Cover
Aloita nyt ilmaiseksi Stuvia-7064721-lichaam-en-mond-anatomie-en-fysiologie (1).pdf
Summary
# Het zenuwstelsel: algemene functies en anatomische indeling
### Introductie tot de organisatie van het menselijk lichaam
* Biologie is de studie van het leven, met gemeenschappelijke eigenschappen zoals reactievermogen, groei, voortplanting, beweging en stofwisseling [2](#page=2).
* Het menselijk lichaam is georganiseerd in niveaus: chemisch, cel, weefsel, orgaan, orgaanstelsel en organisme [2](#page=2).
* Er zijn 11 orgaanstelsels, waaronder het zenuwstelsel, dat zorgt voor snelle regulatie en communicatie via elektrische impulsen [3](#page=3).
* Homeostase is de handhaving van een constante interne lichaamstoestand ondanks externe veranderingen [4](#page=4).
* Mechanismen van homeostase omvatten receptoren, regelcentra en effectoren, vaak via negatieve of positieve terugkoppeling [4](#page=4).
* Anatomie bestudeert structuren en hun relaties, terwijl fysiologie de vitale functies bestudeert [5](#page=5).
### Basis van de celbiologie
* Celbiologie bestudeert de bouw, functie en activiteit van cellen, de kleinste levende eenheden [6](#page=6).
* Prokaryote cellen (bv. bacteriën) zijn kleiner, missen kernorganellen en hebben een celwand [6](#page=6).
* Eukaryote cellen (menselijk lichaam) zijn complexer, bevatten een celkern en organellen zoals mitochondriën en endoplasmatisch reticulum [7](#page=7).
* Plantaardige cellen hebben een celwand, dierlijke cellen niet; ze zijn omgeven door een extracellulaire matrix [7](#page=7).
* Eiwitsynthese en celdeling zijn fundamentele celprocessen [8](#page=8).
### Structuur van biomoleculen
* Cellen bestaan uit water (ongeveer 70%) en organische/anorganische moleculen [9](#page=9).
* De vier hoofdtypen biomoleculen zijn suikers, lipiden, eiwitten en nucleïnezuren [9](#page=9).
* Koolstofatomen (C) vormen stabiele ketens en ringen door 4 covalente bindingen, wat de basis is voor organische moleculen (#page=9, 10) [10](#page=10) [9](#page=9).
* Functionele groepen (bv. -OH, -COOH) bepalen de specifieke eigenschappen van biomoleculen [10](#page=10).
* Polariteit (hydrofiel vs. hydrofoob) bepaalt de oplosbaarheid van stoffen in water en hun interactie binnen de cel (#page=11, 12) [11](#page=11) [12](#page=12).
### Belangrijke biochemische verbindingen
* **Suikers:** Dienen als brandstof (glucose), bouwstof (cellulose) en zijn onderdeel van erfelijk materiaal. Monosachariden (bv. glucose) vormen de bouwstenen voor disachariden en polysachariden (bv. zetmeel) (#page=13, 14) [13](#page=13) [14](#page=14).
* **Lipiden:** Zijn voornamelijk apolair en dienen voor energieopslag (neutrale lipiden) en als structureel component van celmembranen (fosfolipiden) [15](#page=15).
* **Eiwitten:** Zijn veelzijdig en cruciaal voor enzymatische activiteit, structuur (keratine), transport (hemoglobine) en afweer (antilichamen). Ze bestaan uit aminozuren gekoppeld via peptidebindingen [16](#page=16).
- **Nucleïnezuren (DNA/RNA):** Dragen genetische informatie. DNA bevat de genetische code (A, T, C, G) en RNA (A, U, C, G) is betrokken bij eiwitsynthese. Ze bestaan uit nucleotiden (#page=17, 18)
* Andere organische verbindingen zoals vitamines en co-enzymen ondersteunen specifieke celprocessen [19](#page=19).
### Structuur van de eukaryote cel
* Eukaryote cellen hebben een gemeenschappelijke basisstructuur: cytoplasma en celmembraan [20](#page=20).
* **Celmembraan:** Een dubbele fosfolipidelaag met membraaneiwitten en cholesterol, functioneert als barrière, voor compartimentvorming en regulatie van transport (#page=20, 21) [20](#page=20) [21](#page=21).
* Transport over het celmembraan gebeurt passief (diffusie, gefaciliteerde diffusie) of actief (vereist ATP) [23](#page=23).
* Vesiculair transport (endocytose, exocytose) verplaatst stoffen via blaasjes [24](#page=24).
---
## Genetische informatie en de celcyclus
### DNA en RNA structuur
* DNA is een lange keten van desoxyribonucleotiden met een ruggengraat van suiker en fosfaatgroepen [39](#page=39).
* De variabele delen van DNA zijn de basen: Adenine (A), Thymine (T), Cytosine (C), en Guanine (G) [39](#page=39).
* DNA is dubbelstrengig met complementaire basenparing: A met T (2 waterstofbruggen) en C met G (3 waterstofbruggen) [39](#page=39).
* De DNA-strengen vormen een dubbele helix [39](#page=39).
* RNA is enkelstrengig en heeft ribose als suiker [41](#page=41).
* RNA kent basenparing A met U (Uracil) en C met G [41](#page=41).
### Functies van DNA en RNA
* DNA bevat de genetische code die de volgorde van aminozuren in eiwitten bepaalt en de eigenschappen van organismen vastlegt [39](#page=39).
* Een gen is een DNA-fragment dat codeert voor een specifiek eiwit [40](#page=40).
* mRNA (messenger RNA) brengt genetische informatie van het DNA in de celkern naar de ribosomen in het cytoplasma voor eiwitsynthese (#page=39, 41) [39](#page=39) [41](#page=41).
* rRNA (ribosomaal RNA) is een structureel onderdeel van ribosomen (#page=40, 41) [40](#page=40) [41](#page=41).
* tRNA (transfer RNA) transporteert specifieke aminozuren naar de ribosomen tijdens eiwitsynthese (#page=40, 41) [40](#page=40) [41](#page=41).
### Transcriptie en translatie
* Transcriptie is het proces waarbij een complementaire RNA-kopie van een DNA-streng wordt gemaakt, voornamelijk in de celkern (#page=39, 42) [39](#page=39) [42](#page=42).
* Translatie is het proces waarbij de genetische code van mRNA wordt afgelezen door ribosomen om een polypeptideketen (eiwit) te synthetiseren [43](#page=43).
* De genetische code bestaat uit codons, triplets van nucleotiden op mRNA [43](#page=43).
* Er zijn 64 mogelijke codons; 61 coderen voor aminozuren, 3 zijn stopcodons, en AUG is het startcodon (methionine) [43](#page=43).
* De genetische code is grotendeels universeel [43](#page=43).
* Een polysoom bestaat uit meerdere ribosomen die tegelijkertijd hetzelfde mRNA aflezen, wat leidt tot efficiënte eiwitproductie [43](#page=43).
* De snelheid van translatie is ongeveer 35 aminozuren per seconde [43](#page=43).
### Mutaties
* Mutaties zijn permanente veranderingen in de DNA-volgorde [45](#page=45).
* Puntmutaties betreffen de verandering van één nucleotide, wat leidt tot een verandering in één codon [45](#page=45).
* Inserties en deleties zijn de toevoeging of verwijdering van nucleotiden, wat meerdere codons kan beïnvloeden [45](#page=45).
* Mutaties kunnen leiden tot genetische aandoeningen door afwijkingen in eiwitstructuur of -functie (#page=45, 61) [45](#page=45) [61](#page=61).
### De celcyclus
* De celcyclus bestaat uit interfase (celgroei en replicatie) en celdeling (karyokinese en cytokinese) [46](#page=46).
* Interfase omvat de G1-fase (groei), S-fase (DNA-replicatie), en G2-fase (verdere groei en voorbereiding) [47](#page=47).
* Tijdens de S-fase verdubbelt het DNA door DNA-polymerase, wat resulteert in twee identieke DNA-kopieën [47](#page=47).
### Meiose
### Genetische overerving en aandoeningen
---
### Bindweefsels: structuur en functies
* Bindweefsel bestaat uit cellen, vezels en grondsubstantie [79](#page=79).
* Functies omvatten opvullen van ruimten, structurele ondersteuning, energieopslag, afweer, transport en bescherming [79](#page=79).
* Kenmerken: gespecialiseerde cellen, veel intercellulaire materie, goed doorbloed, bevat sensorische receptoren [79](#page=79).
* Matrix bestaat uit grondsubstantie (vloeibaar tot hard) en extracellulaire eiwitvezels (collageen, elastisch) [79](#page=79).
### Gespecialiseerde cellen in bindweefsel
* Fibroblasten (actief) maken vezels en grondsubstantie aan [79](#page=79).
* Fibrocyten (inactief) zijn kleiner en minder actief [79](#page=79).
* Macrofagen fagocyteren ziekteverwekkers en beschadigde cellen [80](#page=80).
* Mestcellen (Mastcellen) scheiden histamine en heparine af [80](#page=80).
### Vezeltypes in bindweefsel
* Collagene vezels: sterk, trekvast, niet-elastisch, buigzaam [82](#page=82).
* Elastische vezels: samengesteld uit elastine, elastisch, keren terug naar oorspronkelijke vorm [82](#page=82).
* Reticulaire vezels: dun collageeneiwit, vertakt raamwerk, minst voorkomend [82](#page=82).
### Typen bindweefsel
* Bindweefsel in enge zin: ijl, dicht geordend, dicht ongeordend, elastisch [91](#page=91).
* Vetweefsel: bescherming (schokbreker), warmte-isolatie, energieopslag, lichaamsvormbepaling [83](#page=83).
* Wit vetweefsel: geelachtig, één grote vetdruppel per cel [84](#page=84).
* Bruin vetweefsel: veel mitochondria, beschermt tegen kou [84](#page=84).
* Vloeibare bindweefsels: bloed en lymfe [85](#page=85).
* Matrix is plasma; cellulaire componenten zijn rode en witte bloedcellen [85](#page=85).
* Bloedvormend bindweefsel: in beenmerg van botten [85](#page=85).
### Kraakbeen en beenweefsel
* Kraakbeen: veerkrachtige matrix (chondrine), avasculair, cellen (chondrocyten) in lacunae [87](#page=87).
* Soorten: hyalien, elastisch, vezelig [87](#page=87).
* Beenweefsel (Botweefsel): hard en stevig door calciumzouten en collagene vezels [88](#page=88).
* Cellen: osteocyten [88](#page=88).
* Structuur: compact botweefsel en spongieus botweefsel [88](#page=88).
* Botvorming (Ossificatie): intramembraneuze en enchondrale verbening [89](#page=89).
* Botgroei vereist mineralen, vitamines (D3, A, C) en hormonen [89](#page=89).
---
## Zenuwweefsel en ondersteunende weefsels
### Neuronen (zenuwcellen)
- Basiseenheden van het zenuwstelsel, gespecialiseerd in prikkelgeleiding .
- Bestaan uit een cellichaam (perikaryon), axon en dendrieten .
- Cellichaam bevat één kern, geen centriolen, veel RER en Golgi voor eiwitsynthese .
- Axon geleidt impulsen weg van het cellichaam, eindigt in synapsen .
- Dendrieten vangen signalen op van andere neuronen en geleiden deze naar het cellichaam .
### Neuroglia (ondersteunende cellen)
- Ondersteunen, beschermen en voeden neuronen .
- **Centraal Zenuwstelsel (CZS):**
- Oligodendrocyten: vormen myelineschede rond axonen in CZS, verantwoordelijk voor witte stof .
- Astrocyten: grootste gliacellen, reguleren chemische stoffen via bloed-hersenbarrière .
- Ependymcellen: bekleden hersen- en ruggenmerg holtes, produceren hersenvocht .
- **Perifere Zenuwstelsel (PZS):**
- Schwann-cellen: vormen myelineschede rond perifere axonen, cruciaal voor geleiding .
### Synapsen
- Contactplaatsen voor signaaloverdracht tussen cellen .
- **Typen:**
- Neuronale synaps: tussen twee zenuwcellen .
- Neuromusculaire junctie: tussen zenuwcel en spiercel .
### Structuur van een perifere zenuw
- Omvat endoneurium (omhult axonen), perineurium (omhult bundels) en epineurium (omhult gehele zenuw) .
### Vergelijking spierweefsels
- | Kenmerk | Skeletspierweefsel | Hartspierweefsel | Gladspierweefsel |
- |----------------------|--------------------|----------------------|------------------|
- | Type streping | dwars | dwars | niet |
- | Aantal celkernen | Meerkernig | 1 per cel | 1 per cel |
- | Contractie | Snel, krachtig | Krachtig, ritmisch | Langzaam, langdurig |
- | Besturing | Willekeurig | Onwillekeurig | Onwillekeurig |
- | Speciale structuren | geen | Intercalaire schijven| Gap junctions |
### Bloedplasma
- Vloeibaar deel van bloed, geproduceerd in de lever .
### Plasma-eiwitten
### Lymfatisch systeem
---
### Algemene functies van het zenuwstelsel
* Detecteert veranderingen in het externe en interne milieu .
* Integreert en verwerkt sensorische informatie .
* Coördineert willekeurige en onwillekeurige reacties van orgaanstelsels .
* Reageert snel met kortdurende effecten .
### Anatomische indeling van het zenuwstelsel
* **Centraal Zenuwstelsel (CZS):** Hersenen en ruggenmerg; verantwoordelijk voor verwerking en integratie .
* **Perifeer Zenuwstelsel (PZS):** Zenuwen en ganglia buiten CZS; verbindt CZS met organen .
### Celstructuren en terminologie
* Neuron: Basiseenheid met cellichaam, axon en dendrieten .
* **CZS:** Cellichamen vormen kernen, axonen bundelen tot zenuwbanen/tracti .
* **PZS:** Cellichamen groeperen in ganglia, axonen bundelen tot perifere zenuwen .
### Het cerebrum (grote hersenen)
* **Structuur:** Gekoppelde hemisferen gescheiden door fissura longitudinalis, verbonden door corpus callosum. Oppervlak vergroot door sulci en gyri .
* **Lobben:** Frontalis (gedrag, spraak), parietalis (sensorische info), temporalis (gehoor, geheugen), occipitalis (visuele verwerking) .
* **Weefsel:** Grijze stof (cortex, informatieverwerking), witte stof (verbindingen) .
* **Functies:** Motoriek (precentrale gyrus), sensibel (postcentrale gyrus), spraak, geheugen, emoties (limbisch systeem) en associatieve functies .
### De truncus cerebri (hersenstam)
* **Onderdelen:** Diëncephalon, mesencephalon, pons, medulla oblongata (#page=126, 142) .
* **Functie:** Verbinding tussen hersenen en ruggenmerg, regulatie vitale functies (ademhaling, hartslag) (#page=126, 142) .
* **Diëncephalon:** Thalamus (schakelstation sensibele banen), hypothalamus (homeostase, VEG ZS, hormonen), hypofyse (hormonale regulatie), epifyse (melatonine) (#page=128, 142) .
* **Mesencephalon:** Reguleert visuele/auditieve reflexen, motorische controle (#page=129, 143) .
* **Pons:** Brug tussen cerebellum, mesencephalon en medulla oblongata (#page=129, 143) .
* **Medulla Oblongata:** Vitale centra (ademhaling, hartslag), schakelstation motorische/sensorische banen, kruising piramidebaan (#page=129, 143) .
### Het cerebellum (kleine hersenen)
* **Functies:** Coördinatie van bewegingen, handhaving balans en houding, fijnafstemming motoriek, motorisch leren (#page=131, 144) .
* **Structuur:** Twee hemisferen verbonden door vermis, cortex cerebelli (grijze stof), witte stof, cerebellaire pedunkels (#page=132, 144) .
### De meningen (hersen- en ruggenmergvliezen)
* **Functie:** Bescherming, stabiliteit, schokabsorptie, voeding (#page=133, 145) .
* **Lagen:** Dura mater (buitenste, taai), Arachnoïdea (middelste, spinnenwebachtig, subarachnoïdale ruimte met liquor), Pia mater (binnenste, dun, vaatrijk) (#page=133, 145) .
### Hersenventrikels en liquorcirculatie
* **Ventrikels:** Vier met liquor gevulde ruimtes (laterale, derde, vierde), bekleed met ependymcellen (#page=135, 146). Verbonden via foramina van Monro en aqueductus cerebri (#page=135, 146) .
* **Liquorproductie:** Door plexus choroideus in ventrikels (#page=135, 146) .
### Het ruggenmerg (medulla spinalis)
### Perifeer Zenuwstelsel (PZS)
### Hersenzenuwen
### Ruggenmergzenuwen
---
### Het autonoom zenuwstelsel (AZS)
* **Functie:** Onbewuste regeling van lichaamsfuncties voor homeostase en overleving .
* **Componenten:**
* Sympathisch zenuwstelsel: Verhoogt bloeddruk, hartslag, ademhaling, zweetproductie en spiervermogen (stressrespons) .
* Parasympathisch zenuwstelsel: Verhoogt blaas- en darmactiviteit, verlaagt hartslag, ademhaling en bloeddruk (herstelrespons) .
* **Regeling via:** Sensoren, vegetatieve centra in de hersenstam (hypothalamus), en prikkels (hormonaal of neuronaal) .
### Sympathisch zenuwstelsel
* **Locatie:** Thoracaal en lumbaal (T1–L2) .
* **Kenmerken:** Ganglia dicht bij het ruggenmerg, postganglionaire vezels zijn lang .
* **Functie:** 'Fight-or-Flight' systeem ter stimulering van stofwisseling en verhoging van waakzaamheid .
* **Centra:** Primair hypothalamus, secundair zijhoorncellen in ruggenmergsegmenten C7–L1 .
* **Zenuwbanen en neurotransmitters:**
* Preganglionaire neuronen (in CZS): Neurotransmitter acetylcholine (ACh) .
* Ganglia (buiten CZS): Paravertebrale en prevertebrale ganglia. Neurotransmitter ACh in ganglia, noradrenaline (NA) bij effectororganen .
* Postganglionaire neuronen: Lange vezels, neurotransmitter noradrenaline (NA) .
### Parasympathisch zenuwstelsel
* **Locatie:** Hersenstam en sacrale ruggenmerg (S2–S4) .
* **Kenmerken:** Ganglia bij het doelorgaan, postganglionaire vezels zijn kort .
* **Functie:** Rust- en verteringssysteem gericht op energiebesparing en stimulering van spijsvertering .
* **Centra:** Primair hypothalamus, secundaire centra in hersenstam en sacrale ruggenmerg .
* Ganglia (buiten CZS): Terminale ganglia dichtbij of in het doelorgaan. Neurotransmitter acetylcholine (ACh) .
* Postganglionaire neuronen: Korte vezels, neurotransmitter acetylcholine (ACh) .
* **Belangrijke zenuw:** N. vagus is hoofdverantwoordelijk voor parasympathische bezenuwing van hart, luchtwegen, darmen en nieren .
### Vergelijking sympathisch en parasympathisch zenuwstelsel
- | Kenmerk | Sympathisch ZS | Parasympathisch ZS |
- | :-------------------- | :------------------------------------------------- | :-------------------------------------------------- |
- | **Locatie** | T1–L2 | Hersenstam, sacraal ruggenmerg (S2–S4) |
### Regulatie van hormoonafgifte
### Pancreas (alvleesklier)
### Slikfunctie (deglutitie)
### Maag (gaster)
---
## De dunne darm, dikke darm, pancreas en lever
### De dunne darm
* **Onderdelen:** duodenum, jejunum, ileum .
* **Lengte:** ongeveer 5 tot 6 meter .
* **Papil van Vater:** uitmonding van ductus choledochus en ductus pancreaticus .
* **Oppervlaktevergroting:** door darmplooien, darmvlokken en microvilli, resulterend in tot 200 m² oppervlak .
* **Functie oppervlaktevergroting:** vertraagt chymus en zorgt voor langdurig contact met darmwand .
* **Hoofdfuncties:** vertering en absorptie van voedingsstoffen, eindvertering, voortbewegen van voedselbrij naar dikke darm .
* **Mucosa:** eenlagig cilindrisch epitheel, produceert slijm en NaHCO₃ .
* **Submucosa:** rijk aan bloedvaten en bevat platen van Peyer voor afweer .
* **Darmsapklieren:** bevatten delende stamcellen, produceren basisch slijm en hormonen .
* **Bevloeiing:** zuurstofrijk bloed via aftakkingen truncus coeliacus, zuurstofarm bloed naar vena porta .
### De dikke darm
* **Lengte:** 120 cm, diameter 7 cm .
* **Onderdelen:** caecum met appendix, colon ascendens, transversum, descendens, sigmoideum, rectum, canalis analis .
* **Klep van Bauhin:** scheidt caecum van terminale ileum .
* **Mucosa:** éénlagig cilinderepitheel, veel slijmbekercellen, circulaire plooien .
* **Muscularis:** circulaire laag vormt plooien (haustra), longitudinale laag vormt 3 stroken (taeniae coli) .
* **Taeniae coli:** 3 spierstroken die de bultige structuur veroorzaken .
* **Functies:** geen vertering, waterresorptie, darmflora produceert vitamines (bv. K), reabsorptie van zouten (Ca, Mg, Fe), transport en afgifte van faeces .
* **Bevloeiing:** zuurstofrijk bloed via a. mesenterica superior en inferior, zuurstofarm bloed naar vena porta en vena cava inferior .
### Het pancreas
* **Gemengde klier:** endocriene en exocriene functies .
* **Endocriene functie (Eilandjes van Langerhans):**
* α-cellen produceren glucagon (verhoogt bloedsuiker) .
* β-cellen produceren insuline (verlaagt bloedsuiker) .
* Beïnvloedt vet-, koolhydraat- en eiwitmetabolisme .
* **Exocriene functie (Alveolaire klieren):** produceert pancreassap, afgevoerd via papil van Vater .
* **Pancreassap:** bevat buffers (NaHCO₃), water, slijm, en spijsverteringsenzymen (lipasen, carbohydrasen, proteolytische enzymen, nucleasen) .
### De lever
### De galwegen
---
# Structuur en chemische samenstelling van biomoleculen
### Core idea
* Celbiologie bestudeert de bouw, functie en activiteit van cellen als de fundamentele eenheden van leven [6](#page=6).
* Biomoleculen vormen de bouwstenen en functionele componenten van cellen, essentieel voor celstructuur, functie en genetische overdracht [10](#page=10).
* De chemische eigenschappen van koolstof en de aanwezigheid van functionele groepen creëren de enorme diversiteit aan biomoleculen [10](#page=10).
### Key facts
* De cel is de kleinste structurele eenheid van leven [6](#page=6).
* Prokaryote cellen zijn evolutionair ouder, missen een kern en hebben een celwand [6](#page=6).
* Eukaryote cellen bezitten een kern en celorganellen, omgeven door membranen [7](#page=7).
* Plaatselijke cellen hebben een celwand, dierlijke cellen een extracellulaire matrix [7](#page=7).
* De celomgeving is een waterige oplossing (ongeveer 70% water) omgeven door membranen [9](#page=9).
* De hoofdcomponenten van de cel zijn organische moleculen (90% macromoleculen) en anorganische moleculen [9](#page=9).
* De 4 hoofdtypen biomoleculen zijn suikers, lipiden, eiwitten en nucleïnezuren [9](#page=9).
* Belangrijke atomen in biomoleculen zijn C, H, O, N, P, S, elk met een typisch aantal bindingen [10](#page=10).
### Key concepts
* Koolstofatomen kunnen 4 covalente bindingen vormen en keten- en ringstructuren vormen [9](#page=9).
* Relevante ringstructuren in biochemie zijn 5- en 6-ringen, die andere atomen kunnen bevatten [10](#page=10).
* Functionele groepen (bv. -OH, -COOH, -NH2, -PO4 3-) bepalen de specifieke eigenschappen en reactiviteit van biomoleculen [10](#page=10).
* Polaire stoffen (hydrofiel) trekken water aan en lossen goed op in water door interactie met watermoleculen [11](#page=11).
* Voorbeelden van polaire interacties zijn dipool-ion interacties, zoals bij NaCl in water [11](#page=11).
* Apolaire stoffen (hydrofoob, lipofiel) zijn waterafstotend en lossen beter op in vetachtige omgevingen [12](#page=12).
* Apolaire moleculen vermijden interactie met water en vormen geen waterstofbruggen [12](#page=12).
### Implications
* Interne compartimentvorming in eukaryote cellen maakt gelijktijdige biochemische processen mogelijk [7](#page=7).
* Het onderscheid tussen polaire en apolaire stoffen is cruciaal voor hoe stoffen interageren met water en elkaar in de cel [11](#page=11).
* Polaire stoffen zijn essentieel voor waterige reacties in de cel [12](#page=12).
* Apolaire stoffen vormen membranen en zijn betrokken bij interacties in vetachtige zones [12](#page=12).
* Polariteit beïnvloedt de locatie en functie van moleculen in biologische systemen [12](#page=12).
---
# Endoplasmatisch reticulum en Golgi-apparaat
### Kernidee
* Het endoplasmatisch reticulum (ER) en het Golgi-apparaat zijn cruciale organellen voor eiwitsynthese, -modificatie, -sortering en -transport in eukaryote cellen [33](#page=33) [34](#page=34).
### Ruw endoplasmatisch reticulum (RER)
* Netwerk van membranen met ribosomen aan het oppervlak [33](#page=33).
* Synthetiseert specifieke eiwitten, vaak bestemd voor export [33](#page=33).
* Polypeptideketens ondergaan modificaties zoals glycosylering (toevoegen van suikergroepen) [33](#page=33).
* Pancreascellen, die spijsverteringsenzymen produceren, bevatten veel RER [33](#page=33).
### Glad endoplasmatisch reticulum (SER)
* Netwerk van membranen zonder ribosomen [33](#page=33).
* Synthetiseert lipiden en fosfolipiden [33](#page=33).
* Ontgift apolaire gifstoffen door ze om te zetten in hydrofiele moleculen voor uitscheiding [33](#page=33).
* Synthetiseert steroïde hormonen zoals testosteron en oestrogeen [33](#page=33).
* Slaat calciumionen (Ca²⁺) op, essentieel voor spiercontractie (sarcoplasmatisch reticulum) [33](#page=33).
### Golgi-apparaat
* Bestaat uit stapels afgeplatte membraanzakjes (cisternen) [34](#page=34).
* Ontvangt eiwitten van het RER via transportvesikels [34](#page=34).
* Modificeert eiwitten, met name door aanpassing van suikergroepen [34](#page=34).
* Sorteert eiwitten en stuurt ze naar hun uiteindelijke bestemming [34](#page=34).
* Vormt lysosomen, klierblaasjes en blaasjes voor membraanherstel [34](#page=34).
### Lysosomen
* Enzymbevattende blaasjes, ontstaan uit het Golgi-apparaat [34](#page=34) [35](#page=35).
* Bevatten hydrolytische enzymen die optimaal werken in een zure omgeving [35](#page=35).
* Functie: cellulaire vertering van biomoleculen en recycling van verouderde moleculen ("maag van de cel") [35](#page=35).
* Recyclen bouwstenen na hydrolyse of breken vreemd opgenomen materiaal af (heterofagie) [35](#page=35).
### Overzicht en functies
* RER en SER vormen een membraansysteem voor synthese en modificatie van moleculen [33](#page=33).
* Het Golgi-apparaat fungeert als een verwerkings-, sorteer- en verzendcentrum voor eiwitten en lipiden [34](#page=34).
* Deze organellen werken samen in de productie en distributie van moleculen die essentieel zijn voor celprocessen zoals exocytose [34](#page=34).
---
# De celcyclus bij eukaryoten
### Core idea
* De celcyclus is de reeks gebeurtenissen die leiden tot de verdubbeling van celinhoud en celdeling [46](#page=46).
* De cyclus bestaat uit interfase (celgroei en synthese) en celdeling (karyokinese en cytokinese) [46](#page=46).
* De duur van de celcyclus varieert, van ongeveer 1 uur bij gist tot 24 uur bij snel delende cellen in meercelligen [46](#page=46).
### Key facts
* Interfase omvat de G1-fase (groei), S-fase (DNA-replicatie) en G2-fase (verdere groei) [47](#page=47).
* Tijdens de S-fase verdubbelt het DNA door DNA-replicatie, waarbij DNA-polymerase nucleotiden aanvoegt [47](#page=47).
* Na replicatie vormen de chromatine compacte, verdubbelde chromosomen, herkenbaar als X-vormige structuren [47](#page=47).
* Mensen hebben 46 chromosomen, bestaande uit 22 homologe paren (automen) en 2 geslachtschromosomen [48](#page=48).
* Mitose verdeelt de kern in twee identieke dochterkernen en bestaat uit profase, metafase, anafase en telofase [49](#page=49).
* Cytokinese verdeelt het cytoplasma door vorming en vernauwing van een actine-ring aan het plasmamembraan [50](#page=50).
* Meiose vormt geslachtscellen (gameten) met de helft van het aantal chromosomen (haploïde, n) [51](#page=51).
* Meiose bestaat uit Meiose I (reductiedeling) en Meiose II (vergelijkbaar met mitose) [51](#page=51).
* Meiose I scheidt homologe chromosomenparen, terwijl Meiose II chromatiden scheidt [52](#page=52).
### Key concepts
* **Interfase**: Periode van celgroei en synthese van celcomponenten ter voorbereiding op celdeling [47](#page=47).
* **DNA-replicatie**: Het proces waarbij het DNA van een cel wordt gedupliceerd, essentieel voor genetische stabiliteit [47](#page=47).
* **Homologe chromosomen**: Chromosomen die dezelfde genen dragen, één afkomstig van elke ouder [48](#page=48).
* **Mitose**: Kerndeling die resulteert in twee genetisch identieke dochtercellen, belangrijk voor groei en herstel [49](#page=49).
* **Cytokinese**: Deling van het cytoplasma om twee aparte dochtercellen te vormen [50](#page=50).
* **Meiose**: Reductiedeling die resulteert in vier haploïde dochtercellen, essentieel voor seksuele voortplanting [51](#page=51).
* **Crossing-over**: Uitwisseling van genetisch materiaal tussen homologe chromosomen tijdens Meiose I, wat genetische diversiteit bevordert [52](#page=52).
### Implications
* Correcte DNA-replicatie is cruciaal voor het doorgeven van genetische informatie aan dochtercellen [48](#page=48).
* Meiose is fundamenteel voor seksuele voortplanting, omdat het genetische variatie creëert [51](#page=51).
* Het proces van celcyclus zorgt ervoor dat organismen kunnen groeien en zich voortplanten [46](#page=46).
* Mutaties tijdens DNA-replicatie kunnen leiden tot genetische afwijkingen [47](#page=47).
### Common pitfalls
* Het verwarren van mitose (identieke cellen) met meiose (haploïde cellen, genetische variatie) [51](#page=51).
* Onjuiste DNA-replicatie kan leiden tot genetische instabiliteit en afwijkingen [47](#page=47).
---
# geslachtsgebonden (X-chromosomale) erfelijkheid
### Core idea
* Geslachtsgebonden erfelijkheid betreft genen gelokaliseerd op het X-chromosoom [65](#page=65).
* Mannen zijn vaker aangedaan door X-chromosomale aandoeningen omdat zij slechts één X-chromosoom hebben [65](#page=65).
* Vrouwen kunnen draagsters zijn en symptomen vertonen als ze twee mutante allelen hebben [65](#page=65).
### Key facts
* Mannen hebben XY chromosomen; het Y-chromosoom bepaalt mannelijke kenmerken en bevat minder genen dan het X-chromosoom [64](#page=64).
* Vrouwen hebben XX chromosomen; beide X-chromosomen dragen genen voor lichamelijke en geslachtsgebonden eigenschappen [64](#page=64).
* Kleurenblindheid is een voorbeeld van X-chromosomale erfelijkheid, veroorzaakt door een mutatie in een gen op het X-chromosoom [64](#page=64).
* Het normale allel voor kleurenzien wordt genoteerd als $X^C$, het mutante allel als $X^c$ [64](#page=64).
* Hemofilie A en B zijn X-chromosomaal recessief overerfbaar, wat resulteert in een tekort aan stollingsfactoren [66](#page=66).
* Mannen met hemofilie hebben een hoger risico omdat ze slechts één X-chromosoom hebben [66](#page=66).
* Vrouwen met hemofilie zijn meestal draagsters, tenzij beide X-chromosomen het defect hebben [66](#page=66).
* Hemofilie komt voor bij ongeveer 1 op de 10.000 mannen [66](#page=66).
### Key concepts
* **Genotypen en fenotypen bij vrouwen (XX):**
* $X^C X^C$: kleurenziend (homozygoot normaal) [64](#page=64).
* $X^C X^c$: kleurenziend, maar draagster (heterozygoot) [64](#page=64).
* $X^c X^c$: kleurenblind (homozygoot mutant) [64](#page=64).
* **Genotypen en fenotypen bij mannen (XY):**
* $X^C Y$: kleurenziend [64](#page=64).
* $X^c Y$: kleurenblind [64](#page=64).
* **Overerving voorbeeld 1:** Moeder draagster ($X^C X^c$), vader kleurenziend ($X^C Y$).
* Zonen: 50% kans op kleurenblindheid ($X^c Y$) [65](#page=65).
* Dochters: 50% kans om draagster te zijn ($X^C X^c$) [65](#page=65).
* **Overerving voorbeeld 2:** Moeder draagster ($X^C X^c$), vader kleurenblind ($X^c Y$).
* Zonen: 50% kans op kleurenblindheid ($X^c Y$) [65](#page=65).
* Dochters: 50% kans draagster ($X^C X^c$), 50% kans kleurenblind ($X^c X^c$) [65](#page=65).
* **Overerving voorbeeld 3:** Moeder kleurenblind ($X^c X^c$), vader kleurenziend ($X^C Y$).
### Implications
---
# Functies en indeling van epitheel en klierweefsel
### Functies van epitheel
* Biedt fysieke bescherming tegen schadelijke stoffen, micro-organismen en uitdroging [73](#page=73).
* Reguleert de doorlaatbaarheid voor opname van nutriënten en uitscheiding van afvalstoffen [73](#page=73).
* Heeft een zintuigfunctie door de aanwezigheid van zintuigcellen die prikkels opvangen [73](#page=73).
* Voert klierfunctie uit door productie en secretie van stoffen door gespecialiseerde kliercellen [73](#page=73).
### Indeling van klieren
* **Op basis van vorm afvoerbuis:**
* Tubulair (buisvormig), bv. maagklieren [74](#page=74) [77](#page=77).
* Acinair (zakvormig), bv. talgklieren [74](#page=74) [77](#page=77).
* Gemengd (combinatie) [77](#page=77).
* **Op basis van secretiewijze:**
* Holocrien: hele cel vult zich met product, sterft af bij secretie [74](#page=74).
* **Op basis van plaats van vrijstelling product:**
* Exocriene klieren: product buiten het lichaam, bv. zweetklieren [74](#page=74) [77](#page=77).
* Endocriene klieren: product in het lichaam via bloedbaan, bv. schildklier (hormonen) [74](#page=74) [77](#page=77).
* **Op basis van productsoort (exocriene klieren):**
* Sereuze klieren: produceren waterige eiwitten [75](#page=75).
* Muceuze klieren: produceren dik slijm [75](#page=75).
* Gemengde klieren: produceren zowel eiwitten als slijm [75](#page=75).
* **Op basis van aantal cellen:**
* 1-cellig, bv. slijmbekercellen [77](#page=77).
* Meercellig, bv. klieren [77](#page=77).
* **Op basis van voorkomen:**
* Enkelvoudig (1 kanaal) [77](#page=77).
* Vertakt (meerdere kanalen) [77](#page=77).
### Specifieke eigenschappen van epitheel
* **Regeneratie:** continue vernieuwing vanuit stamcellen aan de basale membraan [76](#page=76) [77](#page=77).
* **Metaplasie:** overgang naar ander type epitheel, bv. eeltvorming [76](#page=76) [77](#page=77).
### Klierweefsel
---
# Bindweefsels: functies, kenmerken en samenstelling
### Kernidee
* Bindweefsels zijn een diverse groep weefsels met gespecialiseerde functies, gekenmerkt door cellen die niet dicht op elkaar liggen en veel intercellulaire materie (matrix) bevatten [79](#page=79).
* De matrix bestaat uit grondsubstantie en extracellulaire eiwitvezels, wat bindweefsel stevigheid, elasticiteit en ondersteuning geeft [79](#page=79) [80](#page=80).
* Bindweefsels zijn cruciaal voor structurele ondersteuning, opvulling, energieopslag, afweer en transport [79](#page=79).
### Kenmerken
* Gespecialiseerde cellen, niet dicht aaneengesloten, met veel intercellulaire materie [79](#page=79).
* Goed doorbloed (vasculair) [79](#page=79).
* Bevatten sensorische receptoren voor pijn, druk en temperatuur [79](#page=79).
* Nooit blootgesteld aan de buitenwereld [79](#page=79).
### Samenstelling: Gespecialiseerde cellen
* **Fibroblasten:** Jonge, actieve, spoelvormige cellen die vezels en grondsubstantie aanmaken [79](#page=79).
* **Fibrocyten:** Minder actieve, kleinere cellen die bij verwonding kunnen transformeren naar fibroblasten [79](#page=79).
* **Macrofagen:** Cellen die ziekteverwekkers en beschadigde cellen fagocyteren en chemische stoffen voor de immuunrespons afscheiden [80](#page=80).
* **Mestcellen:** Nabij bloedvaten, bevatten histamine (vaatverwijding) en heparine (antistollingsmiddel) [80](#page=80).
### Samenstelling: Matrix
* **Grondsubstantie:** Variërend van vloeibaar tot visceus of hard, afhankelijk van het type bindweefsel [79](#page=79) [83](#page=83).
* **Extracellulaire eiwitvezels:** Geproduceerd door fibroblasten [80](#page=80).
* **Collagene vezels:** Meest voorkomend, sterk, trekvast en buigzaam [82](#page=82).
* **Elastische vezels:** Samengesteld uit elastine, elastisch en keren terug naar oorspronkelijke vorm [82](#page=82).
* **Reticulaire vezels:** Dunne, vertakte collageene vezels die een raamwerk vormen in beenmerg, lymfeklieren en milt [82](#page=82).
### Functies
* Opvullen van inwendige ruimten [79](#page=79).
* Structurele ondersteuning, stevigheid en bescherming [79](#page=79).
* Energieopslag (vooral vetweefsel) [79](#page=79) [83](#page=83).
* Afweer tegen infecties en vreemde stoffen [79](#page=79) [80](#page=80).
* Transport van voedingsstoffen, afvalstoffen en gassen (bloed en lymfe) [79](#page=79) [85](#page=85).
* Warmte-isolatie (vetweefsel) [83](#page=83).
* Lichaamsvormbepaling (vetweefsel) [83](#page=83).
### Typen bindweefsel
* **Vetweefsel:** Fungeert als schokbreker, isolator en energieopslag [83](#page=83).
* **Wit vetweefsel:** Geelachtig, met zegelringcellen, georganiseerd in lobben [84](#page=84).
---
# Het cardiovasculair stelsel: bloed, hart en circulatie
### Kernidee
* Het cardiovasculair stelsel omvat bloed, hart, bloedsomloop, prikkelgeleiding, hartcyclus en bloedvaten .
* Het hart fungeert als pomp voor de circulatie van bloed door het lichaam .
* Bloed is een bijzonder bindweefsel dat bestaat uit plasma en bloedcellen .
### Bloed
* **Algemeen**
* Bloed is een vorm van bindweefsel .
* Componenten: bloedplasma, bloedcellen (erytrocyten, leukocyten, trombocyten) en oplosbare eiwitten .
* **Hematocriet**
* Percentage bloedcellen in vol bloed (meestal erytrocyten) .
* Mannnen: 46%, vrouwen: 42% .
* **Plasma en Serum**
* Plasma is het vloeibare deel met stollingsfactoren .
* Serum is plasma zonder stollingsfactoren .
* **Vorming en Levenscyclus**
* Bloedcellen worden aangemaakt in rood beenmerg (myeloïde weefsel) .
* T-lymfocyten rijpen in de thymus .
* Erytrocyten en trombocyten functioneren in de bloedbaan .
### Hart en circulatie
* **Het hart**
* Bestaat uit een spierwand (myocardium) en vier kamers .
* Belangrijke structuren: hartkleppen, aorta, venae cavae .
* **Circulatie**
* Dubbele bloedsomloop: grote (lichaam) en kleine (longen) .
* Zuurstofrijk en zuurstofarm bloed worden gescheiden .
* **Prikkelgeleiding en Hartcyclus**
* Autonome contractie door prikkelgeleidingscellen .
* Sinusknoop: natuurlijke pacemaker .
### Bloedvaten
---
# De verschillende soorten bloedcellen en hun functies
### Rode bloedcellen (erythrocyten)
* Structuur: biconcave schijven voor groot oppervlak en flexibiliteit .
* Kenmerken: geen kern of organellen bij mensen, energie via glycolyse .
* Hemoglobine (Hb): bindt zuurstof (O₂) en kooldioxide (CO₂), bepaalt kleur .
### Bloedgroepen (ABO-systeem)
* Basis: suikerketens (antigenen A en B) op erytrocyten bepalen bloedgroep .
* Bloedgroep A: heeft antigeen A, anti-B antistoffen .
* Bloedgroep B: heeft antigeen B, anti-A antistoffen .
* Bloedgroep AB: heeft antigenen A en B, geen antistoffen .
* Bloedgroep O: geen antigenen A of B, anti-A en anti-B antistoffen .
* Universele donor: bloedgroep O .
* Universele receptor: bloedgroep AB .
### Rhesusfactor
* D-antigeen: voornaamste Rhesus-antigeen .
* Rh⁺: aanwezigheid van het D-antigeen .
* Rh⁻: afwezigheid van het D-antigeen; kan antistoffen vormen bij contact met Rh⁺ bloed .
### Hemolytische anemie
* Definitie: verminderd aantal rode bloedcellen of hemoglobineconcentratie .
* Oorzaken: verhoogde afbraak of verminderde aanmaak van rode bloedcellen .
### Witte bloedcellen (leukocyten)
* Functie: afweer tegen micro-organismen en lichaamsvreemde stoffen .
* Algemeen: groter dan erytrocyten, bestrijden infecties .
### Monocyten
* Structuur: niervormige kern, groter dan rode bloedcel .
* Functie in weefsels: worden macrofagen, fagocytose, activeren lymfocyten .
### Lymfocyten
* Structuur: klein, grote kern, dun cytoplasma .
* Functie: specifieke afweer .
* B-lymfocyten: humorale immuniteit, produceren antistoffen .
* T-lymfocyten: cellulaire immuniteit, binden aan antigenen .
### Trombocyten (bloedplaatjes)
* Structuur: kleine cytoplasmapakketjes .
* Functie: rol bij bloedstolling .
---
# Het lymfatisch systeem en de componenten ervan
### Kernidee
* Het lymfatisch systeem transporteert weefselvocht terug naar de bloedbaan en speelt een cruciale rol in de lichaamsafweer .
### Belangrijkste componenten
* **Lymfe:** Weefselvocht dat door lymfevaten wordt getransporteerd .
* **Lymfevaten:** Een netwerk dat lymfe vanuit weefsels naar bloedvaten voert .
* **Lymfoïd weefsel:** Verspreid in het lichaam, bevat lymfocyten .
* **Lymfoïde organen:** Thymus, milt, beenmerg en lymfeknopen .
### Lymfe en weefselvocht
* Weefselvocht wordt opgenomen in lymfecapillairen om lymfe te vormen .
* Weefselvocht bevat water, elektrolyten, glucose, gassen, bloedeiwitten, hormonen en enzymen .
* Na een maaltijd bevat dit vocht ook vetten, eiwitten en triglyceriden uit de darmen .
### Lymfevaten en circulatie
* Lymfevaten vergroten in diameter en bevatten kleppen om terugstroming te voorkomen .
* Chylvaten zijn specifieke lymfevaten in de dunne darm die vetten transporteren .
* Lymfe bevat granulocyten, lymfocyten, hormonen, enzymen en antilichamen .
### Lymfeknopen
* Lymfeknopen fungeren als tussenstations in het lymfestelsel .
* Ze worden omgeven door een bindweefselkapsel en bevatten tussenschotten (trabekels) .
* Lymfe stroomt via aanvoerende vaten de knoop in en via afvoerende vaten de knoop uit .
* Binnenin bevinden zich lymfefollikels en lymforeticulair weefsel .
### Functies van het lymfatisch systeem
* **Transport:** Vervoer van weefselvocht terug naar de bloedbaan .
* **Verdediging:** Bescherming tegen micro-organismen en allergenen via het Reticulo-Endotheliaal Systeem (RES) .
* **Specifieke afweer:** Aanval gericht op specifieke bedreigingen door B- en T-lymfocyten .
### Lymfoïde structuren
* **Lymfoïde organen** (zoals milt en thymus) zijn complexe structuren met veel lymfocyten .
* **Lymfoïde weefsels** zijn losse bindweefselclusters met lymfocyten, georganiseerd in lymfefollikels .
* Een lymfefollikel bevat een kiemcentrum met actief delende lymfocyten .
### Vochtcirculatie
* Lymfe is vocht afkomstig uit de bloedbaan dat via lymfevaten terugkeert naar de veneuze circulatie .
* Dit proces helpt bij het handhaven van de vochtbalans in de weefsels .
---
# Het centrale zenuwstelsel: cerebrum, hersenstam en cerebellum
### Cerebrum (grote hersenen)
* Het cerebrum bestaat uit twee hemisferen, gescheiden door de fissura longitudinalis en verbonden door het corpus callosum .
* Sulci (groeven) en gyri (windingen) vergroten het oppervlak van de hersenschors voor meer informatieverwerking .
* De cerebrale cortex (grijze stof) is verantwoordelijk voor informatieverwerking .
* Witte stof verbindt verschillende hersengebieden .
* De lobben van het cerebrum zijn: lobus frontalis (gedrag, spraak), lobus parietalis (sensorische informatie), lobus temporalis (gehoor, geheugen), en lobus occipitalis (visuele verwerking) .
* De precentrale gyrus (motorische cortex) stuurt willekeurige bewegingen aan .
* De postcentrale gyrus (sensorische cortex) verwerkt tast en pijn .
* Spraakproductie en begrip worden grotendeels verzorgd door de motorische cortex en gespecialiseerde spraakgebieden (meestal linkerhemisfeer) .
* Geheugen is diffuus verdeeld en verbonden met het limbisch systeem .
* Het limbisch systeem speelt een rol in emoties, via structuren zoals de hypothalamus en reukcentra .
* Associatieve functies, zoals persoonlijkheid en herkenning, vinden plaats in de frontale en pariëtale lobben .
### Hersenstam (Truncus cerebri)
* De hersenstam verbindt de grote hersenen, kleine hersenen en het ruggenmerg .
* Het bestaat uit de diëncephalon (tussenhersenen), mesencephalon (middenhersenen), pons en medulla oblongata (verlengde merg) .
* De diëncephalon bevat de thalamus (sensorisch schakelstation) en hypothalamus (homeostase, endocriene functies) .
* De medulla oblongata bevat vitale centra voor ademhaling, hartslag en bloeddrukregulatie .
* De hersenstam is een doorgang en kruisingspunt voor motorische en sensorische banen .
* Het reguleert vitale functies en bevat de oorsprong van meerdere craniale zenuwen .
* Het mesencephalon reguleert visuele en auditieve reflexen en motorische controle .
### Cerebellum (kleine hersenen)
* Het cerebellum is gelegen dorsaal van de hersenstam .
* Het is verantwoordelijk voor de coördinatie van beweging .
* Het handhaaft balans en houding .
* Het zorgt voor de fijnafstemming van motorische activiteiten .
### Hersenventrikels en liquorcirculatie
* Hersenventrikels zijn met elkaar verbonden holtes die hersenvocht (liquor cerebrospinalis) bevatten .
* De liquor wordt geproduceerd in de plexus choroideus .
* De circulatie volgt de route: laterale ventrikels -> foramina van Monro -> derde ventrikel -> aqueductus cerebri -> vierde ventrikel -> subarachnoïdale ruimte .
---
# het ruggenmerg
### Kernidee
* Het ruggenmerg (medulla spinalis) is een langwerpige structuur die signalen tussen hersenen en perifeer zenuwstelsel overdraagt .
* Het speelt een cruciale rol in reflexen, automatische reacties op prikkels .
* Het is onderdeel van het centrale zenuwstelsel (CZS) .
### Belangrijke feiten
* Het ruggenmerg bevindt zich binnen de wervelkolom en is beschermd door de meningen .
* Het draagt motorische signalen van de hersenen naar het lichaam en sensorische signalen van het lichaam naar de hersenen .
* Het is georganiseerd in segmenten die overeenkomen met de wervels (cervicaal, thoracaal, lumbaal, sacraal, coccygeaal) .
* Het ruggenmerg bestaat uit grijze stof (centraal) en witte stof (perifeer) .
* De witte stof bevat myelineschede-omhulde axonen voor snelle signaaloverdracht .
* De witte stof is onderverdeeld in kolommen: dorsale, ventrale en laterale kolommen .
* De zenuwwortels zijn de dorsale (sensorisch) en ventrale (motorisch) wortels .
### Kernconcepten
* **Grijze stof:**
* **Achterhoorn (dorsaal):** Verwerkt sensorische input (aanraking, pijn, temperatuur). Bevat sensorische neuronen .
* **Voorhoorn (ventraal):** Verantwoordelijk voor motorische output (spierbewegingen). Bevat motorische neuronen .
* **Witte stof banen:**
* **Dorsale kolom:** Sensorische banen naar de hersenen .
* **Ventrale en laterale kolom:** Motorische banen vanuit de hersenen naar spieren .
* **Functies:**
* **Sensorische functie:** Ontvangt informatie via dorsale wortels naar achterhoorn .
* **Motorische functie:** Stuurt signalen via ventrale wortels vanuit voorhoorn naar spieren .
* **Reflexfunctie:** Automatische reacties op prikkels .
### Implicaties
* Het ruggenmerg is essentieel voor communicatie tussen hersenen en lichaam .
* Beschadiging kan leiden tot verlies van sensorische en motorische functies .
* Reflexen bieden snelle, beschermende reacties zonder directe herseninterventie .
* Het ruggenmerg integreert sensorische informatie en coördineert reacties .
- > **Tip:** De indeling van grijze en witte stof is omgekeerd ten opzichte van de hersenen
---
# De indeling en structuur van het zenuwstelsel
### Algemene kenmerken van de meningen
* Meningen zijn drie gespecialiseerde vliezen die het centrale zenuwstelsel (CZS) omgeven .
* Ze bieden fysieke stabiliteit en absorberen schokken .
* Vaten in de meningen leveren zuurstof en voedingsstoffen aan het CZS .
### De drie meningen
* **Dura mater**: het stevige, buitenste hersenvlies .
* Ontdubbelingen vormen durale sinussen met veneus bloed .
* Voorbeeld: de falx cerebri, een plooi tussen de hersenhelften .
* **Arachnoïdea**: een dun, spinnenwebachtig vlies .
* Verbonden met de pia mater door bindweefselbalkjes .
* De subarachnoïdale ruimte ertussen is gevuld met liquor cerebrospinalis .
* Granulationes van Paccioni zijn uitstulpingen die liquor afvoeren naar durale sinussen .
* **Pia mater**: een dun, zacht vlies dat nauw aansluit op de hersenschors .
* Het vlies is sterk doorbloed .
### Hersenventrikels en liquorcirculatie
* Er zijn vier hersenventrikels, gevuld met liquor cerebrospinalis .
* Deze holtes zijn bekleed met ependymcellen en onderling verbonden .
* De liquor wordt geproduceerd in de plexus choroideus .
* Dagelijks wordt ongeveer 500 ml liquor aangemaakt, met een totaal volume van 150 ml op elk moment .
* Liquor stroomt rond de hersenen en het ruggenmerg .
### Het ruggenmerg (medulla spinalis)
* Het ruggenmerg heeft een achterhoorn (dorsaal) voor sensorische informatie .
* De voorhoorn (ventraal) stuurt motorische impulsen naar spieren .
* De dorsale hoorn verwerkt prikkels vanuit de zintuigen .
* De ventrale hoorn initieert bewegingssignalen .
### Anatomische indeling van het zenuwstelsel
* Het zenuwstelsel is anatomisch ingedeeld in het Centrale Zenuwstelsel (CZS) en het Perifere Zenuwstelsel (PZS) .
* **CZS**: omvat de hersenen (cerebrum, truncus cerebri, cerebellum) en het ruggenmerg .
* **PZS**: bestaat uit de 12 paar hersenzenuwen en ruggenmergzenuwen .
* Het PZS verbindt het CZS met de rest van het lichaam .
---
# De fysiologische indeling van het zenuwstelsel
### Core idea
* Het zenuwstelsel is fysiologisch ingedeeld in het somatisch (willekeurig) en het autonoom (onwillekeurig) zenuwstelsel .
* Het somatisch zenuwstelsel verzorgt bewuste controle over spieren en registreert externe prikkels .
* Het autonoom zenuwstelsel regelt onbewust lichaamsfuncties voor homeostase en overleving .
### Key facts
* Het somatisch zenuwstelsel heeft een motorisch gedeelte voor skeletspieren en een sensorisch gedeelte voor zintuigen .
* Het autonoom zenuwstelsel omvat het sympathisch (stress) en parasympathisch (herstel) zenuwstelsel .
* Het sympathisch zenuwstelsel verhoogt bloeddruk, hartslag en ademhaling .
* Het parasympathisch zenuwstelsel verhoogt blaas- en darmactiviteit en verlaagt hartslag en bloeddruk .
* Het sympathisch zenuwstelsel locaties zijn thoracaal en lumbaal (T1–L2) .
* Het parasympathisch zenuwstelsel locaties zijn de hersenstam en sacrale ruggenmerg (S2–S4) .
* Sympathische ganglia liggen dicht bij het ruggenmerg, met lange postganglionaire vezels .
* Parasympathische ganglia liggen bij het doelorgaan, met korte postganglionaire vezels .
### Key concepts
* **Somatisch Zenuwstelsel:** Verantwoordelijk voor willekeurige bewegingen en bewuste zintuiglijke waarneming .
* **Autonoom Zenuwstelsel (AZS):** Reguleert interne organen en lichaamsfuncties onbewust .
* **Sympathisch Zenuwstelsel:** 'Fight-or-Flight' reactie, bereidt het lichaam voor op actie .
* **Parasympathisch Zenuwstelsel:** 'Rest-and-Digest' functie, bevordert rust en herstel .
* **Preganglionaire neuronen:** Motorische neuronen in het CZS, gebruiken Acetylcholine (ACh) als neurotransmitter .
* **Ganglia:** Groepen zenuwcellichamen buiten het CZS .
* **Postganglionaire neuronen:** Zenuwen die effectororganen aansturen, gebruiken Noradrenaline (NA) in het sympathisch systeem .
* **Neurotransmitters:** Chemische boodschappers; ACh en Noradrenaline (NA) zijn cruciaal in het AZS .
### Implications
* Het sympathische zenuwstelsel stimuleert stofwisseling en verhoogt waakzaamheid in noodsituaties .
* Voorbeelden van sympathische activiteit zijn pupil dilatatie en verhoging van ademhaling en hartslag .
* AZS-regulatie gebeurt via sensoren, vegetatieve centra in de hersenstam en prikkels .
* Centra voor het sympathisch zenuwstelsel zijn de hypothalamus en zijhoorncellen in het ruggenmerg .
---
# De opbouw en functies van de luchtwegen
### Algemene functie
* Ademhaling omvat opname van zuurstof en afgifte van koolstofdioxide voor energieproductie .
### Onderdelen van het ademhalingsstelsel
* Luchtwegen zijn verantwoordelijk voor luchtgeleiding, filteren, verwarmen en bevochtigen .
* Longweefsel is primair voor gasuitwisseling .
### Neusholte
* Opbouw omvat septum nasi, conchae (vergroten oppervlak) en meati (gangen) .
* Bekleed met mucosa, met bloedvaatjes (Locus Kiesselbachi) voor verwarming .
* Bevat reukepitheel en de reukzenuw N. Olfactorius (I) .
### Paranasale sinussen
* Holtes in de schedel: sinus frontalis, ethmoidalis, maxillaris, sphenoidalis .
* Functies: verminderen schedelgewicht en dienen als klankkast voor spraak .
### Pharynx (Keelholte)
* Verdeeld in nasopharynx (met neusamandel), oropharynx (met keelamandel) en laryngopharynx .
* Ontstekingen zoals pharyngitis en laryngopharyngitis kunnen voorkomen .
### Larynx (Strottenhoofd)
* Opgebouwd uit kraakbeen (schildkraakbeen, bekertjes) en de epiglottis .
* Epiglottis sluit de luchtwegen af tijdens het slikken .
* Functie: stemproductie door luchtverplaatsing langs trillende stembanden .
### Trachea (Luchtpijp)
* Bevat 15-20 hoefijzervormige kraakbeenringen voor stevigheid .
* Splitst bij de bifurcatio naar de longen .
* Bekleed met pseudomeerlagig epitheel voor bescherming .
* Sympathisch zenuwstelsel kan de diameter vergroten bij inspanning .
### Bronchus (Luchtweg)
* Verantwoordelijk voor luchtgeleiding van trachea naar longen .
* Wand bestaat uit mucosa (trilhaarepitheel), gladde spiercellen en kraakbeenringen .
* Ontsteking hiervan wordt bronchitis genoemd .
### Bronchi (Vertakkingen)
* Indeling: hoofd-, lobaire (aantal per long afhankelijk van aantal kwabben) en segmentbronchi .
* Rechterlong heeft 3 lobaire bronchi (3 kwabben), linkerlong heeft 2 lobaire bronchi (2 kwabben) .
* Wand bestaat uit trilhaarepitheel en kraakbeenstukjes .
### Bronchioli (Kleinste luchtwegen)
* Overgang naar gasuitwisseling in de alveoli .
* Wand van cuboiïdaal epitheel met trilharen, gladde spierweefsel, maar geen kraakbeen .
---
# Het endocriene stelsel en homeostase
### Core idea
* Het endocriene stelsel is een van de belangrijkste orgaanstelsels die samenwerken voor homeostase .
* Homeostase is het handhaven van een stabiel intern milieu van het lichaam .
* Het zenuwstelsel en endocriene stelsel zijn beide regelsystemen met verschillende reactiesnelheden en werkingsduren .
### Key facts
* Homeostase omvat de regulatie van zoutgehalte, bloeddruk, bloed-pH, bloedsuikerspiegel, lichaamstemperatuur en waterbalans .
* Neurale regeling is snel en kortdurend, hormonale regeling is trager en langdurig .
* Hormonen zijn chemische stoffen die door endocriene klieren worden afgescheiden en via de bloedbaan naar doelwitorganen worden getransporteerd .
* Endocriene klieren scheiden hun producten in het lichaam af, exocriene klieren buiten het lichaam .
* Hormoonwerking is afhankelijk van de productie- en afbraaksnelheid (halveringstijd) .
### Key concepts
* Doelcellen zijn cellen die reageren op specifieke hormonen vanwege de aanwezigheid van receptoren .
* Hormoonreceptoren bevinden zich op het celmembraan, in het cytoplasma of in de celkern .
* De klassieke definitie van een hormoon beschrijft de afgifte door klieren, transport via bloed en specifieke werking .
* De actuele definitie benadrukt de binding aan specifieke receptoren voor een effect .
* Er zijn verschillende soorten secretie: endocriene, neuroendocriene en paracriene secretie .
### Implications
* Neuroendocriene secretie combineert kenmerken van zowel het zenuwstelsel als het endocriene stelsel .
* Paracriene secretie beïnvloedt naburige cellen zonder bloedtransport .
* Hormonale regeling maakt langdurige aanpassingen in het lichaam mogelijk .
* De specificiteit van hormoonwerking berust op de aanwezigheid van juiste receptoren op doelcellen .
### Examples
* Voorbeelden van hormonen zijn noradrenaline en adrenaline .
* Belangrijke endocriene klieren zijn de schildklier, hypofyse, bijnieren, alvleesklier en geslachtsklieren .
* Voorbeeld van exocriene klieren zijn zweet- en maagklieren .
---
# Regulering van hormoonafgifte en klieractiviteit
### Kernidee
* Concentraties van hormonen in het bloed zijn afhankelijk van aanmaak en afbraak/uitscheiding .
* Regulering gebeurt via negatieve feedback, hormonale en humorale prikkels .
* Hormonen binden aan specifieke receptoren op doelwitcellen om homeostase te handhaven .
### Sleutelbegrippen
* Negatieve feedback: de afgifte van een hormoon wordt gereguleerd door het hormoon zelf of een gevolg ervan .
* Hormonale prikkels: complexe interacties tussen verschillende hormonen .
* Humorale prikkels: veranderingen in extracellulaire vloeistoffen beïnvloeden hormoonafgifte .
* Eilandjes van Langerhans: gespecialiseerde celgroepen in de pancreas die hormonen produceren .
* Insuline: verlaagt de bloedsuikerspiegel door glucoseopname en -gebruik te bevorderen .
* Glucagon: verhoogt de bloedsuikerspiegel door glycogeenafbraak en glucosevorming te stimuleren .
* Hypothalamus: hersendeel dat homeostase reguleert, autonome zenuwstelsel coördineert en samenwerkt met de hypofyse .
* Releasing hormones (RH): activeren hormoonsynthese en -afgifte in de hypofysevoorkwab .
* Inhibiting hormones (IH): remmen hormoonsynthese en -afgifte in de hypofysevoorkwab .
### Kernfeiten
* Schildklierhormonen blijven in relatief constante concentraties in het bloed .
* Lage calciumspiegels stimuleren de afgifte van parathyroidaal hormoon (PTH) .
* Hoge calciumspiegels stimuleren de afgifte van calcitonine .
* Het glucosegehalte in het bloed reguleert de afgifte van insuline en glucagon .
* De alvleesklier (pancreas) heeft zowel exocriene (spijsverteringssappen) als endocriene (hormonen) functies .
* Alpha-cellen in de pancreas produceren glucagon .
* Beta-cellen in de pancreas produceren insuline .
* Insuline werkt op levercellen, spiercellen en vetcellen .
* Glucagon werkt voornamelijk op levercellen .
* Neuronale prikkels kunnen hormoonafgifte stimuleren via zenuwsignalen .
* Adrenaline wordt afgegeven door het bijniermerg als reactie op neuronale prikkels .
* De hypothalamus produceert zelf hormonen zoals ADH en oxytocine .
### Implicaties
* Een disbalans in hormoonafgifte kan leiden tot verstoringen in homeostase .
---
# De pancreas en regulering van de bloedsuikerspiegel
### Core idea
* De pancreas heeft zowel exocriene als endocriene functies, waarbij de endocriene functie cruciaal is voor bloedsuikerregulatie .
* Hormonen van de pancreas, insuline en glucagon, werken samen om de bloedsuikerspiegel stabiel te houden .
* De hypothalamus fungeert als een centrale schakel tussen het zenuwstelsel en het endocriene systeem voor hormonale regulatie .
### Key facts
* De pancreas bevindt zich achter de maag en onder de lever .
* De exocriene functie van de pancreas produceert pancreassap met spijsverteringsenzymen .
* De endocriene functie vindt plaats in de eilandjes van Langerhans .
* Alpha-cellen in de eilandjes produceren glucagon .
* Beta-cellen in de eilandjes produceren insuline .
* Receptoren voor insuline en glucagon bevinden zich op het celmembraan van de meeste lichaamscellen .
* Glucagon stimuleert de afbraak van glycogeen en bevordert de vorming van glucose .
* De hypothalamus reguleert homeostase en coördineert het autonome zenuwstelsel .
* De hypothalamus produceert hormonen zoals ADH en oxytocine .
* Releasing hormones (RH) activeren hormoonsynthese en -afgifte, terwijl inhibiting hormones (IH) dit remmen .
### Key concepts
* **Insuline:** Verlaagt de bloedsuikerspiegel door de opname, opslag en gebruik van glucose door doelcellen (lever, spieren, vet) te vergroten .
* **Glucagon:** Verhoogt de bloedsuikerspiegel door de afbraak van glycogeen en de vorming van glucose te stimuleren, voornamelijk in de levercellen .
* **Neurale prikkels:** Hormoonafgifte kan gestimuleerd worden door zenuwsignalen via neurotransmitters .
* **Hypothalamus-hypofyse as:** De hypothalamus werkt samen met de hypofyse om neurale en hormonale regulatie te coördineren .
### Implications
* Een correcte werking van de pancreas is essentieel voor het voorkomen van bloedsuikerschommelingen .
* De hypothalamus speelt een sleutelrol in het handhaven van een intern evenwicht (homeostase) .
* Verstoringen in de hormonale regulatie kunnen leiden tot gezondheidsproblemen .
---
# De anatomie en functies van het spijsverteringsstelsel
### Kernconcepten
* Het spijsverteringsstelsel is een holle buis die voedsel verwerkt en verbindt met de buitenwereld .
* De basisbouw van het spijsverteringskanaal omvat slijmvlies, bindweefsel en glad spierweefsel .
* De mondholte is een cruciaal startpunt voor de spijsvertering, spraak en smaak .
* De keelholte (pharynx) verbindt de mondholte met de slokdarm en is betrokken bij zowel spijsvertering als ademhaling .
* De slikfunctie (deglutitie) is een complex proces dat bewust wordt geïnitieerd en onbewust wordt gereguleerd .
### Kernfeiten
* Slijmvlies in het spijsverteringskanaal beschermt de wand en helpt bij het glijden van voedselbrokken .
* Glad spierweefsel zorgt voor contracties zoals peristaltiek en segmentatiebewegingen voor voedseltransport en menging .
* De mondholte bevat lippen, gehemelte, tong, kaken, wangen en de ring van Waldeyer met amandelen .
* Het gebit met tandvlees en tanden speelt een rol bij het kauwen .
* De tong, bestaande uit spierweefsel en epitheel, is belangrijk voor smaak, spraak, slikken en mondreiniging .
* Drie paar speekselklieren (onderkaaks-, ondertong-, onderoorspeekselklier) produceren ongeveer 1,5 liter speeksel per dag .
* Speeksel bevat water, slijm en het enzym amylase (ptyaline) .
* De slikfunctie verloopt in twee fasen: een vrijwillige fase en een autonome fase met onderbreking van de ademhaling .
### Sleutelconcepten
* **Peristaltiek:** Gecoördineerde samentrekkingen van glad spierweefsel die voedsel door het spijsverteringskanaal voortstuwen .
* **Segmentatiebewegingen:** Contracties in de dunne darm die de inhoud mengen .
* **Ring van Waldeyer:** Een cirkel van lymfatisch weefsel rond de overgang van mond- naar keelholte, belangrijk voor immuniteit .
* **Smaaksensoren:** Receptorcellen op de tong die smaakprikkels opvangen en via zenuwen (N. glossopharyngeus, N. facialis) naar de hersenstam en thalamus geleiden .
* **Functies van speeksel:** Spijsvertering (door amylase), reiniging van de mondholte en remming van bacteriegroei .
* **Slikcentrum:** Een gebied in het verlengde merg dat de autonome slikreflex reguleert .
### Implicaties
* De complexe anatomie van de mondholte en keelholte is essentieel voor meerdere lichaamsfuncties .
* Speeksel speelt een cruciale rol in de initiële spijsvertering en bescherming van de mond .
* De gecoördineerde spiercontracties zijn noodzakelijk voor efficiënt voedseltransport en menging .
* Problemen met de slikfunctie kunnen leiden tot kokhalzen of verslikken .
### Tips
- > **Tip:** Onthoud dat de mondholte niet alleen voor spijsvertering is, maar ook een rol speelt bij spraak en smaak
- > **Tip:** De ring van Waldeyer is een belangrijk immuun-gerelateerd netwerk bij de overgang van mond- naar keelholte
---
## Veelgemaakte fouten om te vermijden
- Bestudeer alle onderwerpen grondig voor examens
- Let op formules en belangrijke definities
- Oefen met de voorbeelden in elke sectie
- Memoriseer niet zonder de onderliggende concepten te begrijpen
Glossary
| Term | Definition |
|------|------------|
| Term | Definitie |
| Hersenzenuwen | Zenuwen die direct uit de hersenen ontspringen, in tegenstelling tot de ruggenmergzenuwen. Ze worden aangeduid met "N." gevolgd door een Romeins cijfer en kunnen primair sensibel, primair motorisch of gemengd zijn. |
| Ruggenmergzenuwen | Zenuwen die in paren uit het ruggenmerg ontspringen. Ze bestaan uit een motorische voorwortel en een sensorische achterwortel, en worden ingedeeld naar de regio van de wervelkolom waar ze vandaan komen. |
| Dermatoom | Een specifiek gebied van het lichaamsoppervlak dat door een bepaald paar ruggenmergzenuwen wordt bezenuwd. Dit concept helpt bij het lokaliseren van mogelijke schade aan zenuwen. |
| Zenuwplexus | Een netwerk of vlechtwerk van samengestelde zenuwtakken buiten de wervelkolom, gevormd door axonen van meerdere ruggenmergzenuwen. Deze plexussen vormen perifere zenuwen die grotere spiergroepen aansturen. |
| Somatisch Zenuwstelsel | Het deel van het zenuwstelsel dat verantwoordelijk is voor bewuste controle over spieren en de registratie van externe prikkels via de zintuigen. Het omvat het motorische gedeelte dat skeletspieren aanstuurt en het sensorische gedeelte dat externe informatie verwerkt. |
| Autonoom Zenuwstelsel | Het deel van het zenuwstelsel dat onbewust lichaamsfuncties regelt ter handhaving van homeostase en overleving. Het omvat het sympathische en parasympathische zenuwstelsel, die tegengestelde effecten kunnen hebben op lichaamsfuncties. |
| Sympathisch Zenuwstelsel | Een component van het autonome zenuwstelsel dat het lichaam voorbereidt op actie, vaak aangeduid als het "vecht-of-vlucht" systeem. Het verhoogt de bloeddruk, hartslag, ademhaling en spiervermogen. |
| Parasympathisch Zenuwstelsel | Een component van het autonome zenuwstelsel dat gericht is op herstel en rust. Het verlaagt de hartslag en bloeddruk, en stimuleert functies zoals blaas- en darmactiviteit. |
| Ganglia | Groepen zenuwcellichamen buiten het centrale zenuwstelsel. Bij het autonome zenuwstelsel bevinden zich hier de ganglionaire neuronen die de verbinding vormen tussen het centrale zenuwstelsel en de effectoren. |
| Preganglionaire neuronen | Motorische neuronen die zich in het centrale zenuwstelsel bevinden en hun axonen naar de autonome ganglia sturen. De neurotransmitter die ze afscheiden is acetylcholine (ACh). |
| Postganglionaire neuronen | Neuronen die zich buiten het centrale zenuwstelsel bevinden en hun axonen naar de perifere effectoren sturen. De neurotransmitters die ze afscheiden kunnen acetylcholine (ACh) of noradrenaline (NA) zijn, afhankelijk van het type zenuwstelsel. |
| Negatieve feedback | Een regulatiemechanisme waarbij de afgifte van een hormoon wordt geremd door de aanwezigheid van dat hormoon of een daarvan afgeleid product in het bloed, wat helpt om de hormoonconcentratie binnen een bepaald bereik te houden. |
| Hormonale prikkels | Signalen die de afgifte van hormonen stimuleren of remmen, waarbij meerdere hormonen betrokken kunnen zijn in complexe interacties om de hormoonhuishouding te reguleren. |
| Humorale prikkels | Veranderingen in de samenstelling van de extracellulaire vloeistoffen, zoals de calcium- of glucoseconcentratie in het bloed, die direct de hormoonafgifte beïnvloeden. |
| Eilandjes van Langerhans | Gespecialiseerde celgroepen in de alvleesklier die endocriene hormonen produceren, zoals insuline door bètacellen en glucagon door alfacellen, die essentieel zijn voor de bloedsuikerregulatie. |
| Insuline | Een hormoon geproduceerd door de bètacellen van de eilandjes van Langerhans, dat de bloedsuikerspiegel verlaagt door de opname, opslag en het gebruik van glucose door doelcellen te bevorderen. |
| Glucagon | Een hormoon geproduceerd door de alfacellen van de eilandjes van Langerhans, dat de bloedsuikerspiegel verhoogt door de afbraak van glycogeen in de lever te stimuleren en de vorming van glucose te bevorderen. |
| Hypothalamus | Een deel van de tussenhersenen dat een cruciale rol speelt bij de regulatie van homeostase, de coördinatie van het autonome zenuwstelsel en de samenwerking met de hypofyse voor neurale en hormonale regulatie. |
| Releasing hormones (RH) | Hormonen geproduceerd door de hypothalamus die de synthese en afgifte van hormonen door de hypofysevoorkwab activeren. |
| Inhibiting hormones (IH) | Hormonen geproduceerd door de hypothalamus die de synthese en afgifte van hormonen door de hypofysevoorkwab remmen. |
| Alvleesklier (Pancreas) | Een orgaan dat zowel exocriene (spijsverteringssappen) als endocriene (hormonen zoals insuline en glucagon) functies heeft, gelegen achter de maag en onder de lever. |
| Homeostase | Het vermogen van een organisme om een stabiel intern milieu te handhaven, ondanks veranderingen in de externe omgeving. |
| Glycogeen | Een vertakte polysacharide die dient als opslagvorm van glucose in de lever en spieren, en die kan worden afgebroken om de bloedsuikerspiegel te verhogen. |
| Neurotransmitters | Chemische boodschappers die worden vrijgegeven door zenuwcellen om signalen over te dragen aan andere zenuwcellen, spieren of klieren. |
| Celbiologie | De studie van de bouw, functie en activiteit van cellen, de kleinste structurele eenheden van leven. |
| Prokaryoten | Evolutionair oudere organismen, zoals bacteriën, die geen celkern bezitten en hun DNA vrij in het cytoplasma hebben. Ze bevatten een celwand voor bescherming. |
| Eukaryoten | Organismen waarvan de cellen een celkern en celorganellen bevatten, omgeven door membranen. Dit omvat zowel eencellige organismen zoals gisten als de cellen van meercellige organismen. |
| Celorganellen | Afzonderlijke structuren binnen eukaryote cellen die door membranen zijn omgeven en specifieke functies uitvoeren, zoals de celkern (DNA-opslag), mitochondriën (energieproductie) en het endoplasmatisch reticulum (eiwit- en lipidenverwerking). |
| Macromoleculen | Grote organische moleculen die essentieel zijn voor de celstructuur en functie, waaronder suikers, lipiden, eiwitten en nucleïnezuren. |
| Functionele groep | Een specifieke structuur binnen een organische verbinding die de chemische eigenschappen en reactiviteit van het molecuul bepaalt, zoals hydroxyl (-OH), carboxyl (-COOH) en amino (-NH2) groepen. |
| Polaire stoffen | Moleculen die een ongelijke verdeling van lading hebben, waardoor ze hydrofiel (wateraantrekkend) en wateroplosbaar zijn. Ze interageren sterk met watermoleculen door dipool-ion interacties. |
| Apolaire stoffen | Moleculen die een gelijke verdeling van lading hebben, waardoor ze hydrofoob (waterafstotend) en lipofiel (vetoplosbaar) zijn. Ze vermijden interactie met water en vormen geen waterstofbruggen. |
| Covalente binding | Een chemische binding waarbij atomen elektronen delen om een stabiele moleculaire structuur te vormen. Koolstofatomen kunnen tot vier covalente bindingen aangaan, wat de vorming van complexe ketens en ringstructuren mogelijk maakt. |
| Hydrofiel | Letterlijk "waterlievend", verwijst naar stoffen die goed oplossen in water vanwege hun polaire aard en de mogelijkheid om waterstofbruggen te vormen. |
| Hydrofoob | Letterlijk "watervrezend", verwijst naar stoffen die slecht oplossen in water vanwege hun apolaire aard en de neiging om interacties met water te vermijden. |
| Endoplasmatisch reticulum (ER) | Een uitgebreid netwerk van membranen binnen de cel dat een afgesloten ruimte vormt, het ER-lumen, en bestaat uit twee typen: het ruw endoplasmatisch reticulum (RER) met ribosomen en het glad endoplasmatisch reticulum (SER) zonder ribosomen. |
| Ruw endoplasmatisch reticulum (RER) | Het deel van het endoplasmatisch reticulum dat bedekt is met ribosomen, verantwoordelijk voor de synthese van specifieke eiwitten, vaak bestemd voor export uit de cel, en voor de verdere bewerking van deze eiwitten zoals glycosylering. |
| Glad endoplasmatisch reticulum (SER) | Het deel van het endoplasmatisch reticulum dat geen ribosomen draagt, betrokken bij de synthese van lipiden en fosfolipiden, de ontgifting van apolaire gifstoffen, de synthese van steroïde hormonen en de opslag van calciumionen. |
| Golgi-apparaat | Een organel in eukaryote cellen, bestaande uit gestapelde, afgeplatte membraanzakjes, dat een centrale rol speelt in de bewerking, sortering en het transport van eiwitten die vanuit het RER worden aangeleverd, en betrokken is bij de vorming van lysosomen en klierblaasjes. |
| Lysosomen | Membraangebonden blaasjes die afbraakenzymen (hydrolasen) bevatten en verantwoordelijk zijn voor de cellulaire vertering, recycling van verouderde moleculen, en de afbraak van zowel eigen cellulair materiaal (autofagie) als extern opgenomen materiaal (heterofagie). |
| Glycosylering | Een post-translationele modificatie waarbij suikergroepen worden toegevoegd aan eiwitten, wat resulteert in de vorming van glycoproteïnen; dit proces vindt plaats in het ruw endoplasmatisch reticulum. |
| Transportvesikels | Kleine, membraangebonden blaasjes die betrokken zijn bij het transport van moleculen, zoals eiwitten, tussen verschillende organellen binnen de cel, bijvoorbeeld van het RER naar het Golgi-apparaat. |
| Exocytose | Een proces waarbij cellen stoffen, zoals klierproducten, uit de cel transporteren door de versmelting van blaasjes met het celmembraan, waardoor de inhoud van het blaasje buiten de cel wordt vrijgegeven. |
| Autofagie | Het proces waarbij een cel zijn eigen verouderde of beschadigde componenten afbreekt en recycleert, vaak door deze in lysosomen te transporteren voor vertering. |
| Heterofagie | Het proces waarbij een cel extern opgenomen materiaal, zoals bacteriën of voedseldeeltjes, afbreekt en verteert, meestal door middel van lysosomen. |
| Geslachtsgebonden erfelijkheid | Erfelijkheid van genen die zich op de geslachtschromosomen bevinden, specifiek op het X-chromosoom in dit geval, wat leidt tot patronen van overerving die verschillen tussen mannen en vrouwen. |
| X-chromosoom | Een van de twee geslachtschromosomen, aanwezig bij zowel mannen als vrouwen. Het X-chromosoom bevat genen die essentieel zijn voor lichamelijke en geslachtsgebonden eigenschappen, en bij mannen is het aanwezig naast een Y-chromosoom. |
| Y-chromosoom | Het andere geslachtschromosoom, dat voornamelijk bij mannen voorkomt (XY). Allelen op het Y-chromosoom bepalen mannelijke kenmerken en zijn dominant. |
| Allel | Een specifieke variant van een gen. Bij geslachtsgebonden erfelijkheid kunnen verschillende allelen op het X-chromosoom leiden tot verschillende eigenschappen of aandoeningen. |
| Homozygoot | De situatie waarbij een individu twee identieke allelen heeft voor een bepaald gen. Bijvoorbeeld, bij kleurenblindheid is een vrouw homozygoot mutant als ze twee 'Xc' allelen heeft ($X^c X^c$). |
| Heterozygoot | De situatie waarbij een individu twee verschillende allelen heeft voor een bepaald gen. Bij kleurenblindheid is een vrouw heterozygoot als ze een 'XC' en een 'Xc' allel heeft ($X^C X^c$), waardoor ze draagster kan zijn. |
| Fenotype | De waarneembare eigenschappen of kenmerken van een individu, die het resultaat zijn van de interactie tussen het genotype en de omgeving. Bij X-chromosomale erfelijkheid bepaalt het fenotype of een persoon de aandoening vertoont. |
| Genotype | De genetische samenstelling van een individu, oftewel de combinatie van allelen die het bezit voor een bepaald gen of reeks genen. Het genotype bepaalt de potentie voor het fenotype. |
| Draagster | Een individu, meestal een vrouw bij X-chromosomale aandoeningen, die een gemuteerd allel voor een bepaalde eigenschap draagt, maar zelf de eigenschap niet vertoont vanwege de aanwezigheid van een functioneel allel op het andere X-chromosoom. |
| Kleurenblindheid | Een X-chromosomale aandoening die wordt veroorzaakt door een mutatie in een gen op het X-chromosoom dat verantwoordelijk is voor kleurenzien. Mannen zijn hierdoor vaker aangedaan dan vrouwen. |
| Hemofilie | Een geslachtsgebonden bloedingsstoornis die wordt veroorzaakt door een tekort aan specifieke stollingsfactoren (VIII voor hemofilie A, IX voor hemofilie B). Het is X-chromosomaal recessief overerfbaar, waardoor mannen een hoger risico lopen. |
| X-chromosomaal recessief | Een overervingspatroon waarbij een recessief gen op het X-chromosoom de aandoening veroorzaakt. Mannen (XY) zullen de aandoening vertonen als ze het gemuteerde allel hebben, terwijl vrouwen (XX) meestal draagsters zijn tenzij ze twee gemuteerde allelen hebben. |
| Kraakbeen | Een veerkrachtig bindweefsel dat voornamelijk bestaat uit chondrine en een intercellulaire matrix. Het is avasculair, wat betekent dat het geen bloedvaten bevat, en de cellen, chondrocyten, bevinden zich in lacunae. |
| Hyalien kraakbeen | Een type kraakbeen dat transparante collagene vezels bevat en voorkomt op gewrichtsvlakken en in groeischijven, wat zorgt voor een glad oppervlak en ondersteuning. |
| Elastisch kraakbeen | Een vervormbaar type kraakbeen dat zowel collagene als elastische vezels bevat, waardoor het zijn oorspronkelijke vorm kan terugkrijgen na vervorming. Het is te vinden in de neus en het oor. |
| Vezelig kraakbeen | Een zeer sterk en drukbestendig type kraakbeen dat gekenmerkt wordt door een grote hoeveelheid dicht opeengepakte collagene vezels. Dit type is essentieel voor structuren zoals tussenwervelschijven en de symfysis pubis. |
| Beenweefsel (Botweefsel) | Een hard en stevig bindweefsel dat zijn sterkte verkrijgt uit calciumfosfaatzouten en collagene vezels. Het fungeert als een calciumreserve voor het lichaam en ondergaat processen zoals ossificatie en calcificatie. |
| Compact botweefsel | Een dichte en stevige vorm van botweefsel, georganiseerd in lamellen en het systeem van Havers (osteonen), dat de buitenste laag van botten vormt en zorgt voor mechanische weerstand. |
| Spongieus botweefsel | Een poreus type botweefsel dat bestaat uit dunne platen en holtes gevuld met beenmerg. Het is lichter dan compact botweefsel en bevindt zich voornamelijk in de uiteinden van lange botten. |
| Fibroblasten | Actieve cellen in bindweefsel die verantwoordelijk zijn voor de synthese van vezels (collageen, elastisch, reticulair) en de grondsubstantie, wat essentieel is voor de structuur en integriteit van het weefsel. |
| Grondsubstantie | Het amorfe, viskeuze deel van de intercellulaire matrix van bindweefsel, bestaande uit water en mucopolysacchariden. Het speelt een rol in celcommunicatie en transport. |
| Vetweefsel | Een gespecialiseerd bindweefsel dat voornamelijk bestaat uit adipocyten, cellen die vet opslaan. Het dient als energiereserve, stootkussen, warmte-isolator en opvulling. |
| Hematopoïetisch bindweefsel | Een type bindweefsel dat verantwoordelijk is voor de productie van bloedcellen. Het bevat bloedvormende cellen en reticulaire vezels in een specifieke grondsubstantie. |
| Cardiovasculair stelsel | Het systeem dat bestaat uit het bloed, het hart, de bloedsomloop, de prikkelgeleiding en de bloedvaten, verantwoordelijk voor de circulatie van bloed door het lichaam. |
| Bloed | Een gespecialiseerd bindweefsel dat bestaat uit bloedplasma (grondsubstantie) en bloedcellen (erytrocyten, leukocyten, trombocyten), en dat dient voor transport van zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen. |
| Hematocriet | Het percentage van het totale bloedvolume dat ingenomen wordt door bloedcellen, voornamelijk erytrocyten. Dit wordt ook wel VPRC (Volume Packed Red Cells) of PCV (Packed Cell Volume) genoemd. |
| Plasma | Het vloeibare deel van het bloed, waarin bloedcellen zweven en dat onder andere stollingsfactoren, eiwitten en voedingsstoffen bevat. |
| Serum | Plasma waaruit de stollingsfactoren zijn verwijderd; het is het vloeibare deel dat overblijft na bloedstolling. |
| Rode beenmerg (myeloïde weefsel) | Het bloedvormende weefsel dat verantwoordelijk is voor de aanmaak van de meeste bloedcellen, met uitzondering van T-lymfocyten die in de thymus rijpen. |
| Hart (Cor) | De centrale pomp van het cardiovasculair stelsel, bestaande uit een spierwand (myocardium) en vier kamers (twee atria en twee ventrikels), die zorgt voor de circulatie van bloed door het lichaam. |
| Grote bloedsomloop | Het circuit van het bloed dat vanuit het hart naar de rest van het lichaam wordt gepompt en vervolgens weer terugkeert naar het hart. |
| Kleine bloedsomloop | Het circuit van het bloed dat vanuit het hart naar de longen wordt gepompt voor zuurstofopname en vervolgens weer terugkeert naar het hart. |
| Sinusknoop | De natuurlijke pacemaker van het hart, gelegen in het rechteratrium, die de elektrische impulsen genereert die de hartslag initiëren. |
| AV-knoop (Atrioventriculaire knoop) | Een deel van het prikkelgeleidingssysteem van het hart dat de elektrische impuls van de atria vertraagt voordat deze naar de ventrikels wordt geleid, waardoor de atria zich volledig kunnen legen. |
| Bundel van His | Een bundel van gespecialiseerde spiervezels die elektrische impulsen van de AV-knoop naar de ventrikels geleidt. |
| Bloedplasma | Het vloeibare deel van bloed, dat een belangrijke rol speelt in transport en homeostase, en wordt aangemaakt in de lever. Het bevat opgeloste eiwitten en elektrolyten. |
| Colloïd osmotische druk (COD) | De druk die wordt uitgeoefend door colloïden, zoals eiwitten, in het bloedplasma, die helpt bij het handhaven van de vloeistofbalans tussen het bloed en de weefsels door water aan te trekken naar de bloedbaan. |
| α-Globulines | Een hoofdcategorie van plasma-eiwitten, geproduceerd in de lever, die hormonen zoals schildklierhormoon en bijnierschorshormoon, en vitamines transporteren. |
| β-Globulines | Een hoofdcategorie van plasma-eiwitten, geproduceerd in de lever, die vetten zoals cholesterol en ijzer via transferrine transporteren, en ook agglutinines bevatten. |
| γ-Globulines | Ook bekend als immunoglobulines of antistoffen, deze plasma-eiwitten spelen een cruciale rol in de immuunrespons van het lichaam tegen infecties. |
| Immunoglobulines | Een andere benaming voor γ-globulines, die fungeren als antistoffen en essentieel zijn voor de bescherming van het lichaam tegen ziekteverwekkers. |
| Oedeem | Een medische aandoening die wordt gekenmerkt door vochtopstapeling in de weefsels, vaak veroorzaakt door een verminderd vermogen van de nieren om overtollig vocht te verwijderen. |
| Acidose | Een aandoening waarbij de zuurgraad (pH) van het bloed daalt tot onder de normale waarden van 7,35, wat schadelijk kan zijn voor het lichaam. |
| Alkalose | Een aandoening waarbij de zuurgraad (pH) van het bloed stijgt tot boven de normale waarden van 7,45, wat eveneens schadelijk kan zijn voor het lichaam. |
| Thermoregulatie | Het proces waarbij het lichaam zijn interne temperatuur reguleert, waarbij bloedplasma helpt bij het transporteren van warmte door het lichaam. |
| Lymfe | Lymfe is weefselvocht dat door de lymfevaten wordt getransporteerd en een cruciale rol speelt in het immuunsysteem en de vochthuishouding van het lichaam. |
| Lymfevaten | Lymfevaten vormen een uitgebreid netwerk door het lichaam dat lymfevocht verzamelt uit de weefsels en dit terugvoert naar de bloedbaan, waarbij ze ook vetten uit de darmen transporteren. |
| Lymfoïd weefsel | Lymfoïd weefsel is een type los bindweefsel dat rijk is aan lymfocyten en verspreid voorkomt in het lichaam, vaak georganiseerd in structuren zoals lymfefollikels. |
| Lymfoïde organen | Lymfoïde organen zijn gespecialiseerde structuren zoals de thymus, milt, beenmerg en lymfeknopen die essentieel zijn voor de ontwikkeling, rijping en activiteit van immuuncellen. |
| Reticulo-Endotheliaal Systeem (RES) | Het Reticulo-Endotheliaal Systeem (RES) is een netwerk van bloedvormende weefsels, waaronder de milt, lever, beenmerg en lymfeknopen, dat betrokken is bij de fagocytose van ziekteverwekkers en de regulatie van immuunresponsen. |
| Weefselvocht (extracellulaire vloeistof) | Weefselvocht, ook wel interstitiële vloeistof genoemd, is de vloeistof die zich tussen de cellen van weefsels bevindt en een complexe samenstelling heeft van water, elektrolyten, voedingsstoffen en eiwitten. |
| Chylvaten | Chylvaten zijn gespecialiseerde lymfevaten in de dunne darm die verantwoordelijk zijn voor het transport van vetten, verpakt als chylomicronen, vanuit de darm naar het lymfestelsel. |
| Lymfeknopen | Lymfeknopen zijn kleine, boonvormige organen die fungeren als filters en tussenstations in het lymfestelsel, waar lymfe wordt gezuiverd van ziekteverwekkers en waar immuunreacties worden geïnitieerd. |
| Lymfefollikels | Lymfefollikels zijn clusters van lymfoïde weefsel, vaak zonder een vezelig kapsel, die een kiemcentrum bevatten waar actief delende lymfocyten zich bevinden en die een rol spelen in de immuunafweer. |
| B-lymfocyten | B-lymfocyten zijn een type witte bloedcel dat verantwoordelijk is voor de humorale immuniteit door de productie van antilichamen die specifiek gericht zijn tegen pathogenen. |
| T-lymfocyten | T-lymfocyten zijn een type witte bloedcel dat essentieel is voor de cellulaire immuniteit, waarbij ze direct cellen infecteren of herkennen en onschadelijk maken van antigenen. |
| Cerebrum (Grote hersenen) | Het grootste deel van de hersenen, verantwoordelijk voor hogere cognitieve functies zoals denken, geheugen, taal en bewuste beweging. Het is verdeeld in twee hemisferen en heeft een cortex van grijze stof die informatie verwerkt. |
| Hersenstam (Truncus cerebri) | Het deel van de hersenen dat de grote hersenen, de kleine hersenen en het ruggenmerg verbindt. Het reguleert vitale functies zoals ademhaling, hartslag en bloeddruk, en bevat belangrijke schakelstations voor sensorische en motorische banen. |
| Cerebellum (Kleine hersenen) | Gelegen aan de achterkant van de hersenstam, is het cerebellum primair verantwoordelijk voor de coördinatie van beweging, het handhaven van balans en houding, en de fijnafstemming van motorische activiteiten. |
| Corpus callosum (Hersenbalk) | Een brede bundel zenuwvezels die de linker- en rechterhersenhelft van het cerebrum met elkaar verbindt, waardoor communicatie tussen de twee hemisferen mogelijk is. |
| Sulci en Gyri | Sulci zijn de groeven en gyri zijn de windingen op het oppervlak van de cerebrale cortex. Deze structuren vergroten het totale oppervlak van de hersenschors, waardoor er meer neuronen kunnen worden gehuisvest voor verhoogde cognitieve capaciteit. |
| Grijze stof | Het deel van het centrale zenuwstelsel dat voornamelijk bestaat uit cellichamen van neuronen, dendrieten en axonen zonder myelineschede. Het is de primaire locatie voor informatieverwerking in de hersenen. |
| Witte stof | Het deel van het centrale zenuwstelsel dat voornamelijk bestaat uit gemyeliniseerde axonen. Deze axonen vormen zenuwbanen die verschillende hersengebieden met elkaar verbinden en de snelle transmissie van zenuwsignalen mogelijk maken. |
| Hersenventrikels | Een systeem van met vloeistof gevulde holtes in de hersenen die de hersenvocht produceren, circuleren en opslaan. Deze ventrikels spelen een rol bij het beschermen en voeden van het hersenweefsel. |
| Liquor cerebrospinalis (Hersenvocht) | Een heldere, kleurloze vloeistof die de hersenen en het ruggenmerg omgeeft en beschermt. Het dient als schokdemper, verwijdert afvalstoffen en transporteert voedingsstoffen. |
| Mesencephalon (Middenhersenen) | Het bovenste deel van de hersenstam, gelegen tussen de diëncephalon en de pons. Het speelt een rol bij visuele en auditieve reflexen, motorische controle en bevat kernen van craniale zenuwen. |
| Pons | Het middelste deel van de hersenstam, gelegen tussen het mesencephalon en de medulla oblongata. Het verbindt de hersenhelften van het cerebellum en bevat kernen van verschillende craniale zenuwen, die betrokken zijn bij ademhaling en slaap. |
| Medulla oblongata (Verlengde merg) | Het onderste deel van de hersenstam, dat overgaat in het ruggenmerg. Het bevat vitale centra voor de regulatie van ademhaling, hartslag en bloeddruk, en is een belangrijk schakelstation voor motorische en sensorische banen. |
| Ruggenmerg (Medulla Spinalis) | Een langwerpige structuur binnen de wervelkolom die essentieel is voor de overdracht van zenuwsignalen tussen de hersenen en het perifere zenuwstelsel, en een cruciale rol speelt in reflexen. |
| Achterhoorn (dorsaal) | Een deel van de grijze stof in het ruggenmerg dat sensorische neuronen bevat die informatie van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel overdragen en sensorische input verwerkt. |
| Voorhoorn (ventraal) | Een deel van de grijze stof in het ruggenmerg dat motorische neuronen bevat die signalen vanuit het centrale zenuwstelsel naar de spieren sturen en verantwoordelijk is voor motorische output. |
| Dorsale kolom | Een onderverdeling van de witte stof in het ruggenmerg die sensorische banen bevat die informatie naar de hersenen leiden. |
| Ventrale en laterale kolom | Onderverdelingen van de witte stof in het ruggenmerg die motorische banen bevatten die signalen vanuit de hersenen naar de spieren transporteren. |
| Dorsale wortel | Een zenuwwortel die sensorische axonen bevat en informatie van het lichaam naar het ruggenmerg brengt. |
| Ventrale wortel | Een zenuwwortel die motorische axonen bevat en signalen van het ruggenmerg naar de spieren stuurt. |
| Reflex | Een automatische reactie van het lichaam op een prikkel, waarbij het ruggenmerg een directe rol speelt in de snelle uitvoering ervan. |
| Meningen | Drie gespecialiseerde vliezen die het centrale zenuwstelsel (CZS) omgeven en beschermen, verantwoordelijk voor fysieke stabiliteit, schokabsorptie en de toevoer van zuurstof en voedingsstoffen via bloedvaten. |
| Dura Mater | Het stevige, buitenste hersenvlies dat deel uitmaakt van de meningen; ontdubbelingen ervan vormen durale sinussen die veneus bloed bevatten, zoals de Falx cerebri die de hersenhelften scheidt. |
| Arachnoïdea | Het dunne, spinnenwebachtige middelste hersenvlies dat deel uitmaakt van de meningen; het is verbonden met de pia mater via bindweefselbalkjes en bevat de subarachnoïdale ruimte gevuld met hersenvocht. |
| Pia Mater | Het dunne, zachte binnenste hersenvlies dat nauw aansluit op de windingen (gyri en sulci) van de cerebrale cortex en dat sterk doorbloed is. |
| Liquor cerebrospinalis | Hersenvocht dat de hersenventrikels en de subarachnoïdale ruimte vult, geproduceerd door het plexus choroideus; het dient voor bescherming, voeding en afvoer van afvalstoffen. |
| Plexus choroideus | Een bloedvatrijk kluwen binnen de hersenventrikels dat verantwoordelijk is voor de dagelijkse productie van ongeveer 500 ml liquor cerebrospinalis. |
| Centraal Zenuwstelsel (CZS) | Het deel van het zenuwstelsel dat bestaat uit de hersenen (cerebrum, truncus cerebri, cerebellum) en het ruggenmerg. |
| Perifeer Zenuwstelsel (PZS) | Het deel van het zenuwstelsel dat de hersenzenuwen en ruggenmergzenuwen omvat en het CZS verbindt met de rest van het lichaam, waarbij het sensorische informatie vervoert en motorische impulsen stuurt. |
| Ademhaling | Het proces van opname van zuurstof (O₂) en afgifte van koolstofdioxide (CO₂), wat essentieel is voor het leveren van energie aan het lichaam. |
| Luchtwegen | Structuren die verantwoordelijk zijn voor de geleiding van lucht naar de longen, met functies zoals het filteren, verwarmen en bevochtigen van ingeademde lucht. |
| Longweefsel | Het weefsel in de longen waar de cruciale gasuitwisseling plaatsvindt tussen de ingeademde lucht en het bloed. |
| Neusholte | Het eerste deel van de luchtwegen, bestaande uit het septum nasi, conchae en meati, bekleed met beschermend slijmvlies en betrokken bij de reukfunctie. |
| Septum nasi | Het neustussenschot, opgebouwd uit elastisch kraakbeen en bot, dat de neusholte in tweeën deelt. |
| Conchae | Botuitsteeksels in de neusholte, ook wel neusschelpen genoemd, die de oppervlakte van de neusholte vergroten om de lucht beter te kunnen behandelen. |
| Meati | De neusgangen die zich tussen de conchae bevinden en een belangrijke rol spelen in de luchtgeleiding binnen de neusholte. |
| Locus Kiesselbachi | Een specifiek gebied in de neusholte dat rijk is aan kleine bloedvaatjes en bijdraagt aan het verwarmen van de ingeademde lucht. |
| N. Olfactorius (I) | De reukzenuw die ontspringt in het reukepitheel van de bovenste neusholte en verantwoordelijk is voor de reukfunctie. |
| Paranasale Sinussen | Holtes in de schedelbeenderen die verbonden zijn met de neusholte, zoals de sinus frontalis, ethmoidalis, maxillaris en sphenoidalis, en bijdragen aan het beperken van het schedelgewicht en als klankkast dienen. |
| Pharynx (Keelholte) | Het deel van de keelholte dat zowel deel uitmaakt van de luchtwegen als van het spijsverteringskanaal, onderverdeeld in nasopharynx, oropharynx en laryngopharynx. |
| Larynx (Strottenhoofd) | Het orgaan dat verantwoordelijk is voor de stemproductie en het afsluiten van de luchtwegen tijdens het slikken, opgebouwd uit kraakbeen en de epiglottis. |
| Neurale regeling | Een mechanisme om homeostase te waarborgen dat snelle, kortdurende reacties genereert door middel van elektrische impulsen, vergelijkbaar met de werking van het zenuwstelsel. |
| Hormonale regeling | Een mechanisme om homeostase te waarborgen dat langdurige aanpassingen bewerkstelligt door middel van chemische stoffen, bekend als hormonen, die via de bloedbaan worden getransporteerd. |
| Hormonen | Chemische stoffen die door endocriene cellen worden afgescheiden in de extracellulaire vloeistof en via de bloedbaan naar specifieke doelwitorganen worden getransporteerd, waar ze binden aan receptoren op doelcellen om een specifieke werking te activeren. |
| Endocriene klieren | Klieren die hun product, hormonen, afscheiden in het lichaam en verspreiden via de bloedbaan, zoals de schildklier en bijnieren. |
| Exocriene klieren | Klieren die hun product buiten het lichaam uitstorten, zoals zweetklieren en maagklieren. |
| Doelcellen | Cellen in de periferie van het lichaam die specifiek reageren op een bepaald hormoon, waarbij hun gevoeligheid wordt bepaald door de aanwezigheid van specifieke receptoren. |
| Hormoonreceptor | Een eiwit, dat zich kan bevinden in het celmembraan, cytoplasma of celkern, waaraan een hormoon zich bindt om de werking van het hormoon in de doelcel te activeren. |
| Endocriene secretie | De afgifte van hormonen door endocriene cellen, die vervolgens via de bloedbaan naar doelcellen worden verspreid. |
| Neuroendocriene secretie | De afgifte van hormonen door neuronen in de bloedbaan, wat een combinatie is van de eigenschappen van het zenuw- en endocriene systeem. |
| Paracriene secretie | De afgifte van hormonen die naburige cellen beïnvloeden via lokale afgifte, zonder transport via de bloedbaan. |
| Halveringstijd | De tijd die nodig is om de concentratie van een stof, zoals een hormoon, in het lichaam te halveren; dit beïnvloedt de snelheid van de hormonale werking. De notatie hiervoor is `$t_{1/2}$`. |
| Celcyclus | De reeks gebeurtenissen die plaatsvinden in een cel tussen twee opeenvolgende celdelingen, inclusief groei, DNA-replicatie en celdeling. |
| Interfase | De periode in de celcyclus waarin de cel groeit en de celcomponenten en het DNA verdubbelt ter voorbereiding op celdeling. |
| G1-fase | De eerste groeifase van de interfase, waarin de cel groeit en nieuwe celcomponenten aanmaakt, zonder DNA-synthese. |
| S-fase | De synthesefase van de interfase, waarin DNA-replicatie plaatsvindt en het genetisch materiaal van de cel wordt verdubbeld. |
| G2-fase | De tweede groeifase van de interfase, waarin de cel verder groeit en zich voorbereidt op de celdeling, zonder verdere DNA-synthese. |
| Chromatine | Een wirwar van draadvormige structuren bestaande uit DNA en eiwitten die tijdens de interfase in de celkern aanwezig is. |
| Chromosoom | Een compacte structuur van gecondenseerd chromatine die DNA bevat, zichtbaar tijdens de celdeling, bestaande uit twee zusterchromatiden verbonden door een centromeer na replicatie. |
| Karyokinese | Het proces van kerndeling, waarbij de genetische informatie van de cel wordt verdeeld over twee nieuwe kernen. |
| Cytokinese | Het proces van cytoplasmadeling, waarbij het cytoplasma van een moedercel wordt verdeeld om twee dochtercellen te vormen. |
| Mitose | Een vorm van kerndeling waarbij één moedercelkern zich deelt tot twee genetisch identieke dochterkernen, essentieel voor groei en herstel. |
| Profase | De eerste fase van mitose, waarin chromatine condenseert tot zichtbare chromosomen, de spoelfiguur wordt gevormd en het kernmembraan desintegreert. |
| Metafase | De tweede fase van mitose, waarin de chromosomen zich in het middenvlak van de cel bevinden, uitgelijnd door de trekdraden van de spoelfiguur. |
| Bindweefsel | Een type weefsel dat bestaat uit gespecialiseerde cellen, een matrix van grondsubstantie en extracellulaire eiwitvezels, en dat diverse functies vervult zoals ondersteuning, bescherming, energieopslag en transport. |
| Collageenvezels | Sterke, niet-elastische eiwitvezels die de meest voorkomende vezels in bindweefsel zijn en zorgen voor treksterkte en stevigheid. |
| Elastische vezels | Eiwitvezels die bestaan uit elastine, weinig trekvast zijn maar wel elastisch, waardoor weefsels na uitrekking terugkeren naar hun oorspronkelijke vorm en lengte. |
| Reticulaire vezels | Dunne, vertakte en verweven collageeneiwitvezels die een raamwerk vormen in organen zoals beenmerg, lymfeklieren en de milt. |
| Fibrocyten | Minder actieve, kleinere bindweefselcellen met minder uitlopers dan fibroblasten, die bij verwonding kunnen transformeren tot fibroblasten. |
| Macrofagen | Gespecialiseerde cellen die ziekteverwekkers en beschadigde cellen fagocyteren en chemische stoffen afscheiden voor de immuunrespons. |
| Mestcellen | Cellen die zich nabij bloedvaten bevinden en vesikels bevatten met stoffen zoals histamine (vasodilatatie) en heparine (antistollingsmiddel). |
| Wit vetweefsel | Vetweefsel dat wit tot geel van kleur is, georganiseerd is in lobben en vetcellen bevat met één grote vetdruppel. |
| Bruin vetweefsel | Vetweefsel dat rijk is aan mitochondria en cytochromen, wat zorgt voor de bruine kleur, en bestaat uit kleinere cellen met meerdere kleine vetblaasjes, voornamelijk gebruikt voor warmteproductie. |
| Erythrocyten | Rode bloedcellen die biconcave schijfvormig zijn, geen kern of organellen bevatten bij mensen, en verantwoordelijk zijn voor het transport van zuurstof en koolstofdioxide dankzij hemoglobine. |
| Leukocyten | Witte bloedcellen die een essentiële rol spelen in de afweer tegen micro-organismen en lichaamsvreemde stoffen, en die ongeveer twee keer zo groot zijn als rode bloedcellen. |
| Monocyt | Een grote witte bloedcel met een niervormige kern die na 24 uur in de bloedbaan migreert naar weefsels, waar het zich ontwikkelt tot een macrofaag die fagocytose uitvoert. |
| Lymfocyt | Kleine witte bloedcellen met een grote kern en dun cytoplasma die kunnen migreren uit de bloedbaan en een rol spelen in de specifieke afweer tegen bedreigingen, onderverdeeld in B- en T-lymfocyten. |
| Hemoglobine (Hb) | Het rode pigment in rode bloedcellen dat verantwoordelijk is voor het binden en transporteren van zuurstof (O₂) en koolstofdioxide (CO₂), en dat de rode kleur van het bloed bepaalt. |
| Antigeen | Een suikerketen die gebonden is aan de glycocalix van erytrocyten en die de bloedgroep bepaalt, zoals antigeen A en antigeen B in het ABO-systeem. |
| Antistof | Een eiwit dat door het immuunsysteem wordt geproduceerd als reactie op de aanwezigheid van een specifiek antigeen, zoals anti-A en anti-B antistoffen die voorkomen in bloedgroep O. |
| Rhesusfactor | Een belangrijk antigeen op rode bloedcellen, waarbij het D-antigeen bepaalt of iemand Rhesuspositief (Rh⁺) of Rhesusnegatief (Rh⁻) is. |
| Hemolytische Anemie | Een vorm van bloedarmoede die wordt veroorzaakt door een verhoogde afbraak van rode bloedcellen of een verminderde aanmaak ervan, wat kan optreden bij Rh⁻-personen na blootstelling aan Rhesuspositief bloed. |
| Trombocyten | Kleine pakketjes cytoplasma die een rol spelen bij de bloedstolling wanneer een bloedvat beschadigd raakt. |
| Hersenen | De hersenen zijn een centraal orgaan van het zenuwstelsel, bestaande uit de grote hersenen (cerebrum), de hersenstam (truncus cerebri) en de kleine hersenen (cerebellum). Ze zijn omgeven door hersenvliezen (meninges) en bevatten hersenventrikels. |
| Cerebrale cortex (hersenschors) | De cerebrale cortex is de buitenste laag van de grote hersenen, bestaande uit grijze stof. Het is het centrum voor bewuste gedachten, waarneming en motorische controle. |
| Truncus cerebri (hersenstam) | De hersenstam verbindt de grote hersenen met het ruggenmerg en bestaat uit het diëncephalon, mesencephalon, pons en medulla oblongata. Het reguleert vitale functies zoals ademhaling en hartslag. |
| Motorische cortex (precentrale gyrus) | De motorische cortex, gelegen in de precentrale gyrus van de frontale kwab, is verantwoordelijk voor het initiëren en controleren van willekeurige bewegingen van het lichaam. |
| Sensorische cortex (postcentrale gyrus) | De sensorische cortex, gelegen in de postcentrale gyrus van de pariëtale kwab, ontvangt en verwerkt sensorische informatie uit het lichaam, zoals tast, temperatuur en pijn. |
| Thalamus | De thalamus is een belangrijk schakelstation in de tussenhersenen dat sensorische informatie van het lichaam doorstuurt naar de cerebrale cortex voor verdere verwerking. |
| Acetylcholine (ACh) | Een belangrijke neurotransmitter die wordt gebruikt door zowel preganglionaire neuronen van het sympathische en parasympathische zenuwstelsel, als door postganglionaire neuronen van het parasympathische zenuwstelsel. |
| Noradrenaline (NA) | Een neurotransmitter die voornamelijk wordt afgegeven door postganglionaire neuronen van het sympathische zenuwstelsel bij de effectororganen. |
| N. Vagus | Een belangrijke zenuw die een groot deel van de parasympathische bezenuwing van organen zoals het hart, de luchtwegen, de darmen en de nieren verzorgt. |
| Biomoleculen | Essentiële organische verbindingen die in levende organismen voorkomen en vitale functies vervullen, zoals energieopslag, structurele ondersteuning en informatieoverdracht. De vier hoofdtypen zijn suikers, lipiden, eiwitten en nucleïnezuren. |
| Suikers (Koolhydraten) | Een klasse van biomoleculen die bestaan uit koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen, vaak met de algemene formule $C_n(H_2O)_m$. Ze dienen als brandstof (bv. glucose), bouwstenen (bv. cellulose) en als componenten van genetisch materiaal. |
| Monosachariden | De eenvoudigste suikers, bestaande uit één suikereenheid. Ze bevatten koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen, minstens twee hydroxylgroepen en een carbonylfunctie, waardoor ze polaire stoffen zijn die goed oplossen in water. Voorbeelden zijn glucose, fructose en ribose. |
| Polysachariden | Complexe koolhydraten die bestaan uit lange ketens van monosachariden. Ze spelen een cruciale rol in energieopslag (bv. zetmeel in planten) en structurele ondersteuning (bv. cellulose in celwanden). |
| Lipiden | Een diverse groep apolaire moleculen die voornamelijk uit koolstof- en waterstofatomen bestaan en daardoor hydrofoob zijn (slecht oplosbaar in water). Ze dienen voor energieopslag (vetten/oliën), structurele functies (fosfolipiden in membranen) en isolatie. |
| Neutrale lipiden | Vetten en oliën die bestaan uit glycerol gebonden aan drie vetzuren. Ze zijn hydrofoob en fungeren als belangrijke energiereserves en voor warmte-isolatie in organismen. |
| Fosfolipiden | Lipiden die een glycerolmolecuul, twee vetzuren, een fosfaatgroep en een base bevatten. Ze hebben een polaire kop en apolaire staarten, waardoor ze dubbellagen vormen die de basis vormen van celmembranen. |
| Eiwitten | Complexe biomoleculen opgebouwd uit aminozuren, die essentieel zijn voor vrijwel alle biologische processen. Ze hebben diverse functies, waaronder katalyse (enzymen), transport (hemoglobine), structuur (keratine) en afweer (antilichamen). |
| Aminozuren | De bouwstenen van eiwitten. Elk aminozuur heeft een centraal koolstofatoom met een aminogroep (-NH2), een carboxylgroep (-COOH), een waterstofatoom en een variabele R-groep, die de diversiteit van eiwitten bepaalt. |
| Peptidebinding | De chemische binding die ontstaat tussen twee aminozuren bij de vorming van een polypeptideketen, waarbij water wordt afgesplitst. |
| Nucleïnezuren | Polymeren die genetische informatie opslaan en overdragen. De twee belangrijkste typen zijn DNA (deoxyribonucleïnezuur) en RNA (ribonucleïnezuur), opgebouwd uit nucleotiden. |
| Nucleotiden | De bouwstenen van nucleïnezuren. Elke nucleotide bestaat uit een pentosesuiker (ribose of deoxyribose), een fosfaatgroep en een stikstofhoudende base (adenine, guanine, cytosine, thymine of uracil). |
| Epitheel | Een type weefsel dat organen en lichaamsoppervlakken bedekt, beschermt, en betrokken is bij secretie en absorptie. Het bestaat uit dicht opeengepakte cellen die op een basaal membraan liggen en kan gespecialiseerde functies hebben zoals zintuiglijke waarneming. |
| Klierweefsel | Gespecialiseerd epitheelweefsel dat verantwoordelijk is voor de synthese en secretie van specifieke stoffen, zoals hormonen of enzymen. Het kan bestaan uit één cel of uit meerdere cellen georganiseerd in klieren. |
| Fysieke Bescherming (Epitheel) | De functie van epitheel om het lichaam te beschermen tegen externe factoren zoals schadelijke stoffen, micro-organismen, chemische agentia en waterverlies. Dit wordt bereikt door de vorming van een barrière. |
| Reguleren van Doorlaatbaarheid (Epitheel) | De functie van epitheel om selectief te controleren welke stoffen het lichaam binnenkomen of verlaten, zoals de opname van voedingsstoffen of de uitscheiding van afvalstoffen. |
| Zintuigfunctie (Epitheel) | De gespecialiseerde functie van epitheel waarbij zintuigcellen aanwezig zijn om prikkels uit de omgeving op te vangen en signalen door te geven aan het zenuwstelsel. |
| Klierfunctie (Epitheel) | De functie van epitheel waarbij gespecialiseerde kliercellen stoffen produceren en uitscheiden, wat kan leiden tot de vorming van klieren (glandulae). |
| Holocriene secretie | Een secretiewijze waarbij de hele kliercel zich vult met het product, waarna de cel afscheurt, afsterft en het product vrijgeeft. |
| Sereuze klieren | Klieren die een waterige vloeistof produceren die rijk is aan eiwitten, vaak betrokken bij de productie van spijsverteringsenzymen of andere secretoire eiwitten. |
| Muceuze klieren | Klieren die een dik, slijmerig product (mucus) produceren, dat dient voor bescherming, smering en bevochtiging van oppervlakken. |
| Gemengde klieren | Klieren die zowel sereuze als muceuze secreties produceren, waardoor ze een combinatie van eiwitten en slijm kunnen afscheiden. |
| Gastro-intestinaal stelsel | Dit systeem, ook wel het spijsverteringsstelsel genoemd, is een kanaal dat een verbinding vormt met de buitenwereld en verantwoordelijk is voor de vertering van voedsel. Het bestaat uit holle organen die een basisbouw hebben. |
| Spijsverteringsenzymen | Dit zijn stoffen die door het spijsverteringsstelsel worden geproduceerd en een cruciale rol spelen bij het afbreken van voedsel tot kleinere moleculen die door het lichaam kunnen worden opgenomen. |
| Mucosa (slijmvlies) | De binnenste laag van de wand van het spijsverteringskanaal, die bescherming biedt en de afgifte van klierproducten in het lumen mogelijk maakt door de samentrekking van de muscularis mucosae. |
| Peristaltiek | Een vast, gecoördineerd patroon van samentrekkingen van het gladde spierweefsel in de wand van het spijsverteringskanaal, aangestuurd door het autonome zenuwstelsel via de plexus myentericus, dat zorgt voor de voortbeweging van voedsel. |
| Segmentatiebewegingen | Bewegingen die specifiek voorkomen in de dunne darm, waarbij de inhoud wordt gemengd om de spijsvertering en opname van voedingsstoffen te bevorderen. |
| Mondholte | Het eerste deel van het spijsverteringsstelsel, dat ook een rol speelt in het ademhalingsstelsel en functies zoals spraak en smaak mogelijk maakt. Het omvat onder andere de lippen, het gehemelte, de tong en de wangen. |
| Ring van Waldeyer | Een verzameling van lymfatisch weefsel die zich bevindt bij de overgang van de mond- naar de keelholte en amandelen bevat, zoals de keel-, tong- en neusamandelen. |
| Kauwspieren | Spieren die verantwoordelijk zijn voor het kauwen, een ritmische beweging van de onderkaak ten opzichte van de bovenkaak, die essentieel is voor het verkleinen van voedsel voordat het wordt ingeslikt. |
| Gebit | Het geheel van tanden en tandvlees, waarbij het tandvlees (gingiva) gevoelig is voor ontsteking (gingivitis) en de tanden verantwoordelijk zijn voor het mechanisch verkleinen van voedsel. |
| Tong (glossa, lingua) | Een gespierd orgaan bedekt met meerlagig plaveiselepitheel, dat een belangrijke rol speelt bij smaakperceptie, spraak, het starten van het slikproces, mondreiniging en immuniteit. |
| Smaaksensoren | Gespecialiseerde receptoren op de tong die smaakprikkels opvangen en via zenuwen (N. glossopharyngeus en N. facialis) naar de hersenstam en vervolgens naar de thalamus en de gyrus postcentralis worden geleid. |
| Speekselklieren | Klieren die speeksel produceren, waaronder de onderkaakspeekselklier, de ondertongspeekselklier en de onderoorspeekselklier. Speeksel speelt een rol bij de spijsvertering, reiniging en afweer in de mondholte. |
| Zenuwstelsel | Een orgaanstelsel dat verantwoordelijk is voor de regulatie en communicatie binnen het lichaam door middel van elektrische impulsen, wat snelle reacties mogelijk maakt. |
| Receptor (in homeostase) | Een component dat veranderingen in een variabele detecteert en deze doorgeeft als prikkels aan het regelcentrum. |
| Regelcentrum (in homeostase) | Het deel van het homeostatisch mechanisme dat informatie van de receptor ontvangt en verwerkt om een passende reactie te bepalen. |
| Effector (in homeostase) | Een component dat de instructies van het regelcentrum uitvoert om de oorspronkelijke prikkel tegen te gaan of te versterken, en zo de homeostase te herstellen. |
| Negatieve terugkoppeling | Een regelmechanisme waarbij de reactie van het systeem de oorspronkelijke prikkel tegenwerkt, wat leidt tot een stabilisatie van de interne omgeving, zoals bij warmteregulatie. |
| Positieve terugkoppeling | Een regelmechanisme waarbij de reactie van het systeem de oorspronkelijke prikkel versterkt, wat leidt tot een escalatie van de respons, zoals bij bloedstolling. |
| Anatomie | De studie van de in- en uitwendige structuren van levende organismen en hun fysieke relaties tot elkaar. |
| Fysiologie | De studie van hoe levende organismen hun vitale functies uitvoeren en hoe deze functies worden gereguleerd. |
| Pathofysiologie | De studie van verstoringen in fysiologische processen die leiden tot ziekten, en hoe deze verstoringen de homeostase ondermijnen. |
| Celmembraan | Een selectief permeabele barrière die de cel omringt, bestaande uit een dubbele fosfolipidelaag met ingebedde eiwitten, die de cel scheidt van de buitenwereld en transport reguleert. |
| Passief transport | Transport van stoffen over het celmembraan dat geen energie van de cel vereist en verloopt met de concentratie- of elektrochemische gradiënt mee. |