionele methoden zoals kweek. |
| Chlamydia | Een infectie veroorzaakt door de bacterie *Chlamydia trachomatis*, die obligaat intracellulair leeft en diverse organen kan infecteren. Het kan leiden tot urethritis, cervicitis en op termijn infertiliteit. |
| Genitale Mycoplasmata | Een groep eenvoudige bacteriën zonder celwand die in het genitale tractus kunnen voorkomen. *Mycoplasma genitalium* wordt beschouwd als een belangrijke pathogeen met een vergelijkbaar spectrum als *Chlamydia trachomatis*. |
| Trichomonas vaginalis | Een parasitaire protozoön die genitale infecties kan veroorzaken, leidend tot urethritis bij mannen en vulvitis/vaginitis bij vrouwen. Behandeling gebeurt met metronidazole. |
| Leverinfectie | Een infectie die de lever aantast, typisch veroorzaakt door virussen, maar in sommige regio's ook door parasieten zoals wormen. |
| Geelzucht | Een klinisch symptoom van leverfunctiestoornis, gekenmerkt door een gelige verkleuring van de huid en slijmvliezen, veroorzaakt door een ophoping van bilirubine. |
| Malaise | Een algemeen gevoel van onwelzijn, vaak gepaard gaand met vermoeidheid, misselijkheid, verlies van eetlust en soms braken, wat een veelvoorkomend symptoom is bij leverinfecties. |
| Hepatitis | Een ontsteking van de lever, meestal veroorzaakt door virale infecties, maar ook door niet-infectieuze oorzaken zoals toxische stoffen of auto-immuunziekten. |
| Hepatitis A virus (HAV) | Een virus dat hepatitis A veroorzaakt, voornamelijk overgedragen via de fecaal-orale route en gekenmerkt door een acuut verloop zonder chronische infectie. |
| Hepatitis B virus (HBV) | Een virus dat hepatitis B veroorzaakt, overgedragen via bloed-bloed contact en seksueel contact, met een potentieel chronisch verloop en risico op levercirrose en hepatocellulair carcinoom. |
| Hepatitis C virus (HCV) | Een virus dat hepatitis C veroorzaakt, voornamelijk overgedragen via bloed-bloed contact, met een hoge kans op chronische infectie en ontwikkeling van leverziekten. |
| Hepatitis D virus (HDV) | Een virus dat hepatitis D veroorzaakt, dat alleen infectie kan veroorzaken in aanwezigheid van HBV, en vaak geassocieerd is met intraveneus druggebruik. |
| Hepatitis E virus (HEV) | Een virus dat hepatitis E veroorzaakt, overgedragen via besmet water en zoönose (bv. varkens), met meestal een acuut verloop, maar uitzonderlijk chronisch bij immuungecompromitteerde personen. |
| Serostatus | De bepaling van de aanwezigheid van antistoffen (IgG en IgM) in het bloed, wat informatie geeft over een doorgemaakte infectie of vaccinatiestatus. |
| Congenitale afwijkingen | Afwijkingen die aanwezig zijn bij de geboorte, veroorzaakt door factoren tijdens de zwangerschap, zoals infecties of genetische oorzaken. |
| Aviditeitstest | Een laboratoriumtest die de bindingssterkte van antistoffen (IgG) aan een antigeen meet, wat kan helpen bij het onderscheiden van recente en oude infecties. |
| Malformatie | Een structurele afwijking in een lichaamsdeel of orgaan die zich ontwikkelt tijdens de zwangerschap. |
| Teratogeen | Een stof of factor die in staat is om aangeboren afwijkingen te veroorzaken bij een zich ontwikkelende foetus. |
| Neonatale sepsis | Een ernstige, levensbedreigende infectie die optreedt bij pasgeborenen, vaak veroorzaakt door bacteriën die tijdens de zwangerschap of bevalling zijn overgedragen. |
| Bacteriurie | De aanwezigheid van bacteriën in de urine, wat kan duiden op een urineweginfectie en geassocieerd kan worden met vroeggeboorte. |
| Preconceptie | De periode vóór de zwangerschap, waarin screenings en vaccinaties kunnen worden uitgevoerd om de gezondheid van de moeder en de foetus te optimaliseren. |
| Perinataal | De periode rondom de geboorte, inclusief de late zwangerschap, de bevalling en de eerste weken na de geboorte. |
| RT-PCR | Reverse Transcriptase Polymerase Chain Reaction, een laboratoriumtechniek die wordt gebruikt om genetisch materiaal (RNA of DNA) van virussen en bacteriën te detecteren en te kwantificeren. |
| Inflammatie | Een lokale reactie van het lichaam op weefselschade of infectie, gekenmerkt door roodheid (rubor), warmte (calor), pijn (dolor) en zwelling (tumor). |
| Virulentiefactoren | Factoren die de mate van ziekteverwekkendheid van een micro-organisme bepalen, zoals toxines of enzymen die weefselschade veroorzaken. |
| Abcesvorming | Een proces waarbij het lichaam een infectie probeert af te bakenen door pus (een ophoping van dode witte bloedcellen, bacteriën en weefselresten) te vormen. |
| Coagulase-negatieve stafylokokken (CNS) | Een groep bacteriën die de huid koloniseren en over het algemeen minder virulent zijn dan Staphylococcus aureus, maar infecties kunnen veroorzaken, vooral bij verzwakte weerstand of via medische hulpmiddelen. |
| Penicillinase | Een enzym geproduceerd door sommige bacteriën, zoals Staphylococcus aureus, dat penicilline afbreekt en resistentie tegen dit antibioticum veroorzaakt. |
| Bèta-lactamase | Een brede groep enzymen die bèta-lactam antibiotica, zoals penicillines en cefalosporines, afbreken, wat leidt tot resistentie. |
| MRSA (Methicilline-Resistente Staphylococcus aureus) | Een stam van Staphylococcus aureus die resistent is tegen methicilline en andere bèta-lactam antibiotica, wat de behandeling van infecties bemoeilijkt. |
| Folliculitis | Een ontsteking van een haarzakje, vaak veroorzaakt door bacteriële infectie, die zich manifesteert als een klein puistje. |
| Furunkel (steenvrucht) | Een diepere, pijnlijke infectie van een haarzakje die leidt tot de vorming van een abces onder de huid. |