Cover
ابدأ الآن مجانًا Samenvatting TAB 3.1 klinisch redeneren.docx
Summary
# Klinisch redeneren en hulpmiddelen
Dit onderwerp behandelt de observatie en ordening van patiëntgegevens, evenals diverse redeneerhulpmiddelen zoals SBAR, EWS, SIRS, FAST en de ABCDE-methode, en hun toepassing in de klinische praktijk.
## 1. Klinisch redeneren: observatie en ordening
Klinisch redeneren omvat het waarnemen en structureren van patiëntgegevens om tot een diagnose, beoordeling en passende actie te komen.
### 1.1 Observeren
Observeren is het in totaliteit kijken naar:
* Gedrag
* Lichaamshouding
* Beweging
* Kleur
* Zweten
* Mimiek
* Ademhaling
* Geur
### 1.2 Ordenen
Het ordenen van patiëntgegevens gebeurt met behulp van diverse redeneerhulpmiddelen:
* (I)SBAR(R)
* EWS – AVPU – score
* SIRS-criteria
* Glasgow Coma Score (GCS)
* FAST-test
* ABCDE-methode
## 2. Redeneerhulpmiddelen binnen het klinisch redeneren
### 2.1 SBAR-methode (Situation, Background, Assessment, Recommendation)
De SBAR-methode is een gestructureerde communicatiemethode die wordt gebruikt om patiëntinformatie duidelijk en beknopt over te dragen, met name in kritieke situaties.
* **Situation (Situatie):** Wie is de patiënt? Wat is het probleem? Wie belt er?
* **Background (Achtergrond/Voorgeschiedenis):** Onderzoek, diagnose, datum van opname of operatie, allergieën, zwangerschap, reanimatiebeleid (DNR-code), huidig medicatiebeleid.
* **Assessment (Beoordeling):** Rapporteer recente uitslagen en geef een oordeel over het probleem. Gebruik parameters en laboratoriumuitslagen.
* **Recommendation (Aanbeveling):** Geef aan wat er moet gebeuren en welke actie nodig is, inclusief de vereiste termijn.
* **Readback (Herhalen):** Herhaal de afspraken luidop en noteer deze in het verpleeg- of patiëntendossier.
**Voordelen van SBAR:**
* Eenvoudige en concrete manier van communiceren.
* Zorgt voor onmiddellijke aandacht en actie.
* Creëert duidelijkheid.
**Uitvoering:** Maak eerst schriftelijke notities in SBAR-vorm en informeer daarna mondeling en licht toe.
### 2.2 EWS-score / AVPU-score (Early Warning Score)
De Early Warning Score (EWS) wordt gebruikt om potentieel kritische patiënten op te sporen of om patiënten te identificeren die risico lopen op een cardiorespiratoir arrest op een verpleegeenheid.
**Parameters die betrokken zijn bij het meten van de EWS-score:**
* Ademhalingsfrequentie
* Zuurstofsaturatie
* Ondersteuning van zuurstof
* Bewustzijnsniveau (AVPU)
* Lichamestemperatuur
* Systolische bloeddruk
**AVPU-score:**
* **A (Alert):** Patiënt is alert.
* **V (Voice):** Patiënt reageert op aanspreken.
* **P (Pain):** Patiënt reageert op pijn.
* **U (Unresponsive):** Patiënt reageert niet.
**Extra punten voor EWS:**
* +1 punt extra als men ongerust is over de conditie van de patiënt.
* +1 punt extra als de urineproductie kleiner is dan 75 ml gedurende de afgelopen 4 uur.
* +3 punten extra als de saturatie kleiner is dan 90% ondanks therapie.
**Actie bij EWS:** Bij 3 punten of meer dient de arts verwittigd te worden.
### 2.3 SIRS-criteria (Systemic Inflammatory Response Syndrome)
SIRS is een systematisch ontstekingssyndroom.
* Bij 2 of meerdere van de volgende criteria wordt gesproken van SIRS:
* Verandering in lichaamstemperatuur ($>38$ graden Celsius of $<36$ graden Celsius)
* Hartfrequentie ($>90$ per minuut)
* Ademfrequentie ($>20$ per minuut) of verlaagde partiële CO2-druk ($pCO_2 < 32$ mmHg)
* Verhoogd aantal leukocyten ($>12 \times 10^9$ per liter) of een verlaagd aantal ($<4 \times 10^9$ per liter) of meer dan 10% onrijpe neutrofielen.
* **SIRS + infectie = sepsis**
* **SIRS + infectie = orgaanfalen = ernstige sepsis**
* **Ernstige sepsis + hypotensie + MODS (Multiorgaan disfunctioneel syndroom) = septische shock**
### 2.4 FAST-test (Face, Arm, Speech, Time)
De FAST-test wordt gebruikt om een beroerte (CVA) bij een persoon te herkennen.
* **Face (Gezicht):** Vraag de persoon om te lachen en de tanden te laten zien. Controleer of de mond scheef staat.
* **Arm (Arm):** Vraag de persoon om beide armen op te tillen en voor zich uit te strekken. Vraag de persoon de ogen te sluiten om te voorkomen dat hij met zicht corrigeert bij het wegzakken van een arm.
* **Speech (Spraak):** Vraag de persoon of omstaanders of er verandering in de spraak was. Vraag de persoon tot 10 te tellen. Als de persoon getallen herhaalt of niet goed uitspreekt, kan dit wijzen op een CVA.
* **Time (Tijd):** Hoe lang doen de verschijnselen al voor?
### 2.5 ABCDE-methodiek
De ABCDE-methodiek is een gestructureerde aanpak om eerst de meest levensbedreigende problemen te identificeren en te behandelen ("treat first what kills first").
* **Airway (Luchtweg):**
* Controleer of de luchtweg vrij is.
* Beoordeel de normale uitzicht van hals en nek.
* Voel naar een luchtstroom.
* Kijk naar bloed, braaksel, etc.
* Stabiliseer de cervicale wervelkolom indien nodig.
* Let op zwelling van de trachea, lippen of tong (bv. bij anafylactische shock).
* **Breathing (Ademhaling):**
* Observeer het ademhalingspatroon (frequentie, diepte).
* Meet de ademhalingsfrequentie.
* Beoordeel de huidskleur van het gelaat.
* Vraag naar kortademigheid of benauwdheid.
* Meet de zuurstof (saturatie).
* Let op het adempatroon: dyspnoe, apnoe, orthopnoe.
* Normale ademhaling ligt tussen 12-15 per minuut.
* **Circulation (Circulatie):**
* Beoordeel de regelmaat van het hartritme.
* Meet de hartfrequentie.
* Beoordeel de pols (zwak, snel).
* Test de capillaire refill.
* Meet de bloeddruk.
* Monitor de urineproductie.
* Let op cyanose.
* **Disability (Neurologisch):**
* Beoordeel het bewustzijn met de AVPU-score of GCS.
* Voer de FAST-test uit.
* Controleer de pupillen (isocoor, anisocoor, mydriase, miose).
* Meet de glycemie.
* Let op acute neurologische problematiek, hoofdtrauma, stuipen, vreemd gedrag, koorts, infectie.
* **Exposure (Onderzoek/Omgeving):**
* Meet de lichaamstemperatuur.
* Onderzoek de huid op afwijkingen.
* Let op tekenen van onderkoeling of oververhitting.
* Controleer op kneuzingen en wonden.
**Voordelen van de ABCDE-methodiek:**
* Biedt duidelijke houvast.
* Alle letsels en stoornissen kunnen worden herkend en behandeld.
## 3. Gerelateerde concepten en hulpmiddelen
### 3.1 AMPLE-AMVIL anamnese
De AMPLE-AMVIL anamnese is een geheugensteuntje voor het afnemen van een gerichte anamnese:
* **A**llergieën
* **M**edicatie
* **P**atiëntgeschiedenis (voorgeschiedenis)
* **L**aatste maaltijd
* **E**venementen (rondom het incident)
* **A**llergieën (herhaling, soms specifiek naar medicatie)
* **M**edicatie (herhaling, soms specifiek naar relevante medicatie)
* **V**eneficiënte ( Medicijn-effectiviteit) - minder gangbaar, soms bedoeld als "Voorgeschiedenis"
* **I**ndicatie (Reden van contact/klacht)
* **L**aatste gegeten/gedronken
### 3.2 Normale arteriële bloedgaswaarden
* **pH:** Normaal: $7.35 – 7.45$
* $<7.35$ → acidose
* $>7.45$ → alkalose
* **$pCO_2$ (arterieel):** Normaal: $35 – 45$ mmHg
* Hoog → respiratoire acidose ($CO_2$-retentie)
* Laag → respiratoire alkalose (hyperventilatie)
* **$HCO_3^-$ (bicarbonaat):** Normaal: $22 – 26$ mmol/L
* Laag → metabole acidose
* Hoog → metabole alkalose
* **$pO_2$:** Normaal: $80 – 100$ mmHg
* Laag → hypoxemie
* **$O_2$-saturatie ($SaO_2$):** Normaal: $95 – 100\%$
### 3.3 Specifieke aandoeningen en tests
* **COPD (Chronische Obstructieve Longziekte):** Een chronische en langzaam progressieve longaandoening waarbij de transport van lucht naar de longen bemoeilijkt wordt. Luchtwegen vernauwen en longen functioneren minder goed, wat leidt tot kortademigheid en hoesten. Vaak veroorzaakt door roken en luchtverontreiniging.
* **FAST-test:** Zie sectie 2.4.
* **Delier vs. Dementie vs. Depressie (Examen!):**
* **Delier:** Acuut begin, reversibel beloop. Verward bewustzijn en aandacht, gestoorde oriëntatie en geheugen, mogelijk hallucinaties en wanen.
* **Dementie:** Geleidelijk, sluipend begin, langzaam toenemend beloop. Bewustzijn en aandacht in beginstadium ongestoord, oriëntatie afhankelijk van type, zowel kort- als langetermijngeheugen gestoord. Hallucinaties en wanen doorgaans afwezig in beginstadia.
* **Depressie:** Geleidelijk begin, dagschommelingen in beloop. Bewustzijn, aandacht en oriëntatie ongestoord. Geheugen intact. Hallucinaties en wanen bij een klein aantal patiënten.
* **Onderscheid depressie bij ouderen en beginnende dementie (Examen!):**
* Bij depressie treden geheugenproblemen op als gevolg van apathie; bij dementie treedt apathie op als gevolg van geheugenproblemen.
* Bij depressie is de oudere niet geïnteresseerd in zelfzorg; bij dementie maakt de oudere fouten bij de zelfzorg.
* Bij depressie staan aandachts- en concentratiestoornissen meer op de voorgrond dan geheugenstoornissen; bij dementie staan geheugenstoornissen meer op de voorgrond.
* **EWS-score:** Zie sectie 2.2.
* **SIRS-criteria:** Zie sectie 2.3.
* **Capillaire refill test:** Druk 5 seconden stevig op een vingernagel of teen. Laat los en kijk hoe lang het duurt voordat de normale kleur terugkomt. Dit zou binnen 2 seconden moeten gebeuren.
* **Psychogene hyperventilatie:** Kan leiden tot respiratoire alkalose: $pO_2$ verhoogd, $pCO_2$ verlaagd, pH verhoogd, $HCO_3^-$ normaal of licht verhoogd. Dit leidt tot een verlaging van de arteriële $pCO_2$. Milde alkalose kan vasoconstrictie van perifere bloedvaten veroorzaken, wat tintelingen in de vingers en een bleke/grauwe huid kan geven, ondanks 100% $SpO_2$.
* **Sondevoeding aspiratie (cyanotisch):** Kan leiden tot respiratoire acidose: $pO_2$ verlaagd, $pCO_2$ verhoogd, pH verlaagd, $HCO_3^-$ normaal (acuut, nog niet gecompenseerd).
### 3.4 Vocht- en elektrolytenbalans
* **Hongeroedeem:** Ontstaat door een eiwittekort, wat leidt tot verstoring van de waterhuishouding. De colloïd-osmotische druk valt weg, waardoor vocht niet meer uit de weefsels kan worden weggezogen.
* **Dehydratatie:** Uitdroging, een verhoogd verlies van lichaamsvocht met een vochttekort (intra- en extracellulair). Ouderen zijn hiervoor extra gevoelig.
* **Symptomen:** Droge lippen, xerostomie (droge mond), donkere urine, minder plassen, dorstgevoel.
* **Atypische symptomen:** Duizeligheid (bij opstaan), neiging tot flauwvallen, hoofdpijn, afgenomen huidturgor, snelle ademhaling, slaperig of prikkelbaar.
* **Ernstige gevallen:** Verwardheid, spierkrampen, sufheid tot coma, hartritmestoornissen.
* **Types dehydratatie:**
* Hypotoon: verlies van elektrolyten (meer zout dan water).
* Hypertoon: waterverlies groter dan verlies aan elektrolyten (bv. bij koorts, zweten).
* Isotoon: evenredig verlies van water en elektrolyten (bv. bij overgeven en diarree).
### 3.5 Zuur-base evenwicht
* **Compensatie bij COPD-patiënten:** Bij COPD is er vaak chronische respiratoire acidose door $CO_2$-retentie. De nieren compenseren door bicarbonaat vast te houden. Een extreem verhoogd bicarbonaat kan leiden tot metabole alkalose, wat duidt op een gemengde zuur-base-stoornis. Een normale pH bij een COPD-patiënt sluit een zuur-baseprobleem niet uit; het kan wijzen op een gecompenseerde of gemengde stoornis.
* **Verklaaring voor verlaagd chloride:** Kan worden veroorzaakt door braken.
* **Verklaring voor hartritmestoornissen:** Kan worden veroorzaakt door hypokaliëmie (laag kalium).
* **Indeling van enkelvoudige zuur-base-stoornissen en hun compensatoire reactie.**
### 3.6 Normaalwaarden van parameters
* **Temperatuur:** $>38$ of $<36$ graden Celsius (afwijkend)
* **Hartfrequentie:** $>90$ per minuut (afwijkend), normaal $60-100$ slagen per minuut.
* **Ademfrequentie:** $>20$ per minuut (afwijkend), normaal tussen 6 en 10, of 12-15 per minuut afhankelijk van bron. Eupnoe: normale ademhaling. Bradypnoe: langzame ademhaling. Tachypnoe: snelle ademhaling. Hyperpnoe: diepe ademhaling. Apnoe: ademstilstand. Cheyne-Stokes: ademhaling wordt steeds dieper, gevolgd door zucht, afnemende diepte en apnoe. Kussmaul: diepe ademhaling, kan gepaard gaan met snurken.
* **Leukocyten aantal:** $>12 \times 10^9$ per liter (afwijkend)
* **Bloeddruk:** Normaal $120/80$ mmHg.
* **Saturatie ($SpO_2$):** Normaal $95-100\%$.
* **Glycemie:** Normaal: $70-110$ mg/dl (voor voeding), tot $140$ mg/dl (2 uur na maaltijd). Hypoglycemie: minder dan $60-70$ mg/dl.
## 4. Toepassing in de praktijk en casuïstiek
De genoemde hulpmiddelen worden in de klinische praktijk gebruikt voor observatie, ordening, communicatie en besluitvorming.
* **Casus Mr. Davids:** Gebruik van NSAID's (non-steroidal anti-inflammatory drug) voor koorts, ontsteking en pijn. Hypoglycemie (lage bloedsuiker).
* **Casus Mr. Pinas:** Medicatie-eigenschappen van diuretica (vocht afdrijvend), bètablokkers (verminderen hartactiviteit), ACE-inhibitoren, spasmolytica, en benzodiazepines worden besproken.
* **Casus familie Van Zand:** Verpleegkundige kennis over botletsels (pijn, zwelling, hematoom, circulatiedistors, zenuwschade) en medicatie voor COPD.
* **MIST-methode (bij brandwonden):**
* **Mechanism injury:** Wat was de oorzaak van het letsel? (bv. frietketel)
* **Identified injury:** Wat is het letsel? (bv. brandwonden, type?)
* **Signs:** Welke tekenen zijn er? (bv. huidletsel buik en benen)
* **Therapy:** Welke behandeling is toegepast? (bv. spoelen, 112 bellen)
* **ABCDE-uitwerking bij bloedgassen:** Illustreert de toepassing van de ABCDE-methode in combinatie met parameters.
* **Casus Mevr. Jacobs:** Diep veneuze trombose (DVT), behandeling (trombolyse, compressietherapie, chirurgie), complicaties (longembolie, trombosebeen/posttrombotisch syndroom). Linker en rechter hartfalen en hun symptomen worden uitgelegd.
* **Casus Mevr. Verbeeck:** GCS (Glasgow Coma Scale) en triagecodes. Toepassing van de ABCDE-methode bij bloedgassen. Aerobe en anaerobe hemocultuur. Belang van infuusberekeningen, indruppelsnelheid, vochtbalans en zuurstoftherapie.
* **Casus Mr. Jordens:** Anisocorie (ongelijke pupillen). Indicatie voor een non-rebreathing masker met reservoir bij 12 L zuurstof.
* **Casus Mr. Davids (gekennde patiënt):** Verschil tussen DKA (diabetische ketoacidose) en HHS (hyperosmolaire hyperglycemisch non-ketonisch syndroom), inclusief symptomen en risico's van opvolgen bloedsuikerspiegels.
* **Casus Julie:** Leucocyten (ontstekingswaarde). Viraal testen middels neus-/keelswab.
* **Casus Filip:** Verschil tussen psychose en schizofrenie, en de concepten wilsbekwaamheid en gedwongen opname.
* **Casus Mevrouw De Belder:** Uitleg over gecompenseerde en gemengde zuur-base-stoornissen bij COPD-patiënten, de rol van bicarbonaat en mogelijke oorzaken van metabole alkalose. Verklaring voor verlaagd chloride (braken) en hartritmestoornissen (hypokaliëmie).
* **WHO-pijnladder:** Stapsgewijze aanpak voor pijnstilling bij kanker:
* Stap 1: NSAID of paracetamol.
* Stap 2: Zwak opioïde met NSAID of paracetamol.
* Stap 3: Sterk opioïde oraal of per pleister.
* Stap 4: Sterk opioïde per injectie.
---
# Farmacologie en medicatie
Dit onderdeel van het studiemateriaal behandelt de eigenschappen, indicaties, contra-indicaties en bijwerkingen van diverse geneesmiddelen en medicatiegroepen, met een focus op hun klinische toepassing.
### 2.1 Geneesmiddelengroepen en hun eigenschappen
#### 2.1.1 Diuretica
* **Werking:** Bevorderen de uitscheiding van vocht via de nieren.
* **Indicaties:** Hoog bloedvolume, verhoogde bloeddruk, hartfalen.
* **Groepen:** Lisdiuretica (bv. Furosemide), thiazidediuretica.
#### 2.1.2 Bètablokkers
* **Werking:** Verminderen de hartactiviteit en de renineproductie in de nieren.
* **Indicaties:** Hart- en vaatziekten, migraine, hyperthyreoïdie.
* **Eigenschappen:** Anti-ischemisch, anti-aritmisch, antihypertensief.
* **Voorbeelden:** Bisoprolol EG, Atenolol Sandoz, Seloken.
* **Bijwerkingen:** Vermoeidheid, duizeligheid, koude extremiteiten, bradycardie, lage bloeddruk.
* **Aandachtspunten:** Opvolgen hartritme en ECG.
#### 2.1.3 ACE-remmers (Angiotensine-Converting Enzyme remmers)
* **Werking:** Remmen de omzetting van angiotensine I naar angiotensine II, wat leidt tot vasodilatatie en verlaging van de bloeddruk.
* **Indicaties:** Hypertensie, hartfalen, nierziekten.
* **Voorbeelden:** Renitec.
* **Bijwerkingen:** Droge hoest, duizeligheid, lage bloeddruk, verhoogd kalium, zelden angio-oedeem.
#### 2.1.4 Spasmolytica
* **Indicaties:** Maag-darmkrampen, spastische darmen, spierkrampen.
#### 2.1.5 Benzodiazepines
* **Indicaties:** Angst, slapeloosheid, epilepsie, alcoholontwenning.
* **Bijwerkingen:** Slaperigheid, verminderde coördinatie, duizeligheid, geheugenproblemen, afhankelijkheid bij langdurig gebruik.
#### 2.1.6 Calciumantagonisten
* **Werking:** Remmen de instroom van calcium in spiervezels, wat het hart kan beschermen en de bloeddruk kan verlagen.
* **Indicaties:** Hypertensie, vertragen van het hartritme.
* **Voorbeelden:** Verapamil (Isoptin).
* **Bijwerkingen:** Bradycardie, hypotensie, obstipatie.
#### 2.1.7 Sartanen (Angiotensine II-receptorblokkers)
* **Werking:** Vergelijkbaar met ACE-remmers.
* **Indicaties:** Hypertensie, hartfalen, nefropathie (indien ACE-remmers niet verdragen worden).
* **Voorbeelden:** Micardis® (telmisartan).
* **Aandachtspunten:** Risico op hypotensie, opvolgen nierfunctie en kalium.
#### 2.1.8 Durogesicpleister
* **Werkzame stof:** Fentanyl (morfine-achtig).
* **Indicaties:** Pijn.
* **Bijwerkingen bij overdosering:** Verwardheid, hallucinaties, sufheid, onrust.
#### 2.1.9 Nitroglycerine (Nitraten)
* **Werkingsprincipe:** Vasodilatatie van de kransslagaders, waardoor de zuurstoftoevoer naar het hart toeneemt en de belasting van het hart vermindert. Spierwanden van bloedvaten ontspannen/dilateren.
* **Indicaties:** Angina pectoris, acuut coronair syndroom, hartfalen.
* **Toedieningsvormen:** Snelwerkend (spray sublinguaal, tabletten oraal), pleister, intraveneus.
* **Bijwerkingen:** (Orthostatische) hypotensie, duizeligheid, misselijkheid (vooral in beginfase of bij combinatie met alcohol), blozen (door vasodilatatie).
#### 2.1.10 Protonpompremmers
* **Indicatie:** Maagzuurremmer.
* **Voorbeeld:** Omeprazol.
#### 2.1.11 Opioïden
* **Indicaties:** Sterke pijnstilling, doorbraakpijn bij kanker.
* **Voorbeelden:** Instanyl (fentanyl), Methadon.
#### 2.1.12 Tricyclische Antidepressiva (TCA)
* **Indicatie:** Depressie, chronische pijn.
* **Voorbeeld:** Tryptizol.
#### 2.1.13 Cardiac glycosiden
* **Indicaties:** Chronisch hartfalen, atriumfibrilleren met snelle ventrikelrespons.
* **Voorbeelden:** Digoxine (Lanoxin), Digitalis.
* **Bijwerkingen (vooral bij te hoge dosering):** Misselijkheid, braken, hartritmestoornissen (bradycardie), verwardheid, spierklachten, wazig/geel zien.
#### 2.1.14 Anticoagulantia
* **Groep:** Vitamine K-antagonisten.
* **Indicaties:** Preventie en behandeling van trombose en embolieën, atriumfibrilleren.
* **Voorbeelden:** Acenocoumarol (Sintrom).
* **Bijwerkingen:** Bloedingen, blauwe plekken, verhoogde INR.
#### 2.1.15 Trombocytenaggregatieremmers
* **Indicaties:** Preventie van trombose, CVA, myocardinfarct.
* **Voorbeeld:** Plavix (clopidogrel).
* **Bijwerkingen:** Bloedingen, maag-darmklachten.
#### 2.1.16 Anti-aritmica
* **Werking:** Reguleren het hartritme.
* **Voorbeelden:** Sotalex® (sotalol – bètablokker + anti-aritmicum), Amiodaron(e) (klasse III).
* **Aandachtspunten:** Bradycardie, QT-verlenging (opvolgen hartritme en ECG).
* **Bijwerkingen Amiodaron(e):** Schildklierstoornissen, longtoxiciteit, fotosensitiviteit.
#### 2.1.17 Antidiabetica
* **Groep:** Biguaniden.
* **Indicatie:** Diabetes mellitus type 2.
* **Werking:** Verlaagt de bloedsuiker oraal.
* **Voorbeeld:** Metformine (Glucophage).
* **Bijwerkingen:** Maag-darmklachten, metaalsmaak, zelden lactaatacidose.
* **Insuline:** Kortwerkend (bv. Actrapid®), intermediair/langwerkend (bv. Insulatard).
* **Aandachtspunten:** Risico op hypoglycemie, timing ten opzichte van maaltijden, glycemie controleren.
#### 2.1.18 Trombolytica
* **Werkzame stof:** Alteplase.
* **Indicaties:** Acuut ischemisch CVA (binnen tijdsvenster), soms longembolie/acuut myocardinfarct.
* **Therapeutisch doel:** Oplossen van bloedklonter (trombus) en herstel van doorbloeding.
* **Voorbeeld:** Actilyse®.
* **Contra-indicaties:** Actieve bloeding, recente hersenbloeding of hemorragisch CVA, recente grote operatie, ernstige hypertensie.
* **Bijwerkingen:** Bloedingen.
#### 2.1.19 Anticholinergica
* **Indicatie:** Ontspannen van de blaaswand.
* **Voorbeeld:** Oxybutynine.
* **Bijwerkingen:** Droge mond, obstipatie, wazig zien, duizeligheid, hartkloppingen.
#### 2.1.20 Anti-craving middelen
* **Indicatie:** Onderhoud van abstinentie bij alcoholafhankelijkheid.
* **Voorbeeld:** Campral (acamprosaat).
* **Bijwerkingen:** Diarree, misselijkheid, buikpijn.
#### 2.1.21 Chemotherapie (Cytostatica)
* **Indicatie:** Kankerbehandeling.
#### 2.1.22 Overige medicatie
* **Dafalgan:** Analgeticum (pijn, koorts).
* **NSAID's (Non-Steroidal Anti-Inflammatory Drugs):** Ontstekingsremmers (pijn, koorts, ontstekingsremmend).
* **Instanyl:** Sterk werkend opioïde voor doorbraakpijn bij kanker (werkzame stof: fentanyl).
### 2.2 Medicatie bij specifieke aandoeningen
#### 2.2.1 COPD (Chronische Obstructieve Longziekte)
* **Geneesmiddelen:** Rookstop begeleiding, Duovent, Combivent, aërosols, ontstekingsremmers.
#### 2.2.2 Pijnbehandeling (WHO-pijnladder)
* **Stap 1:** NSAID of paracetamol (bv. Paracetamol, ibuprofen).
* **Stap 2:** Zwak opioïde met NSAID of paracetamol (bv. Tramadol, codeïne).
* **Stap 3:** Sterk opioïde oraal of per pleister (bv. Oxinorm, fentanylpleister).
* **Stap 4:** Sterk opioïde per injectie (bv. Morfine, hydromorfoon injectie).
#### 2.2.3 Diabetes Mellitus
* **Differentiëren tussen DKA en HHS:**
* **DKA (Diabetische Ketoacidose):** Meestal type 1, absolute insulinedeficiëntie, vetafbraak met ketonen en acidose. Symptomen: misselijkheid, braken, hoofdpijn, Kussmaul-ademhaling, acetongeur. Kan zich snel ontwikkelen met groot vochttekort. Behandeling: vocht, insuline, bicarbonaat, elektrolyten.
* **HHS (Hyperosmolaire Hyperglycemische Non-Ketonische Syndroom):** Meestal type 2, ernstige hyperglycemie zonder ketonen, kan leiden tot coma. Symptomen: ernstige uitdroging, neurologische symptomen, lethargie.
* **Langetermijnopvolging bloedsuikers:** Essentieel om beschadiging van bloedvaten in hart, nieren en ogen te voorkomen.
* **Normale waarden diabetes:**
* Nuchter: 70-110 mg/dl
* 2 uur na maaltijd: Minder dan 180 mg/dl
* Hypoglycemie: Minder dan 60-70 mg/dl
#### 2.2.4 Hartfalen
* **Geneesmiddelen:** Diuretica, bètablokkers, ACE-remmers, calciumantagonisten, Digoxine.
* **Atriumfibrilleren:** Kan leiden tot hartinsufficiëntie, stolselvorming.
#### 2.2.5 Trombose
* **Medicatie:** Anticoagulantia (bv. Acenocoumarol), trombocytenaggregatieremmers (bv. Plavix).
* **Trombolyse:** Medicamenteus oplossen van bloedstolsel (bv. Actilyse®).
* **Posttrombotisch syndroom (PTS):** Complicatie na diep veneuze trombose (DVT) met symptomen als oedeem, dunne glanzende huid, eczeem, spataders, verkleuring.
### 2.3 Medicatie bij specifieke symptomen en aandoeningen
#### 2.3.1 Pijn
* **NSAID's:** Ontstekingsremmende pijnstillers.
* **Opioïden:** Sterke pijnstillers (bv. Fentanyl, Methadon).
* **Paracetamol:** Pijnstiller en koortsverlager.
#### 2.3.2 Koorts
* **Geneesmiddelen:** Paracetamol, NSAID's.
#### 2.3.3 Angst en slapeloosheid
* **Geneesmiddelen:** Benzodiazepines (bv. Lorazepam).
#### 2.3.4 Psychiatrische aandoeningen
* **Depressie:** Tricyclische antidepressiva (bv. Tryptizol).
* **Psychose vs. Schizofrenie:** Psychose is een toestand, schizofrenie een aandoening met herhaaldelijke psychotische episodes.
#### 2.3.5 Uitdroging (Dehydratatie)
* **Oorzaken:** Verhoogd vochtverlies (intra- en extracellulair). Ouderen zijn extra gevoelig.
* **Symptomen:** Droge lippen, droge mond (xerostomie), donkere urine, dorst, duizeligheid, afgenomen huidturgor.
* **Types:** Hypotoon (elektrolytenverlies groter dan water), Hypertoon (waterverlies groter dan elektrolyten), Isotoon (evenredig verlies).
#### 2.3.6 Kanker
* **Chemotherapie (Cytostatica):** Medicatie ter behandeling van kanker.
### 2.4 Algemene medicatie-gerelateerde concepten
* **Rationele polyfarmacie:** Voorschrijven van een combinatie van medicatie in lagere doseringen in plaats van één medicijn in een hogere dosering.
* **Contra-indicaties:** Omstandigheden waarin een geneesmiddel niet mag worden gebruikt (bv. bij Actilyse®: actieve bloeding).
* **Bijwerkingen:** Ongewenste effecten van medicatie (bv. duizeligheid bij nitroglycerine, bradycardie bij bètablokkers).
* **Teratogeen:** Een geneesmiddel dat de vrucht kan beschadigen tijdens zwangerschap.
* **Placebo:** Chemisch onwerkzaam geneesmiddel.
### 2.5 Geneesmiddelenberekeningen en therapie
* **Infuusberekeningen:** Kennis van indruppelsnelheid en vochtbalans is vereist.
* **Zuurstoftherapie:** Verschillende toedieningsmethoden (neusbril tot 6 L/min, non-rebreathing masker met reservoir bij 12 L/min).
#### 2.5.1 Farmacologische terminologie
* **Analgeticum:** Pijnstiller.
* **Antidiabeticum:** Middel tegen diabetes.
* **Antihypertensivum:** Bloeddrukverlagend middel.
* **Anticoagulans:** Bloedverdunner.
* **Antiaritmisch:** Middel tegen hartritmestoornissen.
* **Vasodilatatie:** Verwijdring van bloedvaten.
* **Vocht afdrijvend:** Diureticum.
* **Ontstekingsremmend:** Anti-inflammatoir.
* **Spasmolyticum:** Spierverslapper.
* **Sedativum/kalmerend:** Middel dat rustgevend werkt.
#### 2.5.2 Belangrijke geneesmiddelen en hun aandachts- en contra-indicaties
* **Actilyse® (Alteplase):** Contra-indicaties omvatten actieve bloedingen, recente hersenbloeding, grote operaties en ernstige hypertensie.
* **Micardis® (Telmisartan):** Aandachtspunten zijn hypotensie, nierfunctie en kaliumgehalte.
* **Actrapid® (kortwerkende insuline):** Aandachtspunt is het risico op hypoglycemie, timing t.o.v. maaltijden.
* **Sotalex® (Sotalol):** Aandachtspunten zijn bradycardie en QT-verlenging.
* **Furosemide (lisdiureticum/thiazidediureticum):** Aandachtspunten zijn uitdroging en elektrolytenstoornissen (vooral hypokaliëmie).
* **Metformine (Glucophage):** Mogelijke bijwerking is lactaatacidose.
* **Digoxine:** Bijwerkingen treden vooral op bij te hoge doseringen en kunnen hartritmestoornissen veroorzaken.
* **Acenocoumarol (Sintrom):** Belangrijkste bijwerking is bloeding.
* **Amiodaron(e):** Kan leiden tot schildklierstoornissen en longtoxiciteit.
* **Verapamil:** Kan bradycardie en hypotensie veroorzaken.
* **Nitroglycerine:** Bijwerkingen zoals hypotensie en duizeligheid komen vooral voor in de beginfase of bij combinatie met alcohol.
> **Tip:** Bij het bestuderen van medicatie is het cruciaal om niet alleen de indicaties, maar ook de contra-indicaties, bijwerkingen en specifieke aandachtspunten te kennen, aangezien deze vaak terugkomen in examenvragen. Het begrijpen van de werkingsmechanismen helpt bij het onthouden van deze informatie.
---
# Pathologieën en ziektebeelden
Deze sectie biedt een overzicht van verschillende pathologieën en ziektebeelden, met hun kenmerken, oorzaken, symptomen en complicaties, waaronder COPD, hartfalen, beroertes, dementie, depressie en diabetische ketoacidose.
### 3.1ademhalingsaandoeningen
#### 3.1.1 Chronische obstructieve longziekte (COPD)
COPD is een chronische, langzaam progressieve longaandoening waarbij het transport van lucht naar de longen bemoeilijkt wordt door vernauwde luchtwegen en minder goed functionerende longen.
* **Oorzaken:** Vaak veroorzaakt door roken en luchtverontreiniging.
* **Kenmerken:** Kortademigheid en hoesten.
* **Behandeling:** Rookstopbegeleiding, medicatie zoals Duovent en Combivent, aërosols en ontstekingsremmers.
* **Soorten COPD:**
* **Chronische bronchitis:** Permanente ontsteking van de vertakkingen van de luchtpijp, vaak gerelateerd aan roken. Behandeling omvat mucolytica (slijmoplossers) en corticosteroïden.
* **Emfyseem:** Permanente beschadiging van de wand en de longblaasjes, voorkomend bij ernstigere vormen van COPD. Patiënten kunnen eindstadium permanent benauwd zijn, zelfs in rust, omdat lucht bij uitademing deels gevangen blijft.
#### 3.1.2 Pneumonie en longemfyseem bij hartfalen
Pneumonie kan voorkomen in combinatie met longemfyseem en hartfalen.
### 3.2 Cardiovasculaire aandoeningen
#### 3.2.1 Hartfalen
Hartfalen treedt op wanneer het hart onvoldoende bloed rondpompt, waardoor organen te weinig zuurstof ontvangen. Het kan in één of beide harthelften voorkomen.
* **Linker hartfalen:**
* **Gevolgen:** Stuwing en vochtophoping in de longbloedvaten, leidend tot kortademigheid en kriebelhoest.
* **Ernstige gevallen:** Plots optredende, felle benauwdheid duidt op longoedeem.
* **Rechter hartfalen:**
* **Gevolgen:** Stuwing en vochtophoping, voornamelijk in de buik, benen en voeten. Gestuwde halsvenen (vena cava superior) duiden op verhoogde longvaatweerstand en/of longstuwing als belasting voor de rechterkamer.
* **Oorzaak:** Rechter hartfalen wordt meestal veroorzaakt door linker hartfalen, omdat het linker en rechterhart in serie staan.
* **Algemeen:** Hartfalen is vaak een combinatie van linker en rechter hartfalen.
* **Symptomen:** Hartkloppingen, dyspneu (kortademigheid), vermoeidheid, dilatatie van het linker atrium. Kan leiden tot bewustzijnsverlies, hartinsufficiëntie, stolselvorming in de hersenen of onderste ledematen.
* **Oorzaken:** Atriumfibrilleren.
* **BGW (bloedgasanalyse):** Respiratoire acidose.
* **Geneesmiddelen:** Diuretica, bètablokkers, ACE-inhibitoren, calciumantagonisten, digoxine.
#### 3.2.2 Beroerte (CVA - Cerebrovasculair Accident)
Een beroerte wordt herkend met de FAST-test.
* **FAST-test:**
* **Face (gezicht):** Vraag de persoon om te lachen of tanden te laten zien en controleer op scheefstand van de mond.
* **Arm:** Vraag om beide armen op te tillen en voor zich uit te strekken. Controleer of een arm wegzakt.
* **Speech (spraak):** Vraag naar veranderingen in spraak, laat de persoon tot 10 tellen en controleer op herhalingen of slechte uitspraak.
* **Time (tijd):** Registreer hoe lang de verschijnselen al duren.
* **Geneesmiddelen:** Actilyse® (alteplase) voor trombolyse bij acuut ischemisch CVA.
#### 3.2.3 Diep veneuze trombose (DVT) en Longembolie
* **Diep veneuze trombose (DVT):**
* **Behandeling:** Trombolyse (oplossen stolsel met medicatie), compressietherapie (steunkousen, drukverband), chirurgische ingreep (thrombectomie).
* **Complicaties:** Longembolie, trombosebeen (posttrombotisch syndroom).
* **Posttrombotisch syndroom (PTS):**
* **Symptomen:** Oedeem (zwelling) van het been, dunne glanzende huid, eczeem, spataders, atrofie, verkleuring (typische roestbruine verkleuring door afzetting van rode bloedcellen).
* **Longembolie:** Een bloedstolsel dat vanuit een bloedvat (vaak been) naar de longen reist en daar een slagader blokkeert.
### 3.3 Neurologische en psychiatrische aandoeningen
#### 3.3.1 Dementie
* **Begin:** Geleidelijk, sluipend.
* **Beloop:** Langzaam toenemend.
* **Bewustzijn en aandacht:** In het beginstadium ongestoord.
* **Oriëntatie:** Afhankelijk van het type dementie.
* **Geheugen:** Zowel kortetermijngeheugen (KTG) als langetermijngeheugen (LTG) gestoord.
* **Hallucinaties en wanen:** Doorgaans afwezig in de beginstadia.
* **Risicofactor:** Gevoelens van eenzaamheid worden beschouwd als de meest betrouwbare voorspeller van het optreden van dementie.
* **Leervermogen:** Mensen met dementie kunnen nieuwe vaardigheden leren als deze gekoppeld zijn aan positieve emoties (emotionele conditionering).
#### 3.3.2 Depressie
* **Begin:** Geleidelijk, meestal in enkele weken.
* **Beloop:** Dagschommelingen.
* **Bewustzijn en aandacht:** Ongestoord.
* **Oriëntatie:** Ongestoord.
* **Geheugen:** Intact.
* **Hallucinaties en wanen:** Aanwezig bij een klein aantal patiënten.
* **Onderscheid met dementie:**
* Bij depressie treden geheugenproblemen op als gevolg van apathie, bij dementie treedt apathie op als gevolg van geheugenproblemen.
* Bij depressie is de oudere niet geïnteresseerd in zelfzorg, bij dementie maakt de oudere fouten bij de zelfzorg.
* Bij depressie staan aandachts- en concentratiestoornissen meer op de voorgrond dan geheugenstoornissen, bij dementie staan geheugenstoornissen meer op de voorgrond dan aandachts- en concentratiestoornissen.
#### 3.3.3 Delier
* **Begin:** Acuut.
* **Beloop:** Reversibel.
* **Bewustzijn en aandacht:** Verward, gestoorde aandacht.
* **Oriëntatie:** Gestoord.
* **Geheugen:** Vergeetachtig, KTG gestoord.
* **Hallucinaties en wanen:** Patiënt ervaart dingen die er niet zijn.
#### 3.3.4 Psychose en Schizofrenie
* **Psychose:** Een toestand of symptoom waarbij iemand het contact met de realiteit verliest (bijvoorbeeld wanen, hallucinaties). Kan tijdelijk zijn en diverse oorzaken hebben.
* **Schizofrenie:** Een psychiatrische aandoening waarbij herhaaldelijk of langdurig psychotische symptomen voorkomen, samen met andere problemen op het gebied van denken, voelen en functioneren.
### 3.4 Metabole en endocriene aandoeningen
#### 3.4.1 Diabetische ketoacidose (DKA)
* **Wat:** Absolute insulinedeficiëntie en hyperglycemie.
* **Ontwikkeling:** Kan zich binnen enkele uren of dagen ontwikkelen. Binnen 24 uur kan er een vochttekort van 4 tot 6 liter ontstaan met een verhoogde plasma-osmolariteit.
* **Kenmerken:**
* **Type 1 diabetes:** Vaak bij jongere patiënten.
* **Symptomen:** Misselijkheid, braken, hoofdpijn.
* **Ademhaling:** Kussmaul-ademhaling (diep en snel).
* **Geur:** Acetongeur bij de adem.
* **Behandeling:** Ruime intraveneuze vochttoediening, insuline, bicarbonaat, bijpassen van elektrolyten. Urinetest uitvoeren voor ketonen.
#### 3.4.2 Hyperosmolaire hyperglycemische non-ketonische syndroom (HHS)
* **Kenmerken:**
* **Type 2 diabetes:** Vooral bij ouderen.
* **Symptomen:** Ernstige hyperglycemie zonder ketonen, stupor of coma.
* **Symptomen:** Ernstige uitdroging, neurologische symptomen, lethargie (trage reactie).
#### 3.4.3 Hypoglycemie
* **Wat:** Een te lage bloedsuikerspiegel.
* **Normale waarden:** 70-110 mg/dl (nuchter), minder dan 180 mg/dl (2 uur na maaltijd).
* **Hypoglycemie:** Minder dan 60-70 mg/dl.
#### 3.4.4 Dehydratatie (uitdroging)
* **Wat:** Een verhoogd verlies van lichaamsvocht, resulterend in een vochttekort, zowel intra- als extracellulair. Ouderen zijn hiervoor extra gevoelig.
* **Symptomen:** Droge lippen, xerostomie (droge mond), donkere urine en minder plassen, dorstgevoel.
* **Atypische symptomen:** Duizeligheid (bij opstaan) of neiging tot flauwvallen, hoofdpijn, afgenomen huidturgor (huid veert traag of niet terug na loslaten), snelle ademhaling, slaperig of prikkelbaar. In ernstige gevallen: verwardheid, spierkrampen, sufheid tot coma, hartritmestoornissen.
* **Types:**
* **Hypotone dehydratatie:** Verlies van elektrolyten, voornamelijk meer zout dan water (door nierinsufficiëntie, diuretica). Ontstaat hypovolemie.
* **Hypertoone dehydratatie:** Waterverlies groter dan elektrolytenverlies (door koorts, zweten).
* **Isotone dehydratatie:** Evenredig verlies van water en elektrolyten (voornamelijk zout) (door overgeven en diarree).
#### 3.4.5 Hormonale veranderingen
* **Oestrogeen:** Hormoongehalte dat daalt na de menopauze, wat kan leiden tot versnelde botafbraak.
### 3.5 Medicatie en hun eigenschappen
#### 3.5.1 Algemene medicatiegroepen
* **NSAID's (non-steroidal anti-inflammatory drugs):** Gebruikt voor koorts, ontsteking verminderen en pijn.
* **Diuretica:** Vocht afdrijvend (via nieren en urine). Gebruikt voor verhoogde bloeddruk en hartfalen.
* **Bètablokkers:** Verminderen de hartactiviteit, remmen renineproductie in de nieren. Gebruikt voor hart- en vaatziekten, migraine, snelle schildklierwerking. Eigenschappen: anti-ischemisch, anti-aritmisch, antihypertensief.
* **ACE-inhibitoren:** Gebruikt voor hypertensie, hartfalen, nierziekten.
* **Spasmolytica:** Gebruikt voor maag-darmkrampen, spastische darmen, spierkrampen.
* **Benzodiazepines:** Gebruikt voor angst, slapeloosheid, epilepsie, alcoholontwenning.
* **Calciumantagonisten:** Remmen de instroom van calcium in spiervezels, kunnen het hart beschermen en de bloeddruk verlagen. Gebruikt voor hypertensie, vertragen van het hartritme. Eigenschappen: verlaagde bloeddruk.
* **Sartanen:** Vergelijkbaar met ACE-inhibitoren. Gebruikt als ACE-inhibitoren niet verdragen worden, voor hypertensie, hartfalen, nefropathie.
* **Durogesicpleister:** Werkzame stof is fentanyl. Gebruikt voor pijn. Eigenschappen: morfine-achtig. Overdosis kan leiden tot verwardheid, hallucinaties, sufheid en onrust.
* **Nitroglycerine:**
* **Werkingsprincipe:** Verwijding van de kransslagaders, verhoogt zuurstoftoevoer naar het hart.
* **Toediening bij angina pectoris:** Snelwerkend (spray sublinguaal, tabletten oraal), pleisters en intraveneus zijn niet voor acute klachten.
* **Groep:** Nitraten. Eigenschappen: verwijden aders (vasodilatatie), verminderen belasting van het hart, ontspannen spierwanden van bloedvaten.
* **Bijwerkingen:** (orthostatische) hypotensie, duizeligheid, misselijkheid (vooral in beginfase, in combinatie met alcohol), blozen (door vasodilatatie in wangen).
* **Protonpompremmers (bv. Omeprazol):** Maagzuurremmers.
* **Opioïden (bv. Instanyl, Methadon):** Sterke pijnstilling. Methadon ook gebruikt bij substitutietherapie voor opioïdeverslaving.
* **Tricyclische antidepressiva (TCA's) (bv. Tryptizol):** Indicatie: depressie, chronische pijn.
* **Thiazidediuretica:** Plasmiddelen die de bloeddruk verlagen door zout en water via de nieren uit te scheiden. Aandachtspunten: uitdroging en elektrolytstoornissen (laag kalium).
* **Lisimethode (bv. Furosemide):** Lisdiureticum voor oedeem, hartfalen, hoge bloeddruk.
* **Vitamien K-antagonisten (bv. Acenocoumarol):** Anticoagulantia voor preventie en behandeling van trombose en embolieën. Bijwerkingen: bloedingen, blauwe plekken.
* **Trombocytenaggregatieremmers (bv. Plavix):** Preventie van trombose, CVA, myocardinfarct. Bijwerkingen: bloedingen, maag-darmklachten.
* **Anti-aritmica (bv. Amiodaron(e)):** Voor hartritmestoornissen. Bijwerkingen: schildklierstoornissen, longtoxiciteit, fotosensitiviteit.
* **Cytostatica:** Chemotherapie medicatie.
* **Biguaniden (bv. Metformine):** Antidiabetica voor type 2 diabetes, verlaagt bloedsuiker oraal. Bijwerkingen: maag-darmklachten, metaalsmaak, zelden lactaatacidose.
* **Cardiac glycosiden (bv. Digoxine):** Voor chronisch hartfalen, atriumfibrilleren met snelle ventrikelritme. Bijwerkingen: misselijkheid, braken, hartritmestoornissen (bradycardie), verwardheid, spierklachten.
* **Anticholinergica (bv. Oxybutynine):** Ontspant de blaaswand. Bijwerkingen: droge mond, obstipatie, wazig zien, duizeligheid, hartkloppingen.
* **Anticonstantia (bv. Campral):** Anti-craving middelen voor alcoholverslaving.
#### 3.5.2 Medicatie bij COPD
* Rookstopbegeleiding, Duovent, Combivent, aërosols, ontstekingsremmers.
#### 3.5.3 Medicatie bij hartfalen
* Diuretica, bètablokkers, ACE-inhibitoren, calciumantagonisten, digoxine.
#### 3.5.4 Medicatie bij diabetes
* Actrapid® (kortwerkende insuline).
* Metformine (Glucophage).
* Insulatard (intermediair/langwerkend insuline).
#### 3.5.5 Medicatie bij pijn
* Dafalgan (analgeticum).
* NSAID's (ontstekingsremmers).
* Instanyl (opioïd voor doorbraakpijn).
* Methadon (opioïde agonist).
* WHO-pijnladder:
* Stap 1: NSAID of paracetamol (bv. ibuprofen).
* Stap 2: Zwak opioïde met NSAID of paracetamol (bv. tramadol, codeïne).
* Stap 3: Sterk opioïde oraal of per pleister (bv. oxinorm, fentanylpleister).
* Stap 4: Sterk opioïde per injectie (bv. morfine, hydromorfoon injectie).
#### 3.5.6 Medicatie bij trombose
* Acenocoumarol (Sintrom).
* Plavix (clopidogrel).
* Actilyse® (alteplase) voor trombolyse.
### 3.6 Symptomen en klinische verschijnselen
#### 3.6.1 Algemene klinische tekens
* **Bij botletsel:** Pijn, zwelling, inwendige bloeduitstorting (hematoom), circulatiestoornissen, beschadiging perifere zenuwen.
* **Bij dehydratatie:** Droge lippen, xerostomie, donkere urine, verminderde urineproductie, dorstgevoel, duizeligheid, hoofdpijn, afgenomen huidturgor, snelle ademhaling, slaperigheid, prikkelbaarheid, verwardheid, spierkrampen, coma, hartritmestoornissen.
#### 3.6.2 Respiratoire symptomen
* **Kortademigheid (dyspnoe)**
* **Hoesten**
* **Kriebelhoest** (vaak bij linker hartfalen)
* **Lungoedeem** (ernstige benauwdheid)
* **Ademhalingspatronen:** Eupnoe (normaal), Bradypnoe (langzaam), Dyspnoe (kortademig), Tachypnoe (snel), Hyperpnoe (diep), Apnoe (ademstilstand), Cheyne-Stokes (cyclische ademhaling), Kussmaul (diep, met snurken).
#### 3.6.3 Cardiovasculaire symptomen
* Hartkloppingen
* Gestuwde halsvenen (vena cava superior)
* Oedeem (zwelling) in buik, benen, voeten (vena cava inferior)
* Hypotensie (lage bloeddruk)
* Bradycardie (trage hartslag)
#### 3.6.4 Neurologische symptomen
* Verwardheid
* Hallucinaties
* Wanen
* Afasie (verworven taalstoornis na hersenletsel):
* **Motorische afasie:** Problemen met spreken, schrijven, gebaren maken; taalbegrip is intact.
* **Sensorische afasie:** Problemen met taalbegrip; vloeiend spreken, maar zinnen missen betekenis.
* **Amnestische afasie:** Moeite met vinden van woorden en namen.
* **Globale afasie:** Spreken en begrijpen zijn ernstig verstoord.
* Pupillen: Isocoor (gelijk), Anisocoor (ongelijk), Midriase (verwijde pupillen), Miose (vernauwde pupillen).
#### 3.6.5 Diabetische symptomen
* Misselijkheid
* Braken
* Hoofdpijn
* Kussmaul-ademhaling
* Acetongeur
* Ernstige uitdroging
* Neurologische symptomen
* Lethargie
#### 3.6.6 Maag-darm symptomen
* Misselijkheid
* Braken
* Diarree
* Obstipatie
#### 3.6.7 Huidafwijkingen
* Oedeem/zwelling
* Dunne, glanzende huid
* Eczeem
* Spataders
* Atrofie
* Verkleuring (typische roestbruine verkleuring bij PTS)
* Blozen
### 3.7 Klinische redeneerhulpmiddelen en parameters
#### 3.7.1 SBAR-methode
* **Situatie, Achtergrond, Beoordeling, Aanbeveling.**
* **ISBARR:** Inclusief Identificatie en Readback (herhalen van afspraken).
* **Voordelen:** Eenvoudige, concrete communicatie; onmiddellijke aandacht en actie; creëert duidelijkheid.
#### 3.7.2 Early Warning Score (EWS) en AVPU-score
* **EWS:** Wordt gebruikt om potentieel kritieke patiënten op te sporen of patiënten te identificeren met risico op cardiorespiratoir arrest.
* **AVPU-score:**
* A = Alert
* V = Reactie op aanspreken (Voice)
* P = Reactie op pijn (Pain)
* U = Geen reactie (Unresponsive)
* **Extra punten bij EWS:** Ongerustheid over conditie patiënt, urineproductie < 75 ml/4 uur, saturatie < 90% ondanks therapie.
* **Actie:** Bij 3 punten of meer arts verwittigen.
#### 3.7.3 SIRS-criteria (Systemic Inflammatory Response Syndrome)
* Een systematisch ontstekingssyndroom.
* **Definities:**
* SIRS + infectie = sepsis
* SIRS + infectie + orgaanfalen = ernstige sepsis
* Ernstige sepsis + hypotensie + MODS = septische shock
#### 3.7.4 ABCDE-methodiek
* **Principe:** “Treat first what kills first”. Biedt een duidelijke houvast om letsels en stoornissen te herkennen en behandelen.
* **A - Airway (luchtwegen):** Vrije luchtweg, nekwervelkolom stabiliseren, zwelling van trachea, lippen, tong controleren.
* **B - Breathing (ademhaling):** Ademhalingspatroon, frequentie, huidskleur, kortademigheid, saturatie, diepte, cyanose.
* **C - Circulation (circulatie):** Hartritme, frequentie, pols (zwak/snel), bloeddruk, capillaire refill, urineproductie, cyanose.
* **D - Disability (bewustzijn en neurologische functie):** AVPU-score, GCS, FAST-test, pupillen, glycemie.
* **E - Exposure (lichaamstemperatuur en verder onderzoek):** Lichaamstemperatuur, huidafwijkingen, hypothermie, hyperthermie, kneuzingen, wonden.
#### 3.7.5 AMPLE-AMVIL
* **A**llergie, **M**edicatie, **P**sychologische voorgeschiedenis, **L**aatste maaltijd, **E**venementen rondom het incident. (AMVIL lijkt een variant hiervan, de specifieke componenten worden niet volledig gespecificeerd in de brontekst, maar de focus ligt op anamnese).
#### 3.7.6 Arteriële bloedgaswaarden
* **pH:** Normaal: $7,35 – 7,45$.
* $<7,35$: Acidose
* $>7,45$: Alkalose
* **pCO₂ (arterieel):** Normaal: $35 – 45$ mmHg.
* Hoog: Respiratoire acidose (CO₂-retentie).
* Laag: Respiratoire alkalose (hyperventilatie).
* **HCO₃⁻ (bicarbonaat):** Normaal: $22 – 26$ mmol/L.
* Laag: Metabole acidose.
* Hoog: Metabole alkalose.
* **pO₂:** Normaal: $80 – 100$ mmHg.
* Laag: Hypoxemie.
* **O₂-saturatie (SaO₂):** Normaal: $95 – 100\%$.
* **BGW bij COPD (gecompenseerd):** Vaak chronische respiratoire acidose door CO₂-retentie, waarbij de nieren compenseren door bicarbonaat vast te houden. Dit kan leiden tot een normale pH, maar met sterk verhoogd bicarbonaat.
* **BGW bij psychogene hyperventilatie:** Respiratoire alkalose (pO₂ verhoogd, pCO₂ verlaagd, pH verhoogd, HCO₃⁻ normaal of licht verhoogd). Dit leidt tot vasoconstrictie, tintelingen en een bleke/grijze huid.
* **BGW bij sondevoeding aspiratie (cyanotisch):** Respiratoire acidose (pO₂ verlaagd, pCO₂ verhoogd, pH verlaagd, HCO₃⁻ normaal – acute, ongecompenseerde situatie).
#### 3.7.7 Parameterwaarden (examen)
* **Temperatuur:** $>38^\circ$C of $<36^\circ$C.
* **Hartfrequentie:** $>90$ per minuut.
* **Ademfrequentie:** $>20$ per minuut.
* **Leukocyten:** $>12 \times 10^9$/L of $<4 \times 10^9$/L.
* **Capillaire refill test:** Druk 5 seconden stevig op de nagelbed. De kleur moet binnen 2 seconden terugkomen.
* **Glycemie:**
* Normaal: $70-110$ mg/dl.
* 2 uur na maaltijd: Minder dan $180$ mg/dl.
* Hypoglycemie: Minder dan $60-70$ mg/dl.
* **Hartslag:** $60$ tot $100$ slagen per minuut.
* **Bloeddruk:** $120/80$ mmHg.
* **Saturatie:** $95-99\%$.
* **Ademhaling:** Tussen $6$ en $10$ (dit lijkt een omgekeerde norm, normaal is $12-20$).
* **Glycemie (voor voeding):** $60-110$ mg/dl.
* **Glycemie (na voeding):** Tot $140$ mg/dl.
#### 3.7.8 Observatie, ordening, oordeel
* **Observeren:** Waarnemen van klachten, labo-resultaten, symptomen.
* **Ordenen:** Rangschikken van observaties.
* **Oordelen:** Vaststellen, diagnosticeren of besluitvormen.
### 3.8 Geriatrische overwegingen
* **Geriatrie vs. andere specialismen:** Geriatrie maakt onderscheid tussen leeftijd- en ziektegerelateerde aandoeningen.
* **Kwetsbare ouderen:** Risico op functieverlies door ziekte, wat leidt tot verminderde zelfredzaamheid.
* **Rationele polyfarmacie:** Voorschrijven van een combinatie van pijnstillers in lagere doseringen in plaats van één pijnstiller in een hogere dosering.
* **Ecogram:** Grafisch beeld van het sociale netwerk van de oudere.
* **Identiteitsherinneringen:** Herinneringen die iemands identiteit vormen.
### 3.9 Overige pathologieën en concepten
#### 3.9.1 Urosepsis
Bloedvergiftiging veroorzaakt door bacteriën vanuit de urinewegen.
#### 3.9.2 Rupturerend abdominaal aorta aneurysma
Een uitstulping of verwijding van de buikslagader die dreigt te scheuren.
#### 3.9.3 Hongeroedeem
Oedeem veroorzaakt door een eiwittekort, wat leidt tot een verstoring in de waterhuishouding en verlies van de colloïd-osmotische druk.
#### 3.9.4 Auto-immuunziekten
Voorbeelden: Reumatoïde artritis, Ziekte van Crohn, SLE (lupus), Psoriasis, MS, Hyperthyroïdie.
#### 3.9.5 Ziekte van Crohn vs. Colitis Ulcerosa
* **Ziekte van Crohn:** Ontsteking van mond tot kont, kan fistels veroorzaken.
* **Colitis Ulcerosa:** Oppervlakkige ontsteking, beperkt tot de dikke darm, zelden fistels of vernauwingen.
#### 3.9.6 Kankerstadia (Cervixcarcinoom)
* Stadium I: Kanker beperkt tot oppervlakkige cellen van de baarmoederhals.
* Stadium II: Kanker beperkt tot de baarmoederhals.
* Stadium III: Kanker uitgebreid naar gebied rond de baarmoederhals.
* Stadium IV: Kanker uitgebreid naar de onderkant van de vagina of bekkenwand.
* Uitgezaaid: Kanker verspreid naar andere delen van het lichaam (metastasen).
* Recidief: Terugkeer van de kanker op dezelfde plek.
#### 3.9.7 Wilsbekwaamheid
Beoordeling of een patiënt in staat is tot weloverwogen beslissingen. Bij onbekwaamheid kan een gedwongen opname noodzakelijk zijn als de patiënt gevaar oplevert voor zichzelf of anderen en geen ziekte-inzicht of wilsbekwaamheid heeft.
#### 3.9.8 Teratogeniteit
Een geneesmiddel dat de vrucht kan beschadigen tijdens de zwangerschap.
#### 3.9.9 Commensaal
Een nuttige bacterie die samenleeft met een gastheer.
#### 3.9.10 Abortus
Miskraam.
#### 3.9.11 Lactatie
Borstvoeding.
#### 3.9.12 Partus
Bevalling.
#### 3.9.13 Paralyse
Verlamming.
#### 3.9.14 Compliance
Therapietrouw.
#### 3.9.15 Mediaal
Naar het midden toe.
#### 3.9.16 Abdomen
Buik.
#### 3.9.17 Hypothyreoïdie
Traag werkende schildklier.
#### 3.9.18 Vlokkentest
Test op genetische afwijkingen.
#### 3.9.19 Vruchtwaterpunctie
Afname van vruchtwater.
#### 3.9.20 Tripletest
Prenatale test voor Downsyndroom en open rug.
#### 3.9.21 Echoscopie
Kijken met geluidsgolven.
#### 3.9.22 NIPT (Niet-invasieve prenatale test)
Test op genetische afwijkingen.
#### 3.9.23 Cystitis vs. Pyelonefritis
* **Cystitis:** Blaasontsteking.
* **Pyelonefritis:** Nierbekkenontsteking.
#### 3.9.24 Pneumonie
Longontsteking.
#### 3.9.25 Erysipelas
Wondroos.
#### 3.9.26 Histamine
Stof die de allergische reactie veroorzaakt.
#### 3.9.27 Cannabis
Gevolgen: ontspanning, verhoogde eetlust, vertraagde hartslag.
#### 3.9.28 Chemotherapie
Cytostatica.
#### 3.9.29 Indicatie
Reden voor medische interventie.
#### 3.9.30 Beninge
Goedaardig.
#### 3.9.31 Mutatie
Verandering (bv. in DNA).
#### 3.9.32 Placebo
Chemisch onwerkzaam geneesmiddel.
#### 3.9.33 Autorisatie
Bevoegdheid.
#### 3.9.34 Afasie (examen!)
Een verworven taalstoornis na hersenletsel.
#### 3.9.35 Open rug
Spina bifida.
---
# Laboratoriumwaarden en diagnostiek
Hieronder vind je een gedetailleerd studieoverzicht over laboratoriumwaarden en diagnostiek, gebaseerd op de verstrekte documentatie.
## 4 Laboratoriumwaarden en diagnostiek
Dit onderdeel van het studieoverzicht focust op de interpretatie van diverse laboratoriumwaarden, met een speciale nadruk op bloedgassen en saturatie, en hun betekenis in verschillende klinische scenario's.
### 4.1 Normale arteriële bloedgaswaarden en interpretatie
Bloedgasanalyse biedt cruciale informatie over de zuur-base balans en de zuurstofvoorziening van het lichaam. De belangrijkste parameters en hun normale waarden zijn:
* **pH:** Meet de zuurgraad van het bloed.
* Normaalwaarde: $7.35 - 7.45$
* `<7.35` wordt geclassificeerd als acidose.
* `>7.45` wordt geclassificeerd als alkalose.
* **pCO₂ (arterieel koolstofdioxidegehalte):** Geeft de respiratoire component van de zuur-base balans weer.
* Normaalwaarde: $35 - 45$ mmHg
* **Hoog:** Duidt op respiratoire acidose, wat wijst op CO₂-retentie (bv. bij hypoventilatie).
* **Laag:** Duidt op respiratoire alkalose, wat wijst op hyperventilatie (te veel CO₂ wordt uitgeademd).
* **HCO₃⁻ (bicarbonaat):** Vertegenwoordigt de metabole component van de zuur-base balans.
* Normaalwaarde: $22 - 26$ mmol/L
* **Laag:** Duidt op metabole acidose (bv. door ophoping van zuren of verlies van bicarbonaat).
* **Hoog:** Duidt op metabole alkalose (bv. door verlies van zuren of toevoeging van base).
* **pO₂ (arterieel zuurstofgehalte):** Geeft de hoeveelheid opgeloste zuurstof in het bloed aan.
* Normaalwaarde: $80 - 100$ mmHg
* **Laag:** Duidt op hypoxemie (onvoldoende zuurstof in het bloed).
* **O₂-saturatie (SaO₂):** De zuurstofsaturatie van het hemoglobine in arterieel bloed.
* Normaalwaarde: $95 - 100$%
#### 4.1.1 Zuur-base stoornissen bij COPD
Patiënten met Chronische Obstructieve Longziekte (COPD) hebben vaak een chronische respiratoire acidose door CO₂-retentie. Om dit te compenseren, houden de nieren extra bicarbonaat vast.
* **Compensatie:** De nieren proberen de pH te normaliseren door bicarbonaat te verhogen.
* **Gemengde stoornis:** Een extreem verhoogd bicarbonaat kan, in combinatie met andere factoren zoals het gebruik van diuretica of verlies van maagzuur door braken, leiden tot een bijkomende metabole alkalose. Dit resulteert in een gemengde zuur-base-stoornis.
* **Normale pH bij COPD:** Een normale pH bij een COPD-patiënt met bloedgasanalyse sluit een zuur-base probleem niet uit. Het kan wijzen op een gecompenseerde of gemengde stoornis.
> **Tip:** Bij COPD is een verhoogd bicarbonaat vaak een teken van compensatie voor chronische CO₂-retentie. Wees alert op een extreem verhoogd bicarbonaat, dit kan wijzen op een gemengde stoornis.
#### 4.1.2 Psychogene hyperventilatie en bloedgassen
Psychogene hyperventilatie leidt tot een respiratoire alkalose. Dit betekent dat er meer CO₂ wordt uitgeademd dan geproduceerd.
* **Effecten:**
* Verlaging van de arteriële pCO₂.
* Verhoging van de pH.
* Constrictie van perifere bloedvaten (vasoconstrictie) door de milde alkalose.
* **Symptomen:** Dit kan leiden tot tintelingen in de vingers en een bleke of grauwe huid, ondanks een normale of zelfs verhoogde zuurstofsaturatie (spO₂).
#### 4.1.3 Respiratoire acidose bij sondevoeding aspiratie of pneumonie
* **Sondevoeding aspiratie (acuut):** Kan leiden tot een acute respiratoire acidose waarbij de pO₂ verlaagd is en de pCO₂ verhoogd. De pH is verlaagd en het bicarbonaat is nog normaal omdat het lichaam nog geen compensatiemechanismen heeft kunnen activeren.
* **Pneumonie bij longemfyseem en hartfalen:** Dit kan eveneens leiden tot respiratoire acidose door een verminderde gasuitwisseling in de longen.
#### 4.1.4 Respiratoire acidose bij hartfalen
Hartfalen, met name een ontoereikende pompfunctie van de linker harthelft, kan leiden tot stuwing van bloed in de longbloedvaten. Dit resulteert in vochtophoping (longoedeem), kortademigheid en een kriebelhoest. Deze pulmonale congestie kan de gasuitwisseling belemmeren en leiden tot respiratoire acidose.
### 4.2 De ABCDE-methodiek en gerelateerde diagnostiek
De ABCDE-methodiek is een gestructureerde benadering om kritieke patiënten te beoordelen en te behandelen, gericht op het principe "treat first what kills first".
* **A - Airway (Luchtweg):** Beoordeling van de luchtwegen en de nekwervelkolom. Essentieel is het controleren op obstructies zoals bloed, braaksel, zwelling van de tong of trachea (bv. bij anafylactische shock), en het stabiliseren van de cervicale wervelkolom indien nodig.
* **B - Breathing (Ademhaling):** Evaluatie van het ademhalingspatroon, ademfrequentie, diepte, huidskleur (cyanose), kortademigheid, benauwdheid en zuurstofsaturatie (SaO₂).
* **Normale ademhaling (Eupnoe):** Tussen de 12-15 ademhalingen per minuut (documentatie vermeldt 6-10, wat een inconsistentie is, 12-20 is de algemeen aanvaarde normale range).
* **Afwijkende ademhalingspatronen:** Bradypnoe (langzame ademhaling), Tachypnoe (snelle ademhaling), Dyspnoe (kortademigheid), Hyperpnoe (diepe ademhaling), Apnoe (ademstilstand), Cheyne-Stokes ademhaling (cyclische patronen van diepte), Kussmaul ademhaling (diep en snel, vaak bij metabole acidose).
* **C - Circulation (Circulatie):** Beoordeling van de pols (frequentie, regelmaat, kracht), bloeddruk, capillaire refill tijd en urineproductie.
* **Capillaire refill:** Normaal is < 2 seconden. Om te testen: 5 seconden stevig drukken op de huid, loslaten en kijken hoe lang het duurt voordat de normale kleur terugkeert.
* **D - Disability (Bewustzijn en neurologische functie):** Beoordeling van het bewustzijn met behulp van de AVPU-score (Alert, responds to Verbal stimuli, responds to Pain, Unresponsive), de Glasgow Coma Scale (GCS), FAST-test (Face, Arm, Speech, Time) voor CVA-detectie, pupillen (isocoor/anisocoor, midriase/miose), en glycemie (bloedsuiker).
* **AVPU-score:**
* A: Alert (wakker en reageert adequaat)
* V: Reageert op aanspreken (verbale stimuli)
* P: Reageert op pijn (prikkel)
* U: Geen reactie (unresponsive)
* **Extra punten EWS-score:**
* +1 punt: als men ongerust is over de conditie van de patiënt.
* +1 punt: als de urineproductie kleiner is dan 75 ml gedurende de afgelopen 4 uur.
* +3 punten: als de saturatie kleiner is dan 90% ondanks therapie.
* **Bij 3 punten of meer op de EWS-score:** Arts verwittigen.
* **E - Exposure (Lichaamstemperatuur en verder onderzoek):** Het volledig ontbloten van de patiënt om onderkoeling, hyperthermie, huidafwijkingen, kneuzingen en wonden te beoordelen (secundaire survey).
### 4.3 Redeneerhulpmiddelen
Diverse gestructureerde methoden ondersteunen het klinisch redeneren:
* **SBAR(R)-methode:** Een communicatiemethode om informatie gestructureerd over te dragen.
* **Situation (Situatie):** Wie is de patiënt? Wat is het probleem? Wie belt?
* **Background (Achtergrond):** Onderzoek, diagnose, datum opname/operatie, allergieën, medicatie, reanimatiebeleid.
* **Assessment (Beoordeling):** Recente uitslagen en oordeel over het probleem, gebruik van parameters en labo-uitslagen.
* **Recommendation (Aanbeveling):** Wat moet er gebeuren en binnen welke termijn?
* **Readback:** Herhalen van afspraken en noteren in het patiëntendossier.
* **EWS-score (Early Warning Score):** Wordt gebruikt om mogelijk kritieke patiënten te identificeren die risico lopen op een cardiorespiratoir arrest.
* **SIRS-criteria (Systemic Inflammatory Response Syndrome):** Criteria voor een systemisch ontstekingssyndroom.
* **SIRS:** Bij 2 of meer van de volgende criteria:
* Temperatuur: `>38` of `<36` graden Celsius.
* Hartfrequentie: `>90` slagen per minuut.
* Ademfrequentie: `>20` per minuut.
* Leukocyten aantal: `>12 x 10^9` per liter of `<4 x 10^9` per liter.
* **Sepsis:** SIRS + infectie.
* **Ernstige sepsis:** Sepsis + orgaanfalen.
* **Septische shock:** Ernstige sepsis + hypotensie + multi-organ dysfunction syndrome (MODS).
* **FAST-test:** Een snelle screeningstest om een beroerte (CVA) te herkennen.
* **Face (Gezicht):** Vraag de persoon om te lachen of tanden te laten zien en kijk naar mondhoek die hangt.
* **Arm (Arm):** Vraag de persoon om beide armen op te tillen met gesloten ogen en kijk of één arm wegzakt.
* **Speech (Spraak):** Vraag naar veranderingen in spraak of laat de persoon tot 10 tellen en luister naar de uitspraak.
* **Time (Tijd):** Hoe lang doen de verschijnselen al voor? Tijd is cruciaal bij CVA-behandeling.
* **AMPLE-AMVIL:** Een geheugensteun voor het verzamelen van patiëntinformatie.
* **A**llergieën
* **M**edicatie
* **P**atient history (voorgeschiedenis)
* **L**ast meal (laatste maaltijd)
* **E**nvironment/Events surrounding incident (omstandigheden van het incident)
* **A**M VIL is een afkorting die in de bron niet volledig wordt uitgewerkt in relatie tot de diagnostiek, maar AMVIL is een mogelijke andere versie van AMPLE.
### 4.4 Specifieke diagnostische overwegingen
* **Bloedafname voor hemocultuur:** Bij het nemen van een aerobe hemocultuur wordt eerst de naald uit de verpakking gehaald, waarna het bloed wordt afgenomen. Dit omdat er zuurstof aanwezig is in de naald en verpakking. Pas nadat het bloed in de hemocultuur wordt gestoken, wordt er effectief bloed afgenomen, daarom eerst aeroob en dan anaeroob.
* **Beoordeling van bewustzijn en verwardheid:** Bij het beoordelen van bewustzijn en neurologische functie, is het belangrijk om onderscheid te maken tussen:
* **Delier:** Acuut begin, reversibel beloop, verward bewustzijn, gestoorde aandacht en oriëntatie, geheugenproblemen, en soms hallucinaties/wanen.
* **Dementie:** Geleidelijk en sluipend begin, langzaam toenemend beloop, in beginstadium ongestoord bewustzijn, geheugenstoornissen (KTG en LTG) en meestal afwezigheid van hallucinaties/wanen in de beginstadia.
* **Depressie:** Geleidelijk begin, dagschommelingen, ongestoord bewustzijn en oriëntatie, intact geheugen, en bij een klein aantal patiënten hallucinaties/wanen. Het verschil met dementie ligt in de oorzaak van geheugenproblemen (apathie bij depressie, geheugenproblemen bij dementie) en de focus op zelfzorg.
* **Glycemiewaarden bij diabetes:**
* Normaalwaarde (nuchter): $70 - 110$ mg/dl.
* 2 uur na maaltijd: Minder dan $180$ mg/dl.
* Hypoglycemie: Minder dan $60 - 70$ mg/dl.
* **Dehydratatie:**
* **Symptomen:** Droge lippen, xerostomie (droge mond), donkere urine, minder plassen, dorstgevoel, duizeligheid bij opstaan, hoofdpijn, afgenomen huidturgor, snelle ademhaling, slaperigheid of prikkelbaarheid. Ernstige gevallen kunnen leiden tot verwardheid, spierkrampen, sufheid tot coma en hartritmestoornissen.
* **Types:** Hypotone (elektrolytenverlies > waterverlies), hypertone (waterverlies > elektrolytenverlies), en isotoon (evenredig verlies van water en elektrolyten).
#### 4.4.1 Vochtbalans en infuusberekeningen
Het correct berekenen van infusdoses en het bijhouden van de vochtbalans is cruciaal voor de patiëntenzorg, vooral bij patiënten met elektrolytstoornissen of dehydratatie.
#### 4.4.2 Zuurstoftherapie
De toediening van zuurstoftherapie is afhankelijk van de behoefte van de patiënt.
* **Neusbril:** Geschikt voor zuurstofsuppletie tot ongeveer $6$ liter per minuut.
* **Non-rebreathing masker met reservoir:** Gebruikt bij hogere zuurstofbehoeften, zoals $12$ liter per minuut, en vereist een voorschrift van een arts.
#### 4.4.3 Klinische tekens bij een botletsel
* Pijn
* Zwelling
* Inwendige bloeduitstorting (hematoom)
* Circulatiestoornissen
* Beschadiging van perifere zenuwen
### 4.5 Medicatie-eigenschappen en hun effect
Diverse medicamentenklassen worden gebruikt in de klinische praktijk, elk met specifieke indicaties en eigenschappen.
* **Diuretica:** Vocht afdrijvend, werken op de nieren om vocht via urine af te voeren. Gebruikt bij verhoogde bloeddruk en hartfalen.
* **Bètablokkers:** Verminderen de hartactiviteit en de renineproductie door de nieren. Gebruikt bij hart- en vaatziekten, migraine en snelle schildklierwerking. Eigenschappen: anti-ischemisch, antiaritmisch, antihypertensief.
* **ACE-inhibitoren:** Gebruikt bij hypertensie, hartfalen en nierziekten.
* **Spasmolytica:** Gebruikt bij maag-darmkrampen en spastische darmen.
* **Benzodiazepines:** Gebruikt bij angst, slapeloosheid, epilepsie en alcoholontwenning.
* **Calciumantagonisten:** Remmen de instroom van calcium in spiervezels, wat het hart kan beschermen en de bloeddruk kan verlagen. Gebruikt bij hypertensie en het vertragen van het hartritme.
* **Sartanen:** Vergelijkbaar met ACE-inhibitoren en worden gebruikt als deze niet verdragen worden. Gebruikt bij hypertensie, hartfalen en nefropathie.
* **Durogesicpleister (Fentanyl):** Sterke pijnstilling, morfine-achtig. Bijwerkingen kunnen verwardheid, hallucinaties, sufheid en onrust zijn.
* **Nitroglycerine:**
* **Werkingsprincipe:** Verwijdt de kransslagaders, waardoor de zuurstoftoevoer naar het hart toeneemt.
* **Toediening:** Snelwerkend bij angorklachten (spray sublinguaal, tabletten). Pleisters en intraveneuze toediening zijn meestal voor continu gebruik of acute situaties.
* **Medicamentengroep:** Nitraten. Eigenschap: vasodilatatie.
* **Bijwerkingen:** (Orthostatische) hypotensie, duizeligheid, misselijkheid (vooral in beginfase of in combinatie met alcohol), en blozen (door vasodilatatie in de wangen).
* **Anticoagulantia (bv. Acenocoumarol, Coumarinederivaten):** Remmen de bloedstolling. Belangrijke bijwerking is bloedingen.
* **Trombolytica (bv. Actilyse®):** Medicijnen die bloedstolsels oplossen. Gebruikt bij acuut ischemisch CVA, longembolie en acuut myocardinfarct. Contra-indicaties zijn actieve bloedingen, recente hersenbloeding of grote operaties.
* **Cytostatica:** Medicijnen die gebruikt worden voor chemotherapie.
* **Protonpompremmers (bv. Omeprazol):** Maagzuurremmers.
* **Opioïden (bv. Instanyl, Methadon):** Sterke pijnstillers, gebruikt bij ernstige chronische pijn en doorbraakpijn. Methadon wordt ook gebruikt bij substitutietherapie.
* **Antidiabetica:**
* **Metformine (Biguaniden):** Verlaagt de bloedsuiker oraal, gebruikt bij diabetes mellitus type 2. Bijwerkingen: maag-darmklachten, metaalsmaak, zelden lactaatacidose.
* **Insuline (bv. Actrapid®, Insulatard):** Gebruikt bij diabetes mellitus. Belangrijkste aandachtspunt is het risico op hypoglycemie. Timing ten opzichte van maaltijden is cruciaal.
* **Cardiac glycosiden (bv. Digoxine):** Gebruikt bij chronisch hartfalen en atriumfibrilleren met snelle ventrikelrespons. Bijwerkingen bij te hoge dosering: misselijkheid, hartritmestoornissen, verwardheid.
* **Anticholinergica (bv. Oxybutynine):** Ontspant de blaaswand. Bijwerkingen: droge mond, obstipatie, wazig zien.
* **Tricyclische antidepressiva (TCA) (bv. Tryptizol):** Gebruikt bij depressie en chronische pijn.
#### 4.5.1 Medicatie-eigenschappen bij cardiovasculaire aandoeningen
* **ACE-remmers:** Bloeddrukverlagend, ontlast het hart en verwijdt bloedvaten. Bijwerking: droge hoest.
* **Bètablokkers:** Verlaagt de hartslag en wordt gebruikt bij angina pectoris, hartfalen en hoge bloeddruk. Bijwerkingen: vermoeidheid, bradycardie.
* **Diuretica (bv. Furosemide):** Zorgen voor uitscheiding van zout en water via de urine, verlaagt de bloeddruk. Bijwerkingen: uitdroging, elektrolytenstoornissen (vooral laag kalium), duizeligheid.
* **Calciumantagonisten:** Hypertensie, angina pectoris, hartritmestoornissen. Bijwerkingen: bradycardie, hypotensie.
* **Sartanen:** Vergelijkbaar met ACE-remmers, gebruikt bij hypertensie en hartfalen.
* **Trombocytenaggregatieremmers (bv. Plavix):** Preventie van trombose, CVA en myocardinfarct. Bijwerking: bloedingen.
* **Coumarinederivaten (bv. Acenocoumarol):** Preventie en behandeling van trombose en embolieën. Bijwerking: bloedingen.
### 4.6 Vocht- en elektrolytenbalans
* **Hongeroedeem:** Ontstaat door een eiwittekort, wat leidt tot een verstoring van de waterhuishouding en het verlies van colloïd-osmotische druk, waardoor vocht zich ophoopt in de weefsels.
* **Elektrolytstoornissen:** Met name hypokaliëmie (laag kalium) kan leiden tot hartritmestoornissen. Dit kan onder andere veroorzaakt worden door diuretica of braken.
* **Chlorideverlies:** Kan optreden bij braken.
### 4.7 Overige diagnostische waarden en tests
* **Glucosespiegels bij diabetes:**
* Voor voeding: $60 - 110$ mg/dl.
* Na voeding: Tot $140$ mg/dl.
* Hypoglycemie: Minder dan $60 - 70$ mg/dl.
* **Leukocyten:** Worden beschouwd als een ontstekingswaarde. Verhoogde waarden kunnen duiden op een infectie.
* **Iets viraals (diagnostiek):** Een neus- of keelwisser wordt gebruikt voor het vaststellen van virale infecties.
* **DVT (Diepe Veneuze Trombose):**
* **Complicaties:** Longembolie, trombosebeen (posttrombotisch syndroom - PTS).
* **PTS symptomen:** Oedeem/zwelling, dunne glanzende huid, eczeem, spataders, atrofie, typische roestbruine verkleuring.
> **Tip:** De nauwkeurigheid van bloedgasanalyse is essentieel. Zorg voor correcte afname- en transportprocedures om artefacten te voorkomen.
### 4.8 Verschil tussen psychose, schizofrenie en dementie
* **Psychose:** Een symptoom of toestand waarbij contact met de realiteit verloren gaat (bv. wanen, hallucinaties). Kan tijdelijk zijn en diverse oorzaken hebben.
* **Schizofrenie:** Een psychiatrische aandoening met herhaaldelijke of langdurige psychotische symptomen, naast andere problemen met denken, voelen en functioneren.
* **Dementie:** Gekenmerkt door geleidelijke achteruitgang in cognitieve functies, met name geheugen, wat leidt tot problemen in het dagelijks functioneren. In beginstadia zijn hallucinaties en wanen doorgaans afwezig.
### 4.9 Medicatie bij Kankerpijn (WHO-pijnladder)
1. **Stap 1:** NSAID's of paracetamol (bv. Ibuprofen, Dafalgan).
2. **Stap 2:** Zwak opioïde met NSAID of paracetamol (bv. Tramadol, Codeïne).
3. **Stap 3:** Sterk opioïde oraal of per pleister (bv. Oxinorm, Fentanylpleister).
4. **Stap 4:** Sterk opioïde per injectie (bv. Morfine, Hydromorfoon injectie).
### 4.10 Algemene farmacologische groepen en hun werking
* **NSAID’s:** Ontstekingsremmers, pijnstillers, koortsverlagend.
* **Anticoagulantia (bv. Coumarinederivaten):** Voorkomen en behandelen van trombose en embolieën.
* **Trombolytica:** Lossen bloedstolsels op.
* **Behandeling bij Diabetes Mellitus:** Insulines (kort-, intermediair- of langwerkend), orale antidiabetica (bv. Metformine).
* **Antibiotica:** Behandelen bacteriële infecties (bv. bij urosepsis).
* **Antivirale middelen:** Behandelen virale infecties.
Dit overzicht biedt een gedetailleerde basis voor het begrijpen van laboratoriumwaarden en hun diagnostische relevantie, cruciaal voor effectieve patiëntenzorg.
---
## Veelgemaakte fouten om te vermijden
- Bestudeer alle onderwerpen grondig voor examens
- Let op formules en belangrijke definities
- Oefen met de voorbeelden in elke sectie
- Memoriseer niet zonder de onderliggende concepten te begrijpen
Glossary
| Term | Definition |
|------|------------|
| Observeren | Het in zijn totaliteit waarnemen van gedrag, lichaamshouding, beweging, kleur, zweten, mimiek, ademhaling en geur bij een patiënt. |
| Ordenen | Het systematisch rangschikken en structureren van geobserveerde klinische gegevens, vaak aan de hand van gestandaardiseerde methoden zoals ISBAR(R), EWS, AVPU, SIRS-criteria, Glasgow comascore, FAST-test of de ABCDE-methode. |
| SBAR-methode | Een communicatiemethode die staat voor Situation, Background, Assessment en Recommendation, en wordt gebruikt om gestructureerd informatie uit te wisselen over patiënten, met toevoegingen als Identification en Readback voor extra duidelijkheid. |
| EWS-score (Early Warning Score) | Een scoringssysteem dat wordt gebruikt om potentieel kritieke patiënten op te sporen of patiënten te identificeren die risico lopen op een cardiorespiratoir arrest door het meten van vitale parameters. |
| AVPU-score | Een methode om de bewustzijnsstatus van een patiënt te beoordelen, waarbij A staat voor Alert (alert), V voor reactie op aanspreken (Voice), P voor reactie op pijn (Pain) en U voor geen reactie (Unresponsive). |
| SIRS-criteria (Systemic Inflammatory Response Syndrome) | Criteria die worden gebruikt om een systemisch ontstekingssyndroom vast te stellen, wat kan leiden tot sepsis, ernstige sepsis of septische shock wanneer gecombineerd met infectie en orgaanfalen. |
| FAST-test | Een snelle test om een beroerte (CVA) te herkennen, waarbij wordt gekeken naar de gezichtsvervorming (Face), de armfunctie (Arm), de spraak (Speech) en de tijd (Time) sinds de symptomen begonnen. |
| ABCDE-methode | Een systematische benadering in de spoedeisende geneeskunde om levensbedreigende aandoeningen te identificeren en te behandelen, waarbij eerst wordt behandeld wat het meest acuut levensbedreigend is: Airway, Breathing, Circulation, Disability en Exposure. |
| Isocoor | Gelijk in diameter, zoals bij gelijke pupillen. |
| Anisocoor | Ongelijk in diameter, zoals bij ongelijke pupillen. |
| Midriase | Het verwijden van de pupillen (grote pupillen). |
| Miose | Het vernauwen van de pupillen (kleine pupillen). |
| AMPLE-AMVIL | Een checklist die gebruikt wordt om snel belangrijke informatie over een patiënt te verzamelen, bestaande uit Allergieën, Medicatie, Voorgeschiedenis, Incident, Laatste maaltijd, Allergieën en Medicatie (herhaald). |
| Arteriële bloedgaswaarden | Metingen van gassen (zoals $O_2$ en $CO_2$) en andere componenten (zoals pH en bicarbonaat) in arterieel bloed, die inzicht geven in de zuur-basebalans en oxygenatie van het lichaam. |
| Acidose | Een toestand waarbij het bloed te zuur is, gekenmerkt door een lage pH ($<7,35$). |
| Alkalose | Een toestand waarbij het bloed te basisch is, gekenmerkt door een hoge pH ($>7,45$). |
| pCO₂ (arterieel) | De partiële druk van koolstofdioxide in arterieel bloed, die wijst op respiratoire acidose bij verhoogde waarden (CO₂-retentie) en respiratoire alkalose bij verlaagde waarden (hyperventilatie). |
| HCO₃⁻ (bicarbonaat) | De concentratie van bicarbonaationen in het bloed, die een indicator is voor metabole acidose bij lage waarden en metabole alkalose bij hoge waarden. |
| pO₂ | De partiële druk van zuurstof in arterieel bloed, waarbij een lage waarde wijst op hypoxemie. |
| O₂-saturatie (SaO₂) | De mate waarin hemoglobine verzadigd is met zuurstof, uitgedrukt in een percentage, waarbij normale waarden tussen 95-100% liggen. |
| NSAID | Non-steroidal anti-inflammatory drug; een groep geneesmiddelen die worden gebruikt voor het verminderen van koorts, ontsteking en pijn. |
| Hypoglycemie | Een te lage bloedsuikerspiegel. |
| Diuretica | Geneesmiddelen die de vochtafdrijving bevorderen via de nieren, vaak gebruikt bij een verhoogde bloeddruk of hartfalen; ook wel 'plaspillen' genoemd. |
| Bètablokkers | Geneesmiddelen die de hartactiviteit verminderen en de renineproductie in de nieren beïnvloeden, gebruikt voor diverse cardiovasculaire aandoeningen, migraine en schildklierproblemen. |
| ACE-inhibitor | Angiotensine-Converting Enzyme inhibitor; een groep geneesmiddelen die worden gebruikt bij hoge bloeddruk, hartfalen en nierziekten. |
| Spasmolyticum | Een geneesmiddel dat krampen van spieren, met name in het maag-darmkanaal, verlicht. |
| Benzodiazepines | Een groep geneesmiddelen die worden gebruikt voor de behandeling van angst, slapeloosheid, epilepsie en alcoholontwenning. |
| COPD (chronische obstructieve longziekte) | Een chronische en progressieve longaandoening waarbij de transport van lucht naar de longen bemoeilijkt wordt door vernauwing van de luchtwegen, leidend tot kortademigheid en hoesten. |
| Botletsel | Een letsel aan een bot, gekenmerkt door pijn, zwelling, inwendige bloeduitstortingen (hematoom), circulatiestoornissen en mogelijke beschadiging van perifere zenuwen. |
| Geriatrie | Een medisch specialisme dat zich richt op de gezondheidsproblemen van ouderen en onderscheid maakt tussen leeftijd-gerelateerde en ziekte-gerelateerde aandoeningen. |
| Kwetsbare ouderen | Ouderen met een verhoogd risico op functieverlies door ziekte, wat leidt tot verminderde zelfredzaamheid en moeite met het zelfstandig regelen van hun leven. |
| Rationele polyfarmacie | Het verstandig voorschrijven van medicatie, waarbij een combinatie van pijnstillers in lagere doseringen soms de voorkeur heeft boven één pijnstiller in een hogere dosering. |
| Ecogram | Een grafische weergave van het sociale netwerk van een oudere. |
| Identiteitsherinneringen | Herinneringen die bijdragen aan het zelfbeeld en de persoonlijke ontwikkeling van een individu. |
| Delier | Een acute, omkeerbare verwardheidstoestand met gestoorde aandacht en oriëntatie, vaak gepaard gaand met hallucinaties en wanen. |
| Dementie | Een geleidelijk progressieve stoornis van de cognitieve functies, waaronder geheugen, oriëntatie en aandacht, waarbij in beginstadia hallucinaties en wanen doorgaans afwezig zijn. |
| Depressie | Een stemmingsstoornis die zich kenmerkt door een geleidelijke achteruitgang, dagschommelingen in stemming, intact geheugen en aandacht, en soms hallucinaties of wanen. |
| MIST | Een acroniem dat gebruikt wordt bij het analyseren van letsels, staande voor Mechanism of injury, Identified injury, Signs en Therapy. |
| Calciumantagonisten | Geneesmiddelen die de instroom van calcium in spiervezels remmen, ter bescherming van het hart en verlaging van de bloeddruk. |
| Sartanen | Een groep geneesmiddelen die vergelijkbaar zijn met ACE-inhibitoren en worden gebruikt wanneer ACE-inhibitoren niet verdragen worden, voornamelijk bij hypertensie en hartfalen. |
| Durogesicpleister | Een medicatiepleister met fentanyl, gebruikt voor pijnstilling. |
| Hartfalen | Een aandoening waarbij het hart onvoldoende bloed rondpompt, waardoor organen te weinig zuurstof ontvangen. |
| Tetanus | Een ziektebeeld veroorzaakt door een bacterieel toxine. |
| Nervus ulnaris | De elleboogzenuw. |
| Vliezen rond hersen en ruggenmerg | De hersenvliezen, bestaande uit de dura mater, arachnoidea en pia mater. |
| A. vertebralis | Een bloedvat (arterie) in de nek dat niet gemakkelijk te palperen is. |
| A. Carotis | De halsslagader. |
| A. radialis | De arterie ter hoogte van de pols. |
| A. femoralis | De arterie ter hoogte van de lies. |
| A. dorsalis pedis | De arterie ter hoogte van de voet. |
| Capillaire refill | De tijd die nodig is om de normale kleur te herstellen nadat er stevig op de huid is gedrukt, een indicator voor de perifere circulatie. |
| Psychogene hyperventilatie | Hyperventilatie veroorzaakt door psychische factoren, leidend tot respiratoire alkalose en symptomen zoals tintelingen en een bleke huid. |
| Respiratoire alkalose | Een toestand waarbij het bloed te basisch wordt door een ademhalingsprobleem, met name door het uitademen van te veel $CO_2$. |
| Respiratoire acidose | Een toestand waarbij het bloed te zuur wordt door een ademhalingsprobleem, met name door het vasthouden van te veel $CO_2$. |
| Longemfyseem | Een longaandoening waarbij de longblaasjes permanent beschadigd zijn, waardoor lucht bij uitademing deels gevangen blijft en patiënten permanent benauwd kunnen zijn. |
| Longoedeem | Vochtophoping in de longen, wat kan leiden tot plotselinge, ernstige benauwdheid. |
| Gestuwde halsvenen | Zichtbaar gezwollen halsaderen, vaak een teken van verhoogde longvaatweerstand of stuwing in de longen, belastend voor de rechter hartkamer. |
| Hartritme = atriumfibrilleren | Een onregelmatige en vaak snelle hartslag waarbij de boezems van het hart niet gecoördineerd samentrekken, wat kan leiden tot hartkloppingen, dyspneu en een verhoogd risico op stolselvorming. |
| Diep veneuze trombose (DVT) | Een bloedstolsel in een diepe ader, meestal in de benen. |
| Trombolyse | Een behandeling met medicatie om een bloedstolsel op te lossen. |
| Compressietherapie | Het toepassen van druk, bijvoorbeeld met steunkousen of drukverband, ter behandeling of preventie van zwelling of trombose. |
| Thrombectomie | Een chirurgische ingreep om een bloedstolsel te verwijderen. |
| Longembolie | Een bloedstolsel dat vanuit een diepe veneuze trombose naar de longen is gereisd en daar een bloedvat blokkeert. |
| Trombosebeen (posttrombotisch syndroom PTS) | Een combinatie van huidverschijnselen aan het been na het doormaken van diep veneuze trombose, zoals oedeem, dunne huid en verkleuring. |
| GCS (Glasgow Coma Scale) | Een schaal die de mate van bewustzijn van een patiënt beoordeelt, gebaseerd op oogopening, verbale reactie en motorische respons. |
| Triagecode | Een classificatie die de urgentie van medische zorg aangeeft, gebruikt in spoedeisende situaties. |
| Aeroob/Anaeroob | Aeroob verwijst naar processen die zuurstof nodig hebben, terwijl anaeroob processen zijn die plaatsvinden zonder zuurstof. Bij bloedkweek wordt eerst een aeroob flesje, daarna een anaeroob flesje gebruikt. |
| Neusbril | Een medisch hulpmiddel dat zuurstof toedient via de neus, doorgaans geschikt voor lagere flowrates tot 6L/min. |
| Evidense-based medicine | Een benadering van medische praktijk die wetenschappelijk onderzoek, klinische ervaring en patiëntvoorkeuren integreert. |
| Cytostatica | Geneesmiddelen die worden gebruikt bij chemotherapie om de groei van kankercellen te remmen. |
| Psychosomatisch | Verwijst naar lichamelijke klachten die veroorzaakt of beïnvloed worden door psychische factoren. |
| Histamine | Een stof die vrijkomt bij allergische reacties en een rol speelt bij ontstekingsprocessen. |
| Auto-immuunziekten | Ziekten waarbij het immuunsysteem van het lichaam eigen weefsels aanvalt. |
| Oestrogeen | Een vrouwelijk geslachtshormoon dat na de menopauze daalt en bijdraagt aan botafbraak. |
| Ziekte van Crohn | Een chronische inflammatoire darmziekte die het gehele spijsverteringskanaal kan aantasten, van mond tot anus, en fistels kan veroorzaken. |
| Colitis ulcerosa | Een chronische ontsteking van de dikke darm die zich beperkt tot het slijmvlies, zelden fistels veroorzaakt en geen vernauwingen geeft. |
| Anisocorie | Ongelijkheid in diameter van de pupillen. |
| Non-rebreathing masker | Een masker dat zuurstof toedient met een reservoir, bedoeld voor hogere concentraties zuurstof. |
| Diabetische ketoacidose (DKA) | Een acute complicatie van diabetes mellitus (vooral type 1) gekenmerkt door insulinetekort, hyperglycemie, verhoogde ketonen en verzuring van het bloed. |
| Hyperomolaire hyperglycemische non-ketonische syndroom (HHS) | Een ernstige complicatie van diabetes mellitus (vooral type 2) gekenmerkt door ernstige hyperglycemie, uitdroging en neurologische symptomen, zonder significante ketonvorming. |
| Leucocyten | Witte bloedcellen, die een indicator zijn voor ontsteking. |
| Psychose | Een toestand waarbij iemand het contact met de realiteit verliest, met symptomen als wanen en hallucinaties. |
| Schizofrenie | Een psychiatrische aandoening die wordt gekenmerkt door terugkerende of langdurige psychotische symptomen, naast problemen in denken, voelen en functioneren. |
| Wilsbekwaam | Het vermogen hebben om weloverwogen beslissingen te nemen. |
| Gedwongen opname | Opname in een psychiatrische instelling tegen de wil van de patiënt, indien deze een gevaar vormt voor zichzelf of anderen en geen ziekte-inzicht of wilsbekwaamheid heeft. |
| Gemengde zuur-base-stoornis | Een combinatie van twee of meer enkelvoudige zuur-base-stoornissen. |
| Hypokaliëmie | Een te laag kaliumgehalte in het bloed. |
| Nitroglycerine | Een geneesmiddel uit de groep nitraten dat bloedvaten verwijdt, gebruikt bij angina pectoris. |
| Angina pectoris | Pijn op de borst door zuurstoftekort van de hartspier. |
| Vasodilatatie | Het verwijden van bloedvaten. |
| Orthostatische hypotensie | Bloeddrukdaling bij het opstaan. |
| WHO-pijnladder | Een richtlijn voor de behandeling van pijn, met verschillende stappen afhankelijk van de intensiteit van de pijn. |
| NSAID | Non-steroidal anti-inflammatory drug; een groep geneesmiddelen die worden gebruikt voor het verminderen van koorts, ontsteking en pijn. |
| Opioïde | Een groep sterke pijnstillers. |
| Protonpompremmers | Geneesmiddelen die de productie van maagzuur remmen. |
| Tricyclisch antidepressivum (TCA) | Een groep antidepressiva die ook gebruikt wordt voor chronische pijn. |
| Methadon | Een opioïde agonist, gebruikt voor sterke pijnstilling en als substitutietherapie bij opioïdeverslaving. |
| Lisdiureticum | Een type diureticum dat de uitscheiding van zout en water bevordert. |
| Thiazidediuretica | Een type diureticum dat de bloeddruk verlaagt door de uitscheiding van zout en water te stimuleren. |
| Cardiace glycosiden | Geneesmiddelen die de contractiekracht van het hart versterken en de hartslag vertragen. |
| Vitamine K-antagonisten | Anticoagulantia die de bloedstolling remmen. |
| Trombocytenaggregatieremmers | Geneesmiddelen die de samenklontering van bloedplaatjes tegengaan. |
| Anti-aritmica | Geneesmiddelen die worden gebruikt om hartritmestoornissen te behandelen. |
| Anti-craving middelen | Middelen die helpen bij het verminderen van de drang naar alcohol. |
| Opioïdeverslaving | Afhankelijkheid van opioïde pijnstillers. |
| Recidief | Het terugkeren van een ziekte of aandoening op dezelfde plaats. |
| Metastasen | Uitzaaiingen van kanker naar andere delen van het lichaam. |
| Cervixcarcinoom | Baarmoederhalskanker. |
| LUTS | Lower Urinary Tract Symptoms; symptomen van de onderste urinewegen. |
| Nierinsufficiëntie | Verminderde werking van de nieren. |
| Lactaatacidose | Ophoping van melkzuur in het lichaam, een zeldzame bijwerking van metformine. |
| Hypoglykemie | Een te lage bloedsuikerspiegel. |
| Bradycardie | Een te trage hartslag. |
| QT-verlenging | Een afwijking op het elektrocardiogram (ECG) die het risico op ernstige hartritmestoornissen verhoogt. |
| Hypertensie | Hoge bloeddruk. |
| Angina pectoris | Pijn op de borst door zuurstoftekort van de hartspier. |
| Angio-oedeem | Zwelling van dieper gelegen delen van de huid en slijmvliezen. |
| Hyperkaliëmie | Een te hoog kaliumgehalte in het bloed. |
| Anticholinergicum | Een geneesmiddel dat de werking van acetylcholine blokkeert, gebruikt om bijvoorbeeld blaasspierkrampen te verminderen. |
| Benzodiazepine | Een groep kalmerende middelen die ook spierontspannend werken. |
| Opioïde | Een groep sterke pijnstillers. |
| Hartfalen | Een aandoening waarbij het hart onvoldoende bloed rondpompt. |
| Atriumfibrilleren | Een onregelmatige en snelle hartslag van de boezems. |
| Trombose | De vorming van een bloedstolsel in een bloedvat. |
| Embolie | De verstopping van een bloedvat door een bloedstolsel of ander materiaal dat via de bloedbaan is meegevoerd. |
| Hypoglykemie | Een te lage bloedsuikerspiegel. |
| Schildklierstoornissen | Afwijkingen in de werking van de schildklier. |
| Longtoxiciteit | Schadelijke effecten op de longen. |
| Fotosensitiviteit | Verhoogde gevoeligheid van de huid voor zonlicht. |
| Alcoholafhankelijkheid | Verslaving aan alcohol. |
| Abstinentie | Het zich onthouden van een bepaalde stof of gedrag. |
| Bradycardie | Een te trage hartslag. |
| Koude extremiteiten | Koude handen en voeten, vaak een teken van verminderde doorbloeding. |
| Ischemisch CVA | Een beroerte veroorzaakt door een bloedvatverstopping in de hersenen. |
| Myocardinfarct | Hartaanval. |
| Trombolytica | Geneesmiddelen die bloedstolsels oplossen. |
| Contra-indicaties | Omstandigheden waarin een geneesmiddel of behandeling niet mag worden gebruikt. |
| Hongeroedeem | Vochtophoping in de weefsels als gevolg van een eiwittekort in het bloed. |
| Colloïd-osmotische druk | De druk die door eiwitten in het bloedplasma wordt uitgeoefend, belangrijk voor vochttransport. |
| Diagnosestelling | Het proces van het vaststellen van een ziekte of aandoening. |
| Observeren | Waarnemen van klachten, labo-resultaten, symptomen, etc. |
| Ordenen | Rangschikken van observaties. |
| Oordelen | Het vaststellen, diagnosticeren of besluitvormen. |
| Chronische Bronchitis | Een vorm van COPD waarbij de vertakkingen van de luchtpijp blijvend ontstoken zijn, vaak veroorzaakt door roken. |
| Emfyseem | Een vorm van COPD waarbij de wanden van de longblaasjes permanent beschadigd zijn. |
| Mucolytica | Slijmoplossers. |
| Corticosteroïden | Ontstekingsremmende medicatie. |
| Situation | De huidige toestand of het probleem van de patiënt. |
| Background | Relevante voorgeschiedenis, diagnoses, medicatie en andere medische informatie van de patiënt. |
| Assessment | De beoordeling van actuele of verwachte problemen van de patiënt, vaak gebaseerd op parameters en labo-uitslagen. |
| Recommendation | De voorgestelde acties of vervolgstappen voor de patiëntenzorg. |
| Readback | Het herhalen van de afspraken en deze noteren in het patiëntendossier om misverstanden te voorkomen. |
| Hartfrequentie | Het aantal hartslagen per minuut. |
| Ademhalingsfrequentie | Het aantal ademhalingen per minuut. |
| Leukocyten | Witte bloedcellen, een indicator voor ontsteking. |
| CVA (cerebrovasculair accident) | Beroerte; hersenletsel veroorzaakt door een onderbreking van de bloedtoevoer naar de hersenen. |
| Cervicale wervelkolom | De nekwervels. |
| Anafylactische shock | Een ernstige, levensbedreigende allergische reactie. |
| Dyspnoe | Kortademigheid. |
| Apneu | Ademstilstand. |
| Orthopnoe | Kortademigheid die optreedt in liggende houding en verbetert bij rechtop zitten. |
| Cyanose | Blauwverkleuring van de huid door een zuurstoftekort. |
| Capillaire refill | De tijd die nodig is om de normale kleur te herstellen nadat er stevig op de huid is gedrukt. |
| Glycemie | De bloedsuikerspiegel. |
| Vreemd gedrag | Afwijkend gedrag dat kan duiden op een neurologisch probleem. |
| Stuipen | Onvrijwillige spiersamentrekkingen, ook wel convulsies genoemd. |
| Eupnoe | Normale ademhaling. |
| Bradypnoe | Langzame ademhaling. |
| Hyperpnoe | Diepe ademhaling. |
| Cheyne-Stokes ademhaling | Een abnormaal ademhalingspatroon gekenmerkt door periodes van diepere ademhaling gevolgd door afnemende ademdiepte en ademstilstand. |
| Kussmaul ademhaling | Een diepe, snelle ademhaling die vaak voorkomt bij diabetische ketoacidose. |
| pH | De zuurgraad van het bloed. |
| pCO2 | Partiële druk van koolstofdioxide in het bloed. |
| Bicarbonaat | Een buffer in het bloed die de pH reguleert. |
| pO2 | Partiële druk van zuurstof in het bloed. |
| SaO2 | Zuurstofsaturatie in het bloed. |
| Delier | Acute verwardheidstoestand met wisselend bewustzijn en aandacht. |
| KTG (kortetermijngeheugen) | Het vermogen om recente informatie tijdelijk vast te houden. |
| LTG (langetermijngeheugen) | Het vermogen om informatie voor langere tijd op te slaan. |
| Dementie | Geleidelijk progressieve achteruitgang van cognitieve functies. |
| Depressie | Stemmingsstoornis met somberheid, lusteloosheid en soms psychomotorische vertraging. |
| Diabetische ketoacidose (DKA) | Acute complicatie van diabetes met hoge bloedsuikers, ketonen en verzuring van het bloed. |
| Vochttekort | Een situatie waarbij het lichaam te weinig vocht bevat. |
| Plasma-osmolariteit | De concentratie van opgeloste deeltjes in het bloedplasma, een maat voor de concentratie van het bloed. |
| Ketonen | Afbraakproducten van vetten die bij diabetes mellitus kunnen ontstaan. |
| Urosepsis | Bloedvergiftiging die ontstaat vanuit een urineweginfectie. |
| Rupturerend abdominaal aorta aneurysma | Een levensbedreigende situatie waarbij een uitgezette buikslagader scheurt. |
| Scopie | Kijkonderzoek, bijvoorbeeld endoscopie. |
| An | Zonder, tekort aan. |
| Itis | Ontsteking. |
| Artr | Gewricht. |
| Gyn | Vrouwelijk, vrouwelijke geslachtsorganen. |
| Ectomie | Chirurgische verwijdering. |
| Auscultatie | Luisteren naar geluiden in het lichaam, bijvoorbeeld met een stethoscoop. |
| Palpatie | Het voelen van organen of lichaamsdelen. |
| Inspectie | Visuele beoordeling van de patiënt. |
| Percussie | Het beoordelen van organen door erop te kloppen. |
| Spina bifida | Open rug. |
| Vlokkentest | Prenatale test om genetische afwijkingen te onderzoeken. |
| Vruchtwaterpunctie | Het afnemen van vruchtwater voor onderzoek. |
| Tripletest | Prenatale bloedtest voor screening op Downsyndroom en open rug. |
| Echoscopie | Beeldvormend onderzoek met geluidsgolven. |
| NIPT (Niet-invasieve prenatale test) | Prenatale test voor genetische afwijkingen. |
| Cystitis | Blaasontsteking. |
| Pyelonefritis | Nierbekkenontsteking. |
| Commensaal | Een micro-organisme dat in symbiose leeft met de gastheer. |
| Pneumonie | Longontsteking. |
| Erysipelas | Wondroos, een bacteriële huidinfectie. |
| Abortus | Miskraam. |
| Lactatie | Borstvoeding. |
| Indicatie | De reden waarom een behandeling of medicijn wordt voorgeschreven. |
| Beninge | Goedaardig, niet-kwaadaardig. |
| Mutatie | Verandering in het DNA. |
| Placebo | Een nepmedicijn zonder werkzame stof. |
| Partus | Bevalling. |
| Paralyse | Verlamming. |
| Compliance | Therapietrouw; het naleven van een behandelplan. |
| Teratogeen | Stoffen die schadelijk kunnen zijn voor de ontwikkeling van de foetus. |
| Mediaal | Naar het midden toe. |
| Autorisatie | Bevoegdheid of toestemming. |
| Abdomen | Buik. |
| Hypothyreoïdie | Een traag werkende schildklier. |
| Afasie | Verworven taalstoornis na hersenletsel. |
| Motorische afasie | Moeilijkheden met spreken, schrijven en gebaren maken, maar taalbegrip is intact. |
| Amnetische afasie | Moeilijkheden met het vinden van woorden en namen. |
| Sensorische afasie | Moeilijkheden met het begrijpen van taal. |
| Globale afasie | Ernstige stoornissen in zowel spreken als begrijpen. |
| Diabetes mellitus | Een chronische aandoening waarbij het lichaam de bloedsuikerspiegel niet goed kan reguleren. |
| Dehydratatie | Uitdroging, een vochttekort in het lichaam. |
| Xerostomie | Een droge mond. |
| Afgenomen huidturgor | Verminderde elasticiteit van de huid. |
| Hypotoon dehydratatie | Uitdroging door verlies van elektrolyten, met name zout. |
| Hypertoon dehydratatie | Uitdroging door groter verlies van water dan elektrolyten. |
| Isotoon dehydratatie | Uitdroging door een evenredig verlies van water en elektrolyten. |
| Hartslag | Het aantal keren dat het hart per minuut samentrekt. |
| Bloeddruk | De druk die het bloed uitoefent op de wanden van de bloedvaten. |
| Ademhaling | Het proces van in- en uitademen. |
| Glycemie | De bloedsuikerspiegel. |
| Hartritmestoornissen | Afwijkingen in het normale ritme van het hart. |
| Hartfalen | Aandoening waarbij het hart onvoldoende bloed rondpompt. |
| Atriumfibrilleren | Onregelmatige en snelle hartslag van de boezems. |
| Anticoagulantia | Bloedverdunners. |
| Acenocoumarol | Een vitamine K-antagonist, gebruikt als bloedverdunner. |
| Sintrom | Een merknaam voor acenocoumarol. |
| Trombose | Vorming van een bloedstolsel in een bloedvat. |
| Embolie | Afsluiting van een bloedvat door een meegevoerd stolsel of deeltje. |
| INR (International Normalized Ratio) | Een gestandaardiseerde maat voor de bloedstollingstijd. |
| Insuline | Een hormoon dat de bloedsuikerspiegel reguleert. |
| Insulatard | Een langwerkende insuline preparaat. |
| Trombocytenaggregatieremmers | Geneesmiddelen die de samenklontering van bloedplaatjes tegengaan. |
| Plavix | Een merknaam voor clopidogrel, een trombocytenaggregatieremmer. |
| Clopidogrel | Een trombocytenaggregatieremmer. |
| CVA (cerebrovasculair accident) | Beroerte. |
| Myocardinfarct | Hartaanval. |
| Amiodaron(e) | Een anti-aritmisch geneesmiddel. |
| Anti-craving middelen | Middelen die de drang naar alcohol verminderen. |
| Campral | Een merknaam voor acamprosaat, een anti-craving middel. |
| Acamprosaat | Een middel tegen alcoholverslaving. |
| Co-bisoprolol | Een combinatie van bisoprolol en hydrochloorthiazide, gebruikt voor hoge bloeddruk en hartfalen. |
| Bisoprolol | Een bètablokker. |
| Atenolol | Een bètablokker. |
| Furosemide FAR | Een lisdiureticum. |
| Lisdiureticum | Een diureticum dat de uitscheiding van zout en water bevordert. |
| Thiazidediuretica | Een groep diuretica die de bloeddruk verlaagt door zout en water uit te scheiden. |
| Actilyse | Een merknaam voor alteplase, een trombolyticum. |
| Alteplase | Een trombolyticum dat bloedstolsels oplost. |
| Trombolyse | Behandeling met medicatie om bloedstolsels op te lossen. |
| Cytostatica | Chemotherapie middelen die de groei van kankercellen remmen. |
| Colitis ulcerosa | Een chronische ontsteking van de dikke darm. |
| Miskraam | Abortus. |
| Lactatie | Borstvoeding. |
| Indicatie | Reden voor het gebruik van een medicijn of behandeling. |
| Goedaardig | Niet-kwaadaardig. |
| Mutatie | Verandering in het DNA. |
| Placebo | Een middel zonder werkzame stof. |
| Partus | Bevalling. |
| Paralyse | Verlamming. |
| Compliance | Therapietrouw. |
| Teratogeen | Schadelijk voor de foetus. |
| Mediaal | Naar het midden toe. |
| Autorisatie | Bevoegdheid. |
| Abdomen | Buik. |
| Hypothyreoïdie | Traag werkende schildklier. |
| Afasie | Verworven taalstoornis na hersenletsel. |
| Motorische afasie | Moeilijkheden met spreken, schrijven en gebaren maken. |
| Amnetische afasie | Moeilijkheden met het vinden van woorden en namen. |
| Sensorische afasie | Moeilijkheden met het begrijpen van taal. |
| Globale afasie | Ernstige stoornissen in spreken en begrijpen. |
| Dehydratatie | Uitdroging. |
| Xerostomie | Droge mond. |
| Huidturgor | De elasticiteit van de huid. |
| Hypotoon dehydratatie | Uitdroging door verlies van elektrolyten. |
| Hypertoon dehydratatie | Uitdroging door groter waterverlies dan elektrolytenverlies. |
| Isotoon dehydratatie | Uitdroging door evenredig verlies van water en elektrolyten. |