Cover
Comença ara de franc Bloedtransfusie
Summary
# Bloedinzameling en donorselectie
Dit onderwerp behandelt de criteria en procedures voor het doneren van bloed, inclusief de selectie van donoren, soorten donaties en de veiligheid van het bloed.
## 1. Bloedinzameling: donorselectie en criteria
Bloedinzameling is een proces dat start met de selectie van donoren om de veiligheid en kwaliteit van bloedproducten te garanderen. In België is bloed doneren vrijwillig, niet vergoed en belangeloos, met voorafgaande selectie van donoren.
### 1.1 Leeftijd en algemene voorwaarden
* De eerste donatie moet plaatsvinden tussen 18 en 66 jaar. Na de leeftijd van 66 jaar is doneren mogelijk indien men reeds eerder donor was.
* Doneren is strikt vrijwillig.
### 1.2 Selectiecriteria voor donoren
De selectie van donoren is gebaseerd op hun gezondheidstoestand en risicofactoren:
* **Gezondheidstoestand:**
* Zwangerschap.
* Gebruik van medicatie.
* Diagnose van AIDS, Hepatitis B, Hepatitis C of Syfilis.
* Lichaamsgewicht lager dan 50 kilogram.
* **Buitenlandse reizen:**
* Reizen naar Groot-Brittannië of malarialanden vereisen een uitstelperiode.
* **Risicovolle handelingen:**
* Handelingen gerelateerd aan een verhoogd risico op besmet bloed, zoals piercings of tatoeages, prostitutie, of bepaalde seksuele contacten, kunnen leiden tot een uitstel van 4 tot 12 maanden.
* Druggebruik kan ook leiden tot een uitstelperiode.
### 1.3 Het donorproces
Het donorproces omvat de volgende stappen:
* **Vragenlijst:** De potentiële donor vult een uitgebreide vragenlijst in over zijn gezondheid en levensstijl.
* **Consultatie arts:** Een arts voert een kort consult uit om de gegevens van de vragenlijst te beoordelen en de geschiktheid van de donor te bepalen.
* **Afname:** Indien de donor goedgekeurd wordt, vindt de bloedafname plaats.
* **Postdonatiekaart:** De donor ontvangt een kaart voor nazorg en melding van eventuele problemen tot één week na de donatie.
### 1.4 Bloeddonorreacties
Hoewel zeldzaam, kunnen er reacties optreden na bloeddonatie:
* Problemen ter hoogte van de prikplaats, zoals hematomen of zenuwbeschadiging.
* Syncope (flauwvallen) met verwondingen tot gevolg.
* Convulsies (stuipen) tijdens of direct na de donatie.
## 2. Soorten bloeddonaties
Er worden drie soorten vrijwillige donaties onderscheiden:
* **Vol bloed:**
* Frequentie: maximaal 4 keer per jaar.
* Hoeveelheid: minimaal 400 ml, maximaal 500 ml.
* Duur: ongeveer 15 minuten.
* **Plasma:**
* Frequentie: tot 26 keer per jaar, om de 14 dagen.
* Duur: ongeveer 45 minuten.
* **Bloedplaatjes (trombocyten):**
* Frequentie: om de 14 dagen.
* Duur: ongeveer 75 minuten.
* Hierbij is het gebruik van citraat als antistollingsmiddel noodzakelijk.
## 3. Verwerking en bewaren van bloedproducten
Na de bloedinzameling ondergaat het bloed verschillende processen om het veilig te maken voor transfusie.
### 3.1 Bloedgroepbepaling en testen
Van elke bloeddonatie worden zes bloedstalen genomen voor diverse testen:
* **Antistoffen:** Testen op antistoffen tegen HIV, Hepatitis B en C, en syfilis.
* **Hematologische tests:** Zoals opsporing van anemie.
* **NAT-test (Nucleic Acid Testing):** Deze test detecteert de genetische bouwstenen van virussen, waardoor de vensterperiode van detectie aanzienlijk wordt verkort.
* **Bloedgroepbepaling en rhesusfactorbepaling:** Cruciaal voor transfusiecompatibiliteit.
### 3.2 Veiligheid en vensterperiode
Hoewel de kans op besmetting minimaal is, bestaat er een vensterperiode. Dit is de periode tussen de besmetting en het moment waarop de besmetting aantoonbaar is in de testen:
* **HIV:** 11 dagen tot 6 maanden.
* **Hep C:** 32 dagen.
* **Hep B:** Gemiddeld 59 dagen.
* De NAT-test verkort deze periodes significant.
### 3.3 Proces van verwerking
Het bloed wordt verwerkt door middel van centrifugatie om verschillende componenten te scheiden:
* **Erythrocytenconcentraat (packed cells):**
* Wordt vaak deconcentraat (verwijderen van witte bloedcellen) door middel van filtering.
* Toevoeging van SAGM (saline, adenine, glucose, mannitol) verbetert de houdbaarheid en de conditie van de erytrocyten. Adenine en glucose zorgen voor ATP-behoud en energie, terwijl mannitol hemolyse tegengaat.
* **Soms bestraald:** Om resterende leukocyten te beschadigen, ter preventie bij immuungecompromitteerde patiënten. Houdbaarheid wordt dan beperkt tot 28 dagen.
* **Soms gewassen:** Om plasma te verwijderen, wat nuttig is bij patiënten met antistoffen tegen plasmaproteïnen of bij herhaaldelijke allergische transfusiereacties.
* **Autologe erytrocytenconcentraten:** Bloed van de patiënt zelf kan worden ingevroren met glyceroloplossing bij lage temperaturen ( -80°C of lager) voor later gebruik. Dit is nuttig bij patiënten met meerdere antistoffen tegen bloedgroepantigenen of anti-IgA. In België wordt dit minder vaak toegepast.
* **Plasma (vers ingevroren plasma - FFP):**
* Wordt na centrifugatie virusgeïnactiveerd met methyleenblauw (wordt nadien verwijderd).
* **Houdbaarheid:** Tot 1 jaar bij -30°C of lager. Na ontdooien onmiddellijk gebruiken.
* Kan autoloog worden ingezameld.
* Plasma kan stollingsfactoren leveren voor hemofiliepatiënten of eiwitoplossingen bij brandwonden of hypovolemische shock. Het bevat ook gammaglobulinen voor diverse toepassingen.
* **Bloedplaatjes (trombocyten):**
* Bereid uit meerdere bloedgiften door centrifugatie en filtering.
* **Houdbaarheid:** Bewaard op kamertemperatuur en in beweging (schudtoestel) voor 5 dagen bij +20°C tot +24°C.
* **Eén donor bloedplaatjesconcentraat:** Aangewezen bij patiënten die refractair zijn voor plaatjestransfusies (producten zijn HLA en/of HPA identiek of compatibel).
* **Bestraalde bloedplaatjesconcentraat:** Om dezelfde reden als bij erytrocytenconcentraten.
* **Niet gemengd met medicatie of andere infusievloeistoffen.**
## 4. Bloedtransfusie: procedures en veiligheid
Bloedtransfusie is het toedienen van bloed of bloedderivaten, afkomstig van een donor of de patiënt zelf (autoloog). Hemovigilantie zorgt voor de controleprocedures om de kwaliteit en veiligheid van bloedproducten te waarborgen.
### 4.1 Hemovigilantie
Hemovigilantie is een systeem van controleprocedures, georganiseerd conform Europese richtlijnen, om de kwaliteit en veiligheid van bloedproducten en hun toediening te verhogen. Het Belgisch Hemovigilantie Centrum, verbonden aan het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, analyseert incidenten om de veiligheid te verbeteren. De dienst voor het bloed van het Rode Kruis is hierin een bekende speler.
### 4.2 Bloedgroepen en compatibiliteit
De compatibiliteit tussen donorbloed en ontvanger is cruciaal om transfusiereacties te voorkomen.
* **ABO- en Rhesus-D-systeem:**
* **Erytrocyten:** Bloedgroep O is de universele donor, bloedgroep AB is de universele acceptor. Bij het Rh-systeem is D-antigeen het belangrijkste. Een Rh-negatieve persoon die Rh-positief bloed krijgt, kan antistoffen aanmaken. Rh-positieve personen kunnen zowel Rh-positief als Rh-negatief bloed ontvangen, terwijl Rh-negatieve personen enkel Rh-negatief bloed mogen ontvangen.
* **Plasma:** Plasma van de ontvanger wordt getest tegen de erytrocyten van de donor (kruisproef). Plasma is niet strikt ABO-Rhesus-D-identiek vereist, maar ABO-compatibiliteit is wenselijk.
* **Bloedplaatjes:** Een kruisproef is niet vereist voor bloedplaatjes, maar ABO-compatibiliteit wordt nagestreefd voor een beter transfusieresultaat. Er zijn geen D-antigenen op trombocyten.
* **Kruisproef:**
* Een verplichte test in elk ziekenhuis om de compatibiliteit tussen ontvangerplasma en donorbloed na te gaan.
* Het plasma van de ontvanger wordt in contact gebracht met druppels bloed van de donor.
* Doel: Nagaan van ABO-antistoffen en klinisch relevante, onregelmatig voorkomende antistoffen.
* Geen agglutinatie (klontering) betekent dat het bloedzakje geschikt is voor toediening.
* Een kruisproef is 72 uur geldig.
### 4.3 Voorbereiding en toediening van transfusies
De toediening van bloedproducten is een B2-handeling, wat betekent dat een voorschrift van een arts noodzakelijk is en de handeling door een technisch verpleegkundige wordt uitgevoerd.
* **Aanvraagformulier:** Bevat identificatie van arts en patiënt, bloedgroep, indicatie, datum/uur van toediening, specificaties en omschrijving van het bloedproduct.
* **Vervoer van bloedproducten:**
* Erythrocytenconcentraat: tussen +2°C en +6°C.
* Bloedplaatjes: op kamertemperatuur en in beweging.
* Vers plasma: bevroren tot vlak voor toediening.
* **Tijdsinterval voor toediening:**
* Erythrocytenconcentraat: zo snel mogelijk, tussentijds bewaren in de koelkast.
* Bloedplaatjes: onmiddellijk na ontvangst.
* Plasma: zo snel mogelijk na ontdooien; op kamertemperatuur nog 6 uur houdbaar, in de koelkast nog 24 uur.
* **Uitvoering van de transfusie:**
* Toediening gebeurt intraveneus, bij voorkeur perifeer.
* **Controle vóór toediening:** Juistheid van het product, bloedgroep patiënt en product, patiëntidentificatie, vervaldatum, zichtbare afwijkingen.
* **Parameters controleren:** Bloeddruk, pols, temperatuur, ademhaling.
* **Aseptische techniek** is cruciaal.
* Erytrocyten: infuus met NaCl 0,9%. Relatief lage infuussnelheid, eventueel bloedverwarmer bij snelle transfusie.
* Perfusieset met standaardfilter gebruiken.
* Inloopsnelheid: maximaal 2 à 3 ml/min gedurende de eerste 10 minuten voor observatie op reacties.
* **Gemiddelde transfusieduur:** 1 tot 2 uur.
* **Geen medicatie of andere infuusvloeistoffen samen laten lopen.**
* **FFP (vers plasma):** Ontdooid in een proper recipiënt (max 37°C in water), ijsvrij voor toediening. Eerste 15 minuten langzaam toedienen. Niet opnieuw invriezen.
* **Bloedplaatjes:** Eerste 15 minuten langzaam toedienen, daarna zo snel mogelijk.
* **Controle tijdens toediening:** Patiënt mag de afdeling niet verlaten. Bij slecht inlopen, controleer de leiding op stolsels en stop de transfusie indien nodig. Het zakje dient te worden teruggebracht naar de bloedbank.
### 4.4 Nazorg en administratie
* **Afkoppelen:** Na transfusie, doorspoelen met NaCl 0,9%, nieuwe afsluitdop, leeg zakje met trousse 48 uur bewaren.
* **Observatie:** Patiënt observeren gedurende enkele uren na de transfusie.
* **Controle therapeutisch effect:** Nagaan van het effect op hematocriet, hemoglobine, of bloedplaatjesaantal.
* **Melding van transfusiereacties:** Bij wet verplicht. Elke ongewenste reactie of bijverschijnsel tijdens of na de toediening dient te worden gemeld.
### 4.5 Transfusiereacties
Diverse reacties kunnen optreden na een bloedtransfusie:
* **Febriele, niet-hemolytische transfusiereactie:**
* Oorzaak: Antistoffen tegen leukocytenantigenen, pyrogene stoffen uit leukocyten, of bacteriële contaminatie.
* Symptomen: Koorts, koude rillingen (2°C temperatuurstijging of meer).
* Preventie: Bestralen van bloedproducten bij risicopatiënten.
* **Hemolytische transfusiereacties:**
* Oorzaak: Afbraak van rode bloedcellen door irreguliere antistoffen in het plasma van de ontvanger tegen antigenen op donorcellen. Kan acuut (direct) of vertraagd (7-14 dagen) optreden.
* Symptomen: Koorts, rillingen, algemene malaise, onrust, rugpijn, dyspnoe, licht gevoel in het hoofd, retrosternale pijn, misselijkheid. Ernstige gevallen kunnen leiden tot hypotensie, shock, acute nierinsufficiëntie en diffuse intravasale stolling (DIS).
* **TA-GVHD (Transfusion-Associated Graft-versus-Host Disease):**
* Oorzaak: T-lymfocyten van de donor vermenigvuldigen en worden door de ontvanger als lichaamsvreemd herkend.
* Symptomen: Koorts, roodheid, huiduitslag, vermagering, braken, pijn in de leverstreek. Kan leiden tot onderdrukking van de beenmerg- en leverfunctie.
* Preventie: Bestralen van bloedproducten bij risicopatiënten.
* **Allergische reactie:**
* Oorzaak: Overdreven reactie op lichaamsvreemde stoffen of allergenen, zoals IgA bij IgA-deficiëntie.
* Symptomen: Mild (jeuk, roodheid, urticaria) tot ernstig (anafylaxie door vrijkomen van histamine).
* Preventie: Gebruik van gewassen bloedproducten.
* **TRALI (Transfusion-Related Acute Lung Injury) syndroom:**
* Oorzaak: Ernstige en levensbedreigende complicatie, vooral bij plasma-bevattende bloedproducten, leidend tot acuut longoedeem.
* Symptomen: Koorts, hoesten, dyspnoe (ernstige hypoxie), hypotensie, tachycardie, aritmie binnen 6 uur na transfusie.
* Aanpak bij cardiaal belaste patiënten: Langzaam transfunderen, concentraten van RBC gebruiken, rechtzittende houding, profylaxe (bv. diuretica).
* **Overvulling:**
* Kan optreden bij cardiaal belaste patiënten door te snelle toediening, vooral bij concentraten van erytrocyten.
* **Infectie:**
* De kans op virale of bacteriële besmetting blijft bestaan door de vensterperiode.
* **Complicaties bij frequente transfusie:** IJzerstapeling of hyperkaliëmie kunnen optreden bij langdurige of frequente transfusies.
## 5. Bloedgroepen: ABO en Rhesus
De bloedgroepen spelen een cruciale rol bij bloedtransfusies en zwangerschappen.
### 5.1 ABO-bloedgroepsysteem
* Gebaseerd op de aanwezigheid van antigenen A en B op het celmembraan van de rode bloedcellen (RBC).
* Bloedgroep A: A-antigenen op RBC.
* Bloedgroep B: B-antigenen op RBC.
* Bloedgroep AB: A en B antigenen op RBC.
* Bloedgroep O: Geen antigenen op RBC.
* Het immuunsysteem maakt antistoffen aan tegen de antigenen die afwezig zijn op de eigen RBC's. Een immuunreactie is het ernstigst wanneer antistoffen reeds aanwezig zijn door eerdere transfusies of zwangerschappen.
### 5.2 Rhesusbloedgroepsysteem
* Het belangrijkste antigeen is het D-antigeen.
* **Rh+:** Aanwezigheid van het D-antigeen (ongeveer 85% van de bevolking).
* **Rh-:** Afwezigheid van het D-antigeen.
* **Risico's:** Een Rh-negatief persoon die Rh-positief bloed krijgt, kan antistoffen vormen tegen het D-antigeen.
* **Zwangerschap:** Cruciaal voor Rh-negatieve zwangere vrouwen, met name wanneer de foetus Rh-positief is (bijvoorbeeld wanneer de moeder Rh- en de vader Rh+ is). Er kan bloedcontact via de placenta optreden, waarbij de moeder antistoffen aanmaakt tegen het D-antigeen van de foetus. Deze antistoffen kunnen de RBC's van de foetus afbreken (hemolyse), leidend tot handicaps of zelfs foetale sterfte (erythroblastosis foetalis).
* **Preventie:** Rh-negatieve vrouwen krijgen preventief anti-rhesusD-immunoglobulinen. Na de bevalling, indien de baby Rh+ is, wordt opnieuw een injectie gegeven om de vorming van antistoffen te minimaliseren voor toekomstige zwangerschappen.
### 5.3 Bloedgroepkaartje
Het bloedgroepkaartje bevat de bepaling van de bloedgroep op twee verschillende bloedstalen en op twee verschillende tijdstippen.
---
# Bloedgroepen en transfusiecompatibiliteit
Dit onderwerp behandelt de verschillende bloedgroepsystemen, hun belang bij bloedtransfusies en de principes van compatibiliteit en kruisproeven.
### 2.1 Bloedgroepsystemen
Bloed bestaat uit bloedcellen (erytrocyten, leukocyten, trombocyten) en bloedplasma. De bloedcellen dragen eiwitmoleculen, antigenen, op hun celmembraan. Deze antigenen kunnen een immuunreactie uitlokken, waarbij het lichaam antistoffen aanmaakt. Een immuunreactie kan gevaarlijk zijn, vooral als er al antistoffen aanwezig zijn door eerdere transfusies of zwangerschap.
#### 2.1.1 Het ABO-bloedgroepsysteem
Het ABO-systeem is gebaseerd op de aanwezigheid van A- en B-antigenen op de erytrocyten (rode bloedcellen):
* **Bloedgroep A:** Heeft A-antigenen op de erytrocyten en antistoffen tegen B in het plasma.
* **Bloedgroep B:** Heeft B-antigenen op de erytrocyten en antistoffen tegen A in het plasma.
* **Bloedgroep AB:** Heeft zowel A- als B-antigenen op de erytrocyten en geen antistoffen tegen A of B in het plasma.
* **Bloedgroep O:** Heeft geen A- of B-antigenen op de erytrocyten, maar wel antistoffen tegen A en B in het plasma.
Het antigen is een functioneel begrip omdat het een antilichaamreactie uitlokt.
**Universele donors en acceptoren (erytrocyten):**
* Bloedgroep O wordt beschouwd als de universele donor voor erytrocyten omdat deze geen A- of B-antigenen heeft die een reactie kunnen uitlokken bij de ontvanger.
* Bloedgroep AB wordt beschouwd als de universele acceptor voor erytrocyten omdat het geen antistoffen tegen A of B in het plasma heeft.
#### 2.1.2 Het Rhesusbloedgroepsysteem
Het Rhesus-systeem is belangrijk vanwege de aanwezigheid van het D-antigen.
* **Rhesus-positief (Rh+):** Personen met het D-antigen op hun erytrocyten (ongeveer 85% van de bevolking).
* **Rhesus-negatief (Rh-):** Personen zonder het D-antigen op hun erytrocyten.
Een Rh- persoon die een transfusie krijgt met Rh+ bloed, kan antistoffen tegen het D-antigen gaan aanmaken, omdat het D-antigen als lichaamsvreemd wordt beschouwd. Rh+ personen mogen echter zowel Rh- als Rh+ bloed ontvangen, omdat ze geen antistoffen tegen het D-antigen hebben.
**Belang bij zwangerschap:**
Het Rhesus-systeem is cruciaal bij zwangere vrouwen. Als een Rh- moeder een Rh+ kind draagt (een kind erft de Rhesusfactor van beide ouders), kan er bloedcontact optreden via de placenta. De moeder kan dan antistoffen tegen het D-antigen aanmaken. Deze antistoffen kunnen de erytrocyten van de foetus aantasten, wat kan leiden tot hemolyse (afbraak van rode bloedcellen) en ernstige gevolgen voor de foetus.
Om dit te voorkomen, krijgen Rh- vrouwen preventief injecties met anti-rhesusD-immunoglobulinen. Na de bevalling van een Rh+ kind wordt opnieuw een injectie gegeven om de vorming van antistoffen te minimaliseren voor eventuele volgende zwangerschappen.
### 2.2 Bloedtransfusie en Compatibiliteit
Een bloedtransfusie is het toedienen van bloed of bloedderivaten van een donor aan een patiënt, of van de patiënt zelf (autoloog). Hemovigilantie is een systeem van controleprocedures om de kwaliteit en veiligheid van bloedproducten en hun toediening te waarborgen.
#### 2.2.1 Bloedgroepbepaling en Kruisproeven
Voordat een transfusie plaatsvindt, is een bloedgroepbepaling essentieel. Dit gebeurt doorgaans op twee verschillende bloedstalen en op twee verschillende tijdstippen om de betrouwbaarheid te garanderen.
**Compatibiliteit:**
* **ABO- en rhesus-D-identieke transfusie:** Donorbloed heeft dezelfde ABO- en rhesus-D-bloedgroep als de ontvanger.
* **ABO- en rhesus-D-compatibele transfusie:** Donorerytrocyten mogen geen A- of B-antigenen dragen waartegen de ontvanger antistoffen heeft. Het D-antigeen moet afwezig zijn als de ontvanger D-negatief is. Bij een D-positieve ontvanger kan zowel D-positief als D-negatief donorbloed worden getransfundeerd.
**Kruisproef (crossmatch):**
Een kruisproef is een laboratoriumtest om de compatibiliteit tussen het bloed van de donor en de ontvanger te controleren. Het plasma van de ontvanger wordt in contact gebracht met druppels bloed van de donor.
* **Doel:** Nagaan of er agglutinatie (klontering) optreedt als gevolg van ABO-antistoffen of klinisch relevante, onregelmatig voorkomende antistoffen in het plasma van de ontvanger tegen antigenen op de erytrocyten van de donor.
* **Resultaat:** Geen agglutinatie betekent dat het bloedzakje geschikt is voor toediening.
* **Geldigheid:** Een kruisproef is doorgaans maximaal 72 uur geldig.
**Kruisproef bij bloedproducten:**
* **Bloedplaatjes:** Een kruisproef is niet strikt vereist voor bloedplaatjestransfusies, maar ABO-compatibiliteit wordt nagestreefd voor een beter transfusieresultaat. Bloedplaatjes bevatten geen D-antigenen.
* **Plasma:** Een kruisproef is niet vereist, maar wel ABO-compatibiliteit, omdat plasma antistoffen tegen bloedgroep-antigenen A en B kan bevatten.
#### 2.2.2 Procedure van Bloedtransfusie
Een bloedtransfusie is een B2-handeling die een voorschrift van een arts vereist. Er zijn specifieke stappen voor de voorbereiding, uitvoering en nazorg.
**Voorbereiding:**
1. **Aanvraagformulier:** Invullen met identificatie van arts en patiënt, bloedgroep en rhesusfactor van de patiënt, indicatie, gewenst tijdstip, specificaties en omschrijving van het bloedproduct, en aantal eenheden.
2. **Vervoer van bloedproducten:**
* Erytrocytenconcentraten: Bewaren tussen +2°C en +6°C.
* Bloedplaatjes: Bewaren op kamertemperatuur en in beweging (bv. op een schudapparaat).
* Vers plasma: Bevroren bewaren tot voor toediening.
3. **Tijdsinterval voor toediening:**
* Erytrocytenconcentraten: Zo snel mogelijk toedienen, bewaren in de koelkast indien nodig.
* Bloedplaatjes: Onmiddellijk na ontvangst toedienen.
* Plasma: Zo snel mogelijk na ontdooien toedienen. Ontdooid plasma is op kamertemperatuur nog 6 uur houdbaar en in de koelkast maximaal 24 uur.
**Uitvoering:**
* **Toediening:** Liefst perifeer via een veneuze toegang. Gebruik een standaardfilter.
* **Infuussnelheid:** Starten met een lage snelheid (maximaal 2 à 3 ml/min gedurende de eerste 10 minuten) om patiëntreacties te observeren. De gemiddelde transfusieduur is 1 tot 2 uur.
* **Combinaties:** Geen medicatie of andere infuusvloeistoffen tegelijk met het bloed laten inlopen. Alleen speciaal toegelaten infuuspompen gebruiken.
* **Specifieke producten:**
* Erytrocyten: Eventueel een bloedverwarmer gebruiken bij snelle transfusie. Infusie met NaCl 0,9%.
* FFP (vers ingevroren plasma): Ontdooien in een proper recipiënt (maximaal 37°C in water). Moet ijsvrij zijn voor toediening. Infusie met NaCl 0,9%. Niet opnieuw invriezen.
* Bloedplaatjes: Infusie met NaCl 0,9%. Eerste 15 minuten langzaam, daarna zo snel mogelijk.
* **Tijdens toediening:** De patiënt mag de afdeling niet verlaten. Bij problemen met het infuus (bv. stolsels) de transfusie stoppen en het bloedzakje terugsturen naar de bloedbank.
**Nazorg:**
* **Afkoppeling:** Afkoppelen, doorspoelen met NaCl 0,9%, afsluiten met een nieuw dopje. Het lege zakje met de perfusieset 48 uur bewaren.
* **Observatie:** De patiënt nog enkele uren na de transfusie observeren.
* **Controle therapeutisch effect:** Nagaan van het effect op hematocriet, hemoglobine of bloedplaatjesaantal.
#### 2.2.3 Transfusiereacties
Ongewenste reacties tijdens of na een transfusie moeten onmiddellijk worden gemeld en behandeld.
**Soorten transfusiereacties:**
1. **Febriele, niet-hemolytische transfusiereactie:**
* **Oorzaak:** Reactie op leukocytenantigenen of pyrogene stoffen die vrijkomen uit leukocyten, of bacteriële contaminatie.
* **Symptomen:** Koorts (stijging van 2°C of meer), koude rillingen, algemene malaise.
2. **Hemolytische transfusiereacties:**
* **Oorzaak:** Afbraak van erytrocyten door irreguliere antistoffen in het plasma van de ontvanger tegen antigenen op de donorerytrocyten. Kan acuut (meteen) of vertraagd (na 7-14 dagen) optreden.
* **Symptomen:** Koorts, rillingen, malaise, rugpijn, dyspnoe, hypotensie, shock, acute nierinsufficiëntie, diffuse intravasale stolling (DIS).
3. **TA-Graft-versus-host disease (GVHD):**
* **Oorzaak:** T-lymfocyten van de donor worden door de ontvanger als lichaamsvreemd herkend en gaan zich vermenigvuldigen.
* **Symptomen:** Koorts, huiduitslag, vermagering, braken, pijn, lever- en beenmergfunctieonderdrukking. Preventie gebeurt door bloedproducten te bestralen bij risicopatiënten.
4. **Allergische reactie:**
* **Oorzaak:** Overdreven reactie op lichaamsvreemde stoffen of allergenen, met vrijkomen van histamine. Ernstig bij IgA-deficiëntie.
* **Symptomen:** Mild (jeuk, roodheid) tot ernstig (anafylaxie). Preventie door gewassen bloedproducten.
5. **Transfusion-related acute lung injury syndroom (TRALI):**
* **Oorzaak:** Ernstige, levensbedreigende complicatie, vaak bij plasma bevattende producten, leidend tot acuut longoedeem en longinsufficiëntie.
* **Symptomen:** Koorts, hoesten, dyspnoe, hypotensie, tachycardie.
6. **Overvulling:**
* **Oorzaak:** Te snelle toediening van bloedproducten, vooral bij patiënten met een verminderde hartfunctie. Kan leiden tot acuut longoedeem.
* **Preventie:** Langzaam transfunderen, concentraten van erytrocyten gebruiken, patiënt rechtop zetten, diurese bevorderen.
7. **Infectie:**
* **Oorzaak:** Virussen of bacteriën, ondanks screening, vanwege de vensterperiode (tijd tussen besmetting en aantoonbaarheid).
* **Gevolgen:** Kans op overdracht van infecties. Bij frequente transfusies kan ijzerstapeling of hyperkaliëmie optreden.
**Procedure bij vermoeden van transfusiereactie:**
1. Stop de transfusie onmiddellijk.
2. Houd de IV-lijn open met NaCl 0,9%.
3. Controleer de administratieve gegevens en de identiteit van de patiënt.
4. Informeer de arts.
5. Stuur het bloedproduct, de leiding en een bloedstaal van de patiënt naar het laboratorium.
6. Indien nodig, kan een nieuw bloedcomponent gestart worden na overleg met de arts.
7. Noteer alle bevindingen in het verpleegdossier.
> **Tip:** Het is cruciaal om de patiënt nauwkeurig te identificeren en alle gegevens van het bloedproduct te controleren vóór de start van een transfusie. Dit zijn essentiële stappen om transfusiefouten en -reacties te voorkomen.
> **Tip:** Houd bij transfusies altijd rekening met de vensterperiode van virale infecties, wat betekent dat een bloedproduct in deze periode nog niet detecteerbaar besmet kan zijn, ondanks negatieve testen. NAT-tests helpen deze periode in te korten.
---
# Bloedproducten en hun verwerking
Dit deel beschrijft de bewerking en conservering van bloedcomponenten zoals erytrocyten, bloedplaatjes en plasma, en de specifieke toepassingen daarvan.
### 3.1 Bloedcomponenten en hun scheiding
Bloed bestaat uit bloedcellen (ongeveer 45%) en bloedplasma (ongeveer 55%). Deze componenten kunnen gescheiden worden door middel van centrifugatie.
* **Bloedcellen:**
* **Erytrocyten (rode bloedcellen):** Verantwoordelijk voor het transport van zuurstof. Hebben een levensduur van ongeveer 120 dagen.
* **Bloedplaatjes (trombocyten):** Spelen een rol bij de bloedstolling. Hebben een levensduur van enkele dagen.
* **Witte bloedcellen (leukocyten):** Zijn betrokken bij de afweer en kunnen een reactie veroorzaken bij transfusies (koorts). Leven ongeveer 10 dagen en omvatten soorten zoals neutrofielen, lymfocyten, monocyten, eosinofielen en basofielen.
* **Bloedplasma:** Bevat diverse stoffen, waaronder:
* **Albumine:** Belangrijk voor de osmotische druk.
* **Globulinen:** Waaronder antistoffen.
* **Fibrinogeen:** Een stollingseiwit.
### 3.2 Bloedgroepen en compatibiliteit
Het bloedgroepsysteem is gebaseerd op antigenen op het celmembraan van erytrocyten, die een immuunreactie kunnen uitlokken met de aanmaak van antistoffen.
* **ABO-systeem:**
* **Antigenen:** Eiwitmoleculen op de rode bloedcellen.
* Bloedgroep A: A-antigenen.
* Bloedgroep B: B-antigenen.
* Bloedgroep AB: A- en B-antigenen.
* Bloedgroep O: Geen antigenen.
* **Antistoffen:** Worden aangemaakt in het plasma. Een immuunreactie is het sterkst als antistoffen reeds aanwezig zijn door eerdere transfusies of zwangerschap.
* **Universele donor voor erytrocyten:** Bloedgroep O.
* **Universele acceptor voor erytrocyten:** Bloedgroep AB.
* **Rhesus-systeem:**
* Het belangrijkste antigeen is het D-antigeen.
* **Rh+ (rhesus-positief):** Personen met het D-antigeen (ongeveer 85%).
* **Rh- (rhesus-negatief):** Personen zonder het D-antigeen.
* Een Rh- persoon die Rh+ bloed ontvangt, kan antistoffen vormen tegen het D-antigeen. Rh+ personen kunnen zowel Rh- als Rh+ bloed ontvangen.
* **Belang bij zwangerschap:** Bij een Rh- moeder en een Rh+ kind kan antistofvorming tegen het D-antigeen leiden tot hemolyse van de rode bloedcellen van de foetus. Dit wordt preventief aangepakt met anti-rhesusD-immunoglobulinen.
### 3.3 Bloedinzameling en donorselectie
Bloedinzameling is een vrijwillig, niet-vergoed en belangeloos proces, voornamelijk uitgevoerd door het Rode Kruis.
* **Bloeddonatie:**
* Eerste donatie tussen 18 en 66 jaar, daarna mogelijk indien reeds donor.
* **Selectiecriteria:** Gebaseerd op de gezondheidstoestand van de donor (inclusief medicatiegebruik, infecties zoals HIV, hepatitis B/C, syfilis, zwangerschap), recente buitenlandse reizen naar risicogebieden, en handelingen met een verhoogd risico op besmet bloed (piercings, tatoeages, prostitutie, druggebruik).
* Proces omvat een vragenlijst, een consultatie met een arts, en soms een postdonatiekaart voor opvolging.
* **Soorten vrijwillige donaties:**
* **Vol bloed:** Maximaal 4 keer per jaar, 400-500 ml, duurt ongeveer 15 minuten.
* **Plasma:** Maximaal 26 keer per jaar, om de 14 dagen, duurt ongeveer 45 minuten.
* **Bloedplaatjes:** Om de 14 dagen, duurt ongeveer 75 minuten.
* **Bloedafname en testen:**
* Er worden zes bloedstalen genomen voor diverse testen:
* Antistoffen tegen HIV, hepatitis B en C.
* Hematologische tests (bv. voor anemie).
* NAT-test (nucleïnezuur amplificatie test) voor het opsporen van virale genetische materialen.
* Antistoffen tegen syfilis.
* Bloedgroep- en rhesusfactorbepaling.
* Een tube voor industriële verwerking van plasma tot geneesmiddelen.
* **Veiligheid en vensterperiode:**
* Ondanks uitgebreide testen blijft er een minimale besmettingskans bestaan door de zogenaamde 'vensterperiode' (tijd tussen besmetting en aantoonbaarheid). De vensterperiodes voor HIV, hepatitis C en hepatitis B worden ingekort door de NAT-test.
### 3.4 Verwerking en bewaring van bloedproducten
Na inzameling worden bloedproducten verwerkt en bewaard om hun kwaliteit en veiligheid te garanderen.
* **Proces na centrifugatie:**
* **Erytrocytenconcentraat (packed cells):** Worden vaak gefilterd om resterende witte bloedcellen te verwijderen. SAGM (saline, adenine, glucose, mannitol) wordt toegevoegd om ATP-niveaus en energie te behouden en hemolyse tegen te gaan. Bewaard bij +2 tot +6°C.
* **Plasma (vers ingevroren plasma - FFP):** Kan virusinactivatie ondergaan met methyleenblauw (wordt nadien verwijderd). Bewaard tot 1 jaar bij -30°C of lager. Na ontdooien direct gebruiken.
* **Bloedplaatjesconcentraat:** Worden gefilterd om residuen van andere bloedcellen te verwijderen. Bewaard op kamertemperatuur en in beweging.
* **Specifieke bewerkingen:**
* **Bestraling:** Soms toegepast op bloedproducten (vooral erytrocyten en bloedplaatjes) om resterende leukocyten te beschadigen. Dit is cruciaal voor immuungecompromitteerde patiënten. Gevolg is een kortere bewaartijd (maximaal 28 dagen voor erytrocyten).
* **Gewassen bloedproducten:** Plasma wordt verwijderd uit erytrocytenconcentraten. Dit is geïndiceerd voor patiënten met antistoffen tegen plasmaproteïnen of met herhaaldelijke allergische transfusiereacties.
* **Autologe transfusie:** Bloedproducten (erytrocyten of plasma) worden van de patiënt zelf afgenomen, eventueel ingevroren voor later gebruik. Dit wordt toegepast bij patiënten met multiple antistoffen of een gekende IgA-deficiëntie.
* **Bewaring:**
* **Erytrocytenconcentraat:** Bewaard bij +2 tot +6°C, tot 42 dagen (of 28 dagen indien bestraald).
* **Plasma (FFP):** Kan tot 1 jaar bewaard worden bij -30°C of lager. Na ontdooien nog 6 uur houdbaar op kamertemperatuur, of maximaal 24 uur in de koelkast.
* **Bloedplaatjes:** Bewaard op kamertemperatuur in beweging, voor 5 dagen.
### 3.5 Transfusieprocedures en veiligheid
Bloedtransfusie is een technische handeling die strikte procedures vereist om de veiligheid van de patiënt te waarborgen.
* **Hemovigilantie:** Een systeem van controleprocedures om de kwaliteit en veiligheid van bloedproducten en hun toediening te verzekeren, in lijn met Europese richtlijnen. Het Belgisch Hemovigilantie Centrum analyseert incidenten om de veiligheid te verbeteren.
* **Ziekenhuisbloedbank:** Verantwoordelijk voor opslag, bewaring, compatibiliteitstesten en het ter beschikking stellen van bloedproducten.
* **Compatibiliteitstest (kruisproef):**
* Verplicht voor erytrocytenconcentraat transfusies.
* Het plasma van de ontvanger wordt in contact gebracht met de rode bloedcellen van de donor.
* **Doel:** Nagaan van ABO-antistoffen en klinisch relevante, onregelmatig voorkomende antistoffen. Geen agglutinatie betekent geschikt bloed.
* Is **niet** vereist voor bloedplaatjes (wel ABO-compatibel) en plasma (wel ABO-compatibel).
* **Voorbereiding en toediening:**
* **Voorschrift:** Een arts moet een voorschrift uitschrijven.
* **Aanvraagformulier:** Bevat details over de arts, patiënt, bloedgroep, indicatie, en specificaties van het bloedproduct.
* **Vervoer:** Erytrocytenconcentraat op +2 tot +6°C, bloedplaatjes op kamertemperatuur in beweging, vers plasma in bevroren toestand.
* **Tijdsinterval:** Erytrocyten zo snel mogelijk, bloedplaatjes onmiddellijk na ontvangst, plasma zo snel mogelijk na ontdooien.
* **Veneuze toegang:** Bij voorkeur perifeer.
* **Controle vóór toediening:** Juistheid van product, bloedgroep patiënt en product, identificatie patiënt, vervaldatum, zichtbare afwijkingen.
* **Parameters controleren:** Bloeddruk, pols, temperatuur, ademhaling.
* **Toediening:** Aseptisch, met een standaardfilter. Geen medicatie of andere infuusvloeistoffen samen toedienen, behalve NaCl 0,9% voor erytrocyten, plasma en bloedplaatjes.
* **Inloopsnelheid:** Start langzaam (max 2-3 ml/min gedurende de eerste 10-15 minuten) met goede observatie op reacties. Gemiddelde transfusieduur is 1-2 uur.
* **Nazorg:**
* Afkoppeling en doorspoelen van de lijn.
* Lege zakjes en trousse 48 uur bewaren.
* Patiënt nog enkele uren observeren.
* Controle van therapeutisch effect (bv. hemoglobine, hematocriet, bloedplaatjesaantal).
### 3.6 Transfusiereacties
Ongewenste reacties kunnen optreden tijdens of na de toediening van bloedproducten. Melding van deze reacties is wettelijk verplicht.
* **Febriele, niet-hemolytische transfusiereactie:**
* Veroorzaakt door antistoffen tegen leukocyten of pyrogene stoffen, of bacteriële contaminatie.
* Symptomen: Koorts (temperatuurstijging ≥ 2°C) en koude rillingen.
* **Hemolytische transfusiereacties:**
* Afbraak van rode bloedcellen, uitgelokt door irreguliere antistoffen in het plasma van de ontvanger tegen antigenen van donorcellen.
* **Acuut:** Snel optredend met koorts, rillingen, algemene malaise, rugpijn, dyspnoe, hypotensie, shock, nierinsufficiëntie en diffuse intravasale stolling (DIS).
* **Vertraagd:** Treedt op na 7-14 dagen, met koorts en rillingen.
* **Transfusie-geassocieerde Graft-versus-Host Disease (TA-GVHD):**
* T-lymfocyten van de donor vermenigvuldigen zich en worden als lichaamsvreemd herkend.
* Kan leiden tot koorts, huiduitslag, vermagering, braken, pijn, onderdrukking van beenmerg- en leverfunctie.
* Preventie door bestraling van bloedproducten bij risicopatiënten.
* **Allergische reactie:**
* Variërend van mild (jeuk, roodheid) tot ernstig (anafylaxie), veroorzaakt door reactie op lichaamsvreemde stoffen of allergenen (bv. IgA bij IgA-deficiëntie).
* Behandeling met antihistaminica of corticosteroïden. Gewassen bloedproducten kunnen preventief worden ingezet.
* **Transfusion-related acute lung injury syndroom (TRALI):**
* Ernstige en levensbedreigende complicatie, meestal geassocieerd met plasma-bevattende producten.
* Symptomen: Acuut longoedeem (longinsufficiëntie) met koorts, hoesten, dyspnoe, hypotensie, tachycardie.
* Behandeling omvat langzame transfusie, gebruik van erytrocytenconcentraten, rechtop zittende houding en profylaxe.
* **Overvulling:**
* Kan optreden bij cardiaal belaste patiënten met acuut longoedeem.
* Vereist langzame transfusie, gebruik van erytrocytenconcentraten en profylaxe (diuretica).
* **Infectie:**
* Kans blijft bestaan door de vensterperiode van virussen en bacteriën.
* **Andere complicaties:**
* **IJzerstapeling en hyperkaliëmie:** Kunnen optreden bij frequente of langdurige transfusies.
---
# Transfusieprocedures en reacties
Dit omvat de stappen voor de voorbereiding, uitvoering en nazorg van bloedtransfusies, evenals de identificatie en behandeling van diverse transfusiereacties.
## 4. Transfusieprocedures en reacties
Bloedtransfusie is het toedienen van bloed of bloedderivaten van een donor aan een patiënt, of van de patiënt zelf (autoloog). Hemovigilantie is een cruciaal systeem van controleprocedures dat is ingesteld om de kwaliteit en veiligheid van bloedcomponenten en hun toediening te waarborgen. Dit is geregeld bij Koninklijke Besluiten ter uitvoering van een Europese Richtlijn. Het Belgisch Hemovigilantie Centrum, onderdeel van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, speelt hierin een centrale rol. De dienst voor het bloed, zoals het Rode Kruis die aanbiedt, omvat de gehele keten: afname, testen, verwerking, bewaren en ter beschikking stellen van bloedcomponenten. In België is bloeddonatie vrijwillig, niet vergoed en belangeloos, met een strenge selectie van donoren.
### 4.1 Bloedinzameling en donorselectie
#### 4.1.1 Donorselectiecriteria
Donoren worden geselecteerd op basis van hun gezondheidstoestand (inclusief medicatiegebruik, infectieziekten zoals HIV, Hepatitis B en C, syfilis, en zwangerschap), recente buitenlandse reizen (naar risicogebieden voor malaria of andere ziekten), en risicovolle handelingen zoals piercings, tatoeages, prostitutie, drugsgebruik, of seksueel gedrag met verhoogd risico. Deze criteria kunnen leiden tot tijdelijke of permanente uitsluiting van donatie. Het proces omvat een vragenlijst, een consult met een arts, en soms een postdonatiekaart voor nazorg.
#### 4.1.2 Soorten donaties
Er zijn drie hoofdsoorten vrijwillige donaties:
* **Vol bloed:** Afname van minimaal 400 ml, maximaal 500 ml, maximaal 4 keer per jaar met een rustperiode van minimaal 4 weken.
* **Plasma:** Kan tot 26 keer per jaar worden afgenomen, met een interval van 14 dagen. Dit proces duurt ongeveer 45 minuten.
* **Bloedplaatjes:** Kan om de 14 dagen worden afgenomen en duurt ongeveer 75 minuten.
#### 4.1.3 Bloedonderzoek bij donoren
Van elke donatie worden zes bloedstalen genomen voor diverse testen:
* Antistoffen tegen HIV, Hepatitis B en C.
* Hematologische tests, zoals de opsporing van anemie.
* NAT-test (Nucleic Acid Test) om de genetische bouwstenen van virussen te detecteren.
* Antistoffen tegen syfilis.
* Bloedgroepbepaling en rhesusfactorbepaling.
* Een buisje voor industriële verwerking van plasma tot geneesmiddelen.
#### 4.1.4 Veiligheid van bloedproducten en vensterperiode
Hoewel bloedproducten over het algemeen zeer veilig zijn, bestaat er een minimale besmettingskans. Dit komt door de zogenaamde 'vensterperiode', de tijd tussen een besmetting en het moment waarop de infectie aantoonbaar wordt in het bloed. Voor HIV is deze periode 11 dagen tot 6 maanden, voor Hepatitis C 32 dagen, en voor Hepatitis B gemiddeld 59 dagen. De NAT-test helpt deze periode aanzienlijk in te korten.
#### 4.1.5 Reacties bij bloeddonoren
Donoren kunnen reacties ervaren, zoals hematomen of zenuwbeschadiging ter hoogte van de prikplaats, syncope met verwondingen, of convulsies tijdens of direct na de donatie.
### 4.2 Bloedcomponenten en hun verwerking
Na bloedinzameling worden de componenten gescheiden via centrifugatie.
* **Erythrocytenconcentraat (packed cells):** Wordt vaak bereid uit 5 tot 6 bloedgiften. Om de hoeveelheid ATP in de rode bloedcellen te behouden, wordt SAGM toegevoegd (saline, adenine, glucose, mannitol). Soms worden ze gedeleucocyteerd (witte bloedcellen verwijderd) met behulp van een filter. Erythrocytenconcentraten worden bewaard bij temperaturen tussen +2 en +6°C en hebben een maximale houdbaarheid van 42 dagen. Ze kunnen ook bestraald worden om resterende leukocyten te beschadigen, waardoor de bewaartermijn verkort wordt tot 28 dagen; dit gebeurt bij immuungecompromitteerde patiënten. Gewassen erytrocytenconcentraten worden bereid door plasma te verwijderen voor patiënten met antistoffen tegen plasmaproteïnen of met herhaaldelijke allergische transfusiereacties. Autologe erytrocytenconcentraten worden uit het bloed van de patiënt zelf gehaald, met glyceroloplossing toegevoegd en ingevroren bij -80°C of lager. Dit wordt toegepast bij patiënten met meerdere antistoffen tegen bloedgroepantigenen of een bekende anti-IgA-reactie.
* **Bloedplaatjesconcentraat:** Kan van één donor komen (voor patiënten die refractair zijn voor plaatjestransfusies, dus al eerder reacties hebben gehad) of bereid worden uit vol bloed. Ze worden gefilterd om resten van andere bloedcellen te verwijderen en met methyleenblauw behandeld om virussen te elimineren, waarna dit laatste wordt verwijderd. Bloedplaatjes worden bewaard op kamertemperatuur en in beweging, en hebben een houdbaarheid van maximaal 5 dagen. Bestraalde bloedplaatjesconcentraten worden gebruikt om dezelfde redenen als bij packed cells.
* **Plasma (Fresh Frozen Plasma - FFP):** Wordt vers ingevroren bewaard. Het kan autoloog zijn voor patiënten met multiple antistoffen of een bekende anti-IgA. FFP levert stollingsfactoren voor patiënten met hemofilie, of kan dienen als eiwitoplossing bij brandwonden of hypovolemische shock. Gammaglobulinen voor diverse toepassingen kunnen er ook uit worden gewonnen. Plasma wordt na ontdooien op kamertemperatuur nog 6 uur bewaard, en in de koelkast nog maximaal 24 uur. Het is belangrijk dat plasma ijsvrij is voor toediening.
### 4.3 Transfusieprocedures
#### 4.3.1 Kruisproef (compatibiliteitstest)
De kruisproef is verplicht voor elk ziekenhuis en wordt uitgevoerd door het laboratorium. Het doel is na te gaan of er ABO-antistoffen in het plasma van de ontvanger aanwezig zijn die reageren met de antigenen op de rode bloedcellen van de donor, en of er klinisch relevante, onregelmatig voorkomende antistoffen zijn. Hierbij wordt plasma van de ontvanger in contact gebracht met druppels bloed van de donor. Geen agglutinatie (samenklontering) betekent dat het bloedzakje geschikt is voor toediening. De kruisproef is maximaal 72 uur geldig.
* **Niet vereist bij toediening van bloedplaatjes:** Wel moet er sprake zijn van ABO-compatibiliteit voor een beter transfusieresultaat. Er zijn geen D-antigenen op de oppervlakte van trombocyten.
* **Niet vereist bij plasma toediening:** Wel ABO-compatibiliteit, omdat plasma antistoffen tegen bloedgroepantigenen A en B kan bevatten.
#### 4.3.2 Soort handeling en voorschrift
Bloedtransfusie is een B2-handeling, wat betekent dat het een technisch verpleegkundige verstrekking is waarvoor een voorschrift van een arts noodzakelijk is.
#### 4.3.3 Aanvraag en identificatie
Bij het aanvragen van een bloedtransfusie zijn de volgende gegevens essentieel:
* Identificatie van arts en patiënt.
* Bloedgroep en rhesus-D factor van de patiënt.
* Indicatie voor de transfusie.
* Datum en uur van toediening.
* Specificaties van het bloedproduct.
* Aantal eenheden.
* Datum en uur van de kruisproef.
#### 4.3.4 Voorbereiding en vervoer
* **Vervoer van bloedproducten:** Erythrocytenconcentraten worden bewaard tussen +2 en +6°C. Bloedplaatjes worden op kamertemperatuur en in beweging vervoerd. Vers plasma moet bevroren blijven tot vlak voor toediening.
* **Tijdsinterval voor toediening:** Erythrocytenconcentraten moeten zo snel mogelijk worden toegediend; tijdens het wachten worden ze in de koelkast bewaard. Bloedplaatjes moeten onmiddellijk na ontvangst worden toegediend. Ontdooid plasma is nog 6 uur houdbaar op kamertemperatuur en maximaal 24 uur in de koelkast.
#### 4.3.5 Uitvoering van de transfusie
* **Toediening:** Moet aseptisch gebeuren. Erythrocyten worden toegediend via een infuus met NaCl 0,9% en een relatief lage infuussnelheid. Een bloedverwarmer kan worden gebruikt bij snelle en volumineuze transfusies. Er wordt een perfusieset met een standaardfilter gebruikt. De trousse (het filter- en toedieningssysteem) wordt na toediening vervangen. Alleen toegelaten infuuspompen mogen worden gebruikt.
* De inloopsnelheid wordt aan het begin (eerste 10 minuten) zorgvuldig geobserveerd, maximaal 2 tot 3 ml/min.
* De gemiddelde transfusieduur is 1 tot 2 uur.
* Geen medicatie of andere infuusvloeistoffen mogen tegelijkertijd met bloedproducten worden toegediend.
* **Toediening FFP (vers plasma):** Via infuus met NaCl 0,9%, na ontdooien in een proper recipiënt (in waterbad maximaal 37°C). Moet ijsvrij zijn voor toediening. Gebruik een standaard transfusietrousse. Niet mengen met medicatie of infusies. Niet opnieuw invriezen. De eerste 15 minuten langzaam toedienen.
* **Toediening bloedplaatjes:** Via infuus met NaCl 0,9% en een standaard transfusietrousse. De eerste 15 minuten langzaam toedienen, daarna zo snel mogelijk. Nooit mengen met medicatie of infusies.
#### 4.3.6 Controle tijdens toediening
* De patiënt mag de afdeling niet verlaten tijdens de transfusie.
* Transfusies worden bij voorkeur binnen kantooruren uitgevoerd.
* Bij slecht inlopen controleer de leiding op stolsels. Stop de transfusie en breng het zakje terug naar de bloedbank.
#### 4.3.7 Identificatie en bewaring product
* **Controle vóór toediening:**
* Juistheid van het product (bloedgroep patiënt en product).
* Patiëntidentificatie.
* Vervaldatum.
* Zichtbare afwijkingen.
* **Parameters controleren:** Bloeddruk, pols, temperatuur, ademhalingsfrequentie.
### 4.4 Nazorg na transfusie
* **Afkoppeling:** Na de transfusie wordt de lijn afgesloten, doorgespoeld met NaCl 0,9%, een nieuw afsluitdopje geplaatst, en het lege zakje met de trousse gedurende 48 uur bewaard.
* **Observatie:** De patiënt wordt nog enkele uren na de transfusie geobserveerd.
* **Controle therapeutisch effect:** Evaluatie van het effect op het hematocriet, hemoglobine en het aantal bloedplaatjes.
### 4.5 Transfusiereacties
Melding van transfusiereacties is wettelijk verplicht. Bij vermoeden van een reactie moet er snel worden gehandeld:
1. Stop de transfusie.
2. Houd de intraveneuze lijn open met NaCl 0,9%.
3. Controleer de administratieve gegevens.
4. Contacteer de arts.
5. Breng het bloedproduct, de leiding en een bloedstaal van de patiënt naar het laboratorium.
6. Herstart eventueel met een nieuw bloedcomponent.
7. Noteer alle bevindingen in het verpleegdossier.
#### 4.5.1 Soorten transfusiereacties
* **Febriele, niet-hemolytische transfusiereactie:** Gekenmerkt door een temperatuurstijging van 2°C of meer en/of koude rillingen, zonder andere duidelijke oorzaak. Dit kan worden veroorzaakt door antistoffen tegen leukocytenantigenen, pyrogene stoffen die vrijkomen uit leukocyten tijdens bewaring, of bacteriële contaminatie.
* **Hemolytische transfusiereacties:** Afbraak van rode bloedcellen (RBC) uitgelokt door irreguliere antistoffen in het plasma van de ontvanger tegen antigenen op de donor RBC. Dit kan acuut (direct) of vertraagd (na 7 tot 14 dagen) optreden. Symptomen bij aanvang zijn koorts, rillingen, malaise, onrust, rugpijn, dyspnoe, licht gevoel in het hoofd, retrosternale pijn en misselijkheid. Ernstige complicaties kunnen hypotensie, shock, acute nierinsufficiëntie en diffuse intravasale stolling (DIS) omvatten. DIS is een ernstige complicatie waarbij fibrinogeen wordt omgezet tot fibrine, wat leidt tot microtrombi, verbruik van stollingsfactoren en bloedingsneiging.
* **TA-Graft-versus-host disease (GVHD):** Een reactie waarbij T-lymfocyten van de donor worden herkend als lichaamsvreemd door het immuunsysteem van de ontvanger en zich gaan vermenigvuldigen. Dit kan leiden tot koorts, huiduitslag, vermagering, braken, pijn in de leverstreek, onderdrukking van beenmerg- en leverfunctie. Preventie gebeurt door bloedproducten te bestralen bij risicopatiënten.
* **Allergische reactie:** Een immuunreactie op lichaamsvreemde stoffen of allergenen.
* Mild: Jeuk, roodheid, urticaria. Behandeling met antihistaminica of corticosteroïden, transfusie kan eventueel doorgaan.
* Ernstig (anafylaxie): Een overdreven reactie door vrijkomen van histamine. Patiënten met een IgA-deficiëntie en antistoffen tegen IgA kunnen heftig reageren op kleine hoeveelheden IgA in donorbloed. Preventie kan door het gebruik van gewassen bloedproducten.
* **Transfusion-related acute lung injury syndroom (TRALI):** Een ernstige en levensbedreigende complicatie van plasma-bevattende bloedproducten, resulterend in een acuut ARDS-beeld (longinsufficiëntie). Symptomen treden op binnen 6 uur na transfusie: koorts, hoesten, dyspnoe, ernstige hypoxie, hypotensie, tachycardie en aritmie. Bij cardiaal belaste patiënten met acuut longoedeem is het belangrijk om langzaam te transfunderen, concentraat van RBC te gebruiken, de patiënt rechtop te zetten en profylaxe toe te passen (bv. door diuretica).
* **Overvulling:** Vooral bij cardiaal belaste patiënten kan er een acuut longoedeem ontstaan.
* **Infectie:** Hoewel de kans minimaal is, blijft er een kans op infectie met virussen en bacteriën bestaan vanwege de vensterperiode.
* **Andere complicaties:** Bij frequente of langdurige transfusies kunnen ijzerstapeling of hyperkaliëmie optreden.
---
> **Tip:** Bij de interpretatie van bloedgroepen, onthoud dat het ABO-systeem en het rhesus-systeem de belangrijkste zijn. Het ABO-systeem is gebaseerd op de aanwezigheid van A- en B-antigenen op de rode bloedcellen en de bijbehorende antistoffen in het plasma. Het rhesus-systeem focust op het D-antigeen. Antistoffen worden aangemaakt wanneer het lichaam wordt blootgesteld aan een 'vreemd' antigen.
> **Voorbeeld:** Een persoon met bloedgroep A heeft A-antigenen op de rode bloedcellen en anti-B antistoffen in het plasma. Een persoon met bloedgroep O heeft geen A- of B-antigenen en anti-A en anti-B antistoffen. Dit verklaart waarom bloedgroep O een universele donor is voor erytrocyten (geen antigenen om een reactie uit te lokken) en AB een universele acceptor (geen antistoffen om donor erytrocyten af te breken).
> **Belangrijk:** Bij de rhesusfactor is het cruciaal dat een rhesus-negatieve persoon geen rhesus-positief bloed ontvangt, omdat dit kan leiden tot de aanmaak van anti-D antistoffen, met potentieel ernstige gevolgen bij volgende transfusies of zwangerschappen.
> **Tip:** Tijdens de uitvoering van een transfusie is constante observatie van de patiënt essentieel, vooral in de eerste 15 minuten. Vroege herkenning van transfusiereacties kan het verschil maken in de prognose.
> **Voorbeeld:** Een patiënt die plots koorts en koude rillingen ontwikkelt tijdens een bloedtransfusie, zonder andere duidelijke oorzaak, dient onmiddellijk te worden geëvalueerd op een mogelijke febriele, niet-hemolytische transfusiereactie.
---
## Veelgemaakte fouten om te vermijden
- Bestudeer alle onderwerpen grondig voor examens
- Let op formules en belangrijke definities
- Oefen met de voorbeelden in elke sectie
- Memoriseer niet zonder de onderliggende concepten te begrijpen
Glossary
| Term | Definition |
|------|------------|
| Erytrocyten | Rode bloedcellen die verantwoordelijk zijn voor het transport van zuurstof door het lichaam. Ze bevatten hemoglobine en hebben een levensduur van ongeveer 120 dagen. |
| Hematocriet | Het percentage van het bloedvolume dat ingenomen wordt door rode bloedcellen. Dit kan worden uitgedrukt per liter bloed. |
| Hemoglobine | Een eiwit in rode bloedcellen dat zuurstof bindt en transporteert van de longen naar de weefsels en kooldioxide van de weefsels terug naar de longen. |
| Albumine | Een belangrijk eiwit in bloedplasma dat bijdraagt aan de osmotische druk van het bloed, wat helpt om vocht in de bloedbaan te houden. |
| Globuline | Eiwitten in bloedplasma die diverse functies hebben, waaronder de productie van antistoffen voor het immuunsysteem. |
| Fibrinogeen | Een stollingseiwit in bloedplasma dat essentieel is voor de bloedstolling. Het wordt omgezet in fibrine tijdens het stollingsproces. |
| Bloedplaatjes | Kleine bloedcellen die een cruciale rol spelen bij de bloedstolling. Ze hebben een korte levensduur van enkele dagen. |
| Antigeen | Een stof, meestal een eiwit, die een immuunreactie uitlokt in het lichaam, zoals de aanmaak van antistoffen. Dit kan afkomstig zijn van bacteriën, virussen of andere vreemde deeltjes. |
| Antistof | Een eiwit dat door het immuunsysteem wordt geproduceerd als reactie op een antigeen. Antistoffen neutraliseren of markeren ziekteverwekkers voor vernietiging. |
| Bloedgroep | Een classificatie van bloed gebaseerd op de aanwezigheid van specifieke antigenen (A, B, AB) en antistoffen (anti-A, anti-B) op de rode bloedcellen. |
| Rhesusfactor | Een belangrijk bloedgroepsysteem dat wordt bepaald door de aanwezigheid van het D-antigeen op rode bloedcellen. Personen zijn Rhesus-positief (Rh+) als ze het D-antigeen hebben, en Rhesus-negatief (Rh-) als ze het niet hebben. |
| Hemovigilantie | Een systeem van kwaliteitscontroleprocedures en regelgeving gericht op het waarborgen van de veiligheid en kwaliteit van bloed en bloedcomponenten, vanaf de donatie tot aan de toediening aan de patiënt. |
| Centrifugatie | Een techniek die gebruikt wordt om bloedcomponenten te scheiden op basis van hun dichtheid. Door bloed met hoge snelheid te laten draaien, worden de zwaardere elementen, zoals rode bloedcellen, naar de bodem gedrukt. |
| Virusinactivatie | Een proces dat wordt toegepast op bloedproducten om virussen te neutraliseren of te doden, waardoor het risico op transmissie van virale infecties wordt geminimaliseerd. |
| Erythrocytenconcentraat | Een bloedproduct dat voornamelijk rode bloedcellen bevat, met een minimale hoeveelheid plasma en witte bloedcellen. Dit wordt gebruikt om bloedarmoede te behandelen. |
| Bloedplaatjesconcentraat | Een bloedproduct dat voornamelijk bloedplaatjes bevat. Dit wordt toegediend aan patiënten met een laag aantal bloedplaatjes of stoornissen in de bloedplaatjesfunctie. |
| Vers ingevroren plasma (FFP) | Plasma dat direct na afname is ingevroren om de stabiliteit van de stollingsfactoren te behouden. Het wordt gebruikt bij patiënten met stollingsstoornissen of ernstig bloedverlies. |
| Kruisproef (Compatibiliteitstest) | Een laboratoriumtest die de compatibiliteit tussen het bloed van de donor en de ontvanger controleert door te zoeken naar antistoffen in het plasma van de ontvanger die reageren met de antigenen op de rode bloedcellen van de donor. |
| Febriele, niet-hemolytische transfusiereactie | Een veelvoorkomende reactie op bloedtransfusie gekenmerkt door koorts en rillingen, meestal veroorzaakt door antistoffen tegen witte bloedcellen of pyrogene stoffen. |
| Hemolytische transfusiereactie | Een ernstige reactie waarbij de rode bloedcellen van de donor worden afgebroken door antistoffen in het plasma van de ontvanger, wat kan leiden tot symptomen zoals koorts, rillingen, rugpijn en mogelijk nierfalen. |
| TA-Graft-versus-host disease (GVHD) | Een zeldzame maar ernstige complicatie waarbij de T-lymfocyten in het gedoneerde bloed het immuunsysteem van de ontvanger aanvallen. Dit komt vaker voor bij immuungecompromitteerde patiënten. |
| Allergische reactie | Een reactie op bloedtransfusie variërend van milde symptomen zoals jeuk en huiduitslag tot ernstige anafylaxie, meestal veroorzaakt door IgA-antistoffen bij IgA-deficiënte patiënten. |
| Transfusion-related acute lung injury syndroom (TRALI) | Een ernstige en levensbedreigende complicatie die gekenmerkt wordt door acuut longoedeem en respiratoire insufficiëntie, meestal veroorzaakt door antistoffen in het plasma van de donor die reageren met de witte bloedcellen van de ontvanger. |
| Overvulling | Een complicatie van bloedtransfusie die optreedt bij patiënten met een verminderde hartfunctie, waarbij de snelle infusie van grote volumes bloed kan leiden tot acuut longoedeem en hartfalen. |
| IJzerstapeling (Hemochromatose) | Een aandoening die kan optreden bij patiënten die herhaaldelijk bloedtransfusies ontvangen, waarbij overtollig ijzer zich ophoopt in organen zoals de lever en het hart, wat schade kan veroorzaken. |