Cover
Mulai sekarang gratis PPT 7 Update vaccinaties volwassenen.pdf
Summary
# COVID-19 vaccinatiebeleid
Het vaccinatiebeleid voor COVID-19 in het seizoen 2025-2026 is gericht op het beschermen van kwetsbare groepen en het voorkomen van overbelasting van ziekenhuizen door middel van aangepaste vaccins en gerichte strategieën [30](#page=30) [6](#page=6) [7](#page=7).
### 1.1 Werking van COVID-19 vaccins
COVID-19 wordt veroorzaakt door het coronavirus SARS-CoV-2. Dit virus heeft een S-proteïne aan de oppervlakte dat zich kan binden aan ACE-2 receptoren in het lichaam, waardoor het menselijke cellen kan binnendringen en repliceren. Vaccinatie is ontworpen om het immuunsysteem te stimuleren tegen dit virus en zo te beschermen tegen ernstige ziekte [10](#page=10) [17](#page=17).
Er zijn verschillende strategieën ontwikkeld om specifieke immuniteit tegen SARS-CoV-2 op te wekken. Een veelgebruikte technologie is het RNA-vaccin [16](#page=16) [22](#page=22).
#### 1.1.1 RNA-vaccins
RNA-vaccins maken gebruik van een fragment genetisch materiaal, messenger RNA (mRNA), dat instructies bevat voor het produceren van het S-proteïne. Nadat dit mRNA is toegediend, produceren de eigen cellen van het lichaam het S-proteïne. Vervolgens produceert het lichaam antistoffen om dit S-proteïne te bestrijden [22](#page=22).
**Belangrijk:** Het mRNA van deze vaccins dringt de celkern niet binnen en heeft dus geen invloed op het menselijk DNA of genetisch materiaal. Er is al jarenlange ervaring met de ontwikkeling van RNA-vaccins, bijvoorbeeld voor hondsdolheid en zelfs voor de bestrijding van kanker [22](#page=22).
### 1.2 Risicofactoren voor ernstige ziekte door COVID-19
Hoewel sommige mensen nauwelijks of geen klachten ontwikkelen, kunnen anderen ernstig ziek worden, met het risico op overlijden of langdurige klachten zoals post-Covid. De mogelijke symptomen van COVID-19 variëren van verkoudheidsklachten, hoesten en benauwdheid tot koorts, en soms een plotseling verlies van reuk en/of smaak. Andere veelvoorkomende klachten zijn vermoeidheid, pijnklachten, hoofdpijn, spierpijn, duizeligheid, prikkelbaarheid, buikpijn, eetlustverlies, diarree, overgeven en misselijkheid [10](#page=10) [11](#page=11).
De leeftijd is de sterkste risicofactor voor complicaties door COVID-19 [24](#page=24).
#### 1.2.1 Specifieke risicogroepen
* **Zwangere vrouwen:** Zwangere vrouwen lopen een verhoogd risico op ernstige ziekte en complicaties door COVID-19. Dit omvat een verhoogd risico op placentitis, opname op de intensive care, intubatie, overlijden, vroeggeboorte (25-44%), pre-eclampsie, intra-uteriene groeiretardatie (IUGR), opname op de Neonatale Intensive Care Unit (NICU) en een lager geboortegewicht. Het risico op ernstige ziekte is hoger in het late tweede en derde trimester van de zwangerschap [27](#page=27).
* **Ouderen en personen met comorbiditeit:** Groepen die het grootste risico lopen op een ernstig verloop en op blootstelling zijn onder andere 65-plussers en personen met comorbiditeit [30](#page=30).
> **Tip:** Het is cruciaal om de risicofactoren voor ernstige COVID-19 te begrijpen om de noodzaak van vaccinatie binnen specifieke bevolkingsgroepen te rechtvaardigen.
### 1.3 Impact van vaccinatie op het verminderen van hospitalisaties en sterfte
Het vaccinatiebeleid voor het seizoen 2025-2026 is aangepast aan recent circulerende virusstammen. Het hoofddoel van deze vaccinatiecampagne is het voorkomen van overbelasting van ziekenhuizen en het verminderen van sterfte [30](#page=30).
#### 1.3.1 Gegevens en aanbevelingen
De strategie is primair gericht op groepen met het grootste risico op een ernstig verloop en blootstelling, zoals 65-plussers en personen met onderliggende aandoeningen. In de voorgaande winter was ongeveer 50% van de 65-plussers gevaccineerd tegen COVID-19. Dit resulteerde in een risicoreductie van meer dan 50% voor hospitalisatie in deze leeftijdsgroep, volgens aanbevelingen van de Hoge Gezondheidsraad (HGR) in 2025 [30](#page=30).
> **Tip:** Zoek naar specifieke gegevens en studies (zoals de HGR aanbevelingen) die de effectiviteit van vaccins in het verminderen van ernstige ziekte, hospitalisaties en sterfte onderbouwen. Dit helpt om de beleidsbeslissingen te verklaren.
### 1.4 Toekomstige COVID-19 vaccins
Er wordt continu onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van toekomstige COVID-19 vaccins. Deze ontwikkelingen kunnen gericht zijn op verbeterde bescherming, nieuwe virusstammen of nieuwe toedieningsvormen [33](#page=33).
---
# Griep (influenza) vaccinatie
Dit gedeelte biedt een gedetailleerd overzicht van griep en de effectiviteit van het griepvaccin, inclusief de kenmerken van het influenzavirus, de impact op de volksgezondheid, en specifieke vaccinatieaanbevelingen voor risicogroepen en kinderen.
### 2.1 Het influenzavirus en de impact van griep
#### 2.1.1 Kenmerken van het influenzavirus
Influenzavirussen behoren tot de familie *Orthomyxoviridae* en zijn RNA-virussen, opgedeeld in drie types: A, B en C. Deze virussen verspreiden zich via de lucht door middel van infectieuze druppels en direct contact. Een besmet persoon is doorgaans 1 dag voor de aanvang van symptomen tot 5-7 dagen erna besmettelijk. De incubatietijd varieert van 0,5 tot 1,5 dagen [39](#page=39).
#### 2.1.2 Klinische manifestaties van griep
Griep, veroorzaakt door het influenzavirus, manifesteert zich typisch met een plotselinge koorts, hoofdpijn, spierpijn, hoest, keelpijn en rhinitis. Soms treden ook buikpijn, braken, misselijkheid en diarree op [40](#page=40).
#### 2.1.3 Volksgezondheidseffecten van griep
Het influenza virus is een significante oorzaak van morbiditeit en mortaliteit wereldwijd. Globaal wordt geschat dat jaarlijks 5-10% van de volwassenen en 20-30% van de kinderen besmet raakt, wat leidt tot 3-5 miljoen ernstige ziektegevallen en 1 miljoen overlijdens per jaar. In België wordt gemiddeld 500.000 mensen per jaar getroffen door een griepsyndroom, wat neerkomt op ongeveer 2-8% van de bevolking. Een matige epidemie treft circa 5% van de bevolking, terwijl een sterke epidemie ongeveer 10% kan treffen. Ongeveer 1 op de 1.000 grieppatiënten ontwikkelt complicaties die ziekenhuisopname vereisen. Meer dan 90% van de sterfgevallen betreft personen ouder dan 65 jaar [40](#page=40) [41](#page=41).
#### 2.1.4 Virale subtypes en genetische variatie
Influenzavirussen worden verder onderverdeeld in subtypes op basis van de hemagglutinine (H) en neuraminidase (N) glycoproteïnen op hun oppervlak [42](#page=42) [43](#page=43).
* **Hemagglutinine (HA) subtypes:** Bekend zijn H1 tot H16 [44](#page=44).
* **Neuraminidase (NA) subtypes:** Bekend zijn N1 tot N9 [44](#page=44).
Variatie binnen de influenzavirussen treedt op door twee mechanismen:
* **Antigenic drift:** Puntmutaties veroorzaken kleine veranderingen in het virus, wat leidt tot jaarlijkse epidemieën. Voorbeelden hiervan zijn de stammen A/H1N1, A/H3N2 en de B-lijnen (Yamagata en Victoria) [44](#page=44).
* **Antigenic shift:** Door het gesegmenteerde genoom van het virus kunnen genoomfragmenten worden uitgewisseld, wat grote veranderingen veroorzaakt en leidt tot sporadische pandemieën [44](#page=44).
Historische pandemieën, zoals de Spaanse griep (H1N1) in 1918, de Aziatische griep (H2N2) in 1957 en de Hongkonggriep (H3N2) in 1968, illustreren de impact van deze virale veranderingen. Varkens spelen een cruciale rol bij het ontstaan van nieuwe pandemische stammen door het faciliteren van genetische herassortment tussen menselijke en dierlijke influenzavirussen [45](#page=45) [51](#page=51) [53](#page=53) [55](#page=55) [56](#page=56) [57](#page=57).
### 2.2 Griepvaccins: effectiviteit en aanbevelingen
#### 2.2.1 Algemene principes van vaccin effectiviteit
De effectiviteit van griepvaccins hangt af van diverse factoren. Een cruciale factor is de mate van overeenkomst tussen de vaccinstam en de circulerende griepstammen. De meetmethoden die worden gebruikt, zoals het definiëren van uitkomstmaten, beïnvloeden ook de gerapporteerde effectiviteit. Het gebruik van minder specifieke uitkomstmaten, zoals influenza-like illness (ILI), kan de berekende effectiviteit verlagen door de co-circulatie van andere ziekteverwekkers met vergelijkbare symptomen [62](#page=62).
Het onderscheid tussen **efficacy** en **effectiveness** is belangrijk [63](#page=63):
* **Efficacy:** Een schatting van de waarschijnlijkheid dat een interventie een uitkomst voorkomt onder optimale omstandigheden, zoals in gerandomiseerde gecontroleerde trials (RCT's) ] [63](#page=63).
* **Effectiveness:** De waarschijnlijkheid dat een interventie een uitkomst voorkomt wanneer deze in de praktijk wordt toegepast, zoals in observationele studies [63](#page=63).
Laboratoriumbevestigde infecties, bijvoorbeeld via RT-PCR, worden beschouwd als de best beschikbare uitkomstmaat. Verschillende studies tonen aan dat bij het gebruik van bevestigde griepgevallen de effectiviteit hoger is (bijvoorbeeld 86%) dan bij het gebruik van ILI (bijvoorbeeld 34%) ] [62](#page=62) [63](#page=63).
#### 2.2.2 Efficacy van TIV en LAIV
Onderzoek naar de efficacy van trivalent geïnactiveerd vaccin (TIV) en levend verzwakt griepvaccin (LAIV) toont het volgende aan [65](#page=65):
* **TIV:** In 8 van de 12 seizoenen toonde TIV efficacy aan in RCT's. De gepoolde efficacy bij volwassenen tussen 18 en 65 jaar was 59% (95% betrouwbaarheidsinterval: 51-67%) . Er was een gebrek aan kwalitatieve studies bij kinderen van 1-17 jaar en bij 65-plussers [65](#page=65).
* **LAIV:** In 9 van de 12 seizoenen toonde LAIV efficacy aan in RCT's. De gepoolde efficacy bij kinderen van 6 maanden tot 7 jaar was 83% (95% betrouwbaarheidsinterval: 69-91%) . Er was een gebrek aan kwalitatieve studies bij kinderen van 8-17 jaar en bij de oudere bevolking [65](#page=65).
#### 2.2.3 Recente effectiviteit van griepvaccinatie
In de winter van 2023-2024 heeft griepvaccinatie het risico op een "milde" griep, waarvoor men naar de huisarts gaat, met 53% verlaagd, en het risico op griep met ziekenhuisopname met 44% ] [66](#page=66).
#### 2.2.4 Gezondheidsdoelstellingen en simulatiestudies
Simulatiestudies, zoals een Amerikaanse studie, suggereren dat een stijging van de vaccinatiegraad met 20% kan leiden tot een daling van het aantal ziekenhuisopnames door influenza met meer dan een tiende, en een vermindering van het aantal doden met 9-14% ] [67](#page=67).
#### 2.2.5 Aanbevelingen voor vaccinatie
#### 2.2.5.1 Aanbevelingen Hoge Gezondheidsraad (HGR) 2025-2026
De Hoge Gezondheidsraad beveelt aan om risicogroepen te vaccineren tegen seizoensgebonden griep voor het winterseizoen 2025-2026, bij voorkeur vanaf midden oktober tot midden november [68](#page=68) [69](#page=69).
#### 2.2.5.2 Risicogroepen voor griepvaccinatie
De risicogroepen worden onderverdeeld in drie categorieën [69](#page=69):
* **Groep 1: Mensen met risico op complicaties:**
* Personen van 65 jaar en ouder.
* Personen vanaf 6 jaar met een chronische aandoening (inclusief personen met een BMI van 40 kg/m² of hoger).
* Personen verblijvend in een instelling voor langdurige zorg of een verpleeghuis.
* Zwangere vrouwen.
* Kinderen van 6 maanden tot 18 jaar die aspirinetherapie volgen.
* **Groep 2: Alle personen werkzaam in de gezondheidszorg.**
* **Groep 3: Alle personen die in hetzelfde huishouden wonen als:**
* Mensen uit Groep 1.
* Kinderen jonger dan 6 maanden zonder risicofactoren, op voorwaarde dat hun moeder geen griepvaccin kreeg tijdens de zwangerschap.
Een volledige lijst van chronische aandoeningen is te vinden in het advies van de HGR [69](#page=69).
#### 2.2.6 Beschikbare vaccins in België (2025-2026)
Er zijn verschillende griepvaccins beschikbaar in België voor het seizoen 2025-2026. Een specifieke vermelding gaat naar geadjuventeerde vaccins, die een hulpstof zoals MF59 bevatten [71](#page=71) [72](#page=72).
#### 2.2.7 Verdere effectiviteitsstudie van geadjuventeerde vaccins
Recente studies, zoals die gepubliceerd in *The Lancet Regional Health – Europe*, onderzoeken de extra daling van griepgerelateerde hospitalisaties door het gebruik van specifieke vaccins of door het bereiken van hogere vaccinatiegraden in bepaalde populaties ] ] ] ] . Een studie toonde een aanvullende daling van 31,9% in lab-bevestigde griepgerelateerde ziekenhuisopnames en een 6,3% aanvullende daling in ziekenhuisopnames voor cardio-respiratoire gebeurtenissen [76](#page=76) [77](#page=77) [78](#page=78) [79](#page=79) [80](#page=80) [81](#page=81).
#### 2.2.8 Vaccinatie van kinderen tegen griep
De vaccinatie van kinderen tegen griep is een belangrijk onderwerp. Modelleringsstudies hebben meer dan 6.000 vaccinatiescenario's geanalyseerd . De meest kosteneffectieve scenario's behelzen het bereiken van 90% dekkingsgraad bij alle kinderen, in combinatie met een dekkingsgraad van 75% bij 65-plussers . Dit kan een aanzienlijk indirect effect hebben, met mogelijk tot 297.742 vermeden gevallen, 1856 ziekenhuisopnames en 81 doden . Vaccinatie van kinderen onder de 5 jaar heeft het grootste effect . De haalbaarheid van het bereiken van een 90% dekkingsgraad is een uitdaging, gezien de huidige lage percentages (0,07% in België) . Landen als het VK en de VS hebben hogere dekkingsgraden (respectievelijk 50% en 56% in 2023) . Er is een ethische dimensie en behoefte aan draagvlak voor vaccinatie bij kinderen [86](#page=86) [87](#page=87) [89](#page=89).
#### 2.2.9 Aanvullend vaccin voor ouderen
Er wordt ook gekeken naar een derde vaccinoptie specifiek gericht op het voorkomen van ziekenhuisopnames bij ouderen [90](#page=90).
> **Tip:** Het is cruciaal om het onderscheid te maken tussen "efficacy" (onder ideale omstandigheden) en "effectiveness" (in de praktijk) bij het beoordelen van vaccinprestaties.
>
> **Tip:** Let op de specifieke risicogroepen die worden aanbevolen voor vaccinatie, aangezien deze kunnen variëren per seizoen en adviesorgaan.
>
> **Voorbeeld:** Een hypothetisch scenario: als een vaccin een efficacy heeft van 80% in klinische trials, betekent dit niet noodzakelijk dat de effectiviteit in de dagelijkse praktijk ook 80% zal zijn, vanwege factoren zoals temperatuurafgifte, bewaarcondities en individuele immuunresponsen.
---
# Vaccinatie tegen Respiratoir Syncytieel Virus (RSV)
Dit onderwerp behandelt het Respiratoir Syncytieel Virus (RSV), de symptomatologie, risicogroepen, en de beschikbare en in ontwikkeling zijnde vaccins voor volwassenen, inclusief hun effectiviteit, veiligheid en terugbetalingsvoorwaarden.
### 3.1 Respiratoir Syncytieel Virus (RSV)
RSV is een RNA-virus dat voorkomt in twee typen: RSV-A en RSV-B. Het is een zeer besmettelijke ziekte die zich verspreidt via de lucht door hoesten, niezen en snuiten, direct contact met een geïnfecteerd persoon, of indirect contact met een besmet oppervlak. Na een infectie is er geen levenslange immuniteit [92](#page=92).
#### 3.1.1 RSV als ziekte van alle leeftijden
Vrijwel alle kinderen worden tegen de leeftijd van twee jaar met RSV besmet. Oudere volwassenen lopen echter een verhoogd risico op een ernstige RSV-infectie. Dit risico is nog groter bij personen met onderliggende comorbiditeiten. De immuunrespons na een natuurlijke infectie is onvolledig en van korte duur, wat betekent dat RSV-herinfecties gedurende het hele leven kunnen voorkomen [93](#page=93).
#### 3.1.2 Symptomen van RSV-infectie
De symptomen van een RSV-infectie variëren afhankelijk van de leeftijd en of het om een primaire infectie of een herinfectie gaat. Mogelijke manifestaties zijn [94](#page=94):
* Asymptomatisch verloop [94](#page=94).
* Bovenste luchtweginfectie [94](#page=94).
* Bij oudere volwassenen met onderliggende aandoeningen kan het zich presenteren als een griepachtig ziektebeeld met ademnood, leidend tot longontsteking (ongeveer 25% van de gevallen). Complicaties zoals hospitalisatie (ongeveer 25%) en overlijden (>10%) zijn mogelijk [94](#page=94).
* Bronchiolitis, gekenmerkt door ademhalingsmoeilijkheden, piepende ademhaling, ademnood, zuurstoftekort, uitdroging, spijsverteringsmoeilijkheden, koorts, en long- en oorontsteking [94](#page=94).
### 3.2 Vaccinatie tegen RSV bij volwassenen
Er zijn verschillende vaccins beschikbaar en in ontwikkeling voor RSV-preventie bij volwassenen.
#### 3.2.1 Arexvy® (GSK)
* **Type:** Recombinant vaccin gebaseerd op glycoproteïne F met een adjuvans [100](#page=100).
* **Indicatie:** Preventie van aandoeningen van de lagere luchtwegen (LLW) bij volwassenen ouder dan 60 jaar [100](#page=100).
* **Beschikbaarheid:** Op de Belgische markt sinds augustus 2023 [100](#page=100).
* **Kostprijs:** 191,49 euro [100](#page=100).
* **Terugbetaling:** 8,30-12,50 euro voor 65-plussers in woonzorgcentra en voor 65-plussers met een verhoogd risico (met attest van voorschrijver) [100](#page=100).
* **Effectiviteit en veiligheid:** De AReSVi-006 studie toonde aan dat één dosis van het vaccin volwassenen gedurende twee RSV-seizoenen beschermt tegen LLW-infecties door RSV. Het vaccin heeft een gunstig veiligheidsprofiel. De meeste gemelde bijwerkingen waren transiënt en licht tot matig qua intensiteit. De meest voorkomende lokale bijwerking was pijn (60,9%), en de meest voorkomende systemische bijwerking was vermoeidheid (33,6%) [97](#page=97) [98](#page=98).
#### 3.2.2 Abrysvo® (Pfizer)
* **Type:** Recombinant vaccin gebaseerd op glycoproteïne F [100](#page=100).
* **Indicatie:** Preventie van LLW-aandoeningen bij volwassenen ouder dan 60 jaar en bij zwangeren [100](#page=100).
* **Kostprijs:** 186,01 euro [100](#page=100).
* **Terugbetaling:** 8,30-12,50 euro voor zwangere vrouwen, met een bevalling tijdens het RSV-seizoen (oktober tot maart) [100](#page=100).
#### 3.2.3 RSV-vaccin mRNA-1345 (Moderna)
* Dit vaccin heeft fase 3 klinische ontwikkeling doorlopen, maar is momenteel nog niet beschikbaar op de Belgische markt [100](#page=100).
> **Tip:** Let bij de terugbetalingsvoorwaarden goed op de specifieke leeftijdsgroepen en vereisten, zoals attesten van voorschrijvers of de periode van zwangerschap in relatie tot het RSV-seizoen.
### 3.3 RSV-vaccinatie en Guillain-Barré Syndroom (GBS)
Guillain-Barré Syndroom (GBS) is een immuun-gemedieerde ziekte van de perifere zenuwen die kan leiden tot verlamming en krachtverlies, met meestal een geleidelijke recuperatie. Hoewel GBS vaak een infectieuze oorzaak heeft (zoals CMV, campylobacter, EBV), is er een kleine toename van het risico beschreven na RSV-vaccinatie .
* **Beschreven risico:** Per miljoen gevaccineerden zijn er naar schatting 7 extra gevallen na vaccinatie met Arexvy® en 9 na vaccinatie met Abrysvo® .
* **Recente bevindingen:** Een studie bij 60+ Amerikaanse inwoners vergeleek de GBS-incidentie zes weken na vaccinatie met de incidentie 43-90 dagen na vaccinatie. Voor Arexvy® werden 5,2 extra gevallen per miljoen gevaccineerden waargenomen, wat niet statistisch significant was. Voor Abrysvo® werd een significant verhoogd risico op GBS waargenomen (18,2 extra gevallen per miljoen gevaccineerden) .
Het is belangrijk om dit mogelijke risico af te wegen tegen de vaccindoeltreffendheid, zoals de gemiddeld 75% bescherming tegen ziekenhuisopname in het eerste seizoen, de reductie in ziektelast, de druk op ziekenhuizen en het verminderd voorschrijven van antibiotica .
---
# Vaccinatie tegen Herpes Zoster (Zona)
Dit onderdeel behandelt herpes zoster (zona), de symptomen ervan, mogelijke complicaties zoals postherpetische neuralgie, en de beschikbare vaccins, inclusief terugbetalingsinformatie en aanbevelingen voor specifieke risicogroepen.
### 4.1 Wat is herpes zoster (zona)?
Herpes zoster, ook bekend als zona of gordelroos, is een huiduitslag die zich typisch presenteert als een bandvormig patroon aan één kant van het lichaam. De uitslag kan voorkomen op de borstkas, rug, romp, hals, nek of het aangezicht, maar zelden op de ledematen .
#### 4.1.1 Symptomen van zona
Enkele dagen voordat de huiduitslag zichtbaar wordt, kunnen er lokale sensaties optreden zoals een branderig gevoel, pijn of jeuk. Vervolgens verschijnen er rode vlekjes en blaasjes aan één kant van het lichaam, vaak op de borstkas, romp of het aangezicht. Tijdens een uitbraak kunnen algemene grieperige gevoelens en lichte koorts optreden .
#### 4.1.2 Verloop van zona
Nieuwe vlekjes of blaasjes kunnen gedurende een week verschijnen. Daarna drogen ze uit en vormen korstjes. Genezing treedt doorgaans op binnen één tot twee weken, meestal zonder littekenvorming, hoewel de huid verkleurd kan blijven .
#### 4.1.3 Complicaties van zona
Een significante complicatie is postherpetische neuralgie, waarbij pijn maanden na de infectie aanhoudt als gevolg van ontsteking van de aangetaste zenuw. Indien zona in het aangezicht optreedt, kan dit leiden tot oogontsteking, met roodheid, gevoelloosheid en moeilijkheden bij scherp zien tot gevolg. Bij vermoeden van zona in het gelaat is medische consultatie essentieel .
### 4.2 Incidentie en prevalentie
Zonder vaccinatie is de incidentie van varicella (waterpokken), de primaire infectie die varicella-zoster virus (VZV) veroorzaakt, hoog. In gematigde gebieden is meer dan 90% van de kinderen seropositief tegen de adolescentie, met verschillen tussen landen die de variabiliteit in R0-waarden weerspiegelen. De jaarlijkse incidentie van VZV kan variëren van 4.400 tot 18.600 gevallen per 100.000 kinderen in de leeftijd van 0-4 jaar. Belgische gegevens tonen incidentiecijfers per 10.000 contacten van gemelde herpes zoster per leeftijdsgroep tussen 2006-2012 en 2021. Hospitalisatiecijfers voor zona per 100.000 populatie in België tussen 2000-2007 laten ook een toename zien met leeftijd, alsook het percentage zona-gevallen gevolgd door postherpetische neuralgie .
### 4.3 Vaccinatie tegen herpes zoster
#### 4.3.1 Beschikbare vaccins
Het recombinant zoster vaccin (RZV), Shingrix®, is een belangrijke optie voor de preventie van herpes zoster. Dit vaccin is effectief gebleken bij zowel jongere als oudere volwassenen .
> **Tip:** Het recombinant zoster vaccin (RZV) is ontwikkeld op basis van de glycoproteïne E (gE) van het VZV en een adjuvant S (AS01B), wat zorgt voor een sterke immuunrespons .
#### 4.3.2 Veiligheid en bijwerkingen van RZV
Systemische bijwerkingen van het RZV worden voornamelijk binnen 7 dagen na vaccinatie waargenomen en zijn meestal mild tot matig van aard en van korte duur (maximaal 2 dagen voor graad 3 bijwerkingen). De meest gerapporteerde algemene bijwerkingen zijn vermoeidheid, spierpijn, hoofdpijn, gastro-intestinale symptomen, rillingen en koorts. Hogere incidenties van enkele van deze systemische bijwerkingen, zoals vermoeidheid, hoofdpijn, spierpijn, rillingen en koorts, werden gerapporteerd in de groep van 18-49 jaar die RZV ontvingen in vergelijking met de groep van 50 jaar en ouder .
> **Example:** Bijwerkingen zoals vermoeidheid of koorts (>39.0°C) worden geclassificeerd als 'Grade 3' wanneer ze normale activiteiten verhinderen .
#### 4.3.3 Terugbetaling en aanbevelingen
In België wordt Shingrix® terugbetaald sinds 1 november 2023 voor immuungecompromitteerde personen met een hoog risico op het ontwikkelen van HZ, zoals HIV-patiënten, hemato-oncologische patiënten en transplantpatiënten .
Het vaccin kan ook worden aangeboden aan personen die reeds een zona-episode hebben doorgemaakt. Studies hebben een vergelijkbaar veiligheidsprofiel en immunogeniciteit aangetoond bij deze groep. Er zijn echter variërende aanbevelingen over het ideale tijdstip voor vaccinatie na een zona-episode :
* **CDC (VS):** Na het verdwijnen van de acute fase en symptomen van zona .
* **STIKO (Duitsland):** Na het verdwijnen van de acute fase en symptomen van zona .
* **NACI (Canada):** Minimaal 1 jaar na de HZ-episode .
* **FOPH (Zwitserland):** 2 maanden na genezing .
Een gerandomiseerde controle klinische studie bij personen met een voorgeschiedenis van HZ liep in 2024-2025 .
---
# Pneumokokken vaccinatie
Dit onderwerp bespreekt de preventie van ernstige pneumokokken-infecties bij volwassenen, met een focus op risicofactoren, de beschikbare vaccins en de geldende vaccinatieaanbevelingen .
### 5.1 Ernstige pneumokokken-infecties en risicofactoren
Ernstige infecties door *Streptococcus pneumoniae* (pneumokokken) kunnen leiden tot ziekenhuisopname en mortaliteit. Verschillende medische aandoeningen verhogen het risico op het ontwikkelen van pneumokokkenpneumonie bij volwassenen aanzienlijk .
#### 5.1.1 Risicofactoren voor pneumokokkenpneumonie bij volwassenen
De volgende aandoeningen verhogen het risico op pneumokokkenpneumonie, waarbij het risico relatief ten opzichte van gezonde personen wordt weergegeven:
* **Alcoholisme:** Verhoogt het risico met een factor 2,8 .
* **Astma:** Verhoogt het risico met een factor 3,8 .
* **Chronische hartziekte:** Verhoogt het risico met een factor 3,9 .
* **Chronische longziekte:** Verhoogt het risico met een factor 4,5 .
* **Diabetes:** Verhoogt het risico met een factor 5,9 .
* **Roken:** Verhoogt het risico met een factor 7,7 .
> **Tip:** Het identificeren van personen met deze risicofactoren is cruciaal voor het implementeren van preventieve vaccinatiestrategieën .
### 5.2 Pneumokokkenvaccins
Er zijn verschillende typen pneumokokkenvaccins beschikbaar, met variërende samenstellingen en werkingsmechanismen.
#### 5.2.1 23-valent polysacharidevaccin (PPV23) – Pneumovax 23®
* Bevat de polysachariden van 23 frequent voorkomende pneumokokken-serotypes .
* Biedt ongeveer 50% bescherming tegen invasieve pneumokokkeninfecties bij gezonde ouderen tussen 65 en 80 jaar .
* Meta-analyses tonen een bescherming van 45-74% aan bij gezonde volwassenen, maar deze bescherming is minder consistent bij personen met een risicoprofiel .
#### 5.2.2 13-valent conjugaatvaccin (PCV13) – Prevenar 13®
* Biedt bescherming tegen invasieve pneumokokkenziekte veroorzaakt door de serotypes die in het vaccin zijn opgenomen .
* Geresulteerd in een daling van alle invasieve pneumokokkenziekte met 52,6% in klinische studies .
#### 5.2.3 Verschillen tussen polysacharide- en conjugaatvaccins
Conjugaatvaccins verbeteren de immuunrespons in vergelijking met traditionele polysacharidevaccins door middel van T-cel-afhankelijke mechanismen .
* **Polysaccharidevaccin:**
* Beperkt zich tot een T-cel-onafhankelijke immuunrespons .
* Bevat enkel polysaccharide-antigenen .
* Stimuleert B-cellen om antilichamen te produceren .
* **Conjugaatvaccin:**
* Genereert een T-cel-afhankelijke immuunrespons .
* Bevat polysaccharide-antigenen die covalent verbonden zijn met een dragereiwit .
* Stimuleert T-cellen om B-cellen te helpen bij de productie van antilichamen en genereert een immuungeheugen, wat leidt tot langere bescherming .
* De productie van B-geheugencellen is onderzocht met Prevenar 13® bij volwassenen .
> **Tip:** Het immuungeheugen dat door conjugaatvaccins wordt opgebouwd, is essentieel voor langdurige bescherming .
#### 5.2.4 Nieuwe pneumokokkenvaccins
Naast PPV23 en PCV13 zijn er recentelijk nieuwe pneumokokkenvaccins op de markt gekomen:
* **15-valent geconjugeerd pneumokokkenvaccin (PCV15) – Vaxneuvance® (MSD):** Bevat de 13 serotypes van PCV13 plus twee additionele serotypes (22F en 33F) .
* **20-valent geconjugeerd pneumokokkenvaccin (PCV20) – Apexxnar® (Pfizer):** Bevat de 13 serotypes van PCV13 plus zeven additionele serotypes (22F, 33F, 8, 10A, 11A, 12F, 15B) .
#### 5.2.5 Samenstelling van de vaccins en hun serotype-dekking
De samenstelling van de vaccins varieert in het aantal gedekte pneumokokken-serotypes:
* **PPV23:** Dekt 23 serotypes, waarvan 4 serotypes (2, 9N, 17F, 20) niet gedekt worden door PCV20 .
* **PCV15:** Dekt de 13 serotypes van PCV13 plus serotypes 22F en 33F .
* **PCV20:** Dekt de 13 serotypes van PCV13 plus serotypes 8, 10A, 11A, 12F, 15B, 22F en 33F .
In 2021 waren de top 3 serotypes die invasieve pneumokokkenziekte (IPD) veroorzaakten bij volwassenen in Nederland (NRC) 3, 19A en 8, wat gezamenlijk 40% van alle IPD-gevallen verklaarde .
#### 5.2.6 Indicaties voor nieuwe pneumokokkenvaccins
* **PCV15 (Vaxneuvance®):** Actieve immunisatie voor de preventie van invasieve ziekte, pneumonie (en acute otitis media) door *S. pneumoniae* bij volwassenen (18 jaar en ouder) en bij baby's, kinderen en adolescenten .
* **PCV20 (Prevenar 20®):** Actieve immunisatie voor de preventie van invasieve ziekte en pneumonie veroorzaakt door *S. pneumoniae* bij personen van 18 jaar en ouder, en bij zuigelingen, kinderen en adolescenten .
#### 5.2.7 Klinische studies en werkzaamheid van PCV13
De **Community-Acquired Pneumonia Immunization Trial in Adults (CAPiTA)** was een gerandomiseerd, placebogecontroleerd klinisch fase IV-onderzoek naar de werkzaamheid van PCV13 voor de preventie van niet-nosocomiale pneumonie en invasieve pneumokokkenziekte bij volwassenen. Dit onderzoek betrof 84.496 vaccin-naïeve vrijwilligers van 65 jaar en ouder, en ook gezonde of immuuncompetente personen met stabiele onderliggende aandoeningen en risicogedrag. Hoewel de klinische studies met PCV13 bij volwassenen de werkzaamheid hebben onderzocht, is er geen specifieke studie die de doeltreffendheid van PCV15 en PCV20 direct heeft onderzocht om de werkzaamheid te onderbouwen. Echter, deze vaccins tonen doorgaans een goed immuunantwoord, gemeten aan functionele antistoffen, en worden vergeleken met PCV13 .
### 5.3 Aanbevelingen pneumokokkenvaccinatie bij volwassenen (update 2022)
De aanbevelingen voor pneumokokkenvaccinatie bij volwassenen richten zich op specifieke risicogroepen en personen boven een bepaalde leeftijd .
#### 5.3.1 Doelgroepen voor vaccinatie
De doelgroepen zijn onderverdeeld in:
* **Volwassenen met een verhoogd risico op pneumokokkeninfectie:**
* Stoornis van de immuniteit .
* Anatomische of functionele asplenie, sikkelcelanemie of een hemoglobinopathie .
* Lek van cerebrospinaal vocht of een cochleair implantaat .
* **Volwassenen met comorbiditeit:**
* Chronisch hart-, long-, lever- of nierlijden .
* Chronische neurologische of neuromusculaire aandoeningen met aspiratierisico .
* Diabetes mellitus .
* Roken .
* Overmatig alcoholgebruik (ethylabusus) .
* **Gezonde personen van 65 jaar of ouder:** .
> **Let op:** Voor personen ouder dan 85 jaar zijn er weinig gegevens en geen algemene aanbeveling, vaccinatie gebeurt op individuele basis .
#### 5.3.2 Vaccinatieschema's
De vaccinatieschema's variëren afhankelijk van de risicogroep en eerdere vaccinaties.
| Groep | Primo-vaccinatie | Revaccinatie | Enkel PPV23 in verleden | PCV13 in het verleden |
| :------------------------------------------- | :------------------------------------ | :------------------------ | :---------------------------------------------------------- | :---------------------------------------------------------- |
| Volwassenen 16-85 jaar met verhoogd IPD risico | PCV20 of PCV15 + PPV23 (na min. 8 weken) | PPV23 om de 5 jaar | PCV20 (na min. 1 jaar) of PPV23 (na min. 8 weken) | PPV23 om de 5 jaar |
| Volwassenen 50-85 jaar met comorbiditeit | PCV20 of PCV15 + PPV23 (na min. 8 weken) | Eenmalig PPV23 na 5 jaar | PCV20 (na min. 1 jaar) of PPV23 (na min. 8 weken) | PPV23 na 5 jaar |
| Gezonde personen 65-85 jaar* | PCV20 of PCV15 + PPV23 (na min. 1 jaar) | PPV23 | PCV20 (na min. 1 jaar) of PPV23 (na min. 1 jaar) | PPV23 (na min. 1 jaar) |
* Bij ernstig lijden kan een herhaling van PPV23 overwogen worden .
### 5.4 Bijwerkingen van pneumokokkenvaccins
De meest voorkomende bijwerkingen van Prevenar 20® zijn over het algemeen mild tot matig en verdwijnen binnen enkele dagen na vaccinatie. Deze omvatten :
* Pijn op de injectieplaats (79%) .
* Spierpijn (63%) .
* Vermoeidheid (47%) .
* Hoofdpijn (37%) .
* Gewrichtspijn (16%) .
### 5.5 Contra-indicaties voor pneumokokkenvaccinatie
Vaccinatie is gecontra-indiceerd in de volgende situaties:
* Allergie op één van de bestanddelen van het vaccin .
* Koorts boven 38.5°C .
### 5.6 Co-administratie van pneumokokkenvaccins
Pneumokokkenvaccins kunnen gelijktijdig met andere vaccins worden toegediend, met inachtneming van algemene regels voor co-administratie .
* **Met griepvaccin:** Mogelijk, op elk moment .
* **Met COVID-19 mRNA vaccin:** Gelijktijdige toediening is mogelijk .
* **Algemene regels voor co-administratie:**
* Twee niet-levende vaccins: op hetzelfde moment of op elk moment .
* Eén niet-levend en één levend afgezwakt vaccin: op hetzelfde moment of op elk moment .
* Twee levend afgezwakte vaccins: samen of met een interval van 4 weken .
> **Voorbeeld:** Een patiënt kan op dezelfde dag zowel het pneumokokkenvaccin als het griepvaccin ontvangen .
---
# Nieuwe toedieningsmethoden en algemene vaccinatieprincipes
Dit onderdeel behandelt innovatieve benaderingen voor de toediening van vaccins, zoals pleisters en intradermale injecties, evenals fundamentele principes zoals het gelijktijdig toedienen van meerdere vaccins en de mogelijkheden voor dosisbesparing.
### 6.1 Nieuwe toedieningsmethoden
De ontwikkeling van vaccins stimuleert ook de exploratie van nieuwe toedieningsmethoden naast de traditionele intramusculaire (IM) en subcutane (SC) routes. Potentiële nieuwe methoden omvatten onder andere patches, gestandaardiseerde intradermale (ID) apparaten, inhalatie en intranasale toediening .
#### 6.1.1 Intradermale (ID) toediening en dosisbesparing
Intradermale toediening is een veelbelovende methode die aanzienlijke dosisbesparing mogelijk maakt. Onderzoek heeft aangetoond dat een gereduceerde ID-dosis equivalent kan zijn aan een volledige IM-dosis wat betreft immunogeniciteit. Voorbeelden hiervan zijn studies met hepatitis B (HepB), polio, rabiës, hepatitis A (HepA), influenza, gele koorts, SARS-CoV-2 en mpox (MPX) vaccins .
Fractionele doseringen van slechts 1/5e tot 1/10e van de IM/SC-dosis kunnen voldoende zijn om immuniteit op te wekken. Dit principe werd bijvoorbeeld toegepast tijdens een tekort aan geïnactiveerd poliovirus (IPV) vaccin, waarbij de PAHO/WHO aanbeval om een vijfde van de volledige IPV-dosis intradermale toe te dienen. Ook tijdens de mpox-gezondheidsnoodsituatie implementeerden EMA/FDA de intradermale toediening van een vijfde van de volledige mpox-vaccindosis, die normaal subcutaan wordt toegediend, om de verspreiding te beperken .
**Voordelen van ID-toedieningsapparaten:**
Specifieke apparaten voor intradermale injecties bieden verschillende voordelen :
* **Accuraatheid:** Ze zorgen voor precieze dosisaflevering en injectie in de dermis, zonder lekkage .
* **Lage dode ruimte (low dead space):** Er is slechts een minimale overvulling van 0,01 cc nodig .
* **Gebruikersonafhankelijk:** Ze voorkomen 'tenting' (huidplooi) en versnellen de penetratie .
* **Dosisbesparing:** Vergeleken met IM/SC-toediening kan een lagere dosis worden gebruikt .
* **Flexibiliteit:** Ze bieden universele (luer) aansluitingen voor zowel voorgevulde als niet-voorgevulde spuiten en zijn compatibel met diverse naaldlengtes en gauges .
* **Hoger volume per injectie:** In tegenstelling tot de Mantoux-methode, waar maximaal 100 microliter kan worden toegediend, kunnen deze apparaten grotere volumes hanteren .
* **Lage shear stress en weinig pijn:** Dit resulteert in een lagere pijnbelasting en vermindert naaldangst .
#### 6.1.2 Andere nieuwe methoden
Naast intradermale toediening worden ook andere methoden verkend, zoals de toepassing van pleisters. Deze nieuwe methoden kunnen potentieel de vaccinatie-ervaring verbeteren en de efficiëntie verhogen .
### 6.2 Algemene vaccinatieprincipes
Bij vaccinatie komen verschillende algemene principes kijken, waaronder de co-administratie van vaccins en het principe van dosisbesparing.
#### 6.2.1 Co-administratie van vaccins
Het gelijktijdig toedienen van meerdere vaccins is een veelgebruikte praktijk die de efficiëntie van vaccinatieprogramma's kan verhogen. Er zijn specifieke aanbevelingen voor bepaalde vaccins en populaties .
#### 6.2.2 Dosisbesparing
Zoals eerder besproken onder intradermale toediening, is dosisbesparing een belangrijk principe om de beschikbaarheid van vaccins te optimaliseren, met name in situaties van tekorten of bij grootschalige uitbraken. Dit kan door het gebruik van lagere doses of alternatieve toedieningsroutes die een vergelijkbare immunologische respons teweegbrengen .
#### 6.2.3 Specifieke vaccinatieschema's (voorbeeld: Gele koorts)
Voor vaccins zoals dat tegen gele koorts gelden specifieke schema's. De standaardaanbeveling is één dosis vanaf de leeftijd van 2 jaar. Eenmalige herhalingsinentingen worden aanbevolen voor specifieke groepen, waaronder personen die vóór de leeftijd van 2 jaar hun eerste dosis kregen, personen met HIV (met een CD4-aantal $\geq$ 200/mm³), personen met immuundepressie (mits er geen contra-indicatie is) en vrouwen die tijdens de zwangerschap gevaccineerd werden .
> **Tip:** Begrijp de rationale achter dosisbesparing en de mogelijke voordelen van nieuwe toedieningsmethoden, vooral in de context van volksgezondheidscrises.
> **Voorbeeld:** De aanbeveling om gele koorts vaccinatie aan te passen voor immuungecompromitteerde patiënten, inclusief de optie voor herhaling indien nodig, illustreert hoe algemene principes worden toegepast op specifieke vaccins en patiëntengroepen .
---
## Veelgemaakte fouten om te vermijden
- Bestudeer alle onderwerpen grondig voor examens
- Let op formules en belangrijke definities
- Oefen met de voorbeelden in elke sectie
- Memoriseer niet zonder de onderliggende concepten te begrijpen
Glossary
| Term | Definition |
|------|------------|
| SARS-CoV-2 | Het coronavirus dat de ziekte COVID-19 veroorzaakt. Het behoort tot de familie van de coronavirussen, die gekenmerkt worden door kroonachtige uitsteeksels op hun oppervlak. |
| COVID-19 | Een besmettelijke ziekte veroorzaakt door het SARS-CoV-2 virus, die symptomen kan variëren van mild (verkoudheidskenmerken) tot ernstig (longontsteking, ademnood, en overlijden). |
| Post-Covid | Een syndroom waarbij patiënten langdurige klachten ondervinden na een COVID-19 infectie, zelfs na het verdwijnen van de acute fase van de ziekte. |
| RNA-vaccin | Een type vaccin dat gebruik maakt van een fragment genetisch materiaal (messenger RNA) om het lichaam aan te zetten tot het produceren van specifieke eiwitten, zoals het spike-eiwit van virussen, om zo een immuunrespons op te wekken. |
| Receptor Binding Domain (RBD) | Een specifiek deel van het spike-eiwit van virussen, zoals SARS-CoV-2, dat verantwoordelijk is voor de binding aan gastheercellen, met name via de ACE2-receptor. |
| ACE-2 receptoren | Angiotensine-converting enzyme 2 receptoren zijn eiwitten op het oppervlak van menselijke cellen waaraan het SARS-CoV-2 virus zich bindt om cellen binnen te dringen en zich te vermenigvuldigen. |
| Orthomyxoviridae | Een familie van virussen waartoe de influenzavirussen behoren. Deze virussen zijn typisch RNA-virussen. |
| Influenza A | Een van de drie typen influenzavirussen. Influenza A-virussen worden onderverdeeld op basis van hun hemagglutinine (H) en neuraminidase (N) oppervlakte-eiwitten, zoals H1N1 en H3N2. |
| Influenza B | Een van de drie typen influenzavirussen. Influenza B-virussen circuleren voornamelijk bij mensen en veroorzaken seizoensgebonden griep. |
| Hemagglutinine (HA) | Een glycoproteïne dat op het oppervlak van influenzavirussen voorkomt en een sleutelrol speelt bij de binding van het virus aan de receptor op de gastheercel, wat de eerste stap is in de infectie. |
| Neuraminidase (NA) | Een enzym op het oppervlak van influenzavirussen dat helpt bij de replicatie en verspreiding van het virus door het losmaken van nieuwe virusdeeltjes uit geïnfecteerde cellen. |
| Antigenische drift | Kleine, geleidelijke veranderingen in de antigenen (met name hemagglutinine en neuraminidase) van influenzavirussen, veroorzaakt door puntmutaties in hun genetisch materiaal, wat kan leiden tot jaarlijkse epidemieën omdat de immuniteit van eerdere infecties minder effectief wordt. |
| Antigenische shift | Grote, abrupte veranderingen in de antigenen van influenzavirussen, meestal veroorzaakt door genetische herassortiment wanneer twee verschillende influenzavirusstammen tegelijkertijd een gastheercel infecteren, wat kan leiden tot pandemieën omdat de menselijke bevolking weinig tot geen immuniteit heeft tegen het nieuwe virus. |
| Reassortment (herassortiment) | Het proces waarbij influenzavirussen met gesegmenteerde genomen genoomfragmenten uitwisselen wanneer ze een cel infecteren die tegelijkertijd door twee verschillende stammen is geïnfecteerd. Dit proces is met name belangrijk in varkens, die gevoelig zijn voor zowel vogel- als menselijke influenzavirussen, en kan leiden tot de opkomst van nieuwe pandemische stammen. |
| T-cel-afhankelijke immuunrespons | Een immuunrespons die gemedieerd wordt door T-cellen, met name helper T-cellen, die cruciaal zijn voor de activatie van B-cellen voor antilichaamproductie en de ontwikkeling van celgemedieerde immuniteit. Dit type respons is over het algemeen sterker en leidt tot een beter immuungeheugen. |
| T-cel-onafhankelijke immuunrespons | Een immuunrespons die optreedt zonder de directe hulp van T-cellen, voornamelijk gestimuleerd door polysacchariden-antigenen. Deze respons genereert over het algemeen zwakkere antilichamen en minder robuust immuungeheugen, en is typisch voor veel bacteriële polysaccharidenvaccins. |
| Respiratoir Syncytieel Virus (RSV) | Een veelvoorkomend RNA-virus dat ernstige luchtweginfecties kan veroorzaken, met name bij zuigelingen, jonge kinderen en oudere volwassenen. Het kan leiden tot bronchiolitis en longontsteking. |
| Bronchiolitis | Een ontsteking van de kleine luchtwegen (bronchiolen) in de longen, vaak veroorzaakt door virale infecties zoals RSV, en kenmerkt zich door ademhalingsmoeilijkheden en piepende ademhaling. |
| Guillain-Barré syndroom (GBS) | Een zeldzame auto-immuunziekte waarbij het immuunsysteem de perifere zenuwen aanvalt, wat kan leiden tot spierzwakte, verlamming en andere neurologische symptomen. Het kan worden uitgelokt door infecties of, in zeldzame gevallen, door vaccinatie. |
| Herpes Zoster (Zona) | Een virale infectie veroorzaakt door het varicella-zoster virus, hetzelfde virus dat waterpokken veroorzaakt. Na een waterpokkeninfectie blijft het virus latent in het lichaam en kan het later reactiveren als zona, wat leidt tot een pijnlijke huiduitslag langs de route van een aangedane zenuw. |
| Postherpetische neuralgie (PHN) | Chronische zenuwpijn die kan aanhouden maanden tot jaren na een zona-infectie. Het is een van de meest voorkomende complicaties van herpes zoster, vooral bij oudere volwassenen. |
| Immuungecompromitteerd | Een toestand waarbij het immuunsysteem verzwakt is, waardoor een persoon vatbaarder is voor infecties. Dit kan het gevolg zijn van ziekten (bv. HIV, kanker), behandelingen (bv. chemotherapie, immunosuppressiva) of leeftijd. |
| Pneumokokken | Een bacterie (Streptococcus pneumoniae) die verschillende invasieve infecties kan veroorzaken, waaronder longontsteking, hersen(vlies)ontsteking en bloedvergiftiging (sepsis). |
| Polysaccharidevaccin | Een vaccin dat bestaat uit ketens van suiker-moleculen (polysacchariden) die van het oppervlak van bacteriën zijn afgeleid. Deze vaccins stimuleren een immuunrespons, maar leiden vaak tot minder duurzame immuniteit en een zwakkere respons bij jonge kinderen en ouderen. |
| Conjugaatvaccin | Een type vaccin waarbij polysacchariden covalent zijn gebonden aan een dragereiwit. Dit dragereiwit helpt om een sterkere en langdurigere immuunrespons op te wekken, inclusief de vorming van immuungeheugen, vooral bij jonge kinderen. |
| Sepsis (bloedvergiftiging) | Een potentieel levensbedreigende aandoening die ontstaat wanneer de reactie van het lichaam op een infectie schade aan eigen weefsels en organen veroorzaakt. Bij bacteriële sepsis kan dit worden veroorzaakt door pneumokokken in de bloedbaan. |
| Co-administratie | Het gelijktijdig toedienen van twee of meer vaccins bij dezelfde vaccinatieafspraak. |
| Intradermale toediening | Een methode van vaccinatie waarbij het vaccin in de lederhuid (dermis) wordt geïnjecteerd, wat een dunnere laag van de huid is dan de spier of onderhuidse laag. Deze methode kan potentieel leiden tot een lagere benodigde vaccindosis. |
| Dose sparing | Het vermogen om een lagere hoeveelheid vaccin toe te dienen, bijvoorbeeld door een andere toedieningsroute zoals intradermale injectie, terwijl toch een adequate immuunrespons wordt verkregen. Dit is met name relevant bij vaccintekorten. |