Cover
ابدأ الآن مجانًا Slides hoofdstuk 4 A&F 2526_2.pptx
Summary
# Gedragsstadia van de neonaat
Het begrijpen van de gedragsstadia van de neonaat is cruciaal voor het beoordelen van hun welzijn en het tijdig opsporen van problemen.
## 1. De verschillende gedragsstadia van de neonaat
De gedragsstadia van een neonaat kunnen worden onderverdeeld in slaapstadia en waakstadia. Slaap is essentieel voor de hersenontwikkeling.
### 1.1 Slaapstadia
Er zijn twee hoofdslaapstadia:
* **Diepe slaap:**
* Kenmerken: Nauwelijks (oog)bewegingen, rustige gelaatsuitdrukking, rustig en regelmatig ademhalingspatroon.
* Reactie op prikkels: Weinig, moeilijk wekbaar.
* Duur: Gemiddeld 8-9 uur per etmaal.
* **Lichte slaap (REM-slaap):**
* Kenmerken: Bewegingen en veranderingen in gelaatsuitdrukking mogelijk, lachen en geluid maken. Snelle oogbewegingen onder de gesloten oogleden (Rapid Eye Movement). Minder rustig en onregelmatig ademhalingspatroon.
* Reactie op prikkels: Gemakkelijker wekbaar, overgang naar waakstadium.
* Bij neonaten duren deze slaapstadia langer dan bij volwassenen (ongeveer 50% van de slaaptijd vergeleken met 20-25% bij volwassenen), wat vitaal is voor de groei en ontwikkeling van het centraal zenuwstelsel (CZS).
### 1.2 Waakstadia
Er zijn vier waakstadia, die vaak snel in elkaar overvloeien:
* **Doezelen:**
* Kenmerken: Overgangsfase tussen waak en slaap. Enkele lichaamsbewegingen. Ogen af en toe geopend, maar met een niet-gefocuste blik. Onregelmatig ademhalingspatroon, vergelijkbaar met REM-slaap.
* Reactie op prikkels: Voldoende om over te gaan naar een rustiger alert stadium.
* Duur: Varieert.
* **Rustig alert:**
* Kenmerken: Weinig grove bewegingen, soms kleine bewegingen. Regelmatige ademhaling. Het kind kijkt helder en rustig rond en neemt indrukken op.
* Reactie op prikkels: Gevoelig voor prikkels, wat dit een ideaal stadium maakt voor voeding, interactie en verzorging.
* Duur: Gemiddeld 2-3 uur per etmaal. Vaak aanwezig in de eerste uren na de geboorte, gevolgd door een slaapperiode.
* **Actief alert:**
* Kenmerken: Veelvuldig bewegen van hoofd en lichaam op een ritmische manier. Onregelmatige ademhaling. De neonaat kan hyperalert raken door stimuli zoals honger, geluid of manipulatie. Ogen kijken frequent rond, maar meestal met slechts een milde focus.
* Duur: Komt voor in combinatie met huilende toestand, gemiddeld 1-4 uur per etmaal.
* **Huilend:**
* Kenmerken: Ogen kunnen open of gesloten zijn. Onregelmatige ademhaling. Zeer actief met chaotische bewegingen. Het gezicht vertoont een grimas, de huid wordt vaak rood. Huilgeluiden zijn aanwezig.
* Duur: Gemiddeld 1-4 uur per etmaal.
## 2. Beïnvloedende factoren van gedragsstadia
Verschillende omstandigheden kunnen het gedragsstadium van de neonaat beïnvloeden:
* **Honger vs. verzadiging:** De toestand voor of na een voeding.
* **Kamertemperatuur:** Lagere temperaturen kunnen leiden tot meer diepe slaap.
* **Licht:** Gedempt licht kan leiden tot vaker alerte gedragsstadia.
* **Externe prikkels:** Tactiele of auditieve prikkels kunnen adaptatie bevorderen.
* **Zelfregulatie:** Fixatie op interessante objecten.
* **Co-regulatie:** Gezichten of stemmen van verzorgers.
* **Houdingsveranderingen:** Positie van het kind.
Het is belangrijk op te merken dat de neonaat nog geen onderscheid kan maken tussen dag en nacht, waardoor voedingsmomenten en wakker zijn over de 24 uur evenredig verdeeld kunnen zijn.
## 3. Belang van gedragsstadia voor zorgverlening en voeding
Het herkennen en rekening houden met de gedragsstadia van de neonaat is essentieel voor een optimale zorg:
* **Voeding:**
* Een neonaat in een slaapstadium is minder ontvankelijk voor voeding dan een neonaat in een wakker stadium.
* Het is belangrijk om niet te strikte voedingsschema's te hanteren en te voeden op vraag, waarbij rekening wordt gehouden met de gedragsstadia.
* **Vroege hongersignalen** (zuigbewegingen met de lipjes, mondje openen, hoofd draaien en zoeken met de mond) kunnen optreden in lichte slaap, doezeligheid of het rustig alert stadium.
* **Gemiddelde hongersignalen** omvatten zich uitrekken, sabbelen op vingers of vuistjes, en meer bewegen van armen en benen.
* **Late hongersignalen** kunnen agitatie met grote, geagiteerde bewegingen veroorzaken.
* Het actief alerte stadium is een goed moment om de baby te kalmeren alvorens te voeden. Huilen is een alarmsignaal dat eerst getroost dient te worden, waarna voeding kan volgen.
* Het **rustig alert stadium** is het ideale moment om voeding aan te bieden.
* Observeren van het drinkgedrag kan misleidend zijn als de baby te vroeg wordt aangelegd, wat de indruk kan wekken dat de baby niet goed eet.
* **Verzorging:**
* Niet-dringende verzorgingen (zoals wegen of wassen) kunnen beter worden uitgesteld totdat de baby wakker wordt om de slaapcyclus niet te verstoren.
* Het herkennen van de individuele eigenschappen van elk kind met betrekking tot hun stadia en troostbaarheid is belangrijk, evenals het hierover informeren van de ouders.
---
Hier is de samenvatting over de gedragsstadia van de neonaat, opgesteld als een studiehandleiding.
## 1. Gedragsstadia van de neonaat
De gedragsstadia van de neonaat omvatten een reeks wakkerheids- en slaapcycli die cruciaal zijn voor observatie, zorgverlening en voeding.
### 1.1 De verschillende gedragsstadia van de neonaat
Het gedrag van de neonaat wordt gekenmerkt door wisselende stadia van slaap en wakkerheid. Deze stadia worden gedefinieerd aan de hand van activiteit, ademhalingspatroon, oogbewegingen en reacties op prikkels.
#### 1.1.1 Slaapstadia
* Gemiddeld 8-9 uur per etmaal.
* **Kenmerken:** Nauwelijks beweging of oogbewegingen, rustige gelaatsuitdrukking, rustig en regelmatig ademhalingspatroon. Reacties op prikkels zijn minimaal; de neonaat is moeilijk wakker te maken.
* **Kenmerken:** Bewegingen en veranderingen in gelaatsuitdrukking zijn mogelijk (lachen, geluiden maken). Snelle oogbewegingen (Rapid Eye Movement) zijn kenmerkend, zelfs onder gesloten oogleden. Het ademhalingspatroon is minder rustig en regelmatig. De neonaat reageert gemakkelijker op prikkels, en kan overgaan naar een wakker stadium.
* Bij neonaten duren deze slaapstadia langer (ongeveer 50% van de slaaptijd) dan bij volwassenen (20-25%), wat vitaal is voor de groei en ontwikkeling van het centraal zenuwstelsel (CZS).
#### 1.1.2 Wakkerstadia
* Een overgangsfase tussen waken en slapen, gekenmerkt door enkele lichaamsbewegingen en af en toe geopende ogen met een niet-gefocuste blik. Het ademhalingspatroon is onregelmatig, vergelijkbaar met de REM-slaap. Visuele en auditieve prikkels kunnen leiden tot een overgang naar het rustig alert stadium.
* Gemiddeld 2-3 uur per etmaal.
* **Kenmerken:** Weinig grove bewegingen, soms kleine bewegingen, en een regelmatig ademhalingspatroon. De neonaat kijkt helder en rustig rond, neemt indrukken op en is gevoelig voor prikkels. Dit is een ideaal stadium voor voeding, interactie en verzorging. Vaak waargenomen in de eerste uren na de geboorte.
* **Kenmerken:** Veelvuldige, soms ritmische, bewegingen van hoofd en lichaam. Het ademhalingspatroon is onregelmatig. Prikkels zoals honger, geluid of manipulatie kunnen leiden tot verhoogde opwinding (hyperalertheid). De ogen kijken frequent rond, maar met slechts milde focus.
* Gemiddeld 1-4 uur per etmaal.
* **Kenmerken:** Ogen kunnen open of gesloten zijn. Het ademhalingspatroon is onregelmatig. De bewegingen zijn zeer actief en chaotisch. Het gezicht vertoont vaak een grimas, de huid kan rood worden, en er worden huilgeluiden geproduceerd. Huilen is een alarmsignaal dat meestal troosting vereist voordat voeding kan worden overwogen.
### 1.2 Beïnvloedende factoren
De gedragsstadia van de neonaat worden beïnvloed door diverse omstandigheden, waaronder:
* **Honger vs. verzadiging:** De staat van honger of verzadiging beïnvloedt de activiteit en ontvankelijkheid voor prikkels.
* **Omgevingstemperatuur:** Een lagere kamertemperatuur kan leiden tot meer diepe slaap.
* **Licht:** Gedempt licht kan de neonaat bevorderen in het vertonen van alerte gedragsstadia.
* **Prikkels:** Tactiele of auditieve prikkels kunnen leiden tot adaptatie of juist tot activering.
* **Zelfregulatie:** De neonaat kan zichzelf reguleren door bijvoorbeeld te fixeren op een interessant object.
* **Co-regulatie:** Interactie met gezichten of stemmen van verzorgers beïnvloedt de gemoedstoestand.
* **Houdingsveranderingen:** Het veranderen van houding kan de activiteit beïnvloeden.
De neonaat heeft nog geen onderscheid tussen dag en nacht, wat betekent dat voedingsmomenten en slaap- en waakperioden onregelmatig over een etmaal verdeeld kunnen zijn.
### 1.3 Belang van het gedragsstadium
Het herkennen en begrijpen van de gedragsstadia is van essentieel belang voor de zorgverlening en voeding van de neonaat:
* **Zorgverlening:** Niet-dringende zorgen, zoals wegen of wassen, kunnen beter worden uitgesteld tot de neonaat wakker is, om verstoring van de slaap te minimaliseren. Elk kind is anders in hoe het stadia manifesteert en hoe troostbaar het is.
* **Slaapstadia:** De neonaat is weinig ontvankelijk voor voeding tijdens de slaapstadia.
* **Wakkerstadia:** De neonaat is het best ontvankelijk voor voeding in de doezelende, lichte slaap, of rustig alert stadia.
* **Hongersignalen:** Het is belangrijk om de vroege en gemiddelde hongersignalen te herkennen:
* **Vroege signalen:** Zuigbewegingen met de lippen, mondje openen, hoofd draaien en zoeken met het mondje.
* **Gemiddelde signalen:** Zich uitrekken, sabbelen op vingers of vuistjes, meer bewegen van armen en benen.
* **Voeden op vraag:** Vermijd te strikte voedingsschema's en houd rekening met het gedragsstadium voor voeding op vraag en de beoordeling van het drinkgedrag. Het actief alert stadium is beter geschikt om de baby eerst te kalmeren. Huilen is vaak een alarmsignaal dat eerst troosting vereist.
* **Ouders informeren:** Het informeren van ouders over hongersignalen en het belang van het observeren van de gedragsstadia is cruciaal voor een succesvolle voeding en het welzijn van de neonaat. Het te vroeg aanleggen van de baby kan de indruk wekken dat deze niet goed eet.
Het correct interpreteren van de gedragsstadia helpt om het welzijn van de neonaat correct te beoordelen en problemen vroegtijdig op te sporen. De signalen kunnen snel optreden en veranderen, wat waakzaamheid van groot belang maakt, vooral in de eerste dagen na de geboorte.
---
# Fysische kenmerken en reflexen van de neonaat
Dit hoofdstuk behandelt de fysieke eigenschappen en reflexen van pasgeborenen, met een focus op primitieve reflexen die inzicht geven in de neurologische functie en ontwikkeling. Het doel is om kennis op te doen over wat normaal is, om het welzijn van de neonaat correct te kunnen beoordelen en vroegtijdig problemen te detecteren.
### 2.1 Gedrag van de neonaat
Het gedrag van een neonaat wordt geobserveerd om de toestand en het welzijn te beoordelen, aangezien verbale communicatie niet mogelijk is. Deze signalen kunnen snel veranderen, wat waakzaamheid vereist, vooral in de eerste dagen.
#### 2.1.1 De verschillende gedragsstadia
Neonaten doorlopen verschillende slaap- en waakstadia:
* **Slaapstadia:**
* **Diepe slaap:** Kenmerkt zich door minimale activiteit, regelmatige ademhaling en weinig reactie op prikkels. De neonaat is moeilijk wekbaar.
* **Lichte slaap (REM-slaap):** Kenmerkt zich door bewegingen, veranderingen in gelaatsuitdrukking, snelle oogbewegingen (onder de oogleden) en een minder regelmatige ademhaling. De neonaat is gemakkelijker wekbaar. Slaap is cruciaal voor de hersenontwikkeling; neonaten brengen 50% van hun slaaptijd door in lichte slaap, vergeleken met 20-25% bij volwassenen.
* **Waakstadia:**
* **Doezelen:** Een overgangsfase tussen waak en slaap, met enkele lichaamsbewegingen en ogen die af en toe open zijn met een niet-gefocuste blik. De ademhaling is onregelmatig.
* **Rustig alert:** Weinig grove bewegingen, regelmatige ademhaling. De neonaat kijkt helder en rustig rond, neemt indrukken op en is gevoelig voor prikkels. Dit is een ideaal stadium voor voeding en interactie.
* **Actief alert:** Veelvuldig bewegen van hoofd en lichaam, onregelmatige ademhaling. De neonaat is hyperalert door stimuli zoals honger, geluid of manipulatie. De ogen kijken frequent rond, maar met slechts milde focus.
* **Huilend:** Ogen open of gesloten, onregelmatige ademhaling, chaotische bewegingen, grimas en rood worden van de huid. Huilen is een alarmsignaal dat eerst getroost moet worden alvorens te voeden.
#### 2.1.2 Beïnvloedende factoren
Verschillende omstandigheden beïnvloeden het gedragsstadium:
* Honger versus verzadiging.
* Kamertemperatuur (lagere temperatuur leidt tot meer diepe slaap).
* Licht (gedempt licht bevordert alerte stadia).
* Tactiele of auditieve prikkels (adaptatie treedt op bij frequente prikkels).
* Zelfregulatie (fixatie op objecten) en co-regulatie (gezichten, stemmen).
* Houdingsveranderingen.
Neonaten onderscheiden nog geen dag en nacht.
#### 2.1.3 Belang van het gedragsstadium
Het is essentieel om rekening te houden met de gedragsstadia van de neonaat bij zorgverlening, met name bij voeding en verzorging.
* **Voeding:** De neonaat is in een slaap- of doezelstadium minder ontvankelijk voor voeding dan in een alert stadium. Voeding op vraag, rekening houdend met vroege hongersignalen (zuigbewegingen, mondje openen, hoofd draaien), is belangrijk. Huilen is een alarmsignaal en moet eerst getroost worden.
* **Verzorging:** Niet-dringende verzorging kan beter uitgesteld worden tot de neonaat alerter is.
### 2.2 Fysische kenmerken
#### 2.2.1 Reflexen
Primitieve reflexen zijn typisch voor de eerste levensweken tot maanden en verdwijnen daarna spontaan. Ze geven inzicht in het functioneren van het centraal zenuwstelsel (CZS).
* **Moro-reflex (primaire schrikreflex):** Een plotse externe prikkel of stimulatie (zoals het laten achterovervallen) leidt tot symmetrische extensie van de armen en vingers, gevolgd door een samentrekking (omhelsbeweging) en mogelijk huilen. Asymmetrie kan wijzen op plexusbeschadiging. Afwezigheid kan wijzen op hersenschade.
* **Asymmetrische tonische nekreflex (ATNR):** Wanneer het hoofd van de neonaat in rugligging naar één kant wordt gedraaid, strekt de arm en eventueel het been aan die zijde, terwijl de ledematen aan de andere zijde gebogen blijven. Dit is een vroege vorm van oog-handcoördinatie.
* **Loop- of stapreflex:** Bij het rechtop houden van de neonaat onder de armpjes met de voetzooltjes tegen een stevig oppervlak, maakt de neonaat kleine stapbewegingen.
* **Opstapreflex (voetplaatsingsreflex):** Bij plaatsing van de voetrug tegen een tafelrand maakt de neonaat een opstapbeweging.
* **Tractierespons:** Bij het aantrekken van de handjes tot zitpositie bewegen de ellebogen en het hoofd naar voren.
* **Galantreflex:** Bij een externe prikkel aan de zijkant van het abdomen of naast de wervelkolom draaien rug en bekken naar de kant van de stimulans. Dit is mogelijk gerelateerd aan de passage door het geboortekanaal.
* **Grijpreflex (hand en voet):** Een (zachte) aanraking van de handpalm of voetzool leidt tot vastgrijpen. De grijpreflex van de hand is zeer sterk.
* **Babinskireflex:** Bij een prikkel op de voetzool strekken de tenen zich.
* **Zoekreflex:** Aanraking van de wang leidt tot het draaien van het hoofd naar die kant en het openen van de mond, wat essentieel is voor de voeding.
* **Zuigreflex:** Aanraking van de lippen of het verhemelte leidt tot zuigbewegingen, cruciaal voor de voeding.
* **Slikreflex:** Blijft aanwezig na de neonatale periode.
#### 2.2.2 Zintuiglijke waarneming
De zintuigen van de neonaat zijn nog niet volledig ontwikkeld, maar ontwikkelen zich razendsnel. Stimulatie is belangrijk voor neurologische en emotionele ontwikkeling.
* **Gezichtsvermogen:**
* Kan fixeren en volgen, maar het beste zicht is op 20-30 cm afstand (gezicht van de moeder tijdens voeding).
* Alles verder weg is wazig.
* Het menselijk gezicht is de beste visuele prikkel.
* Geen kleurenonderscheid (volledig ontwikkeld na 4 maanden).
* Wel onderscheid tussen licht en donker, en het onderscheiden van vormen en bewegingen.
* Dwalende ogen en scheelzien is normaal.
* **Gehoor:**
* Reageert op geluid en maakt onderscheid tussen hoge en lage tonen.
* De menselijke stem is de beste gehoorprikkel (voorkeur voor hogere vrouwenstemmen).
* Krachtige geluiden veroorzaken schrikreacties en adaptatie.
* Stimulatie gebeurt door veel tegen het kind te spreken, in verschillende tonen, en te zingen.
* **Smaak:**
* Proeft verschil in smaken (zuur, zoet) en heeft een voorkeur voor zoete smaken.
* **Geur:**
* Kan geuren onderscheiden en heeft een voorkeur voor zoete geuren.
* Herkent de geur van de moeder vanaf 1 week.
* Stimulatie gebeurt door huid-op-huidcontact.
* **Tast:**
* Het eerst ontwikkelde zintuig, de huid is het rijpste zintuiglijke orgaan.
* Zeer gevoelig voor aanrakingen; tactiele prikkels zijn essentieel voor fysieke en emotionele ontwikkeling.
#### 2.2.3 Geelzien bij de neonaat (icterus neonatorum)
Geelzucht is veelvoorkomend bij neonaten en ontstaat door hyperbilirubinemie (verhoogde concentratie bilirubine in het bloed). Een lichte verhoging is fysiologisch, maar een ernstige verhoging kan hersenschade veroorzaken (kernicterus).
* **Stofwisseling bilirubine:** Bilirubine ontstaat bij de afbraak van erytrocyten. Ongeconjugeerd (indirect) bilirubine wordt in de lever geconjugeerd (direct) en uitgescheiden via gal en stoelgang. Een enterohepatische cyclus kan leiden tot heropname van bilirubine uit de darm.
* **Oorzaken hyperbilirubinemie bij neonaten:**
* Onrijpe lever (verminderde conjugatiecapaciteit).
* Snelle afbraak van foetale erytrocyten (kortere levensduur).
* Verhoogde enterohepatische cyclus (trage darmperistaltiek, beperkte darmflora).
* **Borstvoeding en geelzucht:**
* **Borstvoedingsgeelzucht (breastfeeding jaundice):** Door onvoldoende intake van moedermelk, wat leidt tot tragere meconiumpassage. Meestal in de eerste week.
* **Moedermelkgeïnduceerde geelzucht (breast milk jaundice):** Bij goede voedingstoestand, met een piek tussen 7-14 dagen. De oorzaak is onduidelijk, maar er is geen reden om borstvoeding te staken.
* **Andere risicofactoren:** Prematuriteit, familiaire voorgeschiedenis, hemolytische ziekten (bloedgroepincompatibiliteit), syndroom van Down, diabetes bij de moeder.
* **Fysiologische hyperbilirubinemie:** Normaal, meestal onschuldig, ontstaat na 24 uur, piekt rond dag 3-5, en verdwijnt spontaan na 1-2 weken.
* **Pathologische hyperbilirubinemie:** Indirect bilirubine kan de bloed-hersenbarrière passeren en hersenschade (kernicterus) veroorzaken, met blijvende fysieke en mentale handicap tot gevolg. Dit is zeldzaam maar ernstig en vermijdbaar.
* **Klinische presentatie:**
* Geelzucht (beter zichtbaar in daglicht, begint op het gezicht en breidt zich uit). Drempels volgens Kramer zones geven een ruwe inschatting van de ernst.
* Slaperigheid, verminderde voedselinname.
* Donkere urine (uitscheiding via nieren).
* Bij ernstige hyperbilirubinemie/kernicterus: lethargie, geïrriteerdheid, abnormale spierspanning, apnoes, convulsies.
* **Preventie:** Inschatten van risico's vooraf, optimaliseren van voedingen (frequente borstvoeding), en monitoring.
* **Diagnostiek en monitoring:**
* Klinische screening (visuele inspectie, observatie van intake, uitscheiding, gewichtsverlies, gedrag, temperatuur).
* Screening naar bilirubinegehalte:
* Transcutane bilirubinemeting (TcB): niet-invasief, geeft indicatie.
* Totaal serum bilirubinegehalte (TSB): gouden standaard, veneuze bloedafname.
* **Behandeling:**
* **Fototherapie (FT):** Neonaten onder speciale blauwe lampen om indirect bilirubine om te zetten in direct bilirubine. Vereist naaktheid, monitoring van temperatuur, voldoende voeding, en bescherming van de ogen.
* **Wisseltransfusie:** Vervanging van bloed door donorbloed, enkel in ernstige gevallen of als FT onvoldoende werkt.
#### 2.2.4 Algemene kenmerken
* **Spierspanning (tonus):** Preterme neonaten hebben een lagere tonus en een gestrektere houding, terwijl aterm geboren neonaten een sterke tonus hebben met een gebogen houding en flexie van de ledematen. Afwijkende tonus vereist doorverwijzing.
* **Tremoren en convulsies:**
* **Tremoren:** Korte, spontane, ritmische trillende bewegingen, vaak fysiologisch en te stoppen door aanraking.
* **Convulsies (stuipen):** Meestal subtieler bij neonaten dan bij volwassenen (bijv. abnormale oogbewegingen, staren). Altijd afwijkend en vereisen snelle medische evaluatie.
* **De huid:**
* Dunner, gevoeliger, droogt snel uit en is minder weerstandbiedend.
* **Kleur:** Cyanose (zuurstoftekort), bleekheid (anemie), geelzucht (icterus).
* **Vernix caseosa en lanugobeharing:** Beschermende functies; nemen af met de zwangerschapsduur.
* **Gebarsten of vervelde huid:** Sterke vervelling kan wijzen op dysmaturiteit of serositeit. Gezonde neonaten vervellen tijdens de eerste 2 weken.
* **Petechiën:** Kleine, oppervlakkige bloeduitstortinkjes, vaak door stuwing tijdens de bevalling. Als ze later ontstaan, is onderzoek nodig.
* **Oedeem:** Vochtophoping, normaal op het voorliggende deel na de geboorte (caput succedaneum). Later of elders optredend oedeem vereist onderzoek.
* **Milia (“gerstekorrels”):** Kleine witte puntjes, vooral op de neus, door obstructie van talgklieren; onschuldig en verdwijnen spontaan.
* **Archipelvlek (mongolenvlek):** Blauw-grijze pigmentvlek, voornamelijk op de rug, vaak bij baby's van Aziatische, Afrikaanse, Mediterrane of Latijns-Amerikaanse afkomst; onschuldig.
* **Ooievaarsbeet (salmon patch):** Rozige vlek, meestal in hals of aangezicht, door hypervascularisatie; vervaagt spontaan.
* **Hemangioom:** Goedaardige woekering van bloedvaten (wijnvlek, aardbeihemangioom); kan esthetisch storend zijn.
* **Baby-acné:** Kleine rode bultjes na 2-3 weken; verdwijnt spontaan.
* **Het hoofd:**
* **Moulding (moulage):** Over elkaar schuiven van schedelbeenderen, maakt passage door geboortekanaal mogelijk. Het hoofd is kort na geboorte vervormd en herstelt spontaan.
* **Fontanellen:** Openingen tussen schedelbeenderen die ruimte bieden voor groei en molding. De grote fontanel sluit na 18 maanden, de kleine na 2-4 maanden. Een gebombeerde fontanel kan wijzen op infectie of hersenbloeding; een ingevallen fontanel op dehydratie.
* **Caput succedaneum:** Oppervlakkige zwelling op het voorliggende deel door druk tijdens de bevalling; onschuldig en verdwijnt na enkele dagen.
* **Cefaal hematoom:** Bloeding onder het beenvlies van de schedelbotten; beperkt tot botstructuur en kan nog toenemen na geboorte. Resorptie duurt langer dan bij caput succedaneum.
* **Aangezicht:**
* Facialisparese (aangezichtsverlamming) kan optreden door schade aan de nervus facialis, meestal tijdelijk.
* Bij syndroom van Down: amandelvormige ogen met epicanthusplooien.
* Strabisme (scheelzien) is normaal bij neonaten.
* Sunset eyes (ogen dwalen naar beneden) kan fysiologisch zijn of wijzen op verhoogde intracraniële druk.
* **Oren:** Afwijkende vorm of lage inplanting kan wijzen op syndroom van Down of nierafwijkingen. Pre-auriculaire putjes of skin tags kunnen voorkomen.
* **Neus:** Controleer doorgankelijkheid en neusvleugelen.
* **Lippen en gehemelte:** Kleur van de lippen wijst op oxygenatie. Lip- en gehemeltecontinuïteit (schizis) vereist onderzoek.
* **Tong:** Macroglossie kan wijzen op afwijkingen. Een te kort frenulum kan voedingsproblemen veroorzaken.
* **De thorax:**
* **Symmetrie en vorm:** Controleer op abnormale uitsteeksels.
* **Adembewegingen:** Frequentie, symmetrie en tekenen van dyspnoe (tirage).
* **Borstkliervergroting:** Hormonaal bepaald, verdwijnt spontaan. Geen melk uitduwen.
* **Claviculafractuur:** Kan optreden na traumatische bevalling, met pijn, zwelling en bewegingsbeperking in de schouder/arm.
* **Het abdomen:**
* Ingevallen of opgezet abdomen kan wijzen op hernia diafragmatica of obstructies.
* **Navelstreng:** Controleer op correcte afklemming en navelstrengvaten (2 arteria, 1 vene is normaal; 1 arterie en 1 vene (SUA) kan gepaard gaan met afwijkingen).
* **Huidnavel:** Steekt boven huidoppervlak uit, verdwijnt spontaan.
* **Navelbreuk (hernia umbilicalis):** Defect in buikwand, sluit meestal spontaan.
* **De rug:** Palpeer de ruggenwervels om afwijkingen zoals spina bifida (sluitingsdefecten van het wervelkanaal) op te sporen.
* **Spina bifida aperta:** De structuren van het wervelkanaal komen buiten de rug te liggen (meningocèle, myelomeningocèle). Vereist dringend ingrijpen.
* **Spina bifida occulta:** Verborgen spina bifida, waarbij de huid over het defect is gegroeid. Kan gepaard gaan met een plukje haar, gaatje of moedervlek.
* **Uitwendige geslachtsorganen:** Bij twijfel over het geslacht is dringend onderzoek nodig.
* **Vrouwelijke geslachtsorganen:** Vaak vernix aanwezig, vaginale afscheiding en pseudo-menstruatie zijn fysiologisch. Naarmate de zwangerschapsduur vordert, bedekken de labia majora de labia minora.
* **Mannelijke geslachtsorganen:** Controleer penisgrootte, fymosis (normaal), en de uitmonding van de urethra (hypospadie, epispadie vereisen correctie). Palpeer de testikels op indaling (cryptorchidie vereist opvolging). Hydrocèle (vocht in scrotum) is meestal niet behandeld; een liesbreuk vereist aandacht indien interne organen bekneld raken.
* **Extremiteiten en heupen:**
* Beoordeel stand, beweeglijkheid en symmetrie.
* **Abductiebeperking heup:** Kan wijzen op congenitale heupdysplasie. Screening met Barlow- en Ortolani-manoeuvres is belangrijk. Behandeling met spreidbeugel of gips is effectief bij vroege diagnose.
* **Pes equinovarus (klompvoet):** Voet in afwijkende stand. Vereist vroege orthopedische behandeling.
* **Syndactylie en polydactylie:** Samengegroeide of extra vingers/tenen.
* **Doorlopende handplooi:** Kan geassocieerd zijn met chromosomale afwijkingen.
#### 2.3 Uitscheiding
Nauwkeurige opvolging van urine- en stoelgangpatronen geeft belangrijke informatie over de voedingsintake en opsporing van afwijkingen.
##### 2.3.1 Urine/mictie
* **Eerste mictie:** Meestal binnen 12 uur, uiterlijk binnen 24 uur. Latere mictie kan wijzen op obstructie van de urinewegen of nierafwijkingen.
* **Frequentie:** Toename doorheen de eerste week tot ongeveer 6 keer per 24 uur.
* **Kleur:** Eerste dagen vaak lichtroze (urinezuurkristallen, meestal onschuldig). Daarna helder, lichtgeel. Donkere urine kan wijzen op hyperbilirubinemie.
##### 2.3.2 Stoelgang/defecatie
* **Eerste stoelgang (meconium):** Geurloze, stroperige, groenzwarte massa, meestal binnen 24 uur, uiterlijk binnen 48 uur. Latere stoelgang kan wijzen op obstructies.
* **Overgangsstoelgang:** Groenig, minder stroperig.
* **Stoelgang bij borstvoeding:** Frequente, vloeibare, mosterdkleurige stoelgang met milde geur.
* **Stoelgang bij kunstvoeding:** Donkerder (geelbruin), vaster en sterkere geur.
* **Frequentie:** Sterke individuele variatie, 1-5 keer per 24 uur na goede voeding.
* **Diarree:** Moeilijk te diagnosticeren bij borstvoeding, snel gevaar voor dehydratie. Oorzaken kunnen ondervoeding, intolerantie, of infectie zijn.
* **Constipatie:** Komt minder vaak voor, vooral bij borstvoeding.
##### 2.3.3 Braken
Meeste pasgeborenen braken (teruggeven voeding) door ingeslikte lucht of een nog niet optimaal functionerende gastro-oesofagale sfincter. Meestal is het melk of slijm en is het fysiologisch. Ernstige oorzaken moeten worden uitgesloten door observatie van de aard van het braaksel (melk, slijm, bloed), timing (na maaltijd, ongeacht), wijze (beetje, projectiel), en andere factoren (drinkgedrag, gewicht, stoelgang).
---
Hier is de studiehandleiding voor de "Fysische kenmerken en reflexen van de neonaat".
Dit gedeelte beschrijft de fysieke eigenschappen van pasgeborenen, met speciale aandacht voor primitieve reflexen die inzicht geven in hun neurologische functie en ontwikkeling.
### 2.1 Gedragsstadia van de neonaat
Het gedrag van een neonaat wordt geobserveerd via verschillende waak- en slaapstadia.
* **Slaapstadia:** Cruciaal voor de hersenontwikkeling.
* **Diepe slaap:** Minimale activiteit en beweging, rustige ademhaling (AH), moeilijk wekbaar. Duurt gemiddeld 8-9 uur per etmaal.
* **Lichte slaap (REM-slaap):** Bewegingen, veranderingen in gelaatsuitdrukking, snelle oogbewegingen (onder gesloten oogleden), minder regelmatige AH, gemakkelijker wekbaar. Duurt gemiddeld 8-9 uur per etmaal.
* Neonatale slaapstadia duren langer (50% van de slaaptijd) dan bij volwassenen (20-25%).
* **Waakstadia:** De overgang tussen wakker en slaap.
* **Doezelen:** Transitie tussen waak en slaap, met enkele lichaamsbewegingen en onregelmatige AH.
* **Rustig alert:** Weinig grove bewegingen, regelmatige AH, heldere blik, gevoelig voor prikkels. Ideaal voor voeding en interactie. Gemiddeld 2-3 uur per etmaal.
* **Actief alert:** Veelvuldig bewegen van hoofd en lichaam, onregelmatige AH, opwinding door stimuli.
* **Huilend:** Zeer actief, chaotische bewegingen, grimas, rode huid, huilgeluiden. Kan 1-4 uur per etmaal duren.
#### 2.2 Beïnvloedende factoren
Gedragsstadia worden beïnvloed door:
* Honger/verzadiging
* Kamertemperatuur
* Licht
* Tactiele en auditieve prikkels
* Zelfregulatie (bijv. fixatie op een object)
* Co-regulatie (gezichten, stemmen)
* Houdingsveranderingen
#### 2.3 Belang van het gedragsstadium
Het herkennen en rekening houden met gedragsstadia is essentieel voor:
* **Voeding:** Alert zijn op vroege hongersignalen (lipbewegingen, mond openen, hoofddraaien) en voeden op vraag in plaats van strikte schema's. Huilen is een alarmsignaal, geen primair hongersignaal.
* **Verzorging:** Niet-dringende zorgen (zoals wegen en wassen) uitstellen tot de neonaat wakker is.
Primitieve reflexen zijn kenmerkend voor de eerste levensweken en maanden en verdwijnen spontaan daarna. Ze geven inzicht in de neurologische functie.
* **Moro-reflex (primaire schrikreflex):** Bij een plotselinge prikkel (zoals achterovervallen) spreiden en strekken de armen en vingers zich, gevolgd door een samentrekking (omhelsbeweging) en vaak huilen. Symmetrie is belangrijk; asymmetrie kan wijzen op plexusbeschadiging.
* **Asymmetrische tonische nekreflex (ATNR):** Bij het draaien van het hoofd naar één kant, strekt het ledemaat aan die kant zich, terwijl de ledematen aan de andere kant gebogen blijven. Dit is een vroege stap naar oog-handcoördinatie.
* **Loop- of stapreflex:** Bij rechtop houden en plaatsing van de voetzolen op een oppervlak maakt de neonaat stapbewegingen.
* **Opstapreflex (voetplaatsingsreflex):** Bij plaatsing van de voetrug tegen een rand, maakt de neonaat een opstapbeweging.
* **Tractierespons:** Bij het optrekken van de handjes naar een zittende positie, bewegen de ellebogen en het hoofd naar voren, wat helpt bij het behoud van de houding.
* **Galantreflex:** Stimulatie aan de zijkant van de buik of naast de wervelkolom veroorzaakt een draaiing van de rug en het bekken naar de kant van de stimulans. Dit kan helpen bij de passage door het geboortekanaal.
* **Grijpreflex (hand en voet):** Aanraking van de handpalm of voetzool veroorzaakt een grijpbeweging. De handgrijpreflex is zeer sterk.
* **Babinskireflex:** Prikkeling van de voetzool veroorzaakt het strekken van de tenen.
* **Zoekreflex:** Aanraken van de wang veroorzaakt een draaiing van het hoofd naar die kant en het openen van de mond, wat essentieel is voor het vinden van de tepel of speen.
* **Zuigreflex:** Aanraken van de lippen of het gehemelte veroorzaakt zuigbewegingen, cruciaal voor voeding.
* **Slikreflex:** Deze reflex blijft gedurende het hele leven aanwezig.
* **Tast:** Het eerste ontwikkelde zintuig. De huid is zeer gevoelig voor aanraking, wat essentieel is voor fysieke en emotionele ontwikkeling.
* **Zicht:** Kan fixeren en volgen op een afstand van 20-30 cm (ideaal voor borstvoeding). Ziet wazig verder dan 30 cm. Onderscheidt licht/donker, vormen en beweging, maar nog geen kleuren. Visuele stimulatie met het menselijk gezicht is het meest effectief. Scheelzien is normaal in de eerste maanden.
* **Gehoor:** Reageert op geluid en maakt onderscheid tussen hoge en lage tonen. De menselijke stem, met name de hogere vrouwenstem, is de meest effectieve gehoorprikkel. Krachtige geluiden veroorzaken schrikreacties.
* **Smaak:** Onderscheidt smaken en heeft een voorkeur voor zoete smaken.
* **Geur:** Kan geuren onderscheiden en heeft een voorkeur voor zoete geuren. Herkent de geur van de moeder vanaf één week oud.
#### 2.2.3 Geelzien bij de neonaat (icterus)
Geelzucht is veelvoorkomend (60% van voldragen neonaten) en ontstaat door een verhoogde concentratie bilirubine in het bloed (hyperbilirubinemie).
* **Fysiologie van bilirubine:** Afbraak van rode bloedcellen leidt tot ongeconjugeerd (indirect, vetoplosbaar) bilirubine. De lever zet dit om in geconjugeerd (direct, wateroplosbaar) bilirubine, dat via gal en stoelgang wordt uitgescheiden. Een enterohepatische cyclus kan leiden tot heropname.
* **Oorzaken van hyperbilirubinemie bij neonaten:**
* Onrijpe lever (lage glucuronyltransferase-activiteit).
* Snelle afbraak van foetale rode bloedcellen (kortere levensduur HbF).
* Verhoogde enterohepatische cyclus door trage darmperistaltiek, beperkte darmflora en meconium.
* **Borstvoedingsgerelateerde geelzucht:**
* **Borstvoedingsgeelzucht (breastfeeding jaundice):** Door onvoldoende inname van moedermelk, wat leidt tot tragere meconiumpassage. Meestal in de eerste week.
* **Moedermelkgeïnduceerde geelzucht (breast milk jaundice):** Ontstaat bij goede voedingstoestand, met een piek tussen dag 7-14. Borstvoeding hoeft hierdoor niet gestaakt te worden, maar frequente voeding is belangrijk.
* **Andere risicofactoren:** Prematuriteit, familiale voorgeschiedenis, hemolytische ziekten (bloedgroepincompatibiliteit), syndroom van Down, diabetes bij de moeder.
* **Fysiologische hyperbilirubinemie:** Normaal, onschuldig, ontstaat na 24 uur, piekt rond dag 3-5 en verdwijnt spontaan.
* **Pathologische hyperbilirubinemie:** Ernstig, met risico op hersenschade (kernicterus) als ongeconjugeerd bilirubine de bloed-hersenbarrière passeert. Kan leiden tot blijvende fysieke en mentale handicaps.
* **Klinische presentatie:** Geelzucht (zichtbaar vanaf het gezicht, uitbreidend naar de romp en ledematen), slaperigheid, slechte voeding, donkere urine.
* **Ernstige hyperbilirubinemie/kernicterus symptomen:** Lethargie, geïrriteerdheid, abnormale spierspanning, apnoe, convulsies.
* **Preventie:** Inschatten van risico's vooraf, optimaliseren van voedingen (frequente borstvoeding) om meconiumpassage te bevorderen.
* **Diagnostiek en monitoring:** Klinische screening (visuele inspectie, observatie voeding, uitscheiding, gedrag) en meting van bilirubinegehalte (TcB en TSB – totaal serumbilirubine).
* **Fototherapie (FT):** Blootstelling aan speciaal blauw licht om bilirubine om te zetten in direct bilirubine voor uitscheiding. Vereist naaktheid, oogbescherming, voldoende vochtinname en temperatuurcontrole.
* **Wisseltransfusie:** Vervanging van bloed met donorbloed, enkel in ernstige gevallen.
* **Spierspanning (tonus):** Preterme neonaten hebben een lagere tonus en een meer gestrekte houding. Voldragen neonaten hebben een sterke tonus en een gebogen, geflexeerde houding. Afwijkende tonus (hypo- of hypertonie) vereist doorverwijzing.
* **Tremoren:** Korte, ritmische trillingen die vaak fysiologisch zijn en gestopt kunnen worden door aanraking.
* **Convulsies (stuipen):** Kunnen subtiel zijn bij neonaten (abnormale oogbewegingen, staren, zuig-/kauwbewegingen) en vereisen onmiddellijke medische evaluatie.
* **Huid:** Dunner, gevoeliger en droogt snel uit.
* **Kleur:** Cyanose (zuurstoftekort), bleekheid (anemie), geelzucht (hyperbilirubinemie). Bij gepigmenteerde huid ook slijmvliezen, tong en nagelbed bekijken.
* **Vernix caseosa en lanugobeharing:** Beschermende lagen die afnemen met de zwangerschapsduur.
* **Gebarsten of vervelde huid:** Kan wijzen op dysmaturiteit of serotiniteit. Normale vervelling in de eerste twee weken na de geboorte.
* **Petechiën:** Kleine bloeduitstortinkjes, meestal door stuwing tijdens de bevalling. Nieuwe petechiën vereisen onderzoek.
* **Oedeem:** Vochtophoping, normaal rond het voorliggende deel na de bevalling (caput succedaneum).
* **Milia ("gerstekorrels"):** Kleine witte puntjes op de neus, onschuldig.
* **Archipelvlek (mongolenvlek):** Blauw-grijze pigmentvlek, vooral op de rug, vaak bij baby's met Aziatische, Afrikaanse, Mediterrane of Latijns-Amerikaanse afkomst. Onschuldig.
* **Ooievaarsbeet (salmon patch):** Rozige vlek, meestal in de hals of op het aangezicht. Verdwijnt spontaan.
* **Hemangioom:** Goedaardige woekering van bloedvaten (wijnvlek, aardbeihemangioom).
* **Baby-acné:** Kleine rode bultjes, meestal na 2-3 weken, verdwijnt spontaan.
* **Moulding (moulage):** Over elkaar schuiven van schedelbeenderen om de passage door het geboortekanaal te vergemakkelijken. Het hoofd kan vervormd zijn, herstelt spontaan.
* **Fontanellen:** Openingen tussen de schedelbeenderen (grote en kleine fontanel) die ruimte bieden voor hersengroei en molding. Gebombeerde fontanel kan wijzen op infectie of hersenbloeding; ingevallen fontanel op dehydratatie.
* **Caput succedaneum:** Oppervlakkige oedeemvorming op het hoofd door druk tijdens de bevalling. Verdwijnt spontaan.
* **Cefaal hematoom:** Bloeding onder het beenvlies van het schedelbot. Ontstaat na de geboorte en wordt langzaam geresorbeerd.
* **Aangezicht:** Facialisparese (aangezichtsverlamming) kan voorkomen na traumatische bevalling. Syndroom van Down kan kenmerkende oogspleten (epicanthusplooien) hebben. Strabisme (scheelzien) is normaal bij neonaten. Sunset eyes (ogen dwalen naar beneden) kan een waarschuwingssignaal zijn.
* **Oren:** Lagere inplanting kan wijzen op syndroom van Down of nierafwijkingen. Pre-auriculaire putjes of skin tags kunnen voorkomen.
* **Neus:** Controleer doorgankelijkheid en eventuele neusvleugels.
* **Lippen en gehemelte:** Kleur van de lippen geeft informatie over oxygenatie. Lip- en gehemeltecontinuïteit (schizis) is een afwijking.
* **Tong:** Macroglossie kan wijzen op afwijkingen zoals syndroom van Down. Een te kort frenulum (tongriempje) kan voedingsproblemen veroorzaken.
* **Symmetrie en vorm:** Let op abnormale uitsteeksels.
* **Ademhalingsbewegingen:** Frequentie, symmetrie en tekenen van dyspnoe (tirage).
* **Borstkliervergroting:** Kan voorkomen door maternale hormonen, verdwijnt spontaan. Melkafscheiding ("heksenmelk") is mogelijk en mag niet uitgeduwd worden.
* **Claviculafractuur:** Sleutelbeenbreuk, kan gepaard gaan met plexusbeschadiging. Kenmerken zijn pijn, zwelling, beperkte beweging in de arm en asymmetrische Moro-reflex.
* **Ingevallen of opgezet abdomen:** Ingevallen wijst op hernia diafragmatica; opgezet op obstructies.
* **Navelstreng:** Controleer op correcte afklemming en de aanwezigheid van twee arteria en één vene (AVA). Een enkelvoudig arterie (SUA) kan wijzen op afwijkingen van de urinewegen of maagdarmstelsel.
* **Huidnavel:** Met huid bedekte navel die uitsteekt, verdwijnt spontaan.
* **Navelbreuk (hernia umbilicalis):** Een defect in de buikwand. Sluit meestal spontaan.
* **De rug:** Palpeer de rugwervels om afwijkingen zoals spina bifida (sluitingsdefecten van het wervelkanaal) op te sporen. Spina bifida aperta (open) en occulta (verborgen) komen voor.
* **Uitwendige geslachtsorganen:**
* **Vrouwelijk:** Let op de omvang van de labia majora, die de minora moeten bedekken bij voldragen neonaten. Vaginale afscheiding en pseudo-menstruatie (streepje bloed) door maternale hormonen zijn fysiologisch.
* **Mannelijk:** Controleer vorm en grootte van de penis, fymosis (vergroeiing voorhuid) is normaal. Hypospadie (urethra aan onderzijde) en epispadie (urethra aan bovenzijde) vereisen chirurgische correctie. Palpeer de testikels voor indaling. Cryptorchidie (niet-ingedaalde testikels) vereist opvolging.
* **Stand, beweeglijkheid en symmetrie:** Controleer handen, voeten en heupen.
* **Abductiebeperking heup:** Kan wijzen op congenitale heupdysplasie, die vroegtijdige herkenning en behandeling (bijv. met een spreidbeugel) vereist voor een goede prognose. Tests zoals de Barlow- en Ortolani-manoeuver worden gebruikt bij screening.
* **Pes equinovarus (klompvoet):** Een gefixeerde afwijkende stand van de voet, vereist orthopedische behandeling (gipscorrectie).
### 2.3 Uitscheiding
Nauwkeurige opvolging van urine en stoelgang is belangrijk voor informatie over voeding en het opsporen van afwijkingen.
#### 2.3.1 Urine/mictie
* **Eerste mictie:** Meestal binnen 12 uur, uiterlijk binnen 24 uur na de geboorte. Later dan 24 uur kan wijzen op obstructie van de urinewegen of nierafwijkingen.
* **Frequentie:** Neemt geleidelijk toe tot ongeveer 6 keer per 24 uur in de eerste week.
* **Kleur:** Eerste dagen vaak lichtroze urinezuurkristallen (ura ten), meestal onschuldig. Later helder, lichtgeel. Donkere urine kan wijzen op hyperbilirubinemie.
#### 2.3.2 Stoelgang/defecatie
* **Eerste stoelgang (meconium):** Geurloze, stroperige, groenzwarte massa, meestal binnen 24 uur, uiterlijk binnen 48 uur. Later kan wijzen op obstructies.
* **Borstvoeding:** Frequente, vloeibare, mosterdkleurige stoelgang met milde geur.
* **Kunstvoeding:** Donkerder (geelbruin), vaster en met een sterkere geur.
* **Frequentie:** Sterk variabel, meestal 1-5 keer per 24 uur na goede voeding, met af en toe een dag zonder ontlasting.
* **Diarree:** Moeilijk te diagnosticeren bij borstvoeding, snel gevaar voor dehydratie. Kan veroorzaakt worden door ondervoeding, allergie of infectie.
#### 2.3.3 Braken
Meeste pasgeborenen braken kleine hoeveelheden voeding door ingeslikte lucht of een nog niet optimaal functionerende sluitspier tussen slokdarm en maag.
* **Fysiologisch braken:** Melk en/of slijmen na de voeding.
* **Pathologisch braken:** Kan wijzen op ernstigere oorzaken (GI-problemen, allergie). Belangrijk is het observeren van de aard (melk, slijm, bloed), het moment (na maaltijd of onafhankelijk) en de wijze (kleine beetjes langs mondhoeken versus projectielbraken). Andere factoren zoals drinkgedrag, gewicht en uitscheiding zijn ook relevant.
---
# Geelzien bij de neonaat (hyperbilirubinemie)
Oké, hier is de gedetailleerde studiehandleiding voor "Geelzien bij de neonaat (hyperbilirubinemie)", gebaseerd op de verstrekte documentatie.
## 3 Geelzien bij de neonaat (hyperbilirubinemie)
Dit onderwerp behandelt de fysiologie, oorzaken, risicofactoren, klinische presentatie, diagnostiek, monitoring en behandeling van neonatale geelzucht, inclusief de normale (fysiologische) en abnormale (pathologische) vormen.
### 3.1 Inleiding tot neonatale geelzucht
Neonatale geelzucht, ook wel icterus genoemd, is een veelvoorkomende aandoening bij pasgeborenen, die bij ongeveer 60% van de voldragen pasgeborenen en zelfs 80% van de prematuren voorkomt in de eerste levensweek. Het wordt veroorzaakt door een verhoogde concentratie bilirubine in het bloed, een aandoening die hyperbilirubinemie wordt genoemd. Een lichte verhoging is vaak fysiologisch en onschuldig, maar een ernstige stijging kan leiden tot ernstige en blijvende hersenschade (kernicterus). Vroege herkenning, monitoring en adequate behandeling zijn daarom van cruciaal belang om deze schade te voorkomen.
### 3.2 Fysiologie van bilirubine metabolisme
Bilirubine is een gele kleurstof die ontstaat bij de afbraak van rode bloedcellen (erytrocyten).
* **Ongeconjugeerd (indirect) bilirubine:** Dit is de eerste vorm die vrijkomt na afbraak van erytrocyten. Het is vetoplosbaar en wordt in de lever gebonden aan glucuronzuur door het enzym glucuronyltransferase, waardoor het wateroplosbaar wordt.
* **Geconjugeerd (direct) bilirubine:** Dit is de wateroplosbare vorm. Het wordt uitgescheiden via de gal naar de darm, waar het via de stoelgang wordt uitgescheiden (wat de bruine kleur van ontlasting veroorzaakt) en in beperkte mate via de urine (wat de gele kleur van urine veroorzaakt).
* **Enterohepatische cyclus:** Een deel van het geconjugeerde bilirubine wordt in de darm weer omgezet naar ongeconjugeerd bilirubine en opnieuw opgenomen in de bloedbaan. Dit proces wordt de enterohepatische cyclus genoemd.
Wanneer de concentratie ongeconjugeerd bilirubine in de bloedbaan verhoogd is (hyperbilirubinemie), kan dit zich ophopen in het onderhuidse vetweefsel, wat resulteert in geelzucht. Bij zeer hoge concentraties kan ongeconjugeerd bilirubine de bloed-hersenbarrière passeren en zich ophopen in de hersenen, wat kan leiden tot kernicterus, een ernstige en potentieel blijvende neurologische aandoening.
### 3.3 Waarom komt hyperbilirubinemie zo vaak voor bij neonaten?
Neonaten hebben een verhoogd risico op hyperbilirubinemie door verschillende factoren:
* **Onrijpe lever:** De lever van een neonaat heeft een nog niet volledig ontwikkelde activiteit van glucuronyltransferase, wat resulteert in een verminderde capaciteit om bilirubine te conjugeren.
* **Snelle afbraak van foetale erytrocyten:** De levensduur van foetale erytrocyten (HbF) is korter (ongeveer 90 dagen) dan die van volwassen erytrocyten (HbA, ongeveer 120 dagen), wat leidt tot een snellere afbraak en meer bilirubineproductie.
* **Verhoogde enterohepatische cyclus:** Dit wordt veroorzaakt door:
* Trage darmperistaltiek.
* Beperkte darmflora bij de geboorte.
* Aanwezigheid van meconium in de darm, dat veel ongeconjugeerd bilirubine bevat.
#### 3.3.1 Geelzucht bij borstvoeding
Bij borstvoeding zien we twee vormen van geelzucht:
* **Borstvoedingsgeelzucht (breastfeeding jaundice):** Dit wordt veroorzaakt door onvoldoende inname van moedermelk, wat leidt tot milde dehydratie en een tragere passage van meconium. Dit treedt meestal op in de eerste levensweek.
* **Moedermelkgeïnduceerde geelzucht (breast milk jaundice):** Dit treedt op bij een goede voedingstoestand en bereikt een piek tussen dag 7 en 14. De precieze oorzaak is nog niet volledig duidelijk. Het is belangrijk om te benadrukken dat dit geen reden is om borstvoeding te stoppen. Voldoende frequente en efficiënte borstvoeding (minimaal 8 voedingen per 24 uur) is cruciaal voor een goede uitscheiding van bilirubine.
### 3.4 Risicofactoren voor (ernstige) hyperbilirubinemie
Naast de algemene factoren bij neonaten, zijn er specifieke risicofactoren die het risico op ernstige hyperbilirubinemie verhogen:
* **Prematuriteit:** Lagere activiteit van glucuronyltransferase en minder onderhuids vet om bilirubine op te slaan.
* **Familiale voorgeschiedenis:** Ervaring met ernstige geelzucht of eerdere behandelingen.
* **Hemolytische ziekten:** Zoals bloedgroepincompatibiliteit (bijvoorbeeld ABO- of Rh-incompatibiliteit), waarbij antistoffen van de moeder de rode bloedcellen van de baby afbreken, wat leidt tot verhoogde bilirubineproductie.
* **Exclusieve borstvoeding met onvoldoende inname.**
* **Syndroom van Down:** Kan geassocieerd zijn met een trager werkende lever.
* **Diabetes mellitus bij de moeder:** Kan leiden tot polycytemie bij de neonaat, wat resulteert in meer erytrocytenafbraak.
* **Etniciteit:** Bepaalde etnische groepen (bijvoorbeeld Oost-Aziatisch) hebben genetische varianten die geassocieerd zijn met een verhoogd risico op neonatale hyperbilirubinemie.
### 3.5 Fysiologische versus pathologische hyperbilirubinemie
Het is cruciaal om onderscheid te maken tussen de normale, fysiologische geelzucht en de gevaarlijke, pathologische vorm.
**Fysiologische hyperbilirubinemie:**
* Normaal, meestal onschuldig.
* Matige bilirubineverhoging.
* Ontstaat ten vroegste 24 uur na de geboorte.
* Piek rond dag 3-5.
* Verdwijnt spontaan binnen 1 tot 2 weken.
**Pathologische hyperbilirubinemie:**
* Indirect bilirubine kan de bloed-hersenbarrière passeren.
* Langdurig verhoogde concentratie indirect bilirubine in het bloed.
* Kan leiden tot hersenschade (kernicterus) met blijvende fysieke en mentale handicaps.
* Zeldzaam, maar ernstig en vermijdbaar.
### 3.6 Klinische presentatie en symptomen
De belangrijkste klinische manifestatie is geelzucht.
* **Observeren van geelzucht:**
* Moet gebeuren in daglicht, niet onder kunstlicht.
* Wordt duidelijker zichtbaar door zachtjes over de huid te strijken.
* Begint vaak in het gezicht (inclusief oogwit en tandvlees).
* Naarmate het bilirubinegehalte stijgt, breidt de geelheid zich uit naar de borst, buik, rug, armen, benen, handen en voeten.
* De **dermale zones van Kramer** kunnen gebruikt worden voor een ruwe inschatting van de ernst van de hyperbilirubinemie en het totale serumbilirubinegehalte (TSB).
* **Andere symptomen:**
* Slaperigheid.
* Minder goed eten.
* Donkere urine (door uitscheiding via de nieren).
Bij ernstige hyperbilirubinemie en het risico op kernicterus kunnen de volgende symptomen optreden:
* Lethargie (ziekelijke slaapzucht).
* Geïrriteerdheid.
* Abnormale spierspanning en -houding (hypotonie).
* Apnoes (ademhalingspauzes).
* Convulsies (stuipen).
### 3.7 Preventie van (ernstige) hyperbilirubinemie
Preventie is cruciaal en richt zich op het minimaliseren van de risicofactoren en het vroegtijdig ingrijpen.
* **Inschatten van risico's vooraf:** Opsporen van bloedgroepincompatibiliteit tijdens de zwangerschap.
* **Optimaliseren van voedingen (vooral bij borstvoeding):**
* Vroege en frequente borstvoeding (minimaal 8-12 keer per 24 uur) om de passage van meconium te stimuleren en zo de uitscheiding van bilirubine te bevorderen.
* Bij onvoldoende inname tijdig starten met aanvullingen van moedermelk (géén andere supplementen zoals water).
* **Indirect zonlicht:** Hoewel vroeger aanbevolen, is het plaatsen van de baby naast een raam om blootstelling aan daglicht te stimuleren, **niet evidence-based** voor de behandeling van hyperbilirubinemie en wordt niet meer aanbevolen. **Nooit blootstellen aan direct zonlicht** vanwege het risico op zonnebrand en dehydratie.
### 3.8 Diagnostiek en monitoring naar hyperbilirubinemie
Het doel van diagnostiek en monitoring is het onderscheiden van fysiologische van pathologische geelzucht en het tijdig starten van de behandeling.
* **Klinische screening:**
* Visuele inspectie van de huid, het oogwit en tandvlees, minstens één keer per 24 uur in goed daglicht, gedurende de eerste 3 dagen na geboorte.
* Observatie van voedingsinname.
* Observatie van uitscheiding (frequentie en kleur van urine en stoelgang).
* Gewichtsverlies.
* Gedrag en temperatuur.
* **Screening naar bilirubinegehalte:**
* **Transcutane bilirubinemeting (TcB):** Een niet-invasieve methode met een icterometer op het voorhoofd of sternum. Geeft een indicatie van het bilirubinegehalte, maar is niet zeer precies. Vermindert het aantal bloedafnames aanzienlijk. Na behandeling met fototherapie is TcB niet meer betrouwbaar.
* **Totaal serum bilirubinegehalte (TSB):** Dit is de gouden standaard. Het vereist een veneuze bloedafname en de waarde wordt uitgedrukt in milligram per deciliter (mg/dl) of micromol per liter (µmol/l). Als het bilirubinegehalte te hoog is, wordt behandeling gestart op voorschrift van een kinderarts. Alle pasgeborenen worden voor ontslag uit het ziekenhuis gescreend, evenals bij vermoeden van hyperbilirubinemie op basis van de kliniek.
### 3.9 Behandeling van (ernstige) hyperbilirubinemie
De behandeling is afhankelijk van de precieze TSB-waarde, de zwangerschapsduur, de leeftijd van de neonaat in uren, en de aanwezigheid van risicofactoren.
* **Fototherapie (FT):**
* De neonaat wordt onder speciale blauwe lampen geplaatst voor een voorgeschreven duur.
* Het licht zet ongeconjugeerd bilirubine om in geconjugeerd bilirubine, dat gemakkelijker kan worden uitgescheiden.
* **Richtlijnen voor FT:**
* Baby volledig naakt (luier mag aan).
* Noodzaak voor controle van de lichaamstemperatuur vanwege risico op hyperthermie.
* Verhoogd vochtverlies vereist voldoende frequente en efficiënte voedingen.
* Ogen moeten worden afgedekt om netvliesbeschadiging te voorkomen.
* Observatie van huiduitslag (meestal voorbijgaand).
* Soms wordt na FT een hercontrole van TSB voorgeschreven om te zien of de waarde voldoende is gedaald.
* **Grenswaarden voor fototherapie (gebaseerd op AAP-richtlijnen, 2022):** Deze grenswaarden variëren afhankelijk van de zwangerschapsduur (postmenstruele leeftijd - PML), de leeftijd in uren, en de aanwezigheid van risicofactoren voor neurotoxiciteit.
* **Voorbeeld interpretatie (zonder risicofactoren):** Een baby van 48 uur oud met een PML van 40 weken zal fototherapie nodig hebben vanaf een TSB van 17 mg/dl.
* **Wisseltransfusie:**
* Dit is een bloedtransfusie waarbij het bloed van de baby wordt vervangen door donorbloed.
* Wordt alleen in ernstige gevallen toegepast, wanneer fototherapie onvoldoende effectief is, of bij zeer hoge TSB-waarden.
* Vindt altijd plaats op een neonatologie-afdeling.
* **Grenswaarden voor wisseltransfusie (gebaseerd op AAP-richtlijnen, 2022):** Ook hier zijn de grenswaarden afhankelijk van PML, leeftijd in uren en risicofactoren.
* **Voorbeeld interpretatie (zonder risicofactoren):** Dezelfde baby (48 uur oud, 40 weken PML, geen risicofactoren) zou pas een wisseltransfusie nodig hebben bij een TSB van 24 mg/dl.
### 3.10 Belangrijke termen
* **Glucuronyltransferase:** Leverenzym dat ongeconjugeerd bilirubine omzet naar geconjugeerd bilirubine.
* **Caput succedaneum:** Oedemateuze zwelling op het hoofd van de neonaat, veroorzaakt door druk in het geboortekanaal.
* **Spina bifida:** Een aangeboren afwijking waarbij de wervelkolom en het ruggenmerg niet goed zijn afgesloten.
* **Moulding (moulage):** Tijdelijke vervorming van de schedel van de neonaat door de verschuiving van de schedelbeenderen, wat de passage door het geboortekanaal vergemakkelijkt.
* **Meconium:** De eerste stoelgang van de neonaat, zwartgroen en kleverig van aard.
* **Tirage:** Intrekkingen van de huid van de thorax (vooral ter hoogte van het sternum) door verhoogde inspanning bij ademhaling, een teken van dyspnoe.
* **Erytrocyten:** Rode bloedcellen.
* **Kernicterus:** Ernstige hersenschade door afzetting van ongeconjugeerd bilirubine in de hersenen, leidend tot blijvende neurologische afwijkingen.
* **Tremoren:** Korte, spontane, ritmische trillende bewegingen van een spier of gewricht.
* **Strabisme:** Scheelzien, bij neonaten vaak tijdelijk normaal door onvolledige coördinatie van de oogspieren.
---
Geelzien, ook wel icterus of geelzucht genoemd, is een veelvoorkomend verschijnsel bij neonaten, waarbij een verhoogde concentratie bilirubine in het bloed leidt tot een gelige verkleuring van de huid en de ogen. Hoewel een lichte verhoging vaak fysiologisch en onschuldig is, kan een ernstige hyperbilirubinemie leiden tot blijvende hersenschade.
### 3.1 Fysiologie van bilirubine metabolisme
Bilirubine is een afbraakproduct van hemoglobine uit erytrocyten. Dit ongeconjugeerde, vetoplosbare bilirubine wordt in de lever geconjugeerd (wateroplosbaar) door het enzym glucuronyltransferase. Het geconjugeerde bilirubine wordt vervolgens uitgescheiden via de gal in de darmen, waar het verder wordt afgebroken en met de stoelgang wordt uitgescheiden. Een deel kan echter worden heropgenomen in de bloedbaan (enterohepatische cyclus).
* **Ongeconjugeerd bilirubine:** Geel, vetoplosbaar. Bij hoge concentraties kan het de bloed-hersenbarrière passeren en neurotoxiciteit veroorzaken (kernicterus).
* **Geconjugeerd bilirubine:** Wateroplosbaar, wordt uitgescheiden.
* **Entrohepatische cyclus:** Heropname van (voornamelijk ongeconjugeerd) bilirubine uit de darm naar de lever.
### 3.2 Verhoogd risico op hyperbilirubinemie bij neonaten
Neonaten hebben een verhoogd risico op hyperbilirubinemie door diverse factoren:
* **Onrijpe lever:** Verminderde activiteit van glucuronyltransferase, wat leidt tot een lagere conjugatiecapaciteit.
* **Snellere afbraak van foetale erytrocyten:** De levensduur van foetale erytrocyten (HbF) is korter dan die van volwassenen (HbA).
* **Verhoogde enterohepatische cyclus:** Door langzame darmperistaltiek, beperkte darmflora en de aanwezigheid van meconium bij de geboorte.
### 3.3 Specifieke factoren en vormen van neonatale geelzucht
#### 3.3.1 Borstvoedingsgerelateerde geelzucht
* **Borstvoedingsgeelzucht (breastfeeding jaundice):** Ontstaat door onvoldoende melkinname, wat leidt tot milde dehydratatie en tragere meconiumpassage. Meestal in de eerste levensweek.
* **Moedermelkgeïnduceerde geelzucht (breast milk jaundice):** Piek tussen dag 7 en 14. De oorzaak is nog niet volledig duidelijk, maar er is geen reden om borstvoeding te staken. Adequate en frequente voeding (minimaal 8 keer per 24 uur) is cruciaal voor de uitscheiding van bilirubine.
#### 3.3.2 Andere risicofactoren voor ernstige hyperbilirubinemie
* Prematuriteit (nog lagere glucuronyltransferase activiteit en minder subcutaan vet).
* Familiale voorgeschiedenis van ernstige geelzucht of behandelingen.
* Hemolytische ziekten (bv. bloedgroepincompatibiliteit).
* Syndroom van Down (trager werkende lever).
* Diabetes mellitus bij de moeder (polycythemie bij de neonaat, wat leidt tot meer erytrocytenafbraak).
* Bepaalde etnische achtergronden (bv. Oost-Aziatisch) kunnen een genetisch verhoogd risico hebben.
### 3.4 Fysiologische versus pathologische hyperbilirubinemie
#### 3.4.1 Fysiologische hyperbilirubinemie
* Ontstaat ten vroegste na 24 uur na de geboorte.
* Verdwijnt spontaan na 1-2 weken.
#### 3.4.2 Pathologische hyperbilirubinemie
* Ernstige en vermijdbare aandoening.
* Vereist zorgvuldige monitoring en tijdige behandeling.
### 3.5 Klinische presentatie en symptomen
* **Geelzucht:** Zichtbaar in daglicht, strijken over de huid kan de icterus duidelijker maken. Begint vaak op het gezicht en breidt zich uit naar de borst, buik, rug, armen en benen. De **dermale zones van Kramer** kunnen een ruwe inschatting geven van de bilirubineconcentratie.
* Slaperigheid en verminderde voedingsinname.
* Donkere urine (indicator van uitscheiding via de nieren, maar ook een teken van ernstige hyperbilirubinemie).
* Bij ernstige hyperbilirubinemie/kernicterus: lethargie, geïrriteerdheid, abnormale spierspanning (hypotonie), apneus, convulsies.
### 3.6 Preventie van ernstige hyperbilirubinemie
* Inschatten van het risico vóór de geboorte (bv. bloedgroepincompatibiliteit).
* **Optimaliseren van voedingen bij borstvoeding:** Vroege en frequente voeding (minimaal 8-12 keer per 24 uur) bevordert meconiumpassage en uitscheiding van bilirubine.
* Aanvullen met moedermelk bij onvoldoende intake.
* Indirect zonlicht (naast een raam) kan helpen, maar direct zonlicht dient vermeden te worden vanwege risico op zonnebrand en dehydratatie.
### 3.7 Diagnostiek en monitoring
Het doel is het onderscheid te maken tussen fysiologische en pathologische geelzucht en tijdig met behandeling te starten.
#### 3.7.1 Klinische screening
* Visuele inspectie van de huid, het oogwit en de slijmvliezen (minimaal 1x per 24 uur bij goed daglicht).
* Observatie van voedingsinname, uitscheiding (mictie en stoelgang), gewichtsverlies, gedrag en temperatuur. Deze klinische observaties zijn essentieel, maar volstaan niet altijd als enige monitoringscriterium.
#### 3.7.2 Beoordeling van bilirubinegehalte
* **Transcutane bilirubinemeting (TcB):** Een niet-invasieve methode die een indicatie geeft van het serumbilirubinegehalte. Nuttig om het aantal bloedafnames te reduceren. Niet betrouwbaar na behandeling met fototherapie of wisseltransfusie.
* **Totaal serumbilirubinegehalte (TSB):** De gouden standaard, gemeten via veneuze bloedafname.
Alle neonaten dienen voor ontslag uit het ziekenhuis gescreend te worden op hyperbilirubinemie, vooral bij vermoeden van een verhoogd gehalte op basis van klinische symptomen.
### 3.8 Behandeling van ernstige hyperbilirubinemie
De keuze van behandeling hangt af van de TSB-waarde, de zwangerschapsduur, de leeftijd van de neonaat (in uren) en de aanwezigheid van risicofactoren voor neurotoxiciteit. Er worden internationaal gestandaardiseerde curven (bv. AAP-richtlijnen) gebruikt om de behandelgrenzen te bepalen.
#### 3.8.1 Fototherapie (FT)
* De neonaat wordt blootgesteld aan speciaal blauw licht, dat ongeconjugeerd bilirubine omzet in geconjugeerd bilirubine dat gemakkelijker kan worden uitgescheiden.
* **Richtlijnen:** Volledig naakt (luier mag aan), ogen afdekken, frequent voeden ter preventie van dehydratatie en oververhitting.
* Controle van de TSB-waarde na FT is noodzakelijk.
#### 3.8.2 Wisseltransfusie
* Bloed van de neonaat wordt vervangen door donorbloed.
* Enkel in zeer ernstige gevallen wanneer fototherapie onvoldoende effect heeft of de TSB-waarden zeer hoog zijn.
* Vindt plaats op een neonatologie-afdeling.
> **Tip:** Het is cruciaal om te weten hoe de AAP-grafieken voor fototherapie en wisseltransfusie geïnterpreteerd moeten worden, waarbij rekening wordt gehouden met zwangerschapsduur, leeftijd en risicofactoren.
---
# Uitscheidingspatronen van de neonaat
Hier volgt een gedetailleerde studiehandleiding over de uitscheidingspatronen van de neonaat, gebaseerd op de verstrekte documentatie.
## 4. Uitscheidingspatronen van de neonaat
De observatie en beoordeling van de urine- en stoelgangpatronen van een pasgeborene zijn cruciaal voor het bepalen van hun welzijn en voor de vroege opsporing van mogelijke problemen, aangezien deze patronen belangrijke informatie verschaffen over de voedingsinname en de werking van het maag-darm- en urinestelsel.
### 4.1 Urine/mictie
Het urineren van de neonaat, ook wel mictie genoemd, geeft inzicht in de hydratatiestatus en de nierfunctie.
* **Eerste mictie:**
* De eerste urineproductie vindt doorgaans plaats binnen 12 uur na de geboorte, en uiterlijk binnen 24 uur.
* Een uitblijven van mictie na 24 uur kan wijzen op obstructies van de urinewegen of nierafwijkingen en vereist spoedige doorverwijzing.
* Gedurende de eerste dagen is de urineproductie relatief laag en niet altijd zichtbaar in de luier. Luiers met een indicatielijn kunnen hierbij helpen.
* **Frequentie:**
* Het normale mictiepatroon evolueert gedurende de eerste levensweek.
* Dag 0: 1 mictie
* Dag 1: 1 mictie
* Geleidelijke toename naar ongeveer 6 micties per 24 uur gedurende de eerste week.
* Individuele variatie is mogelijk.
* Een verminderde mictie of diurese kan duiden op dehydratatie of onvoldoende voedselinname.
* **Kleur:**
* **Eerste dagen:** Vaak een lichtroze kleur met mogelijke urinezuurkristallen of uraten. Dit is meestal onschuldig, maar kan bij meisjes soms verward worden met pseudo-menstruatie en kan wijzen op een verminderde vochtopname.
* **Nadagen:** Heldere, lichtgele kleur.
* **Donkere urine:** Kan een indicatie zijn van hyperbilirubinemie.
### 4.2 Stoelgang/defecatie
De stoelgang, of defecatie, van de neonaat is een directe indicator van de maag-darmfunctie en de vertering van voeding.
* **Eerste stoelgang (meconium):**
* Meconium is een geurloze, stroperige, groenzwarte massa.
* De eerste stoelgang vindt meestal plaats binnen 24 uur na de geboorte, en uiterlijk binnen 48 uur.
* Een uitblijven van meconium na 48 uur kan wijzen op obstructies en vereist doorverwijzing.
* **Overgangsstoelgang:**
* Na enkele dagen, bij een goede darmtransit, gaat de stoelgang over in een groenige, minder stroperige consistentie.
* **Normale stoelgangpatronen:**
* **Borstvoeding (BV):** Frequente, vloeibare, mosterdkleurige stoelgang, soms met 'zaadjes' erin, met een milde geur.
* **Kunstvoeding (KV):** Donkerdere (geelbruine) en vastere stoelgang met een sterkere geur.
* **Frequentie:** Naarmate de voeding goed op gang komt, kan de frequentie sterk variëren, meestal tussen 1 en 5 keer per 24 uur. Het is acceptabel om af en toe een dag zonder ontlasting te hebben, mits andere symptomen normaal zijn.
* **Belangrijk:** Niet alleen de frequentie, maar ook de kwaliteit (consistentie, kleur, geur) en de aanwezigheid van andere symptomen (pijn, opgezet buikje, huilen bij defecatie) moeten worden geobserveerd.
* **Diarree:**
* Moeilijk te diagnosticeren bij borstvoeding.
* Snelle kans op dehydratatie, vooral in combinatie met braken.
* Mogelijke oorzaken: ondervoeding, niet verdragen van voeding (allergie, ook bij BV mogelijk), of infecties (wat snelle verspreiding op een neonatale afdeling kan veroorzaken, benadrukkend het belang van handhygiëne).
* **Constipatie:**
* Komt minder vaak voor, met name bij borstvoeding. Verdere informatie is te vinden in het deel over "groei en ontwikkeling van het gezond kind".
### 4.3 Braken
Braken bij pasgeborenen is het teruggeven van voeding en kan verschillende oorzaken hebben, variërend van fysiologisch tot pathologisch.
* **Fysiologische oorzaken:**
* Ingeslikte lucht tijdens de voeding.
* Nog niet optimaal functionerende gastro-oesofagale sfincter.
* Meestal betreft het melk met eventueel wat slijmen, dat na de voeding wordt uitgebraakt.
* **Onderscheid met pathologische oorzaken:**
* Het is cruciaal om onderscheid te maken tussen fysiologisch en pathologisch braken. Dit vereist correct observeren, noteren en doorgeven van de volgende informatie:
* **Wat:** Melk of slijm (versus bloed).
* **Wanneer:** Na de maaltijd (versus onafhankelijk van maaltijden).
* **Hoe:** Een beetje melk langs de mondhoeken (versus projectielbraken).
* **Andere relevante factoren:** Drinkgedrag, gewichtsverloop, stoelgang- en mictiepatroon.
* **Mogelijke ernstige oorzaken:**
* Gastro-intestinale problemen of allergieën kunnen ook aan de basis liggen van braken.
> **Tip:** Nauwkeurige opvolging van urine- en stoelgangpatronen is essentieel voor het verkrijgen van belangrijke informatie over de voedingsinname en de opsporing van afwijkingen aan het urineweg- of maagdarmstelsel gedurende de gehele neonatale periode.
---
# Uitscheidingspatronen van de neonaat
Dit hoofdstuk beschrijft de normale patronen van urineproductie (mictie) en stoelgang (defecatie) bij pasgeborenen, inclusief afwijkingen en belangrijke observatiepunten voor zorgverleners.
## 4.3 Uitscheiding
Een nauwkeurige opvolging van de uitscheidingspatronen van de neonaat is essentieel voor het verkrijgen van belangrijke informatie over de voedingsinname en voor de vroegtijdige opsporing van afwijkingen aan het urineweg- of maagdarmstelsel. Deze observaties vinden plaats vanaf de eerste zorgen en gedurende de gehele neonatale periode.
### 4.3.1 Urine/mictie
#### Eerste mictie
* De eerste mictie vindt doorgaans plaats binnen 12 uur na de geboorte, uiterlijk binnen 24 uur.
* Als de eerste mictie langer dan 24 uur op zich laat wachten, kan dit wijzen op een obstructie van de urinewegen of nierafwijkingen en vereist dit spoedig doorverwijzen naar een arts.
* De eerste dagen produceert de neonaat relatief weinig urine, waardoor deze niet altijd direct zichtbaar is. Luiers met een indicatielijn voor urine kunnen hierbij helpen.
#### Frequentie
* Het normale mictiepatroon in de eerste week:
* Dag 0: 1 keer
* Dag 1: 1 keer
* Geleidelijke toename gedurende de eerste week tot ongeveer 6 keer per 24 uur.
* Een verminderde mictie of diurese kan wijzen op dehydratatie of onvoldoende voedselinname. Een handig ezelsbruggetje is om het aantal luiers dat verschoond wordt per dag te vergelijken met de leeftijd van de baby (bijvoorbeeld dag 3: 3 natte luiers).
#### Kleur
* **Eerste dagen:** De urine kan licht roze zijn, met mogelijks rode, roze of oranje urinezuurkristallen (uraten). Dit is meestal onschuldig en kan wijzen op een verminderde vochtopname.
* **Na de eerste dagen:** De urine is helder en lichtgeel van kleur.
* **Donkere urine:** Kan wijzen op hyperbilirubinemie.
### 4.3.2 Stoelgang/defecatie
#### Eerste stoelgang (meconium)
* De eerste stoelgang, meconium, is een geurloze, stroperige, groenzwarte massa.
* Deze wordt meestal binnen 24 uur na de geboorte geproduceerd, uiterlijk binnen 48 uur.
* Als het meconium niet binnen 48 uur komt, dient men bedacht te zijn op obstructies en dient de neonaat te worden doorverwezen.
#### Overgangsstoelgang en normale stoelgang
* **Overgangsstoelgang:** Na enkele dagen (bij goede transit) transformeert het meconium naar een groenige, minder stroperige overgangsstoelgang.
* **Borstvoeding (BV):** De stoelgang is meestal frequent (1-5 keer per 24 uur), vloeibaar, mosterdgeel van kleur, en heeft een milde geur. Soms worden er kleine 'zaadjes' in waargenomen.
* **Kunstvoeding (KV):** De stoelgang is doorgaans donkerder (geelbruin), vaster van consistentie en heeft een sterkere geur.
#### Frequentie en observatie
* Het normale stoelgangpatroon in de eerste dagen na geboorte:
* Dag 0 en 1: 1 keer
* Dag 2 en 3: 2 keer
* Dag 4 en 5: 3 keer
* Nadat de voeding goed op gang is, kunnen sterke individuele verschillen optreden, variërend van 1 tot 5 keer per 24 uur. Het is ook mogelijk dat er af en toe een dag zonder ontlasting is.
* Naast de frequentie is het belangrijk om te letten op:
* Kwaliteit, consistentie en kleur van de stoelgang.
* Aanwezigheid van andere symptomen zoals pijn, een opgezet buikje, of huilen tijdens de defecatie.
#### Diarree
* Diarree is bij borstvoeding lastig te diagnosticeren.
* Er is een snel gevaar voor dehydratie, zeker in combinatie met braken.
* Mogelijke oorzaken zijn ondervoeding, niet verdragen van de voeding (bv. allergie, ook bij BV mogelijk), of infecties. Goede handhygiëne is cruciaal om verspreiding van infecties te voorkomen.
#### Constipatie
* Constipatie komt niet vaak voor, zeker niet bij borstvoeding. Meer informatie hierover kan gevonden worden in het deel "groei en ontwikkeling van het gezond kind".
### 4.3.3 Braken
* De meeste pasgeborenen braken (geven voeding terug) door:
* Een nog niet optimaal functionerende gastro-oesofagale sfincter.
* Meestal betreft dit melk en mogelijk wat slijmen na de voeding.
* Er kunnen echter ook ernstigere oorzaken ten grondslag liggen. Het is daarom belangrijk om onderscheid te maken tussen fysiologisch braken en onderliggende pathologische aandoeningen.
#### Belangrijke observatiepunten bij braken:
* **Wat:** Is het melk, slijm of bloed?
* **Wanneer:** Gebeurt het na de maaltijd of ongeacht de maaltijd?
* **Hoe:** Wordt er een beetje melk langs de mondhoeken teruggegeven, of is het projectiel braken?
* **Andere relevante factoren:** Drinkgedrag, gewichtsverlies of -toename, stoelgang- en mictiepatroon.
Deze informatie is essentieel om correct te observeren, noteren en door te geven aan de zorgverlener. Problemen met het maagdarmstelsel of allergieën kunnen een oorzaak zijn van frequent of excessief braken.
---
## Veelgemaakte fouten om te vermijden
- Bestudeer alle onderwerpen grondig voor examens
- Let op formules en belangrijke definities
- Oefen met de voorbeelden in elke sectie
- Memoriseer niet zonder de onderliggende concepten te begrijpen
Glossary
| Term | Definition |
|------|------------|
| Ademhaling (AH) | Het proces van inademen en uitademen, cruciaal voor de zuurstofvoorziening en koolstofdioxidedistributie in het lichaam. |
| Borstvoeding (BV) | Voeding van een zuigeling met moedermelk, direct afgenomen van de moeder of afgekolfd. |
| Centraal zenuwstelsel (CZS) | Het deel van het zenuwstelsel dat bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg, en verantwoordelijk is voor de verwerking van informatie en coördinatie van lichaamsfuncties. |
| Fototherapie (FT) | Een behandeling waarbij licht wordt gebruikt om hyperbilirubinemie bij pasgeborenen te verminderen door de omzetting van indirect bilirubine naar direct bilirubine. |
| Grijpreflex | Een aangeboren reflex waarbij een neonaat krachtig iets vastgrijpt dat de handpalm of voetzool raakt, wat bijdraagt aan het overlevingsinstinct. |
| Hypertensie | Een verhoogde bloeddruk, waarbij de druk in de slagaders chronisch te hoog is. |
| Hyperbilirubinemie | Een abnormaal hoge concentratie bilirubine in het bloed, wat kan leiden tot geelzucht. |
| Icterus (Geelzien) | De geelkleuring van de huid en het oogwit die wordt veroorzaakt door een teveel aan bilirubine in het bloed. |
| Kernicterus | Een ernstige, potentieel irreversibele hersenbeschadiging die wordt veroorzaakt door extreem hoge niveaus van ongeconjugeerd bilirubine in het bloed van een neonaat. |
| Kunstvoeding (KV) | Voeding voor zuigelingen die geen moedermelk is, meestal in de vorm van poeder of vloeibare zuigelingenmelk. |
| Lichte slaap (REM-slaap) | Een slaapstadium gekenmerkt door snelle oogbewegingen, onregelmatige ademhaling en spieractiviteit, cruciaal voor hersenontwikkeling. |
| Meconium | De eerste stoelgang van een neonaat, die dik, groenzwart en kleverig is en voornamelijk bestaat uit ingeslikte celresten en galzouten. |
| Moedermelk (MM) | De natuurlijke voeding voor pasgeboren baby's, geproduceerd door de melkklieren van de moeder, rijk aan voedingsstoffen en antilichamen. |
| Moro-reflex | Een primitieve reflex bij pasgeborenen, ook wel de schrikreflex genoemd, waarbij de baby symmetrisch de armen spreidt en vervolgens weer naar het lichaam brengt bij een plotselinge schrikprikkel. |
| Neonaat | Een pasgeboren kind in de eerste 28 dagen na de geboorte. |
| Ongeconjugeerd bilirubine | Een in vet oplosbare afbraakproduct van hemoglobine dat verhoogd kan zijn bij pasgeborenen en potentieel toxisch is voor de hersenen. |
| Postmenstruele leeftijd (PML) | De zwangerschapsduur gemeten vanaf de eerste dag van de laatste menstruatie. |
| Postpartum (PP) | De periode direct na de bevalling. |
| Reflex | Een automatische, onwillekeurige reactie van het lichaam op een stimulus, essentieel voor de vroege ontwikkeling en overleving. |
| Schedelmoedervlek (Caput succedaneum) | Een zwelling op de hoofdhuid van een pasgeborene die ontstaat door druk tijdens de bevalling en vochtophoping onder de hoofdhuid; verdwijnt meestal binnen enkele dagen. |
| Slaapstadium | Een periode van slaap gekenmerkt door specifieke fysiologische en gedragspatronen, zoals diepe slaap en lichte slaap (REM-slaap). |
| Spina bifida | Een aangeboren aandoening waarbij de wervelkolom en het ruggenmerg niet volledig sluiten tijdens de zwangerschap, wat kan leiden tot neurologische problemen. |
| Totaal serumbilirubine (TSB) | De totale hoeveelheid bilirubine in het bloed, gemeten via veneuze bloedafname, gebruikt om de ernst van geelzucht te beoordelen. |
| Transcutane bilirubinemeting (TcB) | Een niet-invasieve methode om het bilirubinegehalte in de huid te meten met behulp van een icterometer, wat een indicatie geeft van het serumbilirubinegehalte. |
| Tremoren | Kortdurende, spontane, ritmische trillende bewegingen van een spier of gewricht, die bij pasgeborenen vaak fysiologisch zijn en gestopt kunnen worden door aanraking. |
| Urinezuurkristallen (Uraten) | Rode of roze kristallen die soms in de urine van een pasgeborene worden aangetroffen, meestal onschuldig en gerelateerd aan vochtinname. |
| Ziekte van Krebiozen | Historische term voor de ziekte van Graves (hyperthyreoïdie). Wordt hier niet expliciet behandeld maar is een medische term. In deze context is het waarschijnlijk een misinterpretatie of typo in de originele tekst, aangezien de definitie niet past bij de medische context van de neonatologie. De definitie is gebaseerd op de algemene betekenis van het woord als het correct zou zijn gebruikt. |