Cover
ابدأ الآن مجانًا Stot2_Diagn1.pptx
Summary
# Screening en diagnose van stotteren
Hier is de samenvatting over "Screening en diagnose van stotteren", opgesteld volgens de gestelde richtlijnen.
## 1. Screening en diagnose van stotteren
Dit onderdeel beschrijft de eerste stappen in de diagnostiek van stotteren, met focus op screeningsinstrumenten en methoden voor het verzamelen van anamnestische gegevens.
### 1.1 De stappen in de stotterdiagnostiek
De diagnostiek van stotteren kent een gefaseerde aanpak:
1. **Screening**: Opsporen van mogelijke stotteren met behulp van specifieke instrumenten.
2. **Interview & anamnese**: Gedetailleerd verzamelen van informatie over de cliënt en de problematiek.
3. **Stotterdiagnostisch onderzoek**: Evaluatie van het overt gedrag.
4. **Covert gedrag**: Onderzoek naar cognitieve, emotionele en sociale aspecten gerelateerd aan stotteren.
5. **Bijkomend onderzoek**: Functie- en betekenisanalyse en het in kaart brengen van de probleemsamenhang ter voorbereiding van een verslag.
### 1.2 Screening: Detectie Instrument Stotteren (DIS) en Speech Fluency Scale (SLS)
Screeningsinstrumenten zijn bedoeld om stotteren vroegtijdig op te sporen, met een preventief doel. Ze zijn vooral nuttig voor eerstelijnshulpverleners die niet gespecialiseerd zijn in stotteren, zoals artsen, verpleegkundigen, psychologen en pedagogen.
#### 1.2.1 Het Detectie Instrument Stotteren (DIS)
Het DIS is gebaseerd op het uitgangspunt dat ouders goede waarnemers zijn en maakt gebruik van vragenlijsten.
**Samenstelling van het DIS:**
Het instrument bestaat uit vijf rubrieken:
* Identificatiegegevens
* Instructie
* Vragen en antwoorden
* Scores en interpretatie
* Opmerkingen
De vragenlijst beoordeelt verschillende aspecten:
* **Kernstottergedrag**: De directe uitingen van stotteren.
* **Secundair gedrag**: Aanvullende gedragingen die optreden bij stotteren.
* **Frequentie**: Hoe vaak stottergedrag voorkomt.
* **Attitude**: De houding van de spreker ten opzichte van het stotteren.
* **Luisteraarreacties**: Hoe de omgeving reageert op het stotteren.
* **Duur**: De tijdsduur van de stottermomenten.
**Scores en interpretatie van het DIS:**
* De totaalscore varieert van een minimum van 6 tot een maximum van 21.
* Bij meerdere antwoorden op een vraag wordt de hoogste score gewogen (bijvoorbeeld, de score voor 'soorten haperingen' is maximaal 5, terwijl de score voor 'reacties' maximaal 3 is).
* **Interpretatie van de score:**
* Score < 8: Geen stotteren.
* Score > 12: Stotteren.
* Score tussen 8 en 12: Twijfelgebied, met een kans op vals-positieve en vals-negatieve resultaten. Verder onderzoek is noodzakelijk.
**Psychometrische gegevens van het DIS:**
* **Sensitiviteit**: De mate waarin kinderen die stotteren ook als zodanig worden geïdentificeerd door het DIS ligt tussen 0.92 en 0.99.
* **Specificiteit**: De mate waarin kinderen die niet stotteren ook als niet-stotterende kinderen worden geïdentificeerd ligt tussen 0.87 en 0.88.
* **Predictieve waarde**: De verhouding tussen sensitiviteit en specificiteit varieert van 1.05 tot 1.14.
**Validiteit van het DIS:**
* Hoge validiteit, met name bij 4- en 5-jarigen.
* Hoge predictieve waarde.
* Geringe onderverwijzing (vals negatief): circa 1%.
* Aanvaardbare, lichte oververwijzing (vals positief): circa 10%.
#### 1.2.2 De Speech Fluency Scale (SLS)
De SLS is een screeningsinstrument dat ook wordt genoemd in het kader van vroege opsporing.
### 1.3 Interview en anamnese
Naast screening is het verzamelen van anamnestische gegevens cruciaal voor de diagnostiek. Dit gebeurt via een tweerichtingsgesprek met ouders, kinderen en eventueel leerkrachten. Er zijn anamneselijsten beschikbaar voor verschillende doelgroepen.
#### 1.3.1 Identificatie en algemene anamnese
Dit omvat de algemene identificatiegegevens en een overzicht van de medische voorgeschiedenis, ontwikkeling (mijlpalen) en eventuele comorbiditeit.
#### 1.3.2 Probleemspecifieke anamnese
Deze fase richt zich op de specifieke problematiek rondom het stotteren:
* **Kern- en secundair gedrag**: Observatie van de directe stotterverschijnselen en bijkomend gedrag.
* **Coverte aspecten**: Cognitieve, emotionele en attitudinale factoren gerelateerd aan het stotteren.
* **Ontstaan en ontwikkeling**: Wanneer en hoe is het stotteren begonnen en hoe heeft het zich ontwikkeld?
* **Variabiliteit**: Hoe wisselt de ernst en aard van het stotteren in de tijd?
* **Reacties**: Welke reacties vertonen het kind, de ouders en de omgeving op het stotteren?
* **Beïnvloedende factoren**: Welke interne (bv. temperament) en externe factoren (bv. sociale situaties) spelen een rol?
* **Eerdere therapieën**: Zijn er al eerdere behandelpogingen geweest en met welk resultaat?
* **Familiale predispositie en factoren**: Is er sprake van stotteren in de familie? Andere relevante familiale factoren zoals temperament, cognitieve stijl en gezinsorganisatie kunnen ook van belang zijn.
* **Spontaan herstel**: Inschatting van de kans op spontaan herstel, zoals beschreven door Yairi.
> **Tip:** Een goede anamnese is essentieel om de volledige context van het stotteren te begrijpen en om een gepersonaliseerd behandelplan op te stellen.
### 1.4 Overt gedrag: Metingen van stotterernst
Verschillende instrumenten meten het *overt gedrag*, d.w.z. de direct observeerbare aspecten van stotteren. Het is belangrijk te onthouden dat deze metingen enkel de overt uitingen beoordelen en niet de interne beleving van de spreker.
#### 1.4.1 Stuttering Severity Instrument (SSI)
Het SSI (versies '72, '80, '94, '08 - SSI-4) is een veelgebruikt instrument om de ernst van stotteren te meten. Het beoordeelt drie parameters:
1. **Frequentie van herhalingen, verlengingen en blokkeringen**.
2. **Duur van de langste stottermomenten**.
3. **Observeerbare fysieke gedragingen (physical concomitants)**.
**SSI - Frequentie:**
* Wordt uitgedrukt als een percentage van gestotterde woorden (SSI-1) of, nauwkeuriger, als percentage gestotterde lettergrepen (SSI-3).
* De conversietabel maakt de omzetting van percentage woorden naar percentage lettergrepen mogelijk (1% woorden staat gelijk aan circa 0.75% lettergrepen).
* **Definitie van stottermomenten in het SSI**: Herhalingen, verlengingen en blokkeringen van klanken en lettergrepen.
* **NIET inbegrepen**: Herfrasering, zins- of woordherhalingen, pauzes zonder spanning.
* Herhalingen van monosyllabische woorden worden enkel als abnormaal beschouwd indien er spanning of snelheid bij komt kijken.
**SSI - Metingen bij niet-lezers:**
* **Frequentie**: Idealiter wordt er een video-opname gemaakt, minimaal een audio-opname. Gebruik van stimulusprenten is optioneel. Conversatie is de voorkeursvorm. Éénwoorduitingen dienen vermeden te worden.
* Er worden minimaal twee spraaksamples genomen (eventueel thuisopnames). Een sample van minimaal 200 lettergrepen is wenselijk, maar 300, 400 of 500 lettergrepen biedt meer betrouwbaarheid.
* Het percentage gestotterde lettergrepen (%SS) wordt berekend als het aantal gestotterde lettergrepen gedeeld door het totaal aantal lettergrepen.
* Het gemiddelde %SS van de verschillende samples wordt omgerekend naar punten via een conversietabel.
* **Duurtijd**: De gemiddelde duur van de drie langste stotters wordt gemeten in seconden en omgezet in punten via een conversietabel.
* **Physical concomitants**: Secundair gedrag wordt beoordeeld. De scoring kan online of offline gebeuren. Enkel observeerbare elementen worden genoteerd, zoals bijgeluiden, grimassen, hoofdbewegingen en bewegingen van ledematen. Deze subscores variëren van 0 tot 5.
**SSI - Metingen bij lezers:**
* **Frequentie**: Twee metingen worden verricht:
1. Spontane spraak over een vertrouwd onderwerp (school, werk, vakantie, tv, etc.), verder vergelijkbaar met de meting bij niet-lezers.
2. Lezen van een tekst, bij voorkeur een uniforme tekst ('de kapitein zit op...').
* Het %SS wordt afzonderlijk berekend voor spreken en lezen. Deze worden omgezet in taakscores en vervolgens opgeteld.
* **Duurtijd en physical concomitants**: Vergelijkbaar met de metingen bij niet-lezers.
**SSI - Interpretatie:**
* Het instrument is genormeerd voor drie leeftijdsgroepen: voorschoolse leeftijd (2;10-5;11 jaar), schoolse leeftijd (6;1-16;11 jaar) en volwassenen (17;0+ jaar).
* De scores worden omgerekend naar percentielen en ernstgraden (zeer licht, licht, matig, ernstig, zeer ernstig).
**SSI - Psychometrische gegevens:**
* **Inter- en intrabeoordelaarsbetrouwbaarheid**: Beperkte verschillen tussen beoordelaars voor de diverse parameters (circa 0.9).
* **Validiteit**: Er zijn twee belangrijke problemen:
* Er is geen consensus over de definitie van stotteren.
* Interne aspecten zoals vermijding en schaamte kunnen gerapporteerd worden maar zijn niet direct controleerbaar.
* **Criteriumvaliditeit**: Vergelijkingen met het SPI laten een correlatie zien van .72-.83.
* **Constructvaliditeit**: Er is een toename van de ernst met stijgende leeftijd en correlaties tussen de drie subtests.
#### 1.4.2 Stuttering Prediction Instrument (SPI)
Het SPI, ontwikkeld door Riley, werd gebruikt voor de voorspelling van chronisch stotteren. Hoewel het momenteel grotendeels als achterhaald wordt beschouwd, wordt het soms nog gebruikt in de context van RIZIV-vergoedingen. De criteria voor de ontwikkeling van de SPI waren gericht op gebruiksgemak, het meten van abnormale onvloeiendheden met gewogen scores, voldoende betrouwbaarheid en validiteit, en bruikbare gegevens voor evaluatie en therapieoriëntatie met een valide predictieve waarde.
#### 1.4.3 Test voor Stotterernst (TvS)
De TvS-L (lezers) en TvS-NL (niet-lezers), ontwikkeld door Boey, zijn sterk analoog aan de SSI en zijn genormeerd op de Vlaamse populatie.
#### 1.4.4 Video-observatie en ouderoordeel
Daarnaast worden methoden zoals video-observatie van ouder-kind interacties en het ouderoordeel, onder meer geëvalueerd door Onslow et al., gebruikt om het stottergedrag in kaart te brengen, inclusief de variabiliteit ervan.
---
# Beoordeling van stotterernst
Dit hoofdstuk bespreekt instrumenten voor het meten van de ernst van stotteren, met een focus op het Stuttering Severity Instrument (SSI) en de parameters die het meet.
### 2.1 Algemene principes van stotterdiagnostiek
De diagnostiek van stotteren omvat verschillende stappen, waaronder screening, interview en anamnese, beoordeling van overt gedrag, en de evaluatie van covert gedrag.
#### 2.1.1 Screening
Screeninginstrumenten zijn ontworpen om stotteren vroegtijdig op te sporen ter preventie. De Detectie Instrument Stotteren (D.I.S.) en de Screening List for Stuttering (SLS) zijn voorbeelden hiervan.
* **Doelgroep:** Logopedisten, maar ook eerstelijnshulpverleners zonder specifieke opleiding in stotteren en broddelen.
* **Uitgangspunten D.I.S.:** Ouders zijn goede waarnemers en lijsten zijn geschikt voor het verzamelen van deze informatie.
* **Samenstelling D.I.S.:** Bestaat uit vijf rubrieken: identificatiegegevens, instructie, vragen en antwoorden, scores en interpretatie, en opmerkingen. De kernaspecten die worden beoordeeld zijn kernstottergedrag, secundair gedrag, frequentie, duur en de attitude van de luisteraar.
* **Scores en interpretatie D.I.S.:** Gebruikt subscores en een totaalscore (minimaal 6, maximaal 21). Een gewogen score kan worden toegepast. Interpretatie valt in drie zones: score < 8 (geen stotteren), score > 12 (stotteren), en score tussen 8-12 (twijfel, verder onderzoek nodig).
* **Validiteit D.I.S.:** Hoge sensitiviteit (0.92-0.99) en specificiteit (0.87-0.88). Hoge validiteit, vooral bij 4- en 5-jarigen, met een geringe onderverwijzing (vals negatief) en een aanvaardbare lichte oververwijzing (vals positief).
#### 2.1.2 Interview en anamnese
Dit onderdeel omvat het verzamelen van algemene en probleemspecifieke informatie van zowel ouders als het kind.
* **Algemene anamnese:** Mijlpalen in de ontwikkeling, medische voorgeschiedenis en comorbiditeit.
* **Probleemspecifieke anamnese:** Beoordeelt kern- en secundair gedrag, covert aspecten (cognitief, emotioneel, attitudinaal), ontstaan en ontwikkeling van het stotteren, variabiliteit, reacties van het kind, ouders en omgeving, beïnvloedende factoren, eerdere therapieën, familiale predispositie en factoren zoals temperament, cognitieve stijl en familiale organisatie.
* **Twee-richtingsverkeer:** Het interview is een interactief proces, gericht op zowel ouders als het kind, en eventueel leerkrachten.
#### 2.1.3 Overt gedrag: Stuttering Severity Instrument (SSI)
Het Stuttering Severity Instrument (SSI) is een veelgebruikt instrument om de ernst van overt stottergedrag te meten. De meest recente versie is de SSI-4.
* **Parameters van de SSI:**
1. **Frequentie:** Percentage gestotterde woorden (SSI-1) of syllaben (SSI-3). SSI-3 wordt als objectiever beschouwd omdat het geen linguïstische interpretatie vereist. Er bestaat een conversietabel om % gestotterde woorden om te zetten naar % gestotterde syllaben (ongeveer 1% gestotterde woorden is gelijk aan 0.75% gestotterde syllaben).
* **Definitie van stottermomenten in de SSI:** Herhalingen, verlengingen en blokkeringen van klanken en syllaben. Uitsluitingen zijn herfrasering, zins- of woordherhalingen, en pauzes zonder spanning. Herhalingen van monosyllabische woorden worden alleen als abnormaal beschouwd bij aanwezigheid van spanning of abnormale snelheid.
2. **Duurtijd:** De gemiddelde duur van de drie langste stottermomenten, gemeten in seconden. Deze duur wordt omgezet in punten via een conversietabel.
3. **Observeerbare fysische gedragingen (Physical Concomitants):** Secundair gedrag dat optreedt tijdens het stotteren. Dit kan bestaan uit bijgeluiden, grimas, hoofdbewegingen of bewegingen van ledematen. De scores hiervoor variëren tussen 0 en 5, en dragen bij aan de totaalscore.
* **Uitvoering SSI (Niet-lezers):**
* **Frequentie:** Bij voorkeur via video-opname, minimaal audio-opname. Gebruik van stimulusprenten is optioneel. Conversatie is ideaal; éénwoorduitingen moeten vermeden worden. Twee of meerdere spraaksamples (eventueel thuisopname) zijn aanbevolen. Een sample moet minimaal 200 syllaben bevatten, maar 300-500 syllaben is betrouwbaarder. Syllaben worden genoteerd met een punt (`.`) voor een syllabe en een slash (`/`) voor een stotter.
* **Duurtijd:** Gemiddelde van de 3 langste stotters wordt gemeten.
* **Physical concomitants:** Scoren gebeurt online of offline, zo snel mogelijk na de afname. Alleen observeerbare elementen worden genoteerd.
* **Uitvoering SSI (Lezers):**
* **Frequentie:** Twee metingen: spontane spraak over een vertrouwd onderwerp, en het voorlezen van een tekst (bij voorkeur een uniforme tekst). Het percentage gestotterde syllaben (%SS) wordt apart berekend voor spreken en lezen. Dit wordt omgezet in een taakscore en opgeteld.
* **Duurtijd en physical concomitants:** Net als bij niet-lezers.
* **Interpretatie SSI:**
* **Normering:** De resultaten worden genormeerd voor drie leeftijdscategorieën: voorschoolse leeftijd (2;10-5;11 jaar), schoolse leeftijd (6;1-16;11 jaar), en volwassenen (17;0 jaar en ouder).
* **Ernstgraden:** Omzetting in percentiel en ernstgraad, met vijf gradaties: zeer licht, licht, matig, ernstig, en zeer ernstig.
* **Psychometrische gegevens SSI:**
* **Betrouwbaarheid:** Inter- en intrabeoordelaarsbetrouwbaarheid is goed met beperkte verschillen tussen beoordelaars (ongeveer 0.9).
* **Validiteit:** Twee problemen: geen consensus over de definitie van stotteren, en interne aspecten (vermijding, schaamte) die niet altijd objectief gemeten kunnen worden. Criteriumvaliditeit toont correlaties met de SPI (0.72-0.83). Constructvaliditeit toont een toename van de ernst met leeftijd en correlatie tussen de drie subtests.
#### 2.1.4 Andere instrumenten voor stotterernst
Naast de SSI zijn er andere instrumenten en methoden om stotterernst te beoordelen.
* **Stuttering Prediction Instrument (SPI):** Ontwikkeld door Riley, wordt momenteel als achterhaald beschouwd, hoewel het nog steeds relevant kan zijn voor terugbetalingen (RIZIV). De criteria voor ontwikkeling waren onder meer eenvoudig gebruik, meting van consistente abnormale onvloeiendheden met gewogen scores, betrouwbaarheid, validiteit, normering, standaardisatie, en bruikbare gegevens voor therapie-evaluatie en -oriëntatie, met een valide predictieve waarde.
* **Test voor stotterernst (TvS-L & TvS-NL):** Ontwikkeld door Boey, is sterk analoog aan de SSI en genormeerd op een Vlaamse populatie.
* **Video-observatie ouder-kind:** Een methode om stottergedrag te observeren in een natuurlijke interactie.
* **Ouderoordeel & variabiliteit:** De perceptie van ouders en de variabiliteit van stotteren kunnen ook belangrijke indicatoren zijn voor de ernst.
> **Tip:** Bij de beoordeling van stotterernst is het belangrijk om niet alleen te focussen op de objectieve metingen van overt gedrag (zoals de SSI), maar ook rekening te houden met de subjectieve ervaringen van het kind en de impact op het dagelijks leven (covert gedrag).
> **Voorbeeld:** Een kind kan een lage score hebben op de SSI qua frequentie en duur van stotters, maar toch aanzienlijk lijden onder vermijdingsgedrag en sociale angst, wat de algehele ernst van het stotteren significant kan beïnvloeden. Dit benadrukt het belang van een brede diagnostische aanpak.
---
# Methoden voor het beoordelen van overt en covert gedrag
Dit deel behandelt de verschillende methoden die gebruikt worden om zowel zichtbaar (overt) als onderliggend (covert) stottergedrag te beoordelen, inclusief de bijbehorende instrumenten.
## 3.1 Screening: Detectie
Screeninginstrumenten dienen om stotteren vroegtijdig op te sporen, met als doel preventie. Ze zijn geschikt voor eerstelijnshulpverleners zonder specifieke opleiding in stotteren en broddelen, zoals artsen, verpleegkundigen, psychologen en pedagogen.
### 3.1.1 Het Detectie Instrument Stotteren (D.I.S.)
Het D.I.S. is een screeningslijst die gebruik maakt van de observaties van ouders. De lijst bestaat uit vijf rubrieken:
* Identificatiegegevens
* Instructie
* Vragen en antwoorden
* Scores en interpretatie
* Opmerkingen
De kerngebieden die geëvalueerd worden zijn:
* Kernstottergedrag
* Secundair gedrag
* Frequentie
* Duur
* Attitude (van het kind en de luisteraar)
#### 3.1.1.1 Scores en interpretatie van het D.I.S.
Het D.I.S. kent subscores en een totaalscore, met een minimum van 6 en een maximum van 21. Bij meerdere antwoorden wordt de hoogste score gewogen. De interpretatie verdeelt de scores in drie zones:
* Score lager dan 8: geen stotteren
* Score hoger dan 12: stotteren
* Score tussen 8 en 12: twijfel, met kans op vals-positieven en vals-negatieven, wat verder onderzoek vereist.
#### 3.1.1.2 Psychometrische eigenschappen van het D.I.S.
* **Sensitiviteit**: 0.92-0.99, wat aangeeft dat het instrument goed kinderen identificeert die daadwerkelijk stotteren.
* **Specificiteit**: 0.87-0.88, wat betekent dat het instrument redelijk goed kinderen identificeert die niet stotteren.
* **Predictieve waarde**: 1.05-1.14.
Het D.I.S. heeft een hoge validiteit, met name bij 4- en 5-jarigen. Het heeft een hoge predictieve waarde, een geringe onderverwijzing (ongeveer 1% vals negatief) en een aanvaardbare, lichte oververwijzing (ongeveer 10% vals positief).
### 3.1.2 Stuttering Screening List (SLS)
De Stuttering Screening List (SLS) is een ander instrument voor screening, beschikbaar via stotteren.nl.
## 3.2 Interview en Anamnese
Na de screening vormt een interview en anamnese de volgende stap in de stotterdiagnostiek. Dit omvat zowel algemene als probleem-specifieke informatie.
### 3.2.1 Algemene Anamnese
Dit deel richt zich op algemene ontwikkelingsmijlpalen, medische voorgeschiedenis en eventuele comorbiditeit.
### 3.2.2 Probleem-specifieke Anamnese
Hierbij worden specifieke aspecten van het stotteren onderzocht:
* Kern- en secundair gedrag
* Coverte aspecten (cognitief, emotioneel, attitude)
* Ontstaan en ontwikkeling van het stotteren
* Variabiliteit van het stotteren
* Reacties van het kind, de ouders en de omgeving
* Beïnvloedende factoren (intern en extern)
* Eerdere therapieën
* Familiale predispositie en gerelateerde factoren (bijvoorbeeld Yairi's spontaan herstel, temperament, cognitieve stijl, familiale organisatie).
### 3.2.3 Twee-richtingsverkeer van het Interview
Het interview vindt plaats met verschillende betrokkenen:
* Ouders
* Kinderen
* Leerkrachten
Er zijn specifieke anamneselijsten beschikbaar voor ouders en kinderen.
## 3.3 Stotterdiagnostisch Onderzoek
Dit onderdeel omvat de specifieke tests en observatiemethoden om zowel overt als covert gedrag te meten.
### 3.3.1 Overt Gedrag
Overt gedrag verwijst naar het direct waarneembare stottergedrag.
#### 3.3.1.1 Stuttering Severity Instrument (S.S.I.)
Het S.S.I. (in verschillende edities, o.a. SSI-4) meet de ernst van stotteren aan de hand van drie parameters:
1. **Frequentie van herhalingen, verlengingen en blokkeringen**:
* SSI-1 meet de frequentie als percentage gestotterde woorden (GW).
* SSI-3 meet de frequentie als percentage gestotterde lettergrepen (GL). Deze methode biedt grotere objectiviteit omdat het geen linguïstische interpretatie vereist. Er is een conversietabel die GW omzet naar GL (1% GW is ongeveer 0.75% GL).
* Gedefinieerde stottermomenten zijn herhalingen, verlengingen en blokkeringen van klanken en lettergrepen. Herfrasering, zins- of woordherhaling en pauzes zonder spanning vallen hier buiten. Herhalingen van monosyllabische woorden worden enkel als abnormaal beschouwd indien er spanning bij komt kijken.
2. **Duurtijd van de langste stottermomenten**: De gemiddelde duur van de drie langste stotters wordt gemeten in seconden.
3. **Observeerbare fysische gedragingen (Physical Concomitants)**: Dit zijn secundaire gedragingen die samengaan met het stotteren. De scoring gebeurt online of offline, zo snel mogelijk na de afname. Enkel observeerbare elementen worden beoordeeld: bijgeluiden, grimassen, hoofdbewegingen, en bewegingen van ledematen. De subscores variëren van 0 tot 5.
> **Tip:** Het S.S.I. meet enkel overt gedrag, en de term 'stotternst' kan misleidend zijn omdat het niet de volledige impact van stotteren weergeeft.
#### 3.3.1.2 S.S.I. voor niet-lezers en lezers
* **Niet-lezers**: De frequentie wordt idealiter gemeten via video-opnames of minstens audio-opnames tijdens conversatie. Er worden minimaal twee spraaksamples (met minimaal 200, maar bij voorkeur 300-500 lettergrepen) afgenomen. Het percentage gestotterde lettergrepen (%GL) wordt berekend en omgezet in punten via een conversietabel. De duurtijd en fysische concomittanten worden zoals hierboven beschreven gemeten.
* **Lezers**: Naast spontane spraak over een vertrouwd onderwerp, wordt ook het lezen van een tekst gemeten. Het %GL wordt afzonderlijk berekend voor spreken en lezen, en de scores worden gecombineerd. Duurtijd en fysische concomittanten worden op dezelfde manier beoordeeld als bij niet-lezers.
#### 3.3.1.3 Interpretatie van het S.S.I.
Het S.S.I. is genormeerd voor drie leeftijdscategorieën: voorschoolse leeftijd (2;10-5;11 jaar), schoolse leeftijd (6;1-16;11 jaar) en volwassenen (17;0+ jaar). De scores worden omgezet in percentielen en ernstgraden: zeer licht, licht, matig, ernstig en zeer ernstig.
#### 3.3.1.4 Psychometrische gegevens van het S.S.I.
* **Inter- en intrabeoordelaarsbetrouwbaarheid**: Deze is beperkt, met verschillen van ongeveer 0.9 voor de diverse parameters.
* **Validiteit**: Er zijn twee problemen:
* Er is geen consensus over de definitie van stotteren.
* Interne aspecten zoals vermijding en schaamte kunnen wel gerapporteerd worden, maar zijn niet altijd meetbaar of controleerbaar.
* **Criteriumvaliditeit**: Er zijn vergelijkingen gemaakt met de SPI, met correlaties tussen 0.72 en 0.83.
* **Constructvaliditeit**: Er is een toename van de ernst met de stijgende leeftijd waargenomen, en er zijn correlaties tussen de drie subtests.
#### 3.3.1.5 Stuttering Prediction Instrument (S.P.I.)
Het S.P.I. (Riley G.) werd ontwikkeld met criteria zoals gebruiksgemak, het meten van abnormale onvloeiendheden met gewogen scores, voldoende betrouwbaarheid en validiteit, normering, standaardisatie, en bruikbare gegevens voor evaluatie en therapie. Het moest ook een valide predictieve waarde hebben. Parameters werden geselecteerd op basis van onderzoek naar factoren die de chroniciteit van stotteren bepalen. Het S.P.I. wordt momenteel echter als achterhaald beschouwd, hoewel het nog steeds gebruikt kan worden voor RIZIV-doeleinden.
#### 3.3.1.6 Test voor Stotterernst (TvS-L & TvS-NL)
Deze tests, ontwikkeld door Boey, zijn sterk analoog aan het S.S.I. en zijn genormeerd op de Vlaamse populatie.
#### 3.3.1.7 Video-observatie ouder-kind
Dit is een observatiemethode waarbij de interactie tussen ouder en kind via video wordt vastgelegd en geanalyseerd.
#### 3.3.1.8 Ouderoordeel en variabiliteit
De inschatting van ouders, samen met de waargenomen variabiliteit in het stottergedrag, speelt een belangrijke rol in de beoordeling.
### 3.3.2 Covert Gedrag (cognitief, emotioneel en sociaal)
Covert gedrag omvat de innerlijke, niet-direct waarneembare aspecten van stotteren, zoals cognitieve en emotionele reacties, en sociale impact.
#### 3.3.2.1 Behavior Assessment Battery for Stuttering (BAB)
De BAB is een instrument dat specifiek gericht is op het beoordelen van covert gedrag.
#### 3.3.2.2 Overall Assessment of the Speaker's Experience of Stuttering (OASES)
De OASES is eveneens een instrument om de ervaring van de spreker met stotteren te beoordelen, en richt zich op de bredere impact van stotteren op het leven van de persoon.
## 3.4 Bijkomende Analyses
Naast de standaardmeetinstrumenten kunnen functie- en betekenisanalyse toegepast worden om de problematiek verder te duiden.
### 3.4.1 Probleemsamenhang en Verslag
Het uiteindelijke doel is om de bevindingen te integreren in een analyse van de probleemsamenhang en een verslag op te stellen dat de diagnose en behandelingsstrategie onderbouwt.
---
## Veelgemaakte fouten om te vermijden
- Bestudeer alle onderwerpen grondig voor examens
- Let op formules en belangrijke definities
- Oefen met de voorbeelden in elke sectie
- Memoriseer niet zonder de onderliggende concepten te begrijpen
Glossary
| Term | Definition |
|------|------------|
| Stotteren | Een complexe spraakstoornis gekenmerkt door onderbrekingen in de vloeiendheid van de spraak, zoals herhalingen, verlengingen en blokkeringen. |
| Broddelen | Een communicatiestoornis die gekenmerkt wordt door een onregelmatige spraakritme, snel spreken en samengevoegde of afgebroken woorden, wat leidt tot onduidelijke spraak. |
| Screening (DIS/SLS) | Een instrument of procedure die wordt gebruikt om stotteren vroegtijdig op te sporen, met als doel preventie en tijdige interventie. |
| Anamnese | Een systematisch verzamelen van informatie over de voorgeschiedenis en actuele situatie van een persoon, met name gericht op medische, familiale en psychologische factoren die relevant zijn voor de diagnose. |
| Overt gedrag | De direct waarneembare manifestaties van stotteren, zoals zichtbare inspanningen, geluiden en bewegingen tijdens het spreken. |
| Covert gedrag | De niet-zichtbare aspecten van stotteren, waaronder cognitieve, emotionele en sociale reacties zoals angst, vermijding en schaamte. |
| Stuttering Severity Instrument (SSI) | Een gestandaardiseerd instrument dat de ernst van stotteren meet aan de hand van de frequentie van stottermomenten, de duur van de langste stotters en fysieke gedragingen. |
| Frequentie van herhalingen, verlengingen, blokkeringen | De mate waarin klanken, lettergrepen of woorden herhaald, verlengd of geblokkeerd worden tijdens het spreken, een kerncomponent bij het meten van stotterernst. |
| Duurtijd van de langste stottermomenten | De gemeten tijd in seconden van de drie langste waargenomen stotters, een andere parameter om de ernst van stotteren te kwantificeren. |
| Fysische gedragingen (Physical Concomitants) | Secundaire motorische gedragingen die optreden in combinatie met stotteren, zoals grimassen, hoofdbewegingen of ademhalingsproblemen, die de ernst van het stotteren kunnen indiceren. |
| Sensitiviteit | De mate waarin een screeningsinstrument terecht personen met stotteren identificeert als stotterend, uitgedrukt als een percentage van alle personen die daadwerkelijk stotteren. |
| Specificiteit | De mate waarin een screeningsinstrument terecht personen zonder stotteren identificeert als niet-stotterend, uitgedrukt als een percentage van alle personen die daadwerkelijk niet stotteren. |
| Predictieve waarde | De waarschijnlijkheid dat een testuitslag correct aangeeft of iemand wel of geen stotterprobleem heeft, gebaseerd op de sensitiviteit en specificiteit van het instrument en de prevalentie van stotteren in de populatie. |
| Comorbiditeit | De gelijktijdige aanwezigheid van een of meer andere aandoeningen of stoornissen naast de primaire diagnose, zoals de combinatie van stotteren met andere communicatie- of ontwikkelingsstoornissen. |
| Stuttering Prediction Instrument (SPI) | Een instrument dat werd ontworpen om de kans op chronisch stotteren bij jonge kinderen te voorspellen, hoewel het momenteel grotendeels als achterhaald wordt beschouwd. |
| Functie- en betekenisanalyse | Een proces waarbij de functionele rol van het stotteren en de betekenis die het heeft voor het individu en zijn omgeving worden onderzocht, om een dieper inzicht te krijgen in de impact van de stoornis. |