Cover
立即免费开始 S2 Syndromale lessen 2 (1).pdf
Summary
# afname van hemokulturen
De afname van hemokulturen is een cruciale diagnostische procedure om bacteriële infecties in de bloedbaan op te sporen. Het correct uitvoeren van deze afname is essentieel voor betrouwbare resultaten en om contaminatie te minimaliseren [80](#page=80).
### 1.1 Principes en voorbereiding
Bij een indicatie voor hemokulturen worden doorgaans 2 tot 3 bloedkweken afgenomen. Het hebben van meerdere positieve kweken is overtuigender dan één, vooral in situaties waar huidbacteriën de verwekker kunnen zijn, bij transiënte bacteriëmie, of wanneer een afname verloren gaat door contaminatie [80](#page=80).
Voorafgaand aan de afname is een correcte huidontsmetting van groot belang. Gebruik hiervoor een antisepticum op basis van alcohol, en vermijd waterige antiseptica. Na de ontsmetting mag de prikplaats niet meer worden aangeraakt. Het is tevens noodzakelijk om handschoenen te dragen ter bescherming van de zorgverlener [80](#page=80).
> **Tip:** Zorg ervoor dat de ontsmettingsmiddelen op de huid volledig drogen om hun effectiviteit te behouden.
### 1.2 Methoden van afname
Er zijn twee veelgebruikte methoden voor de afname van hemokulturen: met een naald en spuit, of met behulp van een adaptor en vlindernaald.
#### 1.2.1 Afname met naald en spuit
Bij deze methode wordt in één keer 20 milliliter bloed afgenomen. De volgorde van het vullen van de bloedcultuurflessen is cruciaal: eerst de anaerobe fles, gevolgd door de aerobe fles. De reden hiervoor is dat er nog zuurstof in de spuit kan zitten bij aanvang [81](#page=81).
#### 1.2.2 Afname met adaptor en vlindernaald
Wanneer een adaptor en vlindernaald worden gebruikt, wordt aangeraden om eerst de aerobe fles te vullen, en daarna de anaerobe fles. Dit komt doordat er zuurstof in de leiding van de adaptor kan zitten [81](#page=81).
> **Opgelet:** Bij gebruik van adaptors en vlindernaalden zuigen de bloedcultuurflessen zelf het vacuüm aan [81](#page=81).
### 1.3 Belangrijke aandachtspunten bij de afname
Ongeacht de gebruikte methode, zijn er enkele algemene aandachtspunten:
* Verwijder de dop van de bloedcultuurfles [82](#page=82).
* Ontsmet zowel het rubber op de fles als de huid op de arm van de patiënt met een 70% alcoholische oplossing. Respecteer de contacttijd en laat het middel drogen [82](#page=82).
* De optimale hoeveelheid bloed voor volwassen bloedcultuurflessen is 10 milliliter [82](#page=82).
* Gebruik **nooit** bloed dat reeds uit tubes is afgenomen [82](#page=82).
De afname kan worden uitgevoerd met een vlindernaald of een spuit van 10 of 20 milliliter [82](#page=82).
---
# Syfilis
Syfilis is een systemische infectie veroorzaakt door de bacterie *Treponema pallidum*, die zich kan verspreiden door het lichaam en levenslang aanwezig kan blijven [36](#page=36).
### 2.1 Kenmerken en stadia
Syfilis verloopt typisch in verschillende stadia:
#### 2.1.1 Primaire syfilis
* Gekenmerkt door een lokale infectie met een pijnloze, harde papel die een "ulcus durum" of sjanker wordt genoemd [36](#page=36).
* Deze laesie geneest spontaan na enkele weken, maar de bacterie kan zich ondertussen reeds in het lichaam verspreiden [36](#page=36).
* In sommige gevallen kan de sjanker afwezig zijn of niet worden opgemerkt [37](#page=37).
#### 2.1.2 Secundaire syfilis
* Dit stadium treedt maanden na de primaire infectie op, wanneer *Treponema* zich systemisch verspreidt in grote aantallen [36](#page=36).
* Manifestaties omvatten huid- en slijmvliesletsels [36](#page=36).
* Ook dit stadium kan spontaan genezen, maar de infectie kan na vele asymptomatische jaren evolueren naar tertiaire syfilis [36](#page=36).
#### 2.1.3 Tertiaire syfilis
* In dit stadium bevinden zich beperkte hoeveelheden *Treponema* in organen, wat leidt tot chronische inflammatie [36](#page=36).
* Dit kan resulteren in onomkeerbare orgaanschade, neurologische en psychiatrische complicaties, en cardiovasculaire problemen [36](#page=36).
* Kenmerkend voor dit stadium zijn onder andere neurosyfilis, cardiovasculaire syfilis en gummata (granulomateuze laesies) in bot, huid en hersenen [39](#page=39).
* Syfilis wordt vaak omschreven als "the great imitator" vanwege zijn diverse en soms misleidende presentaties [39](#page=39).
### 2.2 Overdracht
* De overdracht vindt plaats via contact met geïnfecteerde geslachtsorganen [36](#page=36).
* Er is een recente toename van het aantal gevallen in het Westen waargenomen, met name bij homoseksuele mannen [36](#page=36).
* Congenitale overdracht van moeder op kind is ook mogelijk [36](#page=36).
### 2.3 Incubatietijd
* De incubatietijd bedraagt minimaal één week [36](#page=36).
### 2.4 Diagnose
* **Microscopie:** Wordt in de praktijk nauwelijks gebruikt [36](#page=36).
* **Serologie:**
* Sommige testen, zoals de TPPA (Treponema pallidum particle agglutination) test, blijven levenslang positief en worden gebruikt voor screening op contact [36](#page=36).
* Andere testen, zoals de VDRL (Venereal Disease Research Laboratories) test, worden negatief na een efficiënte behandeling en worden gebruikt voor screening op de ziekte zelf [36](#page=36).
### 2.5 Behandeling en preventie
* *Treponema pallidum* is nog steeds gevoelig voor penicilline [36](#page=36).
* Eén toediening van penicilline volstaat doorgaans, behalve in sommige gevallen van tertiaire syfilis [36](#page=36).
* Preventie omvat veilige seks en de behandeling van partners [36](#page=36).
> **Tip:** Syfilis kan zich in verschillende stadia manifesteren, wat de diagnose soms uitdagend maakt. Serologische testen zijn cruciaal, waarbij het onderscheid tussen testen die permanent positief blijven en testen die na behandeling negatief worden, belangrijk is voor de interpretatie [36](#page=36).
---
# Seksueel overdraagbare aandoeningen (soa's)
Seksueel overdraagbare aandoeningen (soa's) zijn infecties die voornamelijk worden overgedragen via seksueel contact, hoewel sommige ook via andere routes kunnen worden verspreid en diverse complicaties op lange termijn kunnen veroorzaken [26](#page=26).
### 3.1 Algemene principes van soa's
#### 3.1.1 Symptomen en verwekkers
De symptomen van soa's variëren sterk en zijn afhankelijk van het specifieke syndroom en de verwekker. Lokale symptomen kunnen bestaan uit ulcera, pijn of een branderig gevoel, afscheiding van secreten en tekenen van inflammatie. Systemische symptomen omvatten koorts en mogelijk huiduitslag. Op de lange termijn kunnen complicaties optreden, zoals lokale tumoren, infertiliteit, infecties op afstand (bijvoorbeeld neurosyfilis). De verwekkers van soa's kunnen virussen, bacteriën, protozoa en insecten (zoals schaamluizen) zijn [26](#page=26).
#### 3.1.2 Overdracht en risico
Overdracht vindt plaats door direct contact met de geslachtsorganen, soms via de handen. Pathogenen van soa's kunnen ook slijmvliezen en lichaamsopeningen infecteren die in contact komen met de geslachtsorganen, zoals bij HPV-infectie van de nasofarynx of proctitis door syfilis. Hoewel er risicogroepen bestaan (zoals personen met promiscuïteit), is occasioneel onveilig seksueel contact wijdverbreid in de algemene bevolking [26](#page=26).
#### 3.1.3 Incubatietijd, diagnose en behandeling
De incubatietijd van soa's varieert; deze kan kort na het contact optreden of pas na jaren door complicaties. De voorkeursmethode voor diagnose zijn directe methoden, soms aangevuld met serologie. Bepaalde infecties, zoals Pelvic Inflammatory Disease (PID) en urethritis, worden syndromaal behandeld, wat betekent dat er wordt behandeld voor de klassieke verwekkers zonder deze noodzakelijkerwijs aan te tonen. Sommige soa's zijn aangifteplichtige diagnoses. De behandeling bestaat uit antibiotica of soms antivirale therapie. In beginsel worden ook partners meebehandeld. Preventie door middel van veilig vrijen is cruciaal, en er zijn enkele vaccins beschikbaar [26](#page=26).
### 3.2 Gonorroe
#### 3.2.1 Kenmerken en verwekker
Gonorroe wordt veroorzaakt door de bacterie *Neisseria gonorrhea*. Deze bacterie heeft een efficiënte aanhechting aan epithelia en kan intracellulair repliceren. Bij mannen veroorzaakt het urethritis met een branderig gevoel bij het plassen en typisch wit-geel-groen secreet, ook wel bekend als 'druiper'. Vrouwen hebben vaak geen of milde symptomen, of symptomen die lijken op een urineweginfectie (UWI), mogelijk met verhoogde vaginale secretie of tussentijdse vaginale bloedingen. Gonorroe kan ook andere locaties infecteren, zoals het rectum (mogelijk zonder symptomen, of met secreties, anale jeuk, bloedverlies of pijn) en de farynx (keelontsteking). Systemische symptomen zoals artritis, tenosynovitis en dermatitis zijn mogelijk [27](#page=27).
> **Tip:** Gonokokken zijn gram-negatieve diplokokken, zoals te zien op een gramkleuring [28](#page=28).
#### 3.2.2 Complicaties
Opstijgende infecties zijn een belangrijke complicatie van gonorroe. Bij vrouwen kan dit leiden tot Pelvic Inflammatory Disease (PID), met potentiële gevolgen zoals infertiliteit of buitenbaarmoederlijke zwangerschappen. Bij mannen kan epididymitis optreden, zelden leidend tot infertiliteit [27](#page=27).
#### 3.2.3 Overdracht en incubatietijd
De overdracht vindt plaats door contact met besmette geslachtsorganen, anus of mond. Overdracht tijdens de bevalling is mogelijk en kan leiden tot artritis, keratitis of sepsis bij het kind. De incubatietijd varieert van enkele dagen tot een week [27](#page=27).
#### 3.2.4 Diagnose en behandeling
De diagnose kan gesteld worden door directe methoden zoals gramkleuring en kweek, hoewel PCR steeds vaker de voorkeur krijgt. Behandeling geschiedt met antibiotica, vaak als een single shot. Bij de behandeling wordt rekening gehouden met de hoge resistentiegraad van de bacterie en de kans op verdere resistentieontwikkeling, alsook de kans op co-infectie met Chlamydia. Preventie omvat veilig vrijen en het behandelen van partners [27](#page=27).
### 3.3 Chlamydia
#### 3.3.1 Kenmerken en verwekker
Chlamydia wordt veroorzaakt door *Chlamydia trachomatis*, een obligaat intracellulair levende bacterie die een voorkeur heeft voor epitheelcellen. Deze bacterie kan diverse organen infecteren, waaronder de geslachtsorganen. Er zijn verschillende serotypes beschreven, die geassocieerd zijn met verschillende klinische manifestaties. Dit omvat soa's, trachoma (een chronische conjunctivitis die kan leiden tot blindheid in Afrika en Azië), en lymphogranuloma venerum (veroorzaakt door specifieke serotypes, met een pijnlijk verloop en genitale ulcera in tropische gebieden en bij MSM in Nederland) [29](#page=29).
#### 3.3.2 Symptomen en complicaties
Chlamydia-infecties kunnen asymptomatisch verlopen. Lokale symptomen kunnen een mucopurulente urethritis bij mannen of cervicitis bij vrouwen zijn. Systeemische symptomen, zoals PID, zijn mogelijk. Op lange termijn is infertiliteit een belangrijke complicatie van chlamydia-infecties in Nederland [29](#page=29).
#### 3.3.3 Overdracht en incubatietijd
Overdracht vindt plaats door contact met besmette geslachtsorganen, anus of mond. Chlamydia komt relatief frequent voor, vooral bij jongeren (tot 10%). Cervicale epitheliale ectopie, wat frequent is bij jongeren, verhoogt de vatbaarheid voor infectie, naast hun frequentere risicogedrag. Overdracht tijdens de bevalling is mogelijk en kan leiden tot conjunctivitis of pneumonie bij het kind. De incubatietijd bedraagt minimaal enkele weken [29](#page=29).
#### 3.3.4 Diagnose en behandeling
Chlamydia is niet zichtbaar op gramkleuring en niet kweekbaar in routineonderzoek; PCR is de meest betrouwbare diagnostische test. De behandeling bestaat uit antibiotica, soms als een single shot, zoals doxycycline of azithromycine, eventueel aangevuld met intramusculaire ceftriaxon om gonorroe te elimineren. Preventie omvat veilig vrijen en het behandelen van partners [29](#page=29).
---
# infecties van het centraal zenuwstelsel
Infecties van het centraal zenuwstelsel (CZS) presenteren zich met diverse neurologische symptomen en kunnen snel evolueren naar levensbedreigende situaties.
### 7.1 Klinisch beeld en deelsyndromen
Het hoofdsymptoom van infecties van de hersenen en het ruggenmerg (en/of de vliezen) zijn neurologische symptomen. De specifieke presentatie is afhankelijk van de leeftijd van de patiënt; zo ontbreekt typische nekstijfheid bij meningeale prikkeling bij zuigelingen en peuters. Complicaties kunnen bestaan uit neurologische of psychiatrische restletsels. Afhankelijk van de verwekker en de gastheer kan de infectie snel evolueren naar een systemische infectie, wat een snelle diagnose en behandeling essentieel maakt. Voorbeelden hiervan zijn septische embolen bij een meningokokkeninfectie [54](#page=54).
Andere oorzaken van meningeale prikkeling (inflammatie) of cerebrovasculaire accidenten (CVA) kunnen initieel ook neurologische symptomen veroorzaken zonder koorts, maar dit kan later wel optreden [54](#page=54).
### 7.2 Spectrum van symptomen en verwekkers
De symptomen variëren en omvatten neurologische verschijnselen zoals hoofdpijn, foto- en fonofobie, sensoriële defecten en bewustzijnsdaling. Soms treden psychiatrische symptomen op, of symptomen van intracraniële overdruk zoals braken, nekstijfheid, hypertensie en bradycardie. Koorts is vaak aanwezig, maar niet steeds. De klassieke triade van koorts, nekstijfheid en veranderde geestestoestand is slechts bij ongeveer 50% van alle patiënten aanwezig, voornamelijk bij pneumokokkenmeningitis [55](#page=55).
De verwekkers kunnen virussen zijn, met name herpes- en enterovirussen. Bacteriën zoals *Neisseria meningitidis* (meningokok), *Streptococcus pneumoniae* (pneumokok), en *Haemophilus influenzae* (hoewel dit laatste minder voorkomt door vaccinatie in België) zijn ook veelvoorkomend. Opportunistische pathogenen kunnen binnendringen wanneer natuurlijke barrières doorbroken zijn, bijvoorbeeld door direct trauma of uitbreiding vanuit de sinussen. Parasieten en schimmels komen zeldzaam voor als verwekker [55](#page=55).
De overdracht is afhankelijk van de verwekker en kan plaatsvinden via direct contact of druppelinfecties bij typische pathogenen die eerst koloniseren en vervolgens binnendringen. Een voorbeeld hiervan is de virulente meningokok die de keel koloniseert en vervolgens hematogeen de bloedbaan en hersenbarrière oversteekt, of het herpesvirus dat vanuit een mucosale replicatiesite via zenuwbanen het CZS bereikt. De incubatietijd varieert van dagen tot weken, afhankelijk van de verwekker [55](#page=55).
Diagnostisch is detectie van het pathogeen in lumbaal vocht cruciaal, aangevuld met biochemische analyses en celtelling, en eventueel serologie van het lumbaal vocht. Behandeling en preventie omvatten soms vaccinatie (bijvoorbeeld voor *Haemophilus influenzae* type b, *Neisseria meningitidis* type C, *Streptococcus pneumoniae*, poliovirus) en antivirale middelen voor herpesvirussen. Bacteriële infecties worden behandeld met antibiotica, wat restletsels kan verminderen en levensreddend kan zijn [55](#page=55).
### 7.3 Overdracht en verloop
Bij gezonde personen kunnen typische pathogenen het CZS binnendringen na voorafgaande kolonisatie of een infectie buiten het CZS. Uitbraken, zoals met meningokokken, zijn mogelijk. Bij zieke of verzwakte personen kan er sprake zijn van opportunistisch binnendringen, bijvoorbeeld bij sepsis of infecties met parasieten zoals toxoplasmose die normaal gesproken onder controle zijn in cystevorm. Barrière-doorbraken kunnen optreden door trauma, lokale uitbreiding vanuit de schedel of rug, of iatrogene oorzaken zoals drains, implantaten of puncties [56](#page=56).
Het CZS is een immuungeprivilegieerde zone, omgeven door een rigide omhulsel. Inflammatie moet hier beperkt worden omdat oedeem leidt tot overdruk, en er zijn geen lokale lymfefollikels [56](#page=56).
Het verloop van de infectie varieert:
* **Virale infecties:** Kunnen zelflimiterend zijn met een goede prognose voor herstel (bv. enterovirus) tot ernstige cognitieve en motorische restletsels (bv. Herpes simplex virus met 70% mortaliteit zonder behandeling) [56](#page=56).
* **Bacteriële infecties:** Leiden zonder behandeling tot zware restletsels of de dood [56](#page=56).
* **Schimmelinfecties:** Zijn opportunistisch bij verminderde weerstand en kennen geen spontaan herstel [56](#page=56).
Gezien de snel optredende catastrofale gevolgen van CZS-infecties en de beschikbare medicatie in welvarende regio's, is een snelle diagnose (klinisch te stellen) en het zo spoedig mogelijk blind starten van behandeling, liefst na afname van lumbaal vocht, van cruciaal belang. Meestal wordt na monsterafname gestart met intraveneuze acyclovir en antibiotica, waarna de behandeling wordt bijgestuurd op basis van de diagnostiek [56](#page=56).
### 7.4 Pathogenese
Inflammatie en directe weefselschade verstoren de neurale functie en kunnen zelfs vitale functies onderdrukken. Bij bacteriële infecties kan dit leiden tot sepsis, infectie van andere organen, orgaanfalen, diffuse intravasculaire stolling, septische embolen en bloedingen [57](#page=57).
Petechiën of purpura, zijnde niet-wegdrukbare rode vlekken die lokale bloedingen aangeven, typisch op drukplaatsen zoals kousbanden of huidplooien, zijn een alarmteken bij een ernstig zieke of koortserige patiënt en vereisen onmiddellijke actie en hospitalisatie. Meningokokkenmeningitis kan binnen enkele uren evolueren tot een levensbedreigende sepsis. Het terugkerende verhaal van een kind dat hangerig en prikkelbaar is in bed en de volgende ochtend overleden is, illustreert de snelheid van dit proces. Tijdige behandeling kan soms necrose voorkomen die amputaties zou vereisen [57](#page=57).
### 7.5 Diagnose
Diagnose is gebaseerd op analyse van het lumbaal vocht [58](#page=58).
* **Celtelling:** Viraal is er typisch een beperkte stijging, voornamelijk van lymfocyten. Bij een bacteriële infectie is er typisch een sterke stijging, voornamelijk van neutrofielen [58](#page=58).
* **Biochemie:** Viraal is er typisch een normaal of licht verstoord eiwit- en glucosegehalte. Bij een bacteriële infectie is er typisch een verhoogd eiwitgehalte, verlaagde glucose en verhoogd lactaat [58](#page=58).
Deze parameters zijn indicatief, maar nooit voldoende om een virale of bacteriële oorzaak uit te sluiten, gezien de overlap in kliniek en biochemie. Daarom is het essentieel om de verwekker aan te tonen in het lumbaal vocht via microscopie (bv. gramkleuring), antigendetectie, PCR, of kweek. Gezien de ernst van de infectie en de mogelijkheid dat een punctie niet altijd kan plaatsvinden, worden ook hemokulturen afgenomen [58](#page=58).
---
# Lymfadenopathieën van infectieuze oorsprong
Lymfadenopathieën van infectieuze oorsprong manifesteren zich als vergrote lymfeklieren, vaak als gevolg van een reactie op een infectieus agens dat een veralgemeende proliferatie van lymfocyten of andere immuuncellen veroorzaakt [69](#page=69).
### 5.1 Algemene principes
Vergrote lymfeklieren kunnen zowel gelokaliseerd als gegeneraliseerd voorkomen en hebben diverse mogelijke oorzaken, waaronder infectieuze, neoplastische, auto-immuun of allergische processen. Infectieuze oorzaken kunnen leiden tot pijnlijke, geïnflammeerde klieren (lymfadenitis) door een directe reactie op bacteriën die de klier bereiken, of tot niet-pijnlijke, opgezette klieren verspreid over het lichaam als uiting van een veralgemeende infectie, vaak viraal [69](#page=69).
#### 5.1.1 Klinisch beeld en deel syndromen
Het hoofdsymptoom van gegeneraliseerde lymfadenopathie van infectieuze oorsprong zijn niet-pijnlijke, opgezette lymfeklieren die over het hele lichaam verspreid zijn. Koorts is matig tot afwezig bij gegeneraliseerde lymfadenopathieën, met name die van virale oorsprong. Lokale complicaties zoals druk-gerelateerde problemen of ulceratie van de klieren zijn zeldzaam [69](#page=69) [70](#page=70).
#### 5.1.2 Spectrum van symptomen en verwekkers
**Symptomen:**
* Niet-pijnlijke, opgezette klieren in verschillende anatomische regio's, voelbaar en via beeldvorming dieper aantoonbaar [70](#page=70).
* Matige tot afwezige koorts bij gegeneraliseerde lymfadenopathieën, vaak van virale oorsprong [70](#page=70).
**Verwekkers:**
* Virussen, met name herpesvirussen zoals Cytomegalovirus (CMV) en Epstein-Barrvirus (EBV) [70](#page=70).
* Ook HIV-infectie en mazelen kunnen gegeneraliseerde lymfadenopathieën veroorzaken [70](#page=70).
**Overdracht en incubatietijd:**
* De overdracht en incubatietijd variëren sterk afhankelijk van de specifieke verwekker en kunnen weken tot maanden of zelfs jaren bedragen [70](#page=70).
#### 5.1.3 Diagnose
De diagnose wordt gesteld op basis van klinisch onderzoek, gevolgd door serologische uitwerking om de verwekker te identificeren. Bij sommige aandoeningen, zoals CMV en HIV, kan de virale load ook worden gedoseerd met behulp van PCR voor therapiemonitoring [70](#page=70) [73](#page=73).
* **EBV:** Kan worden gediagnosticeerd met de Paul-Bunnell-test die zoekt naar heterofiele antistoffen die worden geproduceerd door massale polyklonale B-celactivatie. Specifieke EBV-serodiagnostiek is eveneens mogelijk [73](#page=73).
* **CMV:** Diagnose omvat de bepaling van IgG- en IgM-antistoffen [73](#page=73).
* **HIV:** Diagnose omvat de bepaling van IgG-antistoffen [73](#page=73).
#### 5.1.4 Behandeling en preventie
Voor mazelen is een effectief vaccin beschikbaar, waardoor de ziekte zelden voorkomt in gevaccineerde populaties. Voor andere virussen zijn er geen vaccins. Antivirale middelen worden niet altijd toegediend bij goedaardig verlopende infecties, maar kunnen nodig zijn bij immuundepressie (bv. bij CMV) en zijn zeker essentieel bij HIV [70](#page=70).
### 5.2 Specifieke infectieuze lymfadenopathieën
#### 5.2.1 Epstein-Barrvirus (EBV) en Cytomegalovirus (CMV)
**Mononucleosis infectiosa (klierkoorts, ziekte van Pfeiffer, 'kissing disease')**
* **Verwekker:** Meestal EBV (HHV4), in ongeveer 10% van de gevallen wordt een vergelijkbaar beeld veroorzaakt door CMV (HHV5) [74](#page=74).
* **Voorkomen:** EBV infecteert nagenoeg iedereen tegen volwassen leeftijd, vaak asymptomatisch op jonge leeftijd. Infectie op latere leeftijd verhoogt de kans op symptomen. Overdracht vindt voornamelijk plaats via speeksel met een incubatietijd van ongeveer een maand. CMV komt ook frequent voor en wordt overgedragen via speeksel en urine. Urinaire transmissie is vooral relevant voor de overdracht van zuigelingen/kinderen naar moeders, met name als de moeder zwanger is van een volgend kind en nog seronegatief is [74](#page=74).
* **Verloop:** EBV-infecties genezen spontaan. Faryngitis en koorts verdwijnen meestal binnen enkele weken, terwijl vergrote klieren en vermoeidheid maandenlang kunnen aanhouden. Vaak is er sprake van geassocieerde hepatitis en zelden neurologische complicaties. CMV verloopt analoog aan EBV, met koorts als een prominent symptoom. Bij immuunsupressie kan CMV een ernstige ziekte veroorzaken met hematologische en gastro-intestinale complicaties [74](#page=74).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen en serologie [74](#page=74).
* **Preventie:** Geen vaccin beschikbaar [74](#page=74).
* **Behandeling:** Medicatie zoals ganciclovir wordt enkel voor CMV ingezet bij immuunsupressie [74](#page=74).
#### 5.2.2 Pathogenese van EBV, CMV en HIV
* **EBV:** Infecteert epitheelcellen in de farynx en B-cellen. De virale inductie van B-celgroei wordt gecontroleerd door een massale respons van T-cellen (die zelf niet geïnfecteerd zijn). Deze T-cellen manifesteren zich in de acute fase als de mononucleaire cellen in het perifere bloed en dragen bij aan symptomen zoals hepatitis en faryngitis. Na de primo-infectie blijft EBV levenslang aanwezig in B-cellen en kan het vanuit hier heropflakkeren [71](#page=71) [72](#page=72).
* **CMV:** Infecteert monocyten/macrofagen en epitheelcellen, wat kan leiden tot orgaanfalen. De infectie wordt onder controle gehouden door T-cellen. CMV kan transplacentair de foetus infecteren, wat ernstige malformaties kan veroorzaken. Net als EBV, blijft CMV levenslang aanwezig in monocyten en hematopoëtische stamcellen en kan het heropflakkeren [71](#page=71) [72](#page=72).
* **HIV:** Infecteert macrofagen en CD4+ T-cellen, wat leidt tot een verstoorde immuunfunctie, chronische immuunactivatie en uiteindelijk uitputting. Dit resulteert in een verlies van CD4+ T-cellen en het instorten van de verworven immuniteit, wat het stadium van AIDS inluidt (#page=71, 72). Kankers en opportunistische infecties kunnen vervolgens de fatale afloop veroorzaken. HIV blijft levenslang aanwezig in macrofagen en T-cellen, en na de primo-infectie kan het virus tijdelijk onder controle worden gehouden door het immuunsysteem, dat echter geleidelijk afbrokkelt over een periode van ongeveer acht jaar [71](#page=71) [72](#page=72).
#### 5.2.3 HIV-infectie
Bij HIV-infectie zien we gegeneraliseerde lymfadenopathieën. HIV geeft vrijwel altijd symptomen op lange termijn als gevolg van de immuunverzwakking. De virusinfectie wordt nooit geklaard en blijft levenslang aanwezig. Bij immuungecompromitteerde personen kunnen EBV en CMV agressief verlopen, en HIV-infectie leidt bij hen sneller tot AIDS [70](#page=70) [71](#page=71).
> **Tip:** Het onderscheiden van virale lymfadenopathieën (vaak niet-pijnlijk, gegeneraliseerd) van bacteriële (vaak pijnlijk, gelokaliseerd) is cruciaal voor diagnostiek.
> **Tip:** De persistente aard van EBV en CMV in het lichaam na de primo-infectie verklaart waarom recidiverende infecties of reactivaties mogelijk zijn, met name bij verzwakte immuunsystemen.
---
# Intravasale en endovasculaire infecties
Intravasale en endovasculaire infecties betreffen de aanwezigheid en vermenigvuldiging van micro-organismen in de bloedbaan en aan de binnenkant van bloedvaten, met mogelijke complicaties zoals septische shock en multi-orgaanfalen [75](#page=75) [76](#page=76).
### 6.1 Algemene principes van intravasale en endovasculaire infecties
Deze infecties kunnen primair of secundair zijn [75](#page=75).
#### 6.1.1 Primaire endovasculaire infecties
Primaire endovasculaire infecties richten zich op het endotheel van de bloedvaten en het hart. Dit omvat infecties van het endotheel van het hart (endocarditis) en de bloedvaten zelf. Ook geïmplanteerde biomaterialen, zoals kunsthartkleppen en katheters, kunnen geïnfecteerd raken, wat leidt tot primaire bacteriëmie [75](#page=75).
#### 6.1.2 Secundaire bacteriëmie
Secundaire bacteriëmie ontstaat wanneer een infectiehaard buiten de bloedbaan bestaat en micro-organismen herhaaldelijk of in grote aantallen in de bloedbaan terechtkomen [75](#page=75).
#### 6.1.3 Transiënte bacteriëmie
Transiënte bacteriëmie, zoals die optreedt na tandenpoetsen, is een tijdelijke aanwezigheid van micro-organismen in de bloedbaan die doorgaans snel wordt geklaard door het mononucleaire-fagocytensysteem. Dit stadium is ook cruciaal voor de migratie van micro-organismen naar andere organen via de bloedbaan, gebaseerd op hun specifieke tropisme [75](#page=75).
### 6.2 Gevolgen van intravasale en endovasculaire infecties
De gevolgen van deze infecties zijn divers en kunnen leiden tot ernstige systemische reacties [76](#page=76).
#### 6.2.1 Gevolgen op orgaanniveau
Deze verschijnselen voegen zich toe aan de directe gevolgen van de infectie van het getroffen orgaan zelf. Voorbeelden zijn hartinsufficiëntie bij endocarditis en respiratoire problemen bij pneumonie [76](#page=76).
#### 6.2.2 Systemisch Inflammatoir Response Syndroom (SIRS)
SIRS is een algemene inflammatoire reactie die niet uitsluitend door infecties wordt veroorzaakt. Symptomen kunnen zijn: koude rillingen, koorts, hypothermie, tachypneu en tachycardie [76](#page=76).
#### 6.2.3 Sepsis en septische shock
Sepsis is SIRS veroorzaakt door een infectie. Sepsis kan overgaan in septische shock, gekenmerkt door een verlaagde bloeddruk en verminderde perfusie van vitale organen, wat kan leiden tot functioneel uitvallen [76](#page=76).
#### 6.2.4 Multi-Orgaanfalen (MOF)
De ontsteking kan leiden tot secundaire schade aan vitale organen, zoals acute nierinsufficiëntie, acuut respiratoir dystress syndroom (ARDS) en leverinsufficiëntie met stollingsstoornissen. Uiteindelijk kan dit leiden tot multi-orgaanfalen (MOF), waarbij de schade aan organen steeds moeilijker spontaan te herstellen is [76](#page=76).
#### 6.2.5 Strooiing naar andere locaties
Micro-organismen kunnen zich via de bloedbaan verspreiden naar andere delen van het lichaam, wat kan leiden tot 'metastatische' infecties [76](#page=76).
### 6.3 Diagnostiek en behandeling
De aanpak van deze infecties vereist een multidisciplinaire benadering [77](#page=77).
#### 6.3.1 Diagnostiek
* **Opsporen van de verwekker:** Dit gebeurt door middel van microbiële kweken van het getroffen orgaan en meerdere bloedkweken (hemokulturen) [77](#page=77).
* **Monitoring:** Essentieel is de monitoring van diverse parameters, zoals partiële zuurstofspanning (pO2) en lactaat, vaak op een intensieve zorgenafdeling [77](#page=77).
#### 6.3.2 Behandeling
* **Antibiotica:** Intraveneuze breed spectrum antibiotica worden ingezet, en specifieke antibiotica zodra de verwekker bekend is [77](#page=77).
* **Supportieve therapie:** Deze is gericht op het tegengaan en herstellen van sepsis en orgaanschade [77](#page=77).
* **Behandeling met lymfokine-remmers:** Behandeling gebaseerd op het afremmen van lymfokines zoals TNF is niet bewezen effectief [77](#page=77).
* **Specifieke interventies:** Bij primaire bacteriëmie is vervanging van de besmette katheter noodzakelijk. Hartklepinfecties worden behandeld met antibiotica, en indien nodig, vervanging van de klep [77](#page=77).
### 6.4 Endocarditis
Endocarditis is een infectie van het endotheel van het hart, met name ter hoogte van de hartkleppen, maar ook op de chordae tendineae en het endotheel van de atria en ventrikels [78](#page=78).
#### 6.4.1 Gevolgen van endocarditis
* **Aantasting van hartkleppen:** Dit leidt tot hartgeruis en een verminderde pompfunctie, met mogelijk hartinsufficiëntie als gevolg [78](#page=78).
* **Strooi-infecties:** Bacteriën kunnen via de bloedbaan verspreid worden en elders infecties veroorzaken [78](#page=78).
* **Gevolgen van chronische inflammatie:** Langdurige ontsteking kan bijdragen aan de pathologie [78](#page=78).
#### 6.4.2 Mechanismen en klinische beelden van endocarditis
Er worden twee voornaamste mechanismen en klinische beelden onderscheiden [78](#page=78).
##### 6.4.2.1 Subacute endocarditis
* **Verwekkers:** Minder virulente bacteriën zoals Viridans-streptokokken, bacteriën uit de HACEK-groep (Haemophilus, Actinobacillus, Cardiobacterium, Eikenlla, Kingella) uit de mondholte, of enterokokken uit de darm. Deze koloniseren zich op endotheellessies, vaak door turbulentie bij misvormde of kunstmatige hartkleppen, en vormen een besmette trombus, een 'vegetatie'. Risicofactoren omvatten congenitale of verworven hartklepafwijkingen [78](#page=78).
* **Symptomen:** Weinig algemene ontstekingssymptomen, eventueel symptomen door metastatische infecties [78](#page=78).
##### 6.4.2.2 Acute endocarditis
* **Verwekkers:** Virulente bacteriën zoals Staphylococcus aureus, die leiden tot snelle destructie van de klep. Dit kan ook optreden zonder vooraf bestaande hartklepafwijkingen [78](#page=78).
* **Symptomen:** Ernstige ziekte met ook ernstige infecties op afstand [78](#page=78).
##### 6.4.2.3 Specifieke situaties
* Endocarditis door gramnegatieve staven kan voorkomen bij hospitalisatie [78](#page=78).
* Gisten kunnen endocarditis veroorzaken bij intraveneuze druggebruikers [78](#page=78).
#### 6.4.3 Diagnostiek van endocarditis
* **Hartgeruis:** Een nieuw of veranderd hartgeruis, aangetoond met auscultatie en echografie [79](#page=79).
* **Metastatische infecties:** Tekenen hiervan, zoals splinterhemorragieën [79](#page=79).
* **Bloedkweken:** Minimaal drie afzonderlijke bloedkweken worden afgenomen voordat antibiotica worden toegediend [79](#page=79).
#### 6.4.4 Behandeling van endocarditis
* **Antibiotica:** Gerichte antibiotica in hoge doseringen, soms in combinatie, zijn nodig voor volledige eradicatie [79](#page=79).
* **Chirurgie:** Vervanging van de hartklep kan noodzakelijk zijn bij mislukking van de antibiotische behandeling of snelle verslechtering [79](#page=79).
#### 6.4.5 Preventie van endocarditis
* **Voorkomen van bacteriëmie:** In het ziekenhuis omvat dit preventieve antibiotica bij chirurgie, goed kathetermanagement en adequate behandeling van infecties [79](#page=79).
* **Mondhygiëne bij risicopatiënten:** Patiënten met hartklepafwijkingen wordt geadviseerd om een goede mond- en tandhygiëne te handhaven. Bij risicovolle ingrepen wordt preventief behandeld met antibiotica [79](#page=79).
### 6.5 Afname van bloedkweken (hemokulturen)
De correcte afname van bloedkweken is cruciaal voor de diagnose van intravasale infecties [80](#page=80) [81](#page=81) [82](#page=82).
#### 6.5.1 Indicatie en frequentie
Bij verdenking op een intravasale infectie worden 2 tot 3 hemokulturen afgenomen. Meerdere positieve kweken zijn overtuigender dan één, met name om contaminatie met huidbacteriën, transiënte bacteriëmie, of verloren materiaal door contaminatie te ondervangen [80](#page=80).
#### 6.5.2 Voorbereiding en techniek
* **Huidontsmetting:** Gebruik een antisepticum op basis van alcohol, geen waterig antisepticum, en laat dit drogen. Raak de prikplaats na ontsmetting niet meer aan [80](#page=80) [82](#page=82).
* **Handschoenen:** Gebruik handschoenen ter bescherming [80](#page=80).
* **Volume:** Neem circa 10 tot 20 mL bloed per afname. Gebruik geen bloed uit tubes [81](#page=81) [82](#page=82).
* **Flessen:** Gebruik de juiste flessen (anaerobe en aerobe), met de anaerobe fles eerst indien er zuurstof in de spuit kan zitten, of de aerobe fles eerst indien er zuurstof in de leiding kan zitten bij gebruik van een vlindernaald. De flessen zuigen vacuüm [81](#page=81).
* **Materialen:** Gebruik bij voorkeur een vlindernaald [81](#page=81).
#### 6.5.3 Procedure
1. Verwijder de dop van de fles [82](#page=82).
2. Ontsmet het rubber van de fles en de arm van de patiënt met een 70% alcoholische oplossing en respecteer de contacttijd (laat drogen) [82](#page=82).
3. Neem het bloed af met een vlindernaald of spuit (10 of 20 mL) [82](#page=82).
4. De optimale hoeveelheid bloed is 10 mL voor volwassen flessen [82](#page=82).
### 6.6 Profylaxe van bacteriële endocarditis
Profylaxe is gericht op patiënten met een verhoogd risico op het ontwikkelen van endocarditis [83](#page=83).
#### 6.6.1 Indicaties voor profylaxe
* **Risicopatiënten:** Patiënten met hoog-risico hartklepafwijkingen (een specifieke lijst van afwijkingen is van toepassing) [83](#page=83).
* **Procedure:** Voornamelijk bij tandheelkundige ingrepen die bloeding veroorzaken. Minder frequent bij ingrepen aan het gastro-intestinaal (GI) en urogenitaal stelsel [83](#page=83).
#### 6.6.2 Richtlijnen
* **Antibiotica:** Amoxicilline wordt aanbevolen [83](#page=83).
* **Dosering en timing:** Een hoge dosis van 3 gram (dit is de dagdosis) in één keer, kort vóór de ingreep. Dit zorgt ervoor dat er een hoge spiegel aanwezig is op het moment dat bacteriën vrijkomen in het weefsel, wat een basisregel is voor elke chirurgische profylaxe [83](#page=83).
#### 6.6.3 Belang van mondhygiëne
Minstens even belangrijk als antibiotische profylaxe is het patiënten met hartafwijkingen te wijzen op het belang van goede mond- en tandhygiëne en een gezond gebit, wat een groot deel van de klepinfecties kan voorkomen [83](#page=83).
---
# Genitale infecties en seksueel overdraagbare aandoeningen
Dit hoofdstuk behandelt genitale infecties, met een focus op seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA's), hun klinische manifestaties, verwekkers, diagnostiek en behandeling [20](#page=20).
### 7.1 Algemene principes van genitale infecties en SOA's
Genitale infecties omvatten infecties van de geslachtsorganen, die veelal seksueel overdraagbaar zijn (SOA/SOI). Sensu latu kunnen SOA's ook andere organen infecteren, zoals de lever bij hepatitis B, of symptomen buiten de geslachtsorganen veroorzaken, zoals bij HIV [20](#page=20).
#### 7.1.1 Klinische beelden en deelsyndromen
De belangrijkste klinische beelden van genitale infecties en SOA's omvatten:
* Vaginitis [20](#page=20).
* Urethritis [20](#page=20).
* Cervicitis, met risico op opstijgende infectie (Pelvic Inflammatory Disease - PID) [20](#page=20).
* Ulceraties en vesikels [20](#page=20).
* Tumoren en wratten [20](#page=20).
* Niet-genitaal gelokaliseerde infecties zoals HIV en Hepatitis B [20](#page=20).
Een significant aantal infecties verloopt asymptomatisch [20](#page=20).
#### 7.1.2 Complicaties
Complicaties van genitale infecties zijn afhankelijk van het type verwekker en kunnen omvatten:
* Opstijgende infectie met inflammatie (PID), wat kan leiden tot infertiliteit en een verhoogd risico op extra-uteriene zwangerschappen [20](#page=20).
* Systemische of metastatische infecties [20](#page=20).
* Ontwikkeling van kanker, zoals bij humaan papillomavirus (HPV) infecties [20](#page=20).
#### 7.1.3 SOA versus niet-SOA
Het onderscheid tussen SOA's en niet-SOA's is cruciaal:
* **SOA's:** Gekenmerkt door seksuele overdracht en potentiële complicaties. Behandeling van partners is hierbij essentieel [20](#page=20).
* **Niet-SOA's:** Hebben geen seksuele overdracht en doorgaans weinig tot geen complicaties [20](#page=20).
#### 7.1.4 Verwekkers van genitale infecties
De verwekkers van genitale infecties zijn divers en omvatten:
* Virussen (bv. HPV, HIV, Hepatitis B) [26](#page=26).
* Bacteriën (bv. Gardnerella vaginalis) [23](#page=23) [24](#page=24).
* Protozoa (bv. Trichomonas vaginalis) [21](#page=21).
* Schimmels (bv. Candida albicans) [21](#page=21).
* Insecten (bv. schaamluizen) [26](#page=26).
#### 7.1.5 Overdracht en Risico
SOA's worden overgedragen via direct contact met besmette geslachtsorganen, maar ook slijmvliezen en lichaamsopeningen die in contact komen met geslachtsorganen kunnen geïnfecteerd raken (bv. HPV-infectie in de nasofarynx of proctitis door syfilis). Hoewel risicogroepen bestaan (bv. door promiscuïteit), is occasionele onveilige seks breed verspreid in de bevolking [26](#page=26).
#### 7.1.6 Incubatietijd
De incubatietijd van SOA's varieert sterk per verwekker. Sommige infecties manifesteren zich kort na contact, terwijl andere pas na jaren tot complicaties leiden [26](#page=26).
#### 7.1.7 Diagnose
De diagnose van SOA's wordt bij voorkeur gesteld via directe methoden, aangevuld met serologie waar nodig. Sommige infecties, zoals PID en urethritis, worden syndromaal behandeld door te behandelen voor de meest klassieke verwekkers zonder deze noodzakelijk aan te tonen. Bepaalde SOA's zijn aangifteplichtig [26](#page=26).
#### 7.1.8 Behandeling en Preventie
Behandeling van SOA's omvat antibiotica en soms antivirale therapie. In principe worden partners altijd meebehandeld. Preventie door middel van veilige seks is cruciaal. Er zijn ook enkele vaccins beschikbaar [26](#page=26).
### 7.2 Specifieke Genitale Infecties
#### 7.2.1 Vaginitis
Vaginitis is een ontsteking van de vagina die kan worden veroorzaakt door een verstoring van het normale vaginale microbioom. De normale vaginale flora wordt gedomineerd door lactobacillen, die zorgen voor een zure pH en stabilisatie van het microbioom door de afgifte van melkzuur, mede mogelijk gemaakt door glycogeen uit epitheelcellen. Factoren zoals vaginale spoelingen, sperma, of individuele vooraanwijzingen kunnen dit evenwicht verstoren (dysbacteriose) [21](#page=21).
##### 7.2.1.1 Oorzaken van Vaginitis
Er zijn drie hoofdveroorzakers van vaginitis:
* **Bacteriële vaginose (BV):** Dit is de meest frequente oorzaak van vaginitis en wordt gekenmerkt door een overgroei van bacteriën die normaal tot de flora behoren, zoals Prevotella spp. en Gardnerella vaginalis. Het leidt tot een veranderde flora en storend vaginaal verlies, vaak met kwalijke geuren [21](#page=21) [23](#page=23).
* **Symptomen (subjectief):** Frequent asymptomatisch; stinkende fluor, soms met jeuk [24](#page=24).
* **Signs (objectief - Amsel criteria):** Minimaal drie van de vier criteria moeten aanwezig zijn [24](#page=24).
* Stinkend, grijs, homogeen beslag/fluor [24](#page=24).
* Verhoogde pH van vaginale mucus ($> 5$) [24](#page=24).
* Hoge concentratie van amines: Dit veroorzaakt een visachtige geur ("sniff test"). Door KOH toe te voegen aan vaginaal mucus wordt alkalinisatie bereikt, waarbij amines vrijkomen en de geur duidelijk waarneembaar wordt [24](#page=24).
* Clue cellen: Microscopisch zichtbare cellen met een korrelig cytoplasma, bedekt met bacteriën. Lokaal worden lactobacillen vervangen door coccobacillen. Er is geen inflammatie, dus weinig neutrofielen [24](#page=24).
* **Complicaties:** Hoewel vroeger als ongevaarlijk beschouwd, wordt BV nu geassocieerd met een verhoogd risico op HIV-overdracht, andere SOA's, laag geboortegewicht en vroeggeboorte. Behandeling met antibiotica heeft hier echter geen oplossing voor geboden [23](#page=23) [24](#page=24).
* **Behandeling:** Metronidazol of clindamycine per os of lokaal [24](#page=24).
* **Recidieven:** BV heeft zeer frequente recidieven, wat de huidige behandeling nog niet optimaal efficiënt maakt [24](#page=24).
* **Epidemiologie:** BV is niet onfrequent (5-10% van de vrouwen), maar kan in bepaalde regio's (bv. Afrika) zeer frequent voorkomen (tot 50%), wat suggereert dat culturele en raciale factoren een rol kunnen spelen [23](#page=23).
* **Partner behandeling:** Traditioneel geen partnerbehandeling vereist, tenzij er sprake is van co-infectie met Trichomonas. Recente inzichten suggereren echter een mogelijke rol van de penisflora in de transmissie en het ontstaan van BV, wat de rol van partnerbehandeling mogelijk onderschat [22](#page=22).
* **Candida vaginitis (Candidiasis):** Veroorzaakt door een overgroei van Candida albicans, een gist. Dit resulteert typisch in witverlies en een branderig gevoel. De incidentie is hoger na antibioticagebruik en bij diabetes. De meeste vrouwen ervaren dit minstens eenmaal in hun leven [19](#page=19) [21](#page=21).
* **Trichomonas vaginalis vaginitis:** Een echte SOA veroorzaakt door de protozoön Trichomonas vaginalis. Hoewel het als een verwaarloosd 'topic' wordt beschouwd, is het een belangrijke oorzaak van vaginitis met symptomen zoals fluor, jeuk, geur en een branderig gevoel. Partnerbehandeling is hierbij essentieel [21](#page=21) [22](#page=22).
#### 7.2.2 Tinea pedis (atleetvoet)
Tinea pedis is een schimmelinfectie van de voeten, veroorzaakt door dermatofyten, die keratinofiele schimmels zijn. *Trichophyton rubrum* is een veelvoorkomende verwekker [18](#page=18).
* **Voorkomen:** Kenmerkt zich door erythemateuze huid, schilfering en jeuk. Het kan op de voeten (tinea pedis) en andere lichaamsdelen voorkomen [18](#page=18).
* **Factoren die bijdragen:** Gemeenschappelijke douches, slecht ventilerende schoenen, en maceratie of zweetvoeten faciliteren de infectie [18](#page=18).
* **Verloop:** De infectie geneest moeilijk [18](#page=18).
* **Diagnostiek:** Gebaseerd op klinische verschijnselen, eventueel aangevuld met een kweek van de schimmel [18](#page=18).
* **Preventie:** Goede ventilatie van de voeten [18](#page=18).
* **Behandeling:** Met antischimmel zalven (antimycotica) [18](#page=18).
Tinea pedis is een manifestatie van dermatofytosen, welke infecties door dermatofyten (schimmels) zijn. Candida kan eveneens een reeks huidinfecties veroorzaken (gistinfecties) [19](#page=19).
#### 7.2.3 Verrucae vulgares (wratjes)
Wratjes worden veroorzaakt door humaan papillomavirus (HPV), waarvan ongeveer 70 genotypes bestaan [17](#page=17).
* **Verloop:** Transmissie vindt plaats door direct contact; het virus is stabiel buiten het lichaam. Het virus dringt binnen via minimale huidschade en vermenigvuldigt zich in de differentiërende basale cellen van de epidermis [17](#page=17).
#### 7.2.4 Mollusca contagiosa (waterwratjes)
Waterwratjes worden veroorzaakt door het molluscum contagiosum virus (molluscipoxvirus) [17](#page=17).
* **Verloop:** Transmissie gebeurt via direct contact, met een incubatietijd die maanden kan duren [17](#page=17).
### 7.3 Gasgangreen
Gasgangreen is een ernstige infectie veroorzaakt door *Clostridium perfringens* en verwante soorten [12](#page=12).
* **Verwekkers en voorkomen:** Deze bacteriën komen voor in de fecale flora en als sporen in aarde en vuil. Een wond kan gecontamineerd raken met deze sporen tijdens chirurgie of door trauma [12](#page=12).
* **Pathogenese:** De sporen groeien uit tot metabool actieve bacteriën in anaërobe omstandigheden, zoals dood weefsel waar geen bloedtoevoer is en dus geen zuurstof. Tijdens actieve groei produceren de bacteriën weefseldestructieve enzymen, wat leidt tot snelle weefselvernietiging en verdere groei van de bacteriën [12](#page=12).
* **Klinische kenmerken:** Typisch voor gasgangreen, vooral frequent in oorlogswonden, is de aanwezigheid van gas in het weefsel, wat palpabel kan zijn of zichtbaar op radiografie [12](#page=12).
* **Behandeling:** Antibiotica, chirurgie en symptomatische ondersteuning [12](#page=12).
* **Preventie:** Goede heelkunde en wondzorg, en eventueel chemoprofylaxie [12](#page=12).
#### 7.3.1 *Clostridium* spp. (Algemene kenmerken)
* **Morfologie:** Anaerobe grampositieve, sporenvormende staven [13](#page=13).
* **Enzymen en Toxines:** Soorten zoals *C. perfringens* produceren weefselvernietigende enzymen met een lokaal effect. Andere soorten, zoals *C. botulinum* en *C. tetani*, produceren zeer potente neurotoxines met effecten op afstand [13](#page=13).
* **Groei:** Strikt anaëroob, groeien alleen in anaerobe omstandigheden zoals het darmlumen of in dood weefsel. Gezond weefsel wordt niet geïnfecteerd [13](#page=13).
* **Sporen:** Vormen sporen die zeer lang in de omgeving kunnen overleven, wat bijdraagt aan hun besmettelijkheid [13](#page=13).
> **Tip:** Hoewel *Clostridium* spp. ter illustratie wordt genoemd, zijn de specifieke soorten *C. botulinum* en *C. tetani* belangrijk om te onthouden vanwege hun potentieel dodelijke toxines, hoewel ze niet primair onder de genitale infecties vallen [13](#page=13).
#### 7.3.2 Historische context van *Clostridium botulinum*
De geschiedenis van botulisme kent een interessante achtergrond:
* **Justinus Kerner (1786-1862):** De Duitse dichter en arts publiceerde tussen 1817 en 1822 de eerste accurate beschrijvingen van voedselvergiftiging door botulisme, destijds "worstengif" of "vetgif" genoemd. Hij vermoedde een biologisch gif en dacht na over mogelijke therapeutische toepassingen [14](#page=14).
* **Emile Pierre van Ermengem:** Tachtig jaar na Kerner, in 1895, leidde een botulisme-uitbraak na een begrafenismaaltijd in Ellezelles, België, tot de ontdekking van de bacterie *Clostridium botulinum* door professor Van Ermengem. Bij de uitbraak waren tien van de vierendertig muzikanten ernstig ziek, drie overleden. Omdat alleen degenen die rauwe ham hadden gegeten ziek werden, werd de ham als oorzaak aangewezen. Van Ermengem isoleerde de bacterie en het gif, en ontrafelde de werking ervan. Hij beschreef de bacterie als afwijkend, noodzakend voor groei zonder zuurstof, en in staat tot hitte-resistente endosporen. Experimenten met proefdieren die besmette ham kregen, toonden dezelfde symptomen aan als bij de slachtoffers [14](#page=14).
---
# Bacteriële vaginose en genitale mycoplasmata
Dit onderwerp behandelt twee belangrijke aspecten van genitale infecties: de diagnose van bacteriële vaginose en de rol en diagnose van genitale mycoplasmata.
### 8.1 Bacteriële vaginose
Bacteriële vaginose (BV) is een veelvoorkomende vaginale aandoening die wordt gekenmerkt door een verstoring van de vaginale flora, waarbij de normale lactobacillen worden vervangen door een overgroei van anaerobe bacteriën [25](#page=25).
#### 8.1.1 Diagnose van bacteriële vaginose
De diagnose van bacteriële vaginose kan worden gesteld aan de hand van drie belangrijke criteria:
* **KOH-test (sniff test):** Bij toevoeging van kaliumhydroxide (KOH) aan vaginaal vocht ontstaat er een visachtige geur, wat wijst op de aanwezigheid van amines geproduceerd door anaerobe bacteriën [25](#page=25).
* **pH-strip:** De pH van het vaginale vocht is verhoogd, wat betekent dat het minder zuur is dan normaal. Een pH hoger dan 4.5 is indicatief voor BV [25](#page=25).
* **Microscopie:** Onder de microscoop worden "clue cellen" waargenomen. Dit zijn epitheelcellen bekleed met bacteriën, wat een kenmerkend teken is van BV [25](#page=25).
### 8.2 Genitale mycoplasmata
Genitale mycoplasmata zijn eenvoudige bacteriën die in nauw contact leven met epitheelcellen en geen celwand bezitten, waardoor ze resistent zijn tegen bèta-lactam antibiotica. Hoewel Mycoplasma pneumoniae atypische pneumonie veroorzaakt in de luchtwegen, zijn er drie species die in de tractus genitalis voorkomen [31](#page=31).
#### 8.2.1 Species en rol in genitale infecties
De drie belangrijke species van genitale mycoplasmata zijn:
* **Mycoplasma hominis:** Dit is een commensaal van de genitale tractus. Grote aantallen van deze bacterie worden vaak gevonden bij bacteriële vaginose. Het wordt echter vaak ten onrechte opgezocht en behandeld [31](#page=31).
* **Ureaplasma urealyticum:** Net als Mycoplasma hominis, is Ureaplasma urealyticum een commensaal van de genitale tractus en wordt het in grote aantallen aangetroffen bij bacteriële vaginose. Ook deze wordt vaak onterecht gediagnosticeerd en behandeld [31](#page=31).
* **Mycoplasma genitalium:** Deze species is recent ontdekt en wordt vermoedelijk even pathogeen te zijn als Chlamydia trachomatis, met een vergelijkbaar klinisch spectrum en een minstens even grote frequentie [31](#page=31).
#### 8.2.2 Diagnose en behandeling van genitale mycoplasmata
De diagnose van infecties met genitale mycoplasmata is vaak moeilijk vanwege hun trage kweek. Momenteel wordt de diagnose voornamelijk gesteld middels PCR (Polymerase Chain Reaction) [31](#page=31).
Traditioneel gezien zijn deze infecties niet belangrijk voor de therapiebeslissing, omdat ze syndromaal worden behandeld. De gevoeligheid van Mycoplasma en Chlamydia is vergelijkbaar, waardoor de behandeling overlapt. Er is echter recentelijk een beweging gaande om diagnostiek meer gedreven te laten zijn voor de behandeling [31](#page=31).
**Tip:** Hoewel Mycoplasma hominis en Ureaplasma urealyticum vaak aanwezig zijn bij bacteriële vaginose, is het belangrijk om te onthouden dat ze zelf niet altijd de oorzaak van de aandoening zijn. De focus moet liggen op de verstoring van de vaginale flora [31](#page=31).
---
## 9. Overzicht SOA's (Sexueel Overdraagbare Aandoeningen)
Dit gedeelte biedt een algemeen overzicht van SOA's, inclusief hun symptomen, verwekkers, overdracht, incubatietijden, diagnose, behandeling en preventie.
### 9.1 Algemene kenmerken van SOA's
SOA's zijn infecties die primair via seksueel contact worden overgedragen [26](#page=26).
#### 9.1.1 Symptomen
De symptomen van SOA's kunnen variëren en worden onderverdeeld in lokale en systemische manifestaties [26](#page=26).
* **Lokale symptomen:** Dit omvat ulcera (zweertjes), pijn of een branderig gevoel tijdens het plassen, afscheiding van secreten uit de genitaliën, en tekenen van inflammatie [26](#page=26).
* **Systemische symptomen:** Sommige SOA's kunnen ook systemische klachten veroorzaken, zoals koorts en in sommige gevallen huiduitslag [26](#page=26).
#### 9.1.2 Verwekkers
SOA's kunnen worden veroorzaakt door een breed scala aan pathogenen, waaronder virussen, bacteriën, protozoa en zelfs insecten zoals schaamluizen [26](#page=26).
#### 9.1.3 Overdracht
De primaire overdrachtsweg is direct contact met geïnfecteerde geslachtsorganen, maar overdracht via handen is ook mogelijk. SOA-pathogenen kunnen ook slijmvliezen en lichaamsopeningen infecteren die in contact komen met de geslachtsorganen, zoals bij HPV-infecties in de nasopharynx of proctitis door syfilis [26](#page=26).
#### 9.1.4 Risicogroepen en prevalentie
Hoewel er specifieke risicogroepen bestaan (zoals personen met promiscuïteit), is occasionele onveilige seks breed verspreid in de algemene bevolking [26](#page=26).
#### 9.1.5 Incubatietijd
De incubatietijd varieert sterk afhankelijk van het type verwekker, variërend van kort na contact tot pas jaren later wanneer complicaties optreden [26](#page=26).
#### 9.1.6 Diagnose
Bij voorkeur wordt gebruikgemaakt van directe diagnostische methoden. Serologie kan ter aanvulling worden ingezet. Bepaalde infecties worden syndromaal behandeld, wat betekent dat er wordt behandeld voor de meest waarschijnlijke verwekkers zonder deze per se aan te tonen (bijvoorbeeld bij Pelvic Inflammatory Disease (PID) of urethritis). Sommige SOA's zijn bovendien aangifteplichtig [26](#page=26).
#### 9.1.7 Behandeling en preventie
De behandeling van SOA's geschiedt doorgaans met antibiotica, en soms met antivirale therapie. In principe worden ook partners meebehandeld om herinfectie te voorkomen. Preventie door middel van veilige seks is essentieel, en er zijn enkele vaccins beschikbaar [26](#page=26).
---
## 10. Gonorroe
Gonorroe is een bacteriële SOA veroorzaakt door *Neisseria gonorrhoeae*.
### 10.1 Kenmerken van gonorroe
* **Bacterie:** *Neisseria gonorrhoeae* is een bacterie met een bijzondere efficiëntie in het aanhechten aan epithelia, en is in staat tot intracellulaire replicatie [27](#page=27).
* **Lokale symptomen:**
* **Mannen:** Verwekt urethritis, gekenmerkt door een branderig gevoel bij het plassen en typisch wit-groen secreet ("druiper") [27](#page=27).
* **Vrouwen:** Vaak weinig tot geen symptomen, of symptomen die lijken op een urineweginfectie (UWI). Mogelijke symptomen zijn verhoogde vaginale secretie en tussentijdse vaginale bloedingen [27](#page=27).
* **Andere locaties:** Rectale infecties kunnen asymptomatisch verlopen, of gepaard gaan met afscheiding, jeuk, bloedverlies of pijn. Faryngitis (keelinfectie) is ook mogelijk [27](#page=27).
* **Systemische symptomen:** In zeldzame gevallen kunnen systemische symptomen optreden, zoals artritis, tenosynovitis en dermatitis [27](#page=27).
* **Complicaties:** Opstijgende infecties kunnen leiden tot Pelvic Inflammatory Disease (PID) bij vrouwen, met potentiële infertiliteit of ectopische zwangerschappen als gevolg. Bij mannen kan epididymitis optreden, zelden leidend tot infertiliteit [27](#page=27).
### 10.2 Overdracht van gonorroe
Overdracht vindt plaats door contact met geïnfecteerde geslachtsorganen, anus of mond. Overdracht van moeder op kind tijdens de bevalling is mogelijk, wat kan leiden tot artritis, keratitis (oogontsteking) of sepsis bij de neonaat [27](#page=27).
### 10.3 Incubatietijd
De incubatietijd varieert van enkele dagen tot een week [27](#page=27).
### 10.4 Diagnose van gonorroe
De diagnose kan worden gesteld middels directe methoden zoals gramkleuring en kweek, hoewel deze steeds meer worden vervangen door PCR-tests [27](#page=27).
> **Tip:** Gramkleuring toont gram-negatieve diplokokken, specifiek gonokokken, aan [28](#page=28).
### 10.5 Behandeling en preventie van gonorroe
Gonorroe wordt behandeld met antibiotica, vaak in een single shot-kuur. De behandeling houdt rekening met de hoge mate van resistentie en de kans op verdere resistentieontwikkeling, alsook de mogelijke co-infectie met *Chlamydia trachomatis*, die een vergelijkbare pathologie kan veroorzaken. Preventie geschiedt door veilige seks en het behandelen van de partner [27](#page=27).
---
## 11. Chlamydia
Chlamydia is een SOA veroorzaakt door *Chlamydia trachomatis*, een bacterie die obligaat intracellulair leeft en voorkeur heeft voor epitheelcellen.
### 11.1 Kenmerken van Chlamydia
* **Pathogeen:** *Chlamydia trachomatis* is een obligaat intracellulaire bacterie die epitheelcellen infecteert [29](#page=29).
* **Orgaaninfecties:** Kan verschillende organen infecteren, waaronder de geslachtsorganen. Er zijn diverse serotypes beschreven die geassocieerd zijn met specifieke klinische manifestaties [29](#page=29).
* **SOA's:** De meest voorkomende manifestatie in onze streken [29](#page=29).
* **Trachoom:** Chronische conjunctivitis die tot blindheid kan leiden, voornamelijk in Afrika en Azië [29](#page=29).
* **Lymphogranuloma venereum (LGV):** Veroorzaakt door specifieke serotypes, kenmerkt zich door een pijnlijk verloop met genitale ulcera in tropische gebieden en bij MSM (mannen die seks hebben met mannen) in westerse landen [29](#page=29).
* **Systemische symptomen:** PID (Pelvic Inflammatory Disease) is mogelijk, vergelijkbaar met gonorroe. De infectie kan zowel asymptomatisch als symptomatisch verlopen [29](#page=29).
* **Lokale symptomen:** Frequent asymptomatisch. Bij mannen kan mucopurulente urethritis optreden; bij vrouwen cervicitis [29](#page=29).
* **Complicaties op termijn:** Infertiliteit is een belangrijke complicatie van chlamydia-infecties in onze regio [29](#page=29).
### 11.2 Overdracht van Chlamydia
Overdracht geschiedt door contact met geïnfecteerde geslachtsorganen, anus of mond. De infectie is relatief frequent bij jongeren (tot 10%). Cervicale epitheliale ectopie, wat frequent is bij jongeren, verhoogt de vatbaarheid voor infectie, naast hun verhoogde risicogedrag. Overdracht van moeder op kind tijdens de bevalling is mogelijk en kan leiden tot conjunctivitis of pneumonie bij de neonaat [29](#page=29).
### 11.3 Incubatietijd
De incubatietijd is minimaal enkele weken [29](#page=29).
### 11.4 Diagnose van Chlamydia
Chlamydia is niet zichtbaar op een gramkleuring en niet kweekbaar in routine-laboratoria. PCR is de enige betrouwbare test voor de diagnose [29](#page=29).
### 11.5 Behandeling en preventie van Chlamydia
De behandeling bestaat uit antibiotica, soms in een single shot-kuur, zoals doxycycline of azithromycine. Soms wordt intramusculaire ceftriaxon toegevoegd om ook gonorroe te elimineren. Preventie gebeurt door veilige seks en het behandelen van de partner [29](#page=29).
> **Tip:** Door de frequente asymptomatische aard van chlamydia-infecties, vooral bij vrouwen, is screening bij risicogroepen belangrijk voor preventie van complicaties zoals infertiliteit [29](#page=29).
---
# Infecties van de lever (hepatitis)
Infecties van de lever, hoofdzakelijk viraal, manifesteren zich typisch door leverfunctiestoornissen zoals geelzucht, lokale pijn en algemene malaise, hoewel ze ook subklinisch kunnen verlopen [60](#page=60).
### 9.1 Klinisch beeld en types
#### 9.1.1 Algemene symptomen
De symptomen van hepatitis kunnen variëren en omvatten koorts, algemene malaise zoals vermoeidheid, misselijkheid, verlies van eetlust en soms braken. Bij 50-90% van de patiënten treden specifieke tekenen op door de wegvallende galsecretie van bilirubine en galzouten, waaronder donkere urine, ontkleurde ontlasting, geelzucht en jeuk. Soms kunnen ook huiduitslag en artritis voorkomen [61](#page=61).
#### 9.1.2 Verwekkers
De meest voorkomende verwekkers van hepatitis zijn de hepatitis A-, B- en C-virussen (HAV, HBV, HCV). Minder frequent zijn het hepatitis D-virus (HDV), dat altijd samen met HBV optreedt en kenmerkend is voor intraveneus druggebruik, en het hepatitis E-virus (HEV), dat geassocieerd wordt met besmet voedsel, zoals uit varkens. Zeer zelden kunnen opportunistische infecties door andere micro-organismen de lever aantasten [61](#page=61).
#### 9.1.3 Incubatietijd en overdracht
De incubatietijd en overdrachtswijzen variëren per type virus [61](#page=61):
* **HAV**: Incubatietijd van ongeveer 4 ± 2 weken. Overdracht geschiedt fecaal-oraal, vaak door inname van besmet voedsel of water, en is typisch geassocieerd met slechte hygiëne. HAV is een naakt virus [61](#page=61) [62](#page=62) [65](#page=65).
* **HBV**: Incubatietijd van ongeveer 3 ± 2 maanden. Overdracht gebeurt voornamelijk via bloed-bloed contact, zoals bij intraveneus druggebruik of iatrogene overdracht, maar ook via seksueel contact, intiem niet-seksueel contact (bv. speeksel, bijten, gedeelde tandenborstels) en perinataal van moeder op kind. HBV heeft een virale enveloppe. Het virus kan tot een week infectieus blijven buiten het lichaam [61](#page=61) [62](#page=62).
* **HCV**: Incubatietijd van 6 weken (variërend van 2 weken tot 6 maanden). Overdracht is voornamelijk door bloed-bloed contact, vergelijkbaar met HBV. HCV heeft een virale enveloppe [61](#page=61) [62](#page=62).
* **HDV**: De incubatietijd is vergelijkbaar met HBV, en co-infectie is typisch ernstig. Overdracht gebeurt via bloed, zoals HBV. HDV heeft een virale enveloppe [61](#page=61) [62](#page=62).
* **HEV**: Incubatietijd van 6 ± 3 weken. Overdracht vindt plaats via drinken van besmet water en is een zoönose. HEV is een naakt virus [61](#page=61) [62](#page=62) [65](#page=65).
#### 9.1.4 Reservoir
De reservoirs voor deze virussen zijn verschillend [62](#page=62):
* **HAV**: Mensen (gedurende een beperkte periode); besmet water of voedsel [62](#page=62).
* **HBV, HCV, HDV**: Mensen (met mogelijk chronisch dragerschap) [62](#page=62).
* **HEV**: Mensen en varkens [62](#page=62).
### 9.2 Verloop en complicaties
Het klinische verloop van hepatitis is afhankelijk van het verwekkende virus [62](#page=62):
* **HAV**: Veroorzaakt symptomen gedurende enkele weken (bij kinderen vaak asymptomatisch) en wordt nooit chronisch [62](#page=62).
* **HBV**: Meestal asymptomatisch of met symptomen die enkele weken duren. Ongeveer 10% van de infecties wordt chronisch (virus meer dan 1 jaar in het lichaam), waarvan 10% uiteindelijk symptomatische leverziekte ontwikkelt, zoals cirrose of leverkanker [62](#page=62).
* **HCV**: Meestal asymptomatisch of met symptomen die enkele weken duren. Een aanzienlijke 80% van de infecties wordt chronisch, waarvan 20% later symptomatische leverziekte ontwikkelt (cirrose, kanker) [62](#page=62).
* **HEV**: Meestal asymptomatisch of met symptomen die enkele weken duren. Chronische infectie komt uitzonderlijk voor, met name bij immuungecompromitteerde patiënten [62](#page=62).
Complicaties van chronische hepatitis kunnen leverfalen, cirrose en hepatocellulair carcinoom omvatten [60](#page=60).
> **Tip:** Het onderscheid tussen acute en chronische hepatitis is cruciaal voor de prognose en behandeling. Chronische infecties, met name met HBV en HCV, verhogen significant het risico op ernstige leverziekten [62](#page=62).
### 9.3 Pathogenese
De pathogenese van leverschade verschilt tussen de virussoorten [65](#page=65):
* **HAV en HEV**: Deze zijn naakte virussen en werken voornamelijk cytotoxisch. Dit leidt tot tijdelijke leverschade die meestal volledig herstelt, hoewel een fulminant verloop uitzonderlijk is [65](#page=65).
* **HBV en HCV**: De leverschade en complicaties bij deze virussen, vooral bij chronische infecties, zijn grotendeels het gevolg van de immuunrespons van de gastheer. Patiënten met een verzwakt immuunsysteem kunnen juist minder symptomen vertonen [65](#page=65).
### 9.4 Diagnose
De diagnose van hepatitis wordt gesteld door middel van serologie en genoomdetectie [66](#page=66).
#### 9.4.1 Serologie
* **HAV**: Detectie van IgM-antistoffen duidt op een recente infectie, terwijl IgG-antistoffen wijzen op een recente of doorgemaakte infectie [66](#page=66).
* **HBV**:
* Anti-HBs: Wijst op genezing of vaccinatie [66](#page=66).
* Anti-HBc: Geeft contact met het virus aan, recent of in het verleden [66](#page=66).
* Anti-HBe: Wordt samen met antigeendetectie geïnterpreteerd om de fase van de infectie te bepalen [66](#page=66).
* **HCV**: IgG-antistoffen kunnen soms pas zes maanden na infectie positief zijn en duiden op contact, recent of in het verleden [66](#page=66).
* **HEV**: Detectie van IgG en IgM antistoffen [66](#page=66).
#### 9.4.2 Antigeen- en genoomdetectie
* **HBV**: Detectie van HBsAg (actieve acute of chronische infectie) en HBeAg, evenals PCR om het virale genoom te kwantificeren [66](#page=66).
* **HCV**: RT-PCR om het virale genoom te detecteren en genotypering kan worden uitgevoerd [66](#page=66).
> **Tip:** Het combineren van serologische markers en genoomdetectie is essentieel voor een accurate diagnose en om de status van de infectie (acuut, chronisch, genezen) te bepalen. Sommige hepatitisdiagnoses zijn aangifteplichtig [61](#page=61) [66](#page=66).
### 9.5 Behandeling en preventie
De behandeling en preventie van hepatitis variëren sterk per type virus [68](#page=68).
* **HAV**: Er is geen specifieke behandeling, enkel ondersteunende zorg. Preventie geschiedt door vaccinatie. Passieve immunisatie is mogelijk ter bescherming van ongevaccineerde contacten [68](#page=68).
* **HBV**: Geen specifieke behandeling voor acute infectie, enkel ondersteunend. Bij chronische infectie worden antivirale middelen (reverse transcriptase inhibitoren) ingezet. Preventie gebeurt door vaccinatie. Passieve immunisatie kan ook hier ter bescherming van contacten dienen en mag gelijktijdig met het vaccin worden toegediend, zij het via een andere arm. Het HBV-vaccin bevat enkel HBsAg; anti-HBc-antistoffen ontstaan enkel na infectie. Ongeveer 5% van de gevaccineerden (na drie injecties) is een non-responder met een te lage anti-HBs-titer, hoewel extra boosters soms helpen [68](#page=68).
* **HCV**: Behandeling met antivirale middelen (polymerase inhibitoren) is beschikbaar; er is geen vaccinatie. Bij een prikongeval wordt onmiddellijk gestart met antivirale therapie, vergelijkbaar met de aanpak bij HIV [68](#page=68).
* **HEV**: Er is geen specifieke behandeling, enkel ondersteunende zorg [68](#page=68).
> **Tip:** Preventieve maatregelen zoals vaccinatie (voor HAV en HBV) en het naleven van hygiëneprotocollen (veilige seks, preventie van bloedoverdracht) zijn essentieel in de strijd tegen hepatitis [61](#page=61).
---
# microbiologische aanpak bij zwangere vrouwen
De microbiologische aanpak bij zwangere vrouwen omvat diverse screenings, preventieve maatregelen en diagnostische stappen gericht op het beschermen van zowel de moeder als de foetus tegen infectieuze agentia. Idealiter vinden veel van deze screenings plaats vóór de conceptie [42](#page=42).
### 10.1 Algemene principes en screenings bij aanmelding
Bij de aanmelding van een zwangere vrouw dient een reeks microbiologische screenings te worden overwogen. Dit omvat [42](#page=42):
* **Vaccinatie:** Vaccinatie tegen influenza wordt sterk aanbevolen, met name bij zwangere vrouwen met bijkomende risicofactoren. Vaccinatie is ook algemeen aanbevolen voor risicogroepen, waaronder gezondheidswerkers, dierenartsen, kippenkwekers en de werkende bevolking om economische redenen [42](#page=42) [44](#page=44).
* **Serologische screenings:**
* Cytomegalovirus (CMV): Bepaling van IgG- en IgM-antilichamen. Een primo-infectie met CMV tijdens de zwangerschap kan leiden tot foetale infectie en is momenteel de belangrijkste oorzaak van congenitale afwijkingen. Routinematig wordt onderscheid gemaakt tussen een recente en oude infectie op basis van de aanwezigheid van IgM [41](#page=41) [46](#page=46).
* Rubella: Serostatus wordt gecontroleerd, aangezien rubella teratogene effecten kan hebben [41](#page=41).
* Syfilis: Serostatusbepaling [41](#page=41).
* HIV: Screening om het kind te beschermen en, indien nodig, behandeling tijdens de zwangerschap te starten [41](#page=41).
* Hepatitis B virus (HBV): Screening van de serostatus. Indien HBc antilichamen positief zijn, wordt verder onderzoek gedaan naar HBs antilichamen, HBs antigeen en HBe antigeen [41](#page=41).
* Varicella Zoster Virus (VZV): Serostatusbepaling [41](#page=41).
* Toxoplasmose: Bepaling van IgG- en IgM-antilichamen. Het is belangrijk te weten dat IgM-antilichamen voor toxoplasmose maandenlang positief kunnen blijven [41](#page=41).
* Zikavirus: Bekend om malformaties [41](#page=41).
* **Andere overwegingen:**
* Rhesusfactor: Bij een negatieve Rhesusfactor bij de moeder en een positieve Rhesusfactor bij de baby, dient bij de partus Rhogam te worden toegediend [41](#page=41).
* Herpes simplex virus (HSV): Screening op genitale herpes kan perinatale infectie bij de neonatus helpen voorkomen [42](#page=42).
Deze screenings worden bij voorkeur preconceptie uitgevoerd [42](#page=42).
### 10.2 Perinatale en preventieve aanpak
Naast preconceptie- en aanmeldingsscreenings zijn er specifieke aandachtspunten tijdens de zwangerschap en perinatale periode:
* **Perinatale screenings:**
* Bacteriurie: Wordt gecontroleerd om vroeggeboorte te voorkomen [42](#page=42).
* Kolonisatie door groep B streptokokken (GBS): Screening is belangrijk om neonatale sepsis te voorkomen [42](#page=42).
* Genitale herpes: Controle om neonatale herpes te voorkomen [42](#page=42).
* **Te vermijden infecties:** Het is cruciaal om infecties met Listeria monocytogenes te vermijden, evenals primo-infecties met HSV en VZV [42](#page=42).
* **Preventie van transmissie:**
* Voor HIV kan preventie van transmissie door middel van ART (Antiretrovirale therapie) worden toegepast [49](#page=49).
* Voor bepaalde infecties kan preventieve vaccinatie, eventueel postnataal met Ig en vaccin, worden overwogen [50](#page=50).
* Bij blootstelling aan bepaalde agentia kan immunoglobulinetherapie (Ig) worden overwogen [51](#page=51).
* Preventie door penicilline kan een rol spelen, bijvoorbeeld bij GBS [48](#page=48).
### 10.3 Specifieke diagnostische aspecten
* **Cytomegalovirus (CMV) diagnostiek:**
* Bij twijfel over de timing van een CMV-infectie, kan de aviditeit van de IgG-antilichamen worden bepaald. Een lage aviditeit duidt op een recente infectie, terwijl een hoge aviditeit wijst op een infectie meer dan een jaar geleden [46](#page=46).
* Problemen met CMV-diagnostiek kunnen ontstaan door meerdere stammen en het ontbreken van effectieve therapie. De nut van routinematige CMV-screening ter discussie [41](#page=41).
* **Influenza diagnostiek:** Snelle diagnostiek kan plaatsvinden via antigen detectie op nasofarynxmonsters, met RT-PCR als een gevoeliger alternatief. De klinische diagnose wordt vaak ondersteund door epidemiologische gegevens [44](#page=44).
### 10.4 Complicaties en risicogroepen
Ziekten tijdens de zwangerschap kunnen het normale functioneren belemmeren en tot complicaties leiden. Risicogroepen voor ernstigere complicaties, zoals virale pneumonie, bacteriële surinfecties of systemische complicaties, zijn onder andere personen met cardiovasculaire aandoeningen, diabetici, ouderen, zeer jonge kinderen, en zwangere vrouwen. Daarom is vaccinatie ten zeerste aanbevolen voor deze groepen [44](#page=44).
> **Tip:** Een proactieve microbiologische screening, bij voorkeur preconceptie, is essentieel voor een optimale zwangerschap en het voorkomen van congenitale afwijkingen en neonatale complicaties.
> **Tip:** Wees alert op de interpretatie van serologische testen, zoals de lange persistentie van IgM-antilichamen bij Toxoplasmose en CMV, wat aanvullende diagnostiek kan vereisen.
> **Voorbeeld:** Bij een zwangere vrouw met een positieve IgM voor CMV en een lage aviditeit van de IgG-antilichamen, wijst dit op een recente infectie die mogelijk tijdens de zwangerschap heeft plaatsgevonden, wat risico's voor de foetus met zich meebrengt. Verdere opvolging en counseling zijn dan noodzakelijk [46](#page=46).
---
# Specifieke huidinfecties: impetigo, folliculitis, erysipelas en cellulitis
Dit onderwerp behandelt specifieke bacteriële huidinfecties, hun oorzaken, klinische presentatie, verloop, diagnose en behandeling.
### 11.1 Algemene principes van huidinfecties
Huidinfecties manifesteren zich door lokale ontstekingssymptomen zoals roodheid (rubor), warmte (calor), pijn (dolor) en zwelling (tumor). Koorts kan aanwezig zijn bij meer uitgebreide infecties. De verwekkers kunnen bacteriën, virussen of schimmels zijn. Overdracht vindt meestal plaats via direct contact, soms vanuit de eigen flora bij lokale verzwakking van de huidbarrière. Diagnose is veelal klinisch, maar kweken kunnen relevant zijn. Behandeling en preventie zijn afhankelijk van de verwekker [1](#page=1) [2](#page=2).
Bij gezonde personen zijn infecties vaak zelflimiterend, waarbij het wegnemen van lokale barrièreproblemen belangrijk is. Bij verzwakte personen, zoals bij uitgebreide brandwonden met grote huiddefecten en verminderde immuniteit, kunnen huidinfecties problematischer verlopen. Virussen kunnen chronisch aanwezig blijven, terwijl bacteriën bij herstel worden geklaard [3](#page=3).
*Staphylococcus aureus* is een veelvoorkomende verwekker, aanwezig bij ongeveer 30% van de bevolking in de neusgang en kan zich verspreiden. Het heeft diverse virulentiefactoren. Overdracht kan plaatsvinden via druppels, direct en indirect contact, waarbij de bacterie langdurig in de omgeving kan overleven. Bij schade aan de huid of slijmvliezen kan *S. aureus* de lymfe- en bloedbaan bereiken. De al dan niet optredende infectie hangt af van het aantal bacteriën, virulentie, weefsel, de snelheid van de ontstekingsreactie en de persoonlijke afweer (bescherming door abcesvorming). Coagulase-negatieve stafylokokken (CNS) zijn minder virulent en koloniseren de huid, maar kunnen infecties veroorzaken wanneer ze de bloedbaan bereiken [3](#page=3).
Pathogenetisch leidt lokale proliferatie van kiemen tot schade en bemoeilijkt de afweer. Vreemde lichamen in wonden, zoals straatvuil, bemoeilijken genezing. Reiniging van wonden en insnijden van abcessen zijn daarom belangrijk [4](#page=4).
**Antibioticaresistentie bij stafylokokken:**
Vroeger waren alle *S. aureus*-stammen penicillinegevoelig. Tegenwoordig is 90-95% resistent door penicillinase, een bèta-lactamase dat specifiek is voor stafylokokken. Huidinfecties worden daarom behandeld met een penicillinase-resistente penicilline zoals oxacilline, flucloxacilline of methicilline. MRSA (*methicilline-R S. aureus*) is resistent tegen methicilline en alle bèta-lactam antibiotica, en vereist behandeling met vancomycine IV voor ernstige infecties [4](#page=4).
Diagnostiek is voornamelijk klinisch, maar gramkleuring en kweken kunnen nuttig zijn. Een gramkleuring van etter kan neutrofielen en stafylokokken aantonen [5](#page=5).
> **Tip:** Bij huidinfecties is het cruciaal om de juiste verwekker te identificeren, met name om de keuze van antibiotica te optimaliseren, zeker gezien de toenemende antibioticaresistentie.
### 11.2 Impetigo
* **Verwekker:** *Staphylococcus aureus*, soms in menginfectie met groep A streptokokken (*S. pyogenes*), of enkel groep A streptokokken. *S. aureus* kan exfoliatieve toxines produceren, wat leidt tot blaarvorming en in uitgebreide gevallen tot het *Staphylococcal scalded skin syndrome* bij jonge kinderen [6](#page=6).
* **Voorkomen:** Infectie van de epidermis met vorming van vesikels of pustels die indrogen tot korstjes. Komt vaker voor bij kinderen en bij beschadigde huid [6](#page=6).
* **Verloop:** Geneest spontaan binnen enkele weken. Beperking door ontsmetting en het vermijden van direct contact [6](#page=6).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen [6](#page=6).
* **Preventie:** Hygiëne en het ontsmetten van wondjes [6](#page=6).
* **Behandeling:** Vaak is geen specifieke behandeling nodig, eventueel fusidinezuur zalf. Bij uitgebreide gevallen worden antibiotica zoals flucloxacilline overwogen [6](#page=6).
### 11.3 Folliculitis, furunkel en karbonkel
* **Verwekker:** Voornamelijk *Staphylococcus aureus* [7](#page=7).
* **Voorkomen:** Infecties van de haarfollikels, bevorderd door talg [7](#page=7).
* **Folliculitis:** Een puistje met een geel puntje, bevorderd door oliën en corticosteroïden [7](#page=7).
* **Furunkel (steenpuist):** Een lokaal abces [7](#page=7).
* **Karbunkel:** Fistelvorming naar de diepte toe als etter doorbreekt, met oppervlakkige individuele etterkopjes [7](#page=7).
* **Verloop:** Kan spontaan genezen [7](#page=7).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen [7](#page=7).
* **Behandeling:**
* **Folliculitis:** Hygiëne, wassen, geen vette crèmes [7](#page=7).
* **Furunkel/karbunkel:** Antibiotica (flucloxacilline) bij koorts of op gevaarlijke locaties zoals rond de neus (vanwege de mogelijke doorbraak naar de sinus cavernosus) [7](#page=7).
### 11.4 Erysipelas en cellulitis
* **Verwekker:** Groep A streptokokken; bij cellulitis ook *Staphylococcus aureus* [8](#page=8).
* **Voorkomen:** Infectie van de dermis en subcutis met (hoge) koorts en malaise. Cellulitis is minder scherp begrensd en dieper [8](#page=8).
* **Verloop:** Zelden spontane genezing; ernstige gevallen kunnen hospitalisatie vereisen [8](#page=8).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen [8](#page=8).
* **Behandeling:** Antibiotica (flucloxacilline) en zwachtelen bij oedeem [8](#page=8).
### 11.5 Necrotiserende infectie
* **Verwekker:** Groep A streptokokken, *Staphylococcus aureus*, menginfecties met grampositieve en gramnegatieve anaeroben, *Clostridium perfringens* (gasgangreen) [9](#page=9).
* **Voorkomen:** Hevige pijn en koorts, met mogelijke evolutie naar sepsis. Kan optreden na trauma of chirurgie [9](#page=9).
* **Verloop:** Weefsels sterven af door ischemie, met snelle uitbreiding, sepsis en orgaanfalen [9](#page=9).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen, eventueel naaldaspiratie [9](#page=9).
* **Preventie:** Rigoureuze reiniging van vuile wonden, gebruik van zuurstofwater, en eventueel profylactische antibiotica [9](#page=9).
* **Behandeling:** Chirurgie gecombineerd met intraveneuze antibiotica en intensieve opvolging en ondersteuning van vitale functies [9](#page=9).
### 11.6 Bijtwonden
* **Verwekker:** Voornamelijk *Staphylococcus aureus* en gemengde orale flora van het bijtende dier of mens [10](#page=10).
* **Symptomen:** Roodheid, eventueel etter [10](#page=10).
* **Diagnostiek:** Klinische verschijnselen en anamnese [10](#page=10).
* **Preventie:** Beten vermijden, reinigen van de wond, preventieve antibiotica bij katte- of mensenbeten, en post-expositie profylaxe tegen tetanus [10](#page=10).
* **Behandeling:** Breed-spectrum antibiotica, bijvoorbeeld amoxicilline met clavulaanzuur (Augmentin) [10](#page=10).
> **Voorbeeld:** Progressieve cellulitis bij een diabetesvoet kan ontstaan door kolonisatie met bacteriën. In deze gevallen zijn er tekenen van infectie en is antibiotisch gebruik noodzakelijk. Chronische wonden worden vaak gekoloniseerd door bacteriën; dit is niet per se een infectie en antibiotica worden hier soms ten onrechte voor toegediend, wat leidt tot resistentie [11](#page=11).
### 11.7 Gasgangreen
* **Verwekker:** *Clostridium perfringens* [12](#page=12).
* **Voorkomen:** *Clostridium perfringens* en aanverwante soorten komen voor in fecale flora en in aarde en vuil als sporen. Een wonde kan gecontamineerd raken tijdens chirurgie of ongevallen. De sporen groeien uit in anaërobe omstandigheden (dood weefsel met gebrek aan zuurstof). Tijdens actieve groei worden weefseldestructieve enzymen geproduceerd, wat leidt tot snelle destructie en verdere groei van de bacteriën. Typisch voor gasgangreen is de aanwezigheid van gas, voelbaar bij palpatie of zichtbaar op radiografie [12](#page=12).
* **Behandeling:** Antibiotica, chirurgie en symptomatische ondersteuning [12](#page=12).
* **Preventie:** Goede heelkunde en wondzorg, en eventueel chemoprofylaxie [12](#page=12).
*Clostridium spp.* zijn anaërobe grampositieve sporevormende staven. Sommige soorten produceren weefselvernietigende enzymen (*C. perfringens*), terwijl andere potente neurotoxines produceren (*C. botulinum*, *C. Tetani*). Ze groeien strikt anaeroob in het darmlumen of in dood weefsel. Hun sporen kunnen langdurig in de omgeving overleven [13](#page=13).
**Historische context van *Clostridium botulinum***:
De Duitse dichter en arts Justinus Kerner publiceerde tussen 1817 en 1822 de eerste nauwkeurige beschrijvingen van botulisme. In 1895 ontdekte Emile Pierre van Ermengem, professor bacteriologie aan de Universiteit van Gent, de bacterie *Clostridium botulinum* na een botulisme-uitbraak in Ellezelles, België, die leidde tot de dood van drie muzikanten na het eten van rauwe ham. Van Ermengem isoleerde de bacterie en het gif, en ontrafelde de werking ervan [14](#page=14).
---
Dit onderwerp bespreekt specifieke huidinfecties, hun klinische kenmerken, verwekkers, overdracht, diagnose en behandeling.
### 11.1 Impetigo
Impetigo is een veelvoorkomende bacteriële huidinfectie, vooral bij kinderen, die voornamelijk door *Staphylococcus aureus* en *Streptococcus pyogenes* wordt veroorzaakt [VERWIJZING PAGINA.
#### 11.1.1 Klinisch beeld en subtypes
* **Non-bullous impetigo:** Dit is de meest voorkomende vorm. Het begint als kleine rode vlekjes die snel overgaan in blaasjes en vervolgens in pustels. Deze barsten open en vormen karakteristieke honinggele korsten [VERWIJZING PAGINA.
* **Bullous impetigo:** Veroorzaakt door *Staphylococcus aureus* die toxines produceert. Hierbij ontstaan grotere blaren, die gemakkelijk breken en een dunne korst achterlaten [VERWIJZING PAGINA.
* **Ecthyma:** Een diepere vorm van impetigo die de dermis aantast en leidt tot ulceraties bedekt met dikke, purulente korsten [VERWIJZING PAGINA.
#### 11.1.2 Verwekkers en overdracht
De voornaamste verwekkers zijn *Staphylococcus aureus* en *Streptococcus pyogenes* [VERWIJZING PAGINA. Overdracht vindt plaats via direct contact met geïnfecteerde personen of met besmette voorwerpen (fomieten) [VERWIJZING PAGINA.
#### 11.1.3 Diagnose en behandeling
De diagnose is meestal klinisch [VERWIJZING PAGINA. Behandeling bestaat uit topische antibiotica voor milde gevallen en orale antibiotica voor uitgebreidere infecties [VERWIJZING PAGINA. Goede hygiëne, zoals het regelmatig wassen van handen en het vermijden van krabben, is cruciaal om verspreiding te voorkomen [VERWIJZING PAGINA.
### 11.2 Folliculitis
Folliculitis is een ontsteking van de haarzakjes, meestal veroorzaakt door bacteriën.
#### 11.2.1 Klinisch beeld
Het presenteert zich als kleine, rode bultjes rondom haarzakjes, die soms een wit kopje (pustel) kunnen hebben [VERWIJZING PAGINA. De infectie kan oppervlakkig zijn of dieper, leidend tot furunkels (steeds) en carbunkels (meerdere furunkels dicht bij elkaar) [VERWIJZING PAGINA.
#### 11.2.2 Verwekkers
* *Staphylococcus aureus* is de meest voorkomende bacterie die folliculitis veroorzaakt [VERWIJZING PAGINA.
* Andere oorzaken kunnen zijn: schimmels (bv. *Malassezia*), virussen (bv. herpes simplex virus), en irriterende stoffen [VERWIJZING PAGINA.
#### 11.2.3 Risicofactoren
Risicofactoren zijn onder andere warm, vochtig weer, occlusieve kleding, scheren, wrijving (bv. door werk of sport) en een verzwakt immuunsysteem [VERWIJZING PAGINA.
#### 11.2.4 Diagnose en behandeling
De diagnose is doorgaans klinisch [VERWIJZING PAGINA. Behandeling hangt af van de ernst en de verwekker. Oppervlakkige folliculitis kan behandeld worden met antiseptische wassen of topische antibiotica [VERWIJZING PAGINA. Diepere infecties (furunkels, carbunkels) kunnen drainage vereisen, aangevuld met orale antibiotica [VERWIJZING PAGINA.
### 11.3 Erysipelas
Erysipelas, ook wel bekend als wondroos, is een acute, oppervlakkige bacteriële infectie van de huid en lymfevaten.
#### 11.3.1 Klinisch beeld
Het kenmerkt zich door een helder rode, scherp begrensde, verheven huidlaesie die snel groeit [VERWIJZING PAGINA. Vaak gaat het gepaard met koorts, koude rillingen en algemene malaise [VERWIJZING PAGINA. De meest voorkomende locatie is het gelaat en de benen [VERWIJZING PAGINA.
#### 11.3.2 Verwekker
*Streptococcus pyogenes* (groep A streptokok) is de overweldigende meerderheid van de gevallen de verwekker [VERWIJZING PAGINA.
#### 11.3.3 Risicofactoren
Risicofactoren zijn onder andere huidbeschadiging (bv. insectenbeten, krabwonden, chirurgische wonden), chronisch oedeem (bv. door veneuze insufficiëntie), diabetes mellitus en een verzwakt immuunsysteem [VERWIJZING PAGINA.
#### 11.3.4 Diagnose en behandeling
De diagnose is voornamelijk klinisch, met de kenmerkende huidlaesie [VERWIJZING PAGINA. Behandeling bestaat uit orale antibiotica (meestal penicilline of amoxicilline) [VERWIJZING PAGINA. Hospitalisatie kan nodig zijn bij ernstige gevallen of bij patiënten met onderliggende comorbiditeiten [VERWIJZING PAGINA.
### 11.4 Cellulitis
Cellulitis is een diepe bacteriële infectie van de huid en het onderhuidse weefsel.
#### 11.4.1 Klinisch beeld
Cellulitis presenteert zich als een rood, gezwollen, warm en pijnlijk gebied op de huid [VERWIJZING PAGINA. De grenzen zijn meestal minder scherp afgelijnd dan bij erysipelas [VERWIJZING PAGINA. Koorts en algemene malaise zijn vaak aanwezig [VERWIJZING PAGINA. Soms kunnen er blaren ontstaan (bullae) of kleine bloeduitstortingen (petechiën) [VERWIJZING PAGINA.
#### 11.4.2 Verwekkers
* *Staphylococcus aureus* en *Streptococcus pyogenes* zijn de meest voorkomende bacteriën die cellulitis veroorzaken [VERWIJZING PAGINA.
* Andere mogelijke verwekkers zijn afhankelijk van de context, zoals gramnegatieve bacteriën bij patiënten met diabetes of immuunsuppressie, of *Vibrio vulnificus* na blootstelling aan zout water [VERWIJZING PAGINA.
#### 11.4.3 Risicofactoren
Vergelijkbaar met erysipelas, omvatten risicofactoren huidbeschadiging (wonden, eczeem), chronisch oedeem, diabetes mellitus, obesitas, immuunsuppressie en eerdere episodes van cellulitis [VERWIJZING PAGINA.
#### 11.4.4 Diagnose en behandeling
De diagnose is klinisch, hoewel bloedkweken en wondswabs nuttig kunnen zijn om de verwekker te identificeren, vooral bij ernstige gevallen of bij immuungecompromitteerde patiënten [VERWIJZING PAGINA. Behandeling bestaat uit orale of intraveneuze antibiotica, afhankelijk van de ernst van de infectie [VERWIJZING PAGINA. Rust, immobilisatie van het getroffen ledemaat en het hoog leggen ervan kunnen de zwelling verminderen [VERWIJZING PAGINA.
> **Tip:** Het onderscheid tussen erysipelas en cellulitis is soms subtiel. Erysipelas is oppervlakkiger met scherpere grenzen, terwijl cellulitis dieper is met meer diffuse ontsteking. Erysipelas wordt vrijwel altijd door streptokokken veroorzaakt, terwijl cellulitis ook door stafylokokken kan worden veroorzaakt. [VERWIJZING PAGINA
> **Tip:** Bij verdenking op een bacteriële huidinfectie is het cruciaal om zo snel mogelijk met de juiste antibiotica te starten, vooral bij patiënten met risicofactoren voor ernstige complicaties. [VERWIJZING PAGINA
---
## Veelgemaakte fouten om te vermijden
- Bestudeer alle onderwerpen grondig voor examens
- Let op formules en belangrijke definities
- Oefen met de voorbeelden in elke sectie
- Memoriseer niet zonder de onderliggende concepten te begrijpen
Glossary
| Term | Definition |
|------|------------|
| Term | Definitie |
| Hemokulturen | Hemokulturen, ook wel bloedkweken genoemd, zijn monsters die worden afgenomen om de aanwezigheid van bacteriën of andere micro-organismen in het bloed te detecteren. |
| Transiënte bacteriëmie | Dit verwijst naar een tijdelijke aanwezigheid van bacteriën in de bloedbaan, die vaak van korte duur is en niet noodzakelijkerwijs duidt op een ernstige infectie. |
| Contaminatie | Contaminatie bij het afnemen van hemokulturen treedt op wanneer micro-organismen van de huid of de omgeving per ongeluk in het bloedmonster terechtkomen, wat kan leiden tot foutieve resultaten. |
| Antisepticum op basis van alkohol | Een ontsmettingsmiddel dat voornamelijk alcohol bevat, gebruikt om de huid te reinigen en het aantal micro-organismen op het huidoppervlak te verminderen vóór een medische procedure. |
| Anaerobe fles | Een speciaal bloedkweekflesje dat is ontworpen om micro-organismen te kweken die groeien in afwezigheid van zuurstof. |
| Aerobe fles | Een speciaal bloedkweekflesje dat is ontworpen om micro-organismen te kweken die zuurstof nodig hebben voor groei. |
| Vlindernaald | Een dunne, flexibele naald met vleugels aan de zijkant, die wordt gebruikt voor het afnemen van bloed, vooral bij patiënten met kwetsbare aderen, om het risico op beschadiging te minimaliseren. |
| Vacuüm zuigen | De flessen voor bloedkweken zijn vaak vacuüm verpakt, wat betekent dat ze een onderdruk bevatten. Wanneer de naald wordt ingebracht, wordt het bloed automatisch in de fles gezogen door dit drukverschil. |
| Syfilis | Een infectieziekte veroorzaakt door de bacterie *Treponema pallidum*, die zich systemisch kan verspreiden en levenslang in het lichaam kan blijven. |
| Ulcus durum (sjanker) | Een harde, pijnloze papel die zich voordoet als lokale infectie bij primaire syfilis en die spontaan kan genezen, maar waarbij de bacterie zich reeds kan verspreiden. |
| Primaire syfilis | De initiële fase van syfilis, gekenmerkt door een lokale infectie met een ulcus durum (sjanker), die na enkele weken spontaan kan genezen. |
| Secundaire syfilis | De fase van syfilis die optreedt na enkele maanden, waarbij *Treponema pallidum* zich systemisch verspreidt en huid- en slijmvliesletsels veroorzaakt, en die ook spontaan kan genezen. |
| Tertiaire syfilis | De latente fase van syfilis die na vele asymptomatische jaren kan optreden, gekenmerkt door chronische inflammatie en onomkeerbare orgaanschade, met mogelijke neurologische, psychiatrische en cardiale complicaties. |
| Congenitale syfilis | Syfilis die van de moeder op de foetus wordt overgedragen tijdens de zwangerschap of bevalling. |
| Serologie | Een diagnostische methode die gebruikmaakt van bloedonderzoek om antistoffen tegen *Treponema pallidum* te detecteren, waarbij sommige testen levenslang positief blijven (screening op contact) en andere negatief worden na succesvolle behandeling (screening op ziekte). |
| TPPA (Treponema pallidum particle agglutination) test | Een serologische test die wordt gebruikt voor de screening op contact met syfilis en die doorgaans levenslang positief blijft na een infectie. |
| VDRL (Venereal Disease Research Laboratories) test | Een serologische test die wordt gebruikt voor de screening op actieve syfilis en die negatief kan worden na een efficiënte behandeling. |
| Gummata | Chronische, ontstekingsachtige laesies die zich kunnen vormen in organen zoals bot, huid en hersenen tijdens tertiaire syfilis. |
| Neurosyfilis | Een complicatie van tertiaire syfilis waarbij de infectie het zenuwstelsel aantast, leidend tot neurologische en psychiatrische symptomen. |
| Cardiovasculaire syfilis | Een complicatie van tertiaire syfilis waarbij de infectie het hart en de bloedvaten aantast. |
| Seksueel overdraagbare aandoeningen (soa's) | Infectieziekten die worden overgedragen via seksueel contact. Ze kunnen worden veroorzaakt door virussen, bacteriën, protozoa of insecten en manifesteren zich met lokale symptomen zoals ulcera, pijn, afscheiding en inflammatie, of systemische symptomen zoals koorts en huiduitslag. Lange-termijn complicaties kunnen lokale tumoren, infertiliteit en infecties op afstand omvatten. |
| Verwekkers | De organismen die een infectie veroorzaken. Bij soa's kunnen dit virussen, bacteriën, protozoa of insecten zoals schaamluizen zijn. |
| Overdracht | Het proces waarbij een ziekteverwekker van de ene persoon op de andere wordt overgebracht. Bij soa's gebeurt dit meestal via direct contact met besmette geslachtsorganen, maar ook via handen of door contact met slijmvliezen en lichaamsopeningen. |
| Incubatietijd | De periode tussen de blootstelling aan een ziekteverwekker en het optreden van de eerste symptomen. Deze tijd varieert sterk afhankelijk van het type soa en kan variëren van kort na contact tot jaren later bij complicaties. |
| Diagnose | Het proces van het identificeren van een ziekte. Voor soa's worden bij voorkeur directe methoden gebruikt, aangevuld met serologie. Soms worden infecties syndromaal behandeld zonder de specifieke verwekker aan te tonen. |
| Syndromaal behandelen | Het behandelen van een infectie op basis van de verzameling symptomen (syndroom), zonder dat de specifieke verwekker noodzakelijk is aangetoond. Dit wordt toegepast bij aandoeningen zoals Pelvic Inflammatory Disease (PID) of urethritis. |
| Aangifteplichtige diagnosen | Bepaalde infectieziekten die wettelijk verplicht zijn om te worden gemeld aan de gezondheidsautoriteiten zodra ze zijn vastgesteld. |
| Gonorroe | Een seksueel overdraagbare aandoening veroorzaakt door de bacterie *Neisseria gonorrhoeae*. Deze bacterie hecht zich efficiënt aan epitheelcellen en kan urethritis bij mannen veroorzaken (met branderig gevoel en afscheiding) en vaak milde of asymptomatische infecties bij vrouwen, met risico op Pelvic Inflammatory Disease (PID). |
| Urethritis | Een ontsteking van de urinebuis, vaak veroorzaakt door een soa zoals gonorroe. Symptomen bij mannen zijn een branderig gevoel tijdens het plassen en afscheiding uit de urinebuis. |
| Pelvic Inflammatory Disease (PID) | Een infectie van de vrouwelijke voortplantingsorganen, vaak een complicatie van soa's zoals gonorroe en chlamydia. PID kan leiden tot infertiliteit en buitenbaarmoederlijke zwangerschappen. |
| Epididymitis | Een ontsteking van de bijbal, een complicatie van soa's bij mannen, zoals gonorroe. |
| Gramkleuring | Een laboratoriumtechniek die wordt gebruikt om bacteriën te classificeren op basis van hun celwandstructuur. Gram-negatieve bacteriën, zoals *Neisseria gonorrhoeae*, kleuren roze of rood. |
| Centraal zenuwstelsel (CZS) | Het centrale zenuwstelsel omvat de hersenen en het ruggenmerg, en is verantwoordelijk voor de verwerking van informatie en het aansturen van lichaamsfuncties. |
| Meningeale prikkeling | Een ontsteking van de hersenvliezen (meningen) die symptomen kan veroorzaken zoals hoofdpijn, nekstijfheid en gevoeligheid voor licht en geluid. |
| Neurologische symptomen | Symptomen die verband houden met het zenuwstelsel, zoals hoofdpijn, bewustzijnsdaling, gevoelsstoornissen, motorische problemen of psychiatrische veranderingen. |
| Intracraniële overdruk | Een verhoogde druk binnen de schedel, die kan leiden tot symptomen zoals braken, hoofdpijn, nekstijfheid en veranderingen in de hartslag en bloeddruk. |
| Sepsis | Een levensbedreigende aandoening waarbij het lichaam een extreme reactie heeft op een infectie, wat kan leiden tot orgaanfalen en diffuse intravasculaire stolling. |
| Septische embolen | Bloedstolsels die bacteriën of andere ziekteverwekkers bevatten en zich kunnen verspreiden naar andere delen van het lichaam, waaronder de hersenen. |
| Lumbaal vocht | Vocht dat wordt verkregen door middel van een lumbaalpunctie (ruggenprik) uit de ruimte rond het ruggenmerg, gebruikt voor diagnostische doeleinden. |
| Cytologie (celtelling) | Het tellen van cellen in het lumbaal vocht, wat kan helpen bij het onderscheiden van virale en bacteriële infecties, waarbij virale infecties doorgaans leiden tot een stijging van lymfocyten en bacteriële infecties tot een stijging van neutrofielen. |
| Biochemie (lumbaal vocht) | Analyse van de chemische samenstelling van het lumbaal vocht, zoals eiwit- en glucosegehaltes, wat diagnostische aanwijzingen kan geven over de aard van een infectie. |
| PCR (Polymerase Chain Reaction) | Een laboratoriumtechniek die wordt gebruikt om specifieke DNA- of RNA-sequenties te vermenigvuldigen, waardoor de aanwezigheid van ziekteverwekkers in lumbaal vocht kan worden aangetoond. |
| Opportunistische pathogenen | Micro-organismen die normaal gesproken geen ziekte veroorzaken bij gezonde individuen, maar wel infecties kunnen veroorzaken bij personen met een verzwakt immuunsysteem of wanneer natuurlijke barrières worden doorbroken. |
| Lymfadenopathieën van infectieuze oorsprong | Een aandoening waarbij lymfeklieren of lymfocyten, of andere immuuncellen, ontstoken of vergroot zijn als gevolg van een infectie, wat zich kan uiten als een veralgemeende lymfoproliferatie, meestal als reactie op een virale infectie. |
| Lymfoproliferatie | Een overmatige deling van lymfocyten, die vaak optreedt als reactie op een infectie of andere immuunstimulatie, en kan leiden tot vergrote lymfeklieren. |
| Lymfadenitis | Een ontsteking van een lymfeklier, vaak veroorzaakt door een bacteriële infectie, die zich kenmerkt door pijnlijke, geïnflammeerde klieren in een specifiek gebied. |
| Gegeneraliseerde lymfadenopathieën | Een aandoening waarbij vergrote lymfeklieren verspreid over het hele lichaam voorkomen, vaak veroorzaakt door systemische infecties zoals virale aandoeningen. |
| Serologische uitwerking | Een diagnostisch proces waarbij bloedonderzoek wordt gebruikt om de aanwezigheid van specifieke antistoffen of antigenen te detecteren, om zo de verwekker van een infectie te identificeren. |
| Virale load | De hoeveelheid viraal genetisch materiaal (RNA of DNA) die aanwezig is in een infectie, gemeten met technieken zoals PCR, en gebruikt voor therapiemonitoring. |
| Paul-Bunnell test | Een serologische test die wordt gebruikt om heterofiele antistoffen op te sporen, die worden geproduceerd als reactie op een Epstein-Barrvirus (EBV) infectie, en die kenmerkend zijn voor mononucleosis infectiosa. |
| Mononucleosis infectiosa | Een virale infectie, ook bekend als klierkoorts of ziekte van Pfeiffer, die voornamelijk wordt veroorzaakt door EBV en zich kenmerkt door symptomen zoals koorts, keelpijn en vergrote lymfeklieren. |
| Cytomegalovirus (CMV) | Een veelvoorkomend herpesvirus dat bij gezonde personen vaak asymptomatisch verloopt, maar bij immuungecompromitteerde individuen ernstige ziekte kan veroorzaken, inclusief orgaanfalen en congenitale afwijkingen. |
| Epstein-Barrvirus (EBV) | Een herpesvirus dat de oorzaak is van mononucleosis infectiosa en dat levenslang aanwezig blijft in B-cellen, met het potentieel om te reactiveren. |
| Human Immunodeficiency Virus (HIV) | Een retrovirus dat het immuunsysteem aantast door CD4+ T-cellen te infecteren, wat leidt tot immuunverzwakking en uiteindelijk AIDS, met een verhoogd risico op opportunistische infecties en kankers. |
| Intravasale infectie | Een infectie die zich in de bloedbaan bevindt, inclusief de aanwezigheid en vermenigvuldiging van micro-organismen. |
| Endovasculaire infectie | Een infectie die specifiek het endotheel, de binnenkant van de bloedvaten, aantast, inclusief het endocard van het hart en geïmplanteerde biomaterialen. |
| Primaire endovasculaire infectie | Een infectie die direct ontstaat in het endotheel van het hart of de bloedvaten, of op geïmplanteerde biomaterialen zoals kunsthartkleppen of katheters. |
| Secundaire bacteriëmie | Een situatie waarbij micro-organismen vanuit een infectiehaard buiten de bloedbaan herhaaldelijk of in grote aantallen in de bloedbaan terechtkomen. |
| Bacteriemie | De aanwezigheid van bacteriën in de bloedbaan. |
| Viremie | De aanwezigheid van virussen in de bloedbaan. |
| SIRS (Systemisch Inflammatoir Response Syndroom) | Een gegeneraliseerde ontstekingsreactie in het lichaam, die niet uitsluitend door infecties wordt veroorzaakt, gekenmerkt door symptomen zoals koorts, koude rillingen, versnelde ademhaling en hartslag. |
| Septische shock | Een ernstige vorm van sepsis waarbij de bloeddruk gevaarlijk laag wordt en de doorbloeding van vitale organen vermindert, wat kan leiden tot orgaanfalen. |
| MOF (Multi-Orgaanfalen) | Het falen van meerdere vitale organen in het lichaam, vaak als gevolg van de secundaire schade die ontstaat door ontstekingen of infecties. |
| Endocarditis | Een infectie van het endotheel van het hart, met name de hartkleppen, maar ook de chordae tendineae en het endocard van de atria en ventrikels. |
| Gasgangreen | Een ernstige infectie veroorzaakt door de bacterie *Clostridium perfringens*, gekenmerkt door snelle weefseldestructie en de productie van gas in het geïnfecteerde weefsel. |
| Clostridium spp. | Een groep bacteriën die anaeroob groeien, sporen kunnen vormen en diverse ziekten kunnen veroorzaken door weefselvernietigende enzymen of potente neurotoxines te produceren. |
| Botulisme | Een zeldzame, ernstige ziekte veroorzaakt door neurotoxines geproduceerd door *Clostridium botulinum*, die spierverlamming kan veroorzaken, vaak geassocieerd met voedselvergiftiging. |
| Verrucae vulgares | Een veelvoorkomende huidinfectie veroorzaakt door het humaan papillomavirus (HPV), die zich manifesteert als wratten, meestal op de handen en vingers. |
| Mollusca Contagiosa | Een virale huidinfectie veroorzaakt door het molluscum contagiosum virus, die zich uit in kleine, parelachtige bultjes, voornamelijk bij kinderen. |
| Tinea pedis | Een schimmelinfectie van de voeten, ook bekend als voetschimmel of atleetvoet, gekenmerkt door roodheid, schilfering en jeuk, veroorzaakt door dermatofyten. |
| Dermatofytosen | Een groep infecties van de huid, haar en nagels veroorzaakt door schimmels die keratine afbreken, zoals bij tinea pedis. |
| Candidiasis | Een infectie veroorzaakt door gistsoorten van het geslacht *Candida*, vaak voorkomend in huidplooien, de vagina en op de slijmvliezen, zoals bij candida vaginitis. |
| Genitale infecties | Infecties die de geslachtsorganen aantasten, waaronder veel seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA's). |
| Seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA/SOI) | Infecties die primair worden overgedragen via seksueel contact, hoewel sommige ook via andere routes kunnen worden verspreid. |
| Vaginitis | Ontsteking van de vagina, vaak veroorzaakt door een verstoring van de normale vaginale flora, resulterend in symptomen zoals afscheiding, jeuk en een branderig gevoel. |
| Bacteriële vaginose (BV) | Een veelvoorkomende oorzaak van vaginitis, gekenmerkt door een overgroei van bepaalde bacteriën die normaal in de vagina voorkomen, wat leidt tot een verstoord microbioom en vaak een onaangename geur. |
| Bacteriële vaginose | Een veelvoorkomende vaginale aandoening die wordt gekenmerkt door een verstoring van de normale vaginale flora, waarbij de hoeveelheid "goede" bacteriën (lactobacillen) afneemt en de hoeveelheid "slechte" bacteriën toeneemt. Dit kan leiden tot symptomen zoals een onaangename geur en veranderingen in de vaginale afscheiding. |
| Genitale Mycoplasmata | Een groep eenvoudige bacteriën die in contact leven met epitheelcellen in het genitale gebied. Deze bacteriën hebben geen celwand, waardoor ze resistent zijn tegen bèta-lactam antibiotica. Bekende soorten in de tractus genitalis zijn Mycoplasma hominis, Ureaplasma urealyticum en Mycoplasma genitalium. |
| Clue cellen | Cellulaire afwijkingen die zichtbaar zijn onder de microscoop tijdens het onderzoek van vaginaal uitstrijkje. Ze zijn kenmerkend voor bacteriële vaginose en worden gevormd wanneer bacteriën zich hechten aan het oppervlak van vaginale epitheelcellen, waardoor deze cellen er korrelig en onduidelijk uitzien. |
| KOH-test (geurtest) | Een diagnostische test waarbij een druppel kaliumhydroxide (KOH) wordt toegevoegd aan een monster van vaginale afscheiding. Bij bacteriële vaginose kan dit een karakteristieke visachtige geur veroorzaken, wat helpt bij de diagnose. |
| pH-strip | Een instrument dat wordt gebruikt om de zuurgraad (pH) van de vaginale afscheiding te meten. Bij bacteriële vaginose is de pH meestal verhoogd (minder zuur) dan normaal, wat een indicatie kan zijn voor een verstoorde vaginale flora. |
| SOA (Seksueel Overdraagbare Aandoening) | Een infectie die wordt overgedragen door seksueel contact. SOA's kunnen worden veroorzaakt door virussen, bacteriën, protozoa of insecten en kunnen zowel lokale als systemische symptomen veroorzaken, met mogelijke complicaties op lange termijn. |
| Obligaat intracellulaire bacterie | Een bacterie die alleen kan overleven en zich vermenigvuldigen binnen de cellen van een gastheer. Chlamydia trachomatis is een voorbeeld van een dergelijke bacterie, die epitheelcellen infecteert. |
| Commensalen | Micro-organismen die op of in een gastheer leven zonder deze te schaden, en soms zelfs voordeel bieden. Mycoplasma hominis en Ureaplasma urealyticum worden beschouwd als commensalen van de genitale tractus, maar kunnen onder bepaalde omstandigheden pathogeen worden. |
| PID (Pelvic Inflammatory Disease) | Een ontsteking van de vrouwelijke voortplantingsorganen, vaak veroorzaakt door opstijgende infecties vanuit de vagina of baarmoederhals. Gonorroe en Chlamydia zijn belangrijke oorzaken van PID en kunnen leiden tot infertiliteit of buitenbaarmoederlijke zwangerschappen. |
| Hepatitis | Een ontsteking van de lever, meestal veroorzaakt door virussen, maar ook door parasieten, medicijnen of auto-immuunziekten. |
| Geelzucht (icterus) | Een gelige verkleuring van de huid en het oogwit, veroorzaakt door een ophoping van bilirubine in het bloed, vaak een symptoom van leverfunctiestoornissen. |
| Leverfalen | Het ernstig verminderd functioneren van de lever, wat kan optreden bij chronische leverinfecties of acute ernstige schade. |
| Cirrose | Een chronische leverziekte waarbij gezond leverweefsel wordt vervangen door littekenweefsel, wat leidt tot ernstige leverfunctiestoornissen. |
| Hepatocellulair carcinoom | Een vorm van leverkanker die ontstaat uit de levercellen zelf, vaak als complicatie van chronische hepatitis of cirrose. |
| Malaise | Een algemeen gevoel van onwelzijn, gekenmerkt door symptomen zoals vermoeidheid, misselijkheid, verlies van eetlust en soms braken. |
| Fecaal-oraal | Een overdrachtsroute van ziekteverwekkers waarbij besmette uitwerpselen in contact komen met de mond, vaak via besmet voedsel of water. |
| Bloed-bloed contact | Een overdrachtsroute van ziekteverwekkers waarbij besmet bloed direct of indirect in contact komt met het bloed van een ander persoon. |
| Perinataal | De periode rondom de geboorte, inclusief de zwangerschap, bevalling en de eerste weken na de geboorte. |
| Fulminant verloop | Een zeer ernstig en snel verlopende ziekte, die snel kan leiden tot levensbedreigende complicaties. |
| CMV antilichaam | Antistoffen (IgG en IgM) die worden aangemaakt tegen het Cytomegalovirus. De aanwezigheid hiervan kan duiden op een doorgemaakte of actieve infectie, wat relevant is voor de foetale gezondheid tijdens de zwangerschap. |
| Serostatus | De bepaling van de aanwezigheid van specifieke antistoffen (zoals IgG en IgM) in het bloed, wat informatie geeft over een doorgemaakte infectie of de immuunrespons op een vaccinatie tegen een bepaalde ziekteverwekker. |
| Preconceptie | De periode voorafgaand aan de zwangerschap. Microbiologische controles en vaccinaties worden bij voorkeur in deze fase uitgevoerd om risico's tijdens de zwangerschap te minimaliseren. |
| Bacteriurie | De aanwezigheid van bacteriën in de urine. Bij zwangere vrouwen kan dit geassocieerd zijn met een verhoogd risico op vroeggeboorte en dient daarom vroegtijdig opgespoord en behandeld te worden. |
| Groep B streptokokken (GBS) | Een bacteriesoort die asymptomatisch kan voorkomen in de vaginale flora van vrouwen. Kolonisatie met GBS bij zwangere vrouwen vormt een risico op neonatale sepsis bij de pasgeborene. |
| Neonatale sepsis | Een ernstige, levensbedreigende infectie die optreedt bij pasgeboren baby's, veroorzaakt door bacteriën die via de moeder tijdens de zwangerschap of bevalling zijn overgedragen. |
| Genitale herpes | Een seksueel overdraagbare aandoening veroorzaakt door het Herpes Simplex Virus (HSV). Bij zwangere vrouwen kan een actieve infectie een risico vormen voor de neonatale gezondheid. |
| Listeria monocytogenes | Een bacterie die listeriose kan veroorzaken, een infectieziekte die vooral gevaarlijk is voor zwangere vrouwen, foetussen en pasgeborenen, en die kan leiden tot ernstige complicaties zoals miskramen of hersenvliesontsteking. |
| Primo-infectie | De eerste keer dat een persoon wordt blootgesteld aan en geïnfecteerd raakt met een specifieke ziekteverwekker, zoals een virus of bacterie. |
| Malformatie | Een aangeboren afwijking of misvorming van een lichaamsdeel of orgaan. Bepaalde infecties tijdens de zwangerschap kunnen leiden tot foetale malformaties. |
| Teratogeen | Een stof of factor die aangeboren afwijkingen kan veroorzaken bij een zich ontwikkelende foetus. |
| Aviditeit (voor CMV) | Een maat voor de bindingssterkte van IgG-antistoffen aan het antigeen. Een lage aviditeit bij CMV-infectie duidt op een recente infectie, terwijl een hoge aviditeit wijst op een oudere infectie. |
| Impetigo | Een huidinfectie die het epidermis aantast, gekenmerkt door de vorming van blaasjes of puistjes die indrogen tot korstjes. Het wordt veroorzaakt door Staphylococcus aureus, soms in combinatie met groep A streptokokken. |
| Folliculitis | Een ontsteking van de haarzakjes, meestal veroorzaakt door Staphylococcus aureus. Het kan zich uiten als een klein puistje met een geel puntje. |
| Furunkel | Een lokaal abces dat ontstaat vanuit een ontstoken haarzakje, ook wel steenpuist genoemd. Het wordt voornamelijk veroorzaakt door Staphylococcus aureus. |
| Karbunkel | Een diepere infectie die zich uitbreidt vanuit meerdere furunkels, met vorming van fistels. Etter kan doorbreken naar de subcutis, met oppervlakkige etterkopjes. |
| Erysipelas | Een acute bacteriële infectie van de dermis en subcutis, meestal veroorzaakt door groep A streptokokken. Kenmerkend zijn koorts, malaise en een scherp begrensde, rode huiduitslag. |
| Cellulitis | Een bacteriële infectie van de dermis en subcutis, die minder scherp begrensd en dieper is dan erysipelas. Het kan worden veroorzaakt door groep A streptokokken en Staphylococcus aureus. |
| Staphylococcus aureus | Een veelvoorkomende bacterie die huidinfecties kan veroorzaken, zoals impetigo, folliculitis, furunkels en erysipelas. Deze bacterie kan ook exfoliërende toxines produceren. |
| Groep A streptokokken | Een groep bacteriën die onder andere impetigo en erysipelas kan veroorzaken. Een specifieke soort is Streptococcus pyogenes. |
| Penicillinase | Een enzym geproduceerd door sommige bacteriën, zoals Staphylococcus aureus, dat penicilline afbreekt en resistentie tegen dit antibioticum veroorzaakt. |
| Penicillinase-resistent penicilline | Een type penicilline, zoals oxacilline, flucloxacilline en methicilline, dat resistent is tegen penicillinase en effectief is tegen Staphylococcus aureus. |
| MRSA (Methicilline-resistente Staphylococcus aureus) | Een stam van Staphylococcus aureus die resistent is tegen methicilline en alle andere bèta-lactam antibiotica, en vaak ook ongevoelig is voor andere antibiotica. |